Het regende nog altijd, ja, het kletterde zoo hard, dat men het loopen

buiten in 't geheel niet kon hooren.

Ik zat nu alleen in het onderste vertrek en wachtte. Na een poos

kwamen de vier mannen terug, en Halef berichtte:

--Sihdi, ze zijn boven. De laatste is nu al halverwege. Zij zijn met

hun zevenen.

--Er waren negen personen in de koornschelf bijeen. De Miridiet is

weg. Mubarek zal terug gebleven zijn, omdat hij gewond is.

--Dat klopt. Nu zullen wij terstond de ladder wegnemen en de spuit

halen.

--Slaat dekens om, anders wordt gij tot op uw hemd toe nat.

Zij deden dat in allerijl en schoven den grendel van de deur weg,

om naar buiten te gaan. Ik richtte mij aan den muur op en deed

het achterluik open. Buiten was het donker; maar toch merkte ik,

ondanks de duisternis en den geweldigen regen, al spoedig de vier

mannen, die zeer dicht bij het raam druk bezig waren. Ook hoorde ik

het regelmatige geknars van den slinger der spuit, die aan de slang

vastgeschroefd was. Mijn makkers pompten, met alle kracht, water naar

boven. De waterbak was juist voor mijn raam. Van tijd tot tijd hoorde

ik Halef heel zacht commando's geven. Ondanks den regen was de kleine

Halef volkomen in zijn element.

Boven bleef echter alles stil. Dat het pompen aldaar water deed

stroomen, was zeker. Waarschijnlijk begrepen de schurken niet, waar

het van daan kwam, maar zij pasten wel op, hun tegenwoordigheid niet

te verraden. Maar zij deden wat ze konden, om het luik op het terras

open te krijgen. Habulam toch had gezegd, dat hij ten overvloede een

boor zou medenemen. De mogelijkheid bleef, dat het hun gelukte de kram

los te boren. In dat geval kwamen zij naar beneden, en ik maakte mij

gereed, hen met mijn revolver te ontvangen. Maar hoe scherp ik ook

luisterde, ik hoorde op de trap geenerlei geluid. Halef had het luik

goed dicht getimmerd!

Er verliep heel wat tijd, wel een vol uur. Toen kwam mijn viertal

bij mij terug.

--We zijn klaar, Sihdi!--berichtte hij. Wij hebben met inspanning

van alle krachten gepompt. Maar nu zijn wij door en door nat. Mogen

wij het licht aansteken?

--Ja; het is beter, licht op te hebben.

Hij stak de lamp aan en deed er olie in. Toen gingen zij naar boven, in

het vertrek beneden dat, waar onze vijanden in het water stonden. Daar

openden zij een luik, en toen hoorde ik Halef's stem:

--Allam, sallam wer, tschelebilerim. Allah zij met u, mijne

Heeren! Wildet gij bij deze stikkende hitte, daar boven wat frissche

lucht happen? Hoe bevalt u het heerlijk vergezicht? Onze Effendi

laat u vragen, of hij soms zijn Duurbuun (verrekijker) zal zenden,

opdat gij den regen te beter zoudt kunnen zien?

Ik luisterde, maar hoorde geen antwoord. De bespotten schenen zich

stil te houden.

--Waarom neemt gij, bij nachttijd, daar boven een bad?--vroeg Halef

verder.--Is dat hier in deze streek zoo het gebruik? Het zou mij zeer

spijten, wanneer het water daarvoor niet warm genoeg was. Maar men

mag menschen die zich baden, niet beluisteren; daarom zullen wij

zoo beleefd zijn ons te verwijderen. Ik wil hopen, dat gij tegen

den morgen gereed zult zijn, dan zal ik, uw onderdanige dienaar,

mij veroorloven naar den toestand uwer gezondheid te komen vragen.

Hij kwam met de anderen beneden en lachte zeggende:

--Sihdi, ze zijn prachtig in de val geloopen, en niet een durft een

woord te zeggen. Ik meende, dat ik ze hoorde klappertanden. Nu zouden

wij gerust kunnen gaan slapen, want niemand zou ons kunnen storen.

