zóó naar waarheid, dat hij mijn edelmoedigheid in het gunstigste
licht deed uitkomen. Hij eindigde aldus:
--Gij ziet dus dat ik niet lichtzinnig gehandeld heb. Kerem silahdan
daha kuwwetli dir. (Edelmoedigheid is sterker dan elk wapen). Ik heb
om dit spreekwoord tot nog toe de schouders opgehaald, maar nu ben ik
het er volkomen mee eens. Mijn broeder is zelf de oorzaak van zijn
dood. Toch trachtte ik hem te wreken, en trok tegen den Duitscher
zóó vijandig op, dat hij, om zijn leven te redden mij het mijne wel
ontnemen moest, en ... hij heeft het niet willen nemen, geen haar van
mijn hoofd gekrenkt, ofschoon ik volkomen in zijn macht was. Kan kani
itschun! (Bloed voor bloed) zoo luidt de wet der bloedwraak; maar
de Koran gebiedt: Adschyma adschymaji itschun, (meedoogen tegenover
meedoogen), wie moet gehoorzaamd worden, de Koran van den Profeet of
de spreuk van zondige menschen? Staat er niet in de heilige boeken
geschreven: Schukri nimet geuge doghru geutuur. (Dankbaarheid opent
den hemel)? De Duitscher heeft mij de grootste weldadigheid bewezen,
die zich laat denken. Indien ik nu trachtte hem te vermoorden, zou
ik voor eeuwig Allah's toorn op mij laden. Daarom heb ik hem mijn
Czakan gegeven. Wanneer nu daarom mijn hand niet tegen hem is, dan
moet gij daaruit niet afleiden dat ze tegen u zal zijn. Doe wat gij
wilt! Ik zal u daarin niet tegenwerken; maar verlangt niet van mij
dat ik mijn weldoener zal helpen vermoorden.
Hij had hoog ernstig en met grooten nadruk gesproken. Zijn woorden
werkten zoo tamelijk uit, wat hij wilde. De anderen keken elkaar,
zonder iets te zeggen, aan. Zij konden hem geen ongelijk geven, en
toch was hun de weigering, om aan den aanslag op ons mee te doen,
hoogst onaangenaam.
--Scheitan bu Nemscheji derile satchile jut, de duivel verslinde dien
Duitscher met huid en haar!--viel eindelijk de oude Mubarek uit. Het is
alsof alles dien kerel moet gelukken en meeloopen. Ik had zoo vast op u
gerekend. Ik erken dat gij eenigen grond hadt voor uw goedhartigheid;
maar gij moogt niet te ver gaan. Als hij u niet heeft willen dooden,
begrijp ik dat gij er bezwaar in hebt het hem nu te doen. Maar waarom
wilt gij nu ook de anderen sparen? Tegenover hen zijt gij tot geen
dankbaarheid verplicht. De Aladschy's hebben hem nu voor hun rekening
genomen, neem gij nu dien Omar. Ik zie niet in, waarom gij dat niet
zoudt doen.
--Toch heb ik ook daar reden voor. Wat de Duitscher doet, doet
hij niet alleen, maar in overeenstemming met de anderen. Mijn dank
geldt niet alleen hem, maar ook zijn vrienden. En al had ik aan hem
alleen verplichting, dan zou ik mij toch niet aan die vrienden willen
vergrijpen, omdat ik hem daarmee verdriet zou doen. Ik ben gekomen,
om u te zeggen, dat ik mij met deze zaak in 't geheel niet inlaten
kan. Ik heb mij voorgenomen, daar niet aan mee te doen en blijf bij
dat voornemen.
--Bedenk, wat daarvan de gevolgen zullen zijn!
--Daar heb ik mij niet over te bekommeren.
--Toch wel! Of is het u onverschillig, of gij onze vriendschap
verbeurt?
--Bedoelt gij me daarmee te dreigen? Dan hadt gij beter gezwegen. Ik
heb den Duitscher mijn Czakan gegeven en daarmee mijn Yrza mebni
(woord van eer), en dat zal ik houden. Die mij dat wil beletten,
krijgt het met mij te kwaad. Wilt gij uw vriendschap in vijandschap
doen verkeeren, doe het in Allah's naam, maar geloof niet, dat ik
bang voor u ben. Ik wil en zal volkomen buiten dezen aanslag blijven,
maar ook alleen zoo lang gij mij met rust laat. Dat is alles wat ik
u te zeggen heb. Ik heb het gezegd en ga.