--Ja, gaat rustig slapen,--zeide Janik,--want gij moet moede zijn

van het rijden. Ik heb nog de minste behoefte aan slaap. Ik zal

waken en u roepen als het noodig mocht zijn. Maar wij hebben niets

te vreezen. Die mannen kunnen niet naar beneden komen. Hoogstens zou

het kunnen gebeuren dat het water naar beneden kwam siepelen. Maar

ook dat zou geen gevaar opleveren.

Hij had gelijk. En daar wij ons op hem konden verlaten, legden wij ons,

om te gaan slapen.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

OP VERDRINKEN AF.

Ofschoon ik vermoeid was en rust behoefde, kon ik den slaap niet

vatten. Ik hoorde het gedurige, zachte gelach van mijn Hadschi, die

zich aldoor verkneukelde van pret over het welgelukken van de kool,

die hij den mannen op het dak had gestoofd en daarom ook geen rust

kon vinden. Ik luisterde naar het onverpoosde eentonige geruisch van

den regen, dat mij deed indommelen. Nauwlijks was die betrekkelijke

rust mij geworden, of men klopte aan mijn deur, juist zooals ik het

Janik gezegd had. Ik richte mij op, vermoedende dat het Anka zou zijn,

die ons iets te zeggen had.

Janik deed open, en mijn vermoeden bleek juist geweest te zijn. Het

meisje kwam binnen. Halef, Osko en Omar waren natuurlijk terstond

bij de hand.

--Neem mij niet kwalijk, Effendi,--zeide onze bekoorlijke

bondgenoote.--Ik breng u een tijding. Janik heeft mij uw voornemen

verteld: gij wildet die mannen daar boven in het water zetten. Is u

dat gelukt?

--Ja, en zij zijn nog boven.

--En ik houd het er voor, dat ze weg zijn.

--Neen maar! Hoe zouden zij er hebben kunnen afkomen?

--Dat weet ik niet; maar ik heb alle reden om te gelooven, dat zij

bij ons in huis zijn.

--Dat zouden wij allerminst verwachten. Maar vertel, wat gij weet.

--Janik zeide, ik moest scherp opletten. Habulam zond mij al vroeg naar

boven, maar ik ging niet slapen, ik bleef uit het raam kijken. Ik zag

mijn Heer met Humun naar den tuin sluipen. Opdat ik hen zou hooren

terugkomen, ging ik naar de beneden-verdieping en verstopte mij

achter de deur van een daar aanwezig kamertje, waar hij voorbij moest,

en die ik op een kier liet staan. Ondanks de moeite, die ik mij gaf

om wakker te blijven, toch sliep ik in. Hoe lang dat geduurd heeft,

weet ik niet. Ik werd wakker doordat er twee mannen uit den tuin

kwamen en mijn deur voorbij gingen. De eene sprak en ik herkende

Habulam aan zijn stem. Hij vloekte zooals ik het nog nooit van hem

had gehoord. Hij zeide, dat er een groot vuur moest aangemaakt worden

en men hem kleeren moest brengen. Ik geloof, dat het Humun was, tegen

wien hij sprak. In de keuken begon het al spoedig te spoken. Allerlei

kwaadaardige stemmen hoorde ik bij het knetterend en knappend vuur. Wat

die lui van plan zijn, weet ik niet, maar ik heb mij gehaast om naar

u toe te gaan, opdat gij zoudt weten wat ik opgemerkt had.

--Goed gedaan! Maar op de een af andere manier moeten die menschen

beneden gekomen zijn. Halef, waar hebt gij de ladder gezet?

--Nergens wij hebben die op den grond laten liggen. Mijn badgasten

kunnen toch van boven af haar niet opgehaald hebben!

--Dat zeker niet, maar enkelen van hen kunnen langs de slang zich

naar beneden hebben laten zakken en de ladder opgericht hebben.

--Hascha--God beware! Dat moeten wij terstond gaan zien!

In allerijl ging hij naar buiten. Omar en Osko hem achterna. Toen zij

na enkele oogenblikken terug kwamen, keek Halef mij innig verdrietig

aan en zeide:

--Ja, Sihdi, ze zijn weg. Ik ben boven geweest.