Hij wendde zich naar den uitgang.
--Halt!--riep Habulam,--wees verstandig en blijf!
--Ik ben verstandig, maar mijn blijven heeft geen reden, geen doel.
--Maar met dit weer kunt ge toch niet weggaan.
--Wat geef ik om wat regen.
--Maar met dit vreeselijk onweer kunt ge toch niet naar Sbiganzy
rijden.
Scherp waarnemend keek hij den Miridiet aan. Deze begreep hem en
antwoordde.
--Wees niet bezorgd. Ik zal niet trouweloos tegen u handelen. Wanneer
gij bang zijt dat ik toch hier zal blijven, en in 't geheim met deze
mannen zal spreken om ze te waarschuwen, vergist gij u. Ik ga naar
ginds, in 't houtgewas, naar mijn paard, en rijd terstond weg. Ik
heb gezegd, dat ik niet tegen u zou zijn of optreden, en mijn woord
houd ik.
Hij bukte om de garven, die den toegang vormden, weg te trekken. De
aanwezigen zagen dat hij zich niet liet terughouden, daarom zeide de
oude Mubarek:
--Als gij inderdaad wilt gaan, zweer ons dan eerst bij den baard van
den Profeet, dat gij u met de vreemden niet inlaten zult.
De Miridiet antwoordde met een toornige handbeweging.
--Deze vraag is een beleediging. Ik heb u mijn woord gegeven, en dat
moest u genoeg zijn. Zijt gij soms gewoon het uwe niet te houden? Maar
ik wil in vrede van u scheiden en zweer het u bij den baard van den
Profeet. Zijt gij nu tevreden?
--Ja; maar bedenk goed, hoe wij u straffen indien het u mocht invallen
ons toch te bedriegen. Wij laten niet met ons spelen.
Dat werd op een toon gezegd, dreigender dan de trots van den Miridiet
kon verdragen. Weder omkeerende liep hij dreigend op den oude toe,
en zeide:
--Waagt gij het, mij dat te zeggen, gij wiens denken en doen een
voortdurende leugen is! Wie zijt gij? De oude Mubarek, de Heilige! Is
dat niet een leugen? Gij waart ook Busra, de kreupele. Was ook dat geen
bedrog? Waar zijt gij vandaan, en wat is uw werkelijke naam? Niemand
weet het, niemand die hem kent. Als een ramp zijt gij over dit
land gekomen, als een Taan (pest) waar Allah alle geloovigen tegen
behoede! Tusschen de vervallen muren der ruïne hebt gij u genesteld,
als een Sukutan (dolle kervel), als Bengi (een giftplant), en den
ganschen omtrek hebt gij tot een vervloeking gemaakt. Ik zelf wil en
kan mij niet beroemen op wat ik ben, maar bij u wil ik niet vergeleken
worden, veel minder door u worden beleedigd. Als gij meent een macht
te bezitten, die anderen hebben te vreezen, dan mogen zwakkelingen
dat gelooven, ik vrees u niet. Het kost mij, of wie van ons, maar een
enkel woord, en gij zijt verloren. Ik zal dat woord niet uitspreken,
tenzij gij er mij toe dwingt. Maar voor ik u op die manier verraad,
gebruik ik liever een ander woord, een woord, dat men niet hoort,
maar ziet en voelt. En als gij wilt weten, wat dat woord is, zie,
ik heb het in mijn hand!
Hij trok zijn mes uit zijn gordel en zwaaide het boven Mubarek's hoofd.
--Allah! wilt gij mij doorsteken--riep deze verschrikt uit.
--Nu niet en later ook niet, als gij er mij niet toe dwingt. Vergeet
nu mijn waarschuwing niet! Ik ga, goeden nacht!
Hij stak het mes weer bij zich, verwijderde de garven en kroop door de
opening naar buiten. Op een wenk van Habulam volgde Humun, de knecht,
hem voorzichtig na. Toen deze eenige oogenblikken later terugkwam,
berichtte hij, dat de Miridiet zich inderdaad verwijderd had.