--Dus staat de ladder tegen den toren?

--Helaas! Aan de andere zijde ligt de slang op den grond.

--Juist zooals ik vreesde. Zij hebben de slang ontdekt. Enkelen hebben

zich daar langs laten afglijden, waarna ze losgemaakt en naar beneden

geworpen is. Toen hebben zij de ladder opgezet. Zij, die nog boven

waren, zijn toen naar omlaag gekomen en naar de keuken gegaan om hun

kleeren te drogen.

--Ik wou ze zaten in de hel, waar ze veel gauwer zouden drogen dan

in de keuken,--vloekte Halef.--Wat moeten wij nu doen, Sihdi?

--Hm! Dat moet overlegd worden. Ik meen, dat wij----

Er liet zich een stem hooren. Wij hadden de deur niet gegrendeld en

iets aan laten staan, zoodat het licht naar buiten viel. De deur werd

opengestooten en wij hoorden de stem van Habulam:

--Anka, scheitan kijzi (duivelskind)! Wie heeft je verlof gegeven om

hier naar toe te gaan?

Het meisje kromp ineen van schrik.

--Kom er terstond uit!--beval de buitenstaande.--En Janik, beest,

jij ook daar binnen! Wat heb jelui naar den tuin te sluipen! Er uit,

alle twee! De zweep zal je leeren gehoorzaam te zijn.

--Murad Habulam,--antwoordde ik,--zoudt gij zoo vriendelijk willen

zijn, binnen te komen?

--Om me van uw boozen blik te laten verderven? Dank je wel! Als ik

geweten had, wat een opstoker van dienstvolk gij zijt, ge waart in

mijn huis niet gekomen.

--Daarover wil ik het met u wel eens nader hebben. Kom maar binnen!

--Ik zal je danken! Stuur me mijn volk terug! Dat valsche tuig heeft

niets bij u te maken!

--Haal ze!

Hij antwoordde niet, maar ik hoorde fluisteren. Hij was dus niet

alleen.

--Als hij niet komt, zal ik hem halen,--zeide Halef en vatte de half

geopende deur. Ik hoorde het overhalen van een haan en de woorden:

--Terug, hond, of ik schiet je neer!

Halef trad op zij en deed de deur dicht.

--Hebt gij het gehoord, Sihdi?--vroeg hij, veel meer verwonderd

dan verschrikt.

--Zeer duidelijk,--antwoordde ik. Dat was de stem van Barud el Amasat.

--Dat geloof ik ook. Er stonden hier tegenover bij de koornschelf

twee mannen, die de geweren op mij aanlegden. De sluipmoord is hun

niet gelukt, nu willen zij tot een openlijken aanval overgaan.

--Dat betwijfel ik. Ze durven ons maar niet zoo neerschieten; dat zou

te algemeen bekend worden. Was het hun ernst geweest, dan hadden zij

niet slechts gedreigd maar ook geschoten.

--Zou u dat denken? Maar waarom posteeren die twee zich daar ginds?

--Dat begrijp ik heel goed. Zij willen zich uit de voeten maken. Men

heeft de afwezigheid van Janik en Anka opgemerkt en heeft argwaan

opgevat. Men heeft ze gezocht en bij ons gevonden. Nu weten

de schurken, dat zij het best doen met te vluchten, en opdat wij

hun niet zouden hinderen, moeten die twee ons hier binnen houden,

onderwijl de anderen alles voor een snelle vlucht gereed maken.

--Dat hebt gij, mijns inziens, goed geraden, Effendi; maar zullen

wij ze maar zoo ongehinderd laten wegtrekken?

Ik nam mijn berendooder, stond op en strompelde langs den muur tot

aan het luik naast de deur. Omar moest het licht uitblazen, zoodat

men mij van buiten af, niet goed zou kunnen zien. Ik trok het luik

zachtjes open en keek naar buiten. Het had opgehouden met regenen,

en de dag begon te lichten. Tegenover mij, slechts enkele passen van

onzen toren af, leunden twee personen. De een had de kolf van zijn

geweer op den grond; de andere hield het geweer recht overeind in

zijn rechterarm. Daar hij met zijn rechterprofiel naar mij toe stond,

liep de loop van zijn geweer langs zijn wang en stak boven zijn hoofd

uit. Die twee schenen ernstig met elkaar te redeneeren.

Ik kon mijn berendooder op het raam van het luik laten rusten en was

daardoor, ook in mijn kreupelen toestand, volkomen zeker van mijn

schot, hoe het ook nog schemerde. Ik mikte op den loop van 's mans

geweer, en schoot. Bijna op hetzelfde moment, dat het schot viel,

weerklonk een jammerkreet. Mijn kogel had getroffen, waardoor de man

met den loop van zijn eigen geweer zulk een geweldigen slag tegen

wang en hoofd had gekregen, dat het hem uit de handen vloog.

--Ej mussibet, ej bylekiat! O ramp, gluiperd!--kreet hij. Ik herkende

de stem, het was Barud el Amasat.

--Voort, voort!--riep Manach.--Dat schot brengt alle man in huis op

de been!

Hij raapte het geweer van den ander op, greep hem bij den arm en trok

hem met zich mee. In een oogenblik waren zij verdwenen.

Uit wat Manach zeide, bleek dat zij niet van plan geweest waren om

te schieten. Zij wilden niet, dat het dienstpersoneel iets van hun

aanwezigheid zou weten.

Nu wendde ik mij tot mijn genooten:

--Vat uw wapens, en vlug naar den stal! Er is gevaar dat die schurken

onze paarden zullen meenemen.

Allen ijlden de deur uit. Ik posteerde mij er tegenover en hield mijn

berendooder in de hand, om op alles gewapend te zijn.

Ook Anka was mee gegaan. Al spoedig kwam zij met Janik en Omar terug,

en ik hoorde, dat Osko en Halef in den stal waren gebleven om op de

paarden te passen. Het scheen, dat niemand ze voor zich had willen

hebben; er was niemand komen opdagen. Dat stelde mij gerust.

Nu moesten wij vóór alles, weten waar de boomen te zoeken, waar de

paarden van onze vijanden ondergebracht waren; maar noch Anka noch

Janik wisten het.

--Ik ben er zeker van, dat Humun het weet,--zeide de flinke

jongen,--maar hij zal het u niet zeggen.

--O, ik heb een probaat middel, gaf ik hem ten antwoord,--een tang,

waarmee ik alles wat ik wil uit hem haal.

--Dan kunt gij meer dan anderen. Hij zal zijn meester en diens

bondgenooten nooit verraden.

--Welnu, gij zult er bij zijn, om u te overtuigen, hoe openhartig hij

mij zal zeggen wat ik weten wil. Kent gij Afrit, den kleermaker, beter?

--Neen. Wel weet ik, dat hij eigenlijk Suef heet, maar veel weet ik

van hem niet. Hij komt zeer dikwijls bij Murad Habulam, en ik verdenk

hem sterk dat het geen eerlijke zaken zijn die zij doen. Daarom ben ik

hem steeds uit den weg gegaan. Het is beter met zulke menschen niet

in aanraking te komen. Het liefst zou ik van hier weggaan en blij

zijn, als ik u naar Weicza zou mogen begeleiden. Indien gij nabij of

te Karanorman-Khan iets te doen hebt, zou ik u misschien van dienst

kunnen zijn.

--Ik zoek daar een groot misdadiger, die waarschijnlijk een vriend

en bondgenoot van Habulam is.

--Hoe? Met zulke menschen is mijn Heer bevriend?

--Ja. De mannen, die heden bij hem waren, zijn even groote dieven en

moordenaars, en staan ons naar het leven. En wat uw heer is, behoeft

gij niet te vragen, daar hij ons heeft willen vergiftigen.

--Dat is zoo. Effendi, ik blijf niet hier! Ik verlaat dit huis,

al moest ik ook nog zoo lang zonder werk en verdienste blijven. Ons

trouwen moet dan wel langer uitgesteld worden, maar wij wachten liever,

dan dat wij zulk een meester zouden dienen.