--Hem heeft Allah het verstand ontnomen!--morde Barud el Amusat. Op
hem valt niet te rekenen.
--Neen, nu niet meer,--was ook Mubarek van oordeel. Maar hij heeft
mij gedreigd. Ik zal zorgen dat hij geen kwaad meer zal kunnen doen.
--Wilt gij hem doen sterven?--vroeg Manach el Barscha.
--Wat ik zal doen, weet ik nog niet. Maar wij hebben hier weer een
bewijs te meer voor de noodzakelijkheid om dezen Duitscher op te
ruimen. Ook zijn makkers moeten sterven. Maar nu is het de vraag,
wie Omar zal dooden.
--Ik neem hem voor mijn rekening,--zeide Humun, de knecht.
--Goed! Dan blijft nog de kleine Hadschi over. Tot mijn spijt kan ik
hem niet helpen, gewond als ik ben.
--Laat mij het dan doen,--stelde Manach el Barscha voor.--Het zal mij
een genot zijn hem het licht uit te blazen. Hij is klein en schijnbaar
niet sterk, maar het tegendeel is waar. Die dwerg heeft den moed van
een panther en is zoo vlug als een Atmadscha (sperwer). Ook hebben
wij gehoord, dat hij sterk genoeg is om zijn man te staan. Als
ik hem voor mij vraag, moet gij niet denken dat het mij aan moed
ontbreekt. En wat het uur voor den aanslag betreft, ik stel voor op
dit punt geen beslissing, te nemen, maar het van de omstandigheden
te laten afhangen. Laten we van tijd tot tijd gaan luisteren. Zoodra
het ons blijkt dat zij zijn gaan slapen, gaan wij aan den gang.
--Zoo denk ik er ook over,--zeide Habulam. Ik heb nog een en ander
te doen en ga dus weg. Humun gaat natuurlijk met mij; ik zal hem van
tijd tot tijd naar u zenden, om te vragen of wij beginnen kunnen.
Hij stond op, om weg te gaan.
--Wacht nog een oogenblik!--verzocht Mubarek. Ik wilde u nog over
iets anders spreken.
Dit deed mij besluiten om mijn schuilplaats ook te verlaten. Als
mijn gastheer zich verwijderd had, zou het voor mij moeilijker zijn
om mij ongezien te verwijderen. Het was te verwachten dat de anderen
zich stil zouden houden en in dat geval moesten zij mij in het stroo
hooren ritselen. Voor het oogenblik redeneerden zij nog zoo luid,
dat niemand mijn langzaam en voorzichtig achteruit schuiven hooren
kon. Het gelukte. Maar hoe nu in den toren te komen. De afstand was
wel niet groot, maar ik had niets om op te steunen. Daar werd de deur
geopend, en Osko keek naar buiten, wat hij alle twee of drie minuten
gedaan had. Mij bemerkende, kwam hij, nam mij op zijn rug en droeg
mij naar binnen. Daar zette hij mij op de plek waar ik had gezeten,
zoodat ik ook nu door de aanstaande deur naar buiten kon zien. Ik
verzocht die nog wat verder open te laten.
--Waarom dat?--vroeg Omar. Het regent in.
--Toch niet veel. De wind komt van den anderen kant. Onze gastheer
moet naar binnen kunnen zien en weten dat wij bij elkaar zitten. Janik
mag zoo gaan staan, dat hij niet te zien is.
Janik ging achter de deur staan, en toen vertelde ik, wat ik gezien en
gehoord had. Daarbij zorgde ik, dat men aan mijn houding en gebaren
niet kon zien, over wat belangrijk onderwerp het gesprek liep. Als
Habulam en Humun ons nu bespiedden, moesten zij denken dat wij over
de meest onverschillige dingen spraken.
Mijn verhaal had zóó lang geduurd, dat ik er vrij zeker van kon zijn,
dat Murad Habulam in zijn slot terug was. Daarom liet ik de deur weer
dicht doen.
Van al mijn toehoorders was Halef de grimmigst gestemde.
--Heer,--zeide hij,--ik zou die schurken in hun schuilplaats terstond
willen opzoeken