--Nu, wat dat uitstellen betreft, dat zal zoo lang niet zijn, want gij

hebt van mij nog te vorderen, en Anka ook, wat ik u schuldig ben. Gij

hebt ons het leven gered. Zonder u leefden wij niet meer. Gij hebt dus

van ons een loon te vorderen voor de redding, een loon overeenkomende

met wat wij kunnen geven.

--Dat is zoo--werd er bij de deur gezegd.--Wij zullen van ons niet

laten zeggen, dat wij ondankbaar zijn, Sihdi!

--Het was Halef, die dat zei. Hij was uit den stal gekomen en had

het laatste gedeelte van ons gesprek gehoord. En hij liet er opvolgen:

--Wij zijn, helaas! niet rijk, maar toch is het ons misschien nog wel

mogelijk uw uitstel wat te bekorten. Als gij om ons uw dienst verlaat,

dan moeten wij er voor zorgen, dat gij niet weer moet gaan dienen. Ik

vraag u dus, Janik, krachtens mijn hoogheiligheid als Hadschi, of

gij deze Anka, hier tegenwoordig, tot vrouw hebben wilt?

--Natuurlijk!--zei Janik, bij dat vooruitzicht vergenoegd lachende.

--En tegen wanneer?

--Liefst zoo spoedig mogelijk.

--En gij, roos van Kilissely en redster van ons leven, zal deze

dienstknecht Janik uw man zijn, wien gij steeds zult gehoorzamen,

zoolang hij niet onredelijk is en geen domheden van u vordert?

--Ja, hij zij mijn man!--zei het meisje blozend.

--Welnu, dan moge onze zegen op u nederdalen uit den buidel van geluk

en dank. Ik ben de roemrijke kassier van ons gezelschap. Het was

geld uit den booze, maar wij besloten, het tot engelen-munt te maken,

en daartoe stelt gij ons nu in de gelegenheid.

Hij bracht zijn langen geldbuidel te voorschijn, dien wij in den

strijd bij de Derekulibe hadden veroverd, en hij deed dien open.

--Draagt het uw goedkeuring weg, Sihdi?--vroeg hij.

--Volkomen!--knikte ik hem toe, benieuwd, hoeveel hij aan hen zou

geven.

--Zoo steke dan ieder van u de handen naar mij toe, om daarin den

regen der fortuin te ontvangen.

Janik deed terstond wat Halef hem zeide. Hij sloot zijn vingers,

bracht de pinken tegen elkaar en strekte de komvorm zijner handen

Halef toe. Anka, dat ziende, deed eveneens. De kleine Hadschi tastte

in den buidel, en begon te tellen. Hij legde telkens in Janiks en in

Anka's handen een goudstuk en telde:

--Bir, iki, aetsch, dourt, besch, alti, jedi, sekiz, dokus,

on.... aldus tot tien.

Hij had telkens louter gouden turksche ponden uitgeteld, alzoo hadden

Janik en Anka, ieder duizend piasters f 108,--à f 114,--ontvangen,

wat voor die menschen een waren schat uitmaakte. Daarna vroeg hij

den vroolijk verwonderden:

--Weet gij soms wat Aktsche baschy (agio) is?

--Neen--antwoordde Janik.

--Aktsche baschy is de meerdere waarde van honderd piasters in goud,

dan van honderd in zilver. Dat verschil is op dit oogenblik acht

piasters op de honderd. Wanneer gij dus een goudstuk van honderd

piasters voor zilver wisselt, moet gij honderd en acht zilveren

piaster er voor krijgen. Denkt er aan, want dat maakt voor ieder van

u een verschil van tachtig piasters.

Die uitlegging was niet overtollig. Want die de meerdere waarde van

goud, boven die van zilver, niet kent, komt vooral in het Oosten,

allicht bedrogen uit. En die tachtig piasters waren voor onze jongelui

een niet te verwerpen som. Zij verstonden echter maar half wat Halef

hun zeide. Al hun denken en zinnen concentreerde zich in de beschouwing

van al het goud dat zij in hun handen hadden en hun toegeteld was. Dat

het werkelijk voor hen was, konden zij niet gelooven. Toen Halef het

evenwel niet terugnam, begon Janik te twijfelen en vroeg:

--Heer, het is toch geen ernst, dat gij ons dat geld zoudt laten

houden?

--Het is mij volle ernst,--antwoordde Halef.

--Maar dat kan toch niet waar zijn! Duizend piasters voor mij en

duizend voor Anka, dat is niet te gelooven!

--Wat gij in uw handen hebt, is van u, en wat ik in de mijne heb,

is van mij. Doe nu met uw eigendom, zooals ik met het mijne. Let op!

Hij bond zijn buidel dicht en stak 'm knipoogend in zijn zak. Maar

zij aarzelden zijn voorbeeld te volgen.

--Dit geld, allemaal goud!--riep Anka uit.--Zeg het ons nog eens,

dat het voor ons is, anders kan ik het niet gelooven.

--Of gij het al dan niet gelooft, is mij hetzelfde. De hoofdzaak is,

dat gij het neemt en terstond trouwt. Janik had er zoo'n haast mee,

waarom talmt hij nu zoo?

--Toch moet ik het eerst van den Effendi hooren! Het is zoo'n groote

som! Wij hebben zooveel niet noodig, want wij hebben ons gespaarde geld

nog. Als gij een heel vermogen geeft, wat blijft er dan voor u over?

--Bekommer u over ons maar niet,--zei de kleine Hadschi lachend.--Wij

verstaan de kunst om zonder geld te leven. Wij nemen het Jol

mihmandarlijkuun (pad der gastvrijheid). En onze grootste vijanden

moeten ons de grootste schatting betalen. Of meent gij dat wij uw

Heer ook maar een piaster schenken van wat wij hem hebben te betalen

voor wat hij ons opgedischt heeft? Dat komt niet in ons op. Ik wil

hopen, dat mijn Sihdi mij vergunt hem met een munt te betalen, die

gestempeld maar ook geslagen wordt. Zoo als gij ziet, geld hebben

wij niet noodig. Gij kunt deze enkele goudstukken dus nemen, zonder

te vreezen dat wij gebrek zullen lijden. Bovendien hebben wij ons,

sedert eenigen tijd, de loffelijke gewoonte aangewend, om aan iederen

schurk te ontnemen wat hij gestolen heeft, en dat aan eerlijke

menschen uit te deelen. Naar ik hoop, ontmoeten wij spoedig weer

eenige van die schurken! Dan zitten wij weer als een Kusch (vogeltje)

in een pirindsch demeti (rijstveld), en prijzen Allah voor Zijn zorg,

waarmee Hij het rijk van den Padischa regeert.

Om aan de dankbetuigingen der twee overgelukkigen een einde te maken,

droeg ik aan Halef en Janik op, onze bagage te nemen en naar den stal

te gaan, waar ze onze paarden moesten opzadelen.

--Gaat ge dus weg, Effendi?--vroeg Janik verschrikt.

--Ja, maar niet terstond. Ik wilde, dat onze paarden in allen gevalle

klaar zouden staan. U en Anka neem ik mee.

--Maar dat zal Murad Habulam niet toestaan!

--Ik zal er voor zorgen, dat hij zijn toestemming geeft.

--Dan zullen wij u dubbel dankbaar zijn. Gij zijt hier gekomen,

als onze----

--Stil! Ik weet, wat gij wilt zeggen, en dat gij een goede dankbare

jongen zijt; daar willen wij het voor het oogenblik bij laten.

Zij gingen, en ik zette mij in den rolstoel van Habulam's vrouw,

om met Omar hen te volgen.

De dageraad begon door te breken. Men kon reeds tamelijk ver zien. Het

had heelemaal opgehouden met regenen en, aan de lucht te zien, konden

wij op mooi weer rekenen.

Om in den stal te komen, moesten wij voorbij een rondom open

gebouw. Het dak rustte van achteren op muurwerk en aan de voorzijde

op houten zuilen, zoodat men alles wat er in stond, kon overzien. Ik

zag een voertuig, niet van den lompen zwaren bouw, als de gewone

ossewagens, die Araba worden genoemd, maar een van veel lichteren

bouw, meer op een rijtuig gelijkend en dat hier Kotschu of Hintof

heet. Er naast hing een Turksch At takymy, (paardetuig), dat evenveel

op een Duitsch tuig leek, als de kroeskop van een vetten, zwarten

haremwachter op de frisuur van een Franschen balletmeester. Wagen en

tuig konden mij dienen voor wat ik voornemens was, te meer omdat ik

bij de andere paarden, een flink jong wagenpaard zag, dat in het tuig

paste. Ik liet de paarden, onder mijn toezicht, drenken en zadelen,

en beval dat men mij naar Habulam zou brengen.

--Moeten Anka en ik ook meegaan?--vroeg mijn knecht.

--Zeker.

--Maar, daar zal wat voor ons op zitten!

--Heb daar geen zorg over. Gij gaat achter mij staan en verlaat die

plaats niet zonder dat ik het u zeg.

Toen wij uit den stal kwamen, zagen wij een kerel tegen een stuthout

leunen, die ons blijkbaar gade sloeg.

--Wie is dat? vroeg ik Janik.

--Een van de knechten, die waarschijnlijk buiten bij de paarden van

uw vijanden de wacht hebben gehouden. Wilt gij hem vragen, waar die

boomen ergens staan?

--Hij zal het mij wel niet zeggen.

--Dat geloof ik ook niet.

--Dan wil ik mij de moeite van het vragen besparen, want Humun zegt

het mij stellig.

Toen wij bij het voorportaal kwamen, zag ik hem tegen den muur

leunen. Hij stond zóó, dat hij door de deur in den stal kon zien. Dus

ook hij had ons zijn opmerkzaamheid geschonken.

--Wat wilt gij hier?--snauwde hij ons toe.

--Ik wenschte Murad Habulam, uw Heer, te spreken,--antwoordde ik.

Hij paste wel op, dat hij mij niet behoefde aan te zien want hij

was bang voor mijn blik en hield zijn vingers aldoor in de richting,

die hem tegen mij beschermen moest.

--Dat kan niet,--zeide hij.

--Waarom niet?

--Omdat hij slaapt.

--Zoo verzoek ik u hem te wekken.

--Dat mag ik niet.

--Maar ik wensch het!

--Met uw wenschen heb ik niets te maken.

--Welnu, dan beveel ik het u!--zei ik met grooten nadruk.

--Gij hebt mij niets te bevelen.

--Halef, de zweep!

Nauwelijks had ik die drie woorden uitgesproken of de nijlpaarden

Kurbatsche viel knallend op den rug van den onwillige neer, en wel

zoo krachtig, dat hij terstond tegen den grond sloeg. Tegelijk riep

Halef hem toe:

--Wie heeft je niets te bevelen, ellendige vlegel? Ik zeg je, dat het

geheele gebied van den Sultan en alle landen ter wereld mijn Emir

moeten gehoorzamen als ik bij hem ben, ik, die een brullende leeuw

ben tegenover zoo'n wurm als gij zijt!

Humun wilde zich nog tegen die slagen verweren, maar zij vielen

zoo geducht en dicht, dat hij ze onderworpen in ontvangst moest

nemen. Toch stiet hij een gebrul uit, dat doordrong in alle hoeken

van het huis. Eindelijk hield Halef op, maar toch hield hij de zweep

slagvaardig, terwijl hij vroeg:

--Wilt ge nu soms den Jaschly Uerkeki (het oude ondier) uit zijn

bed halen?

--Aanklagen zal ik u! Gevild zult gij worden, gevild bij levenden

lijve!--brulde de getuchtigde, terwijl hij wegliep.

--Effendi, dat wordt een leelijk geval,--meende Janik.

--Toch niet,--antwoordde ik.--Het is van daag een groote feestdag,

die Jortu guunuu dajakuun (het feest van de zweep) genoemd wordt. Wij

willen dat feest met grooten ernst vieren.

--Ik heb van dien feestdag nog nooit gehoord.

Door het land der Skipetaren · 第 26 / 34 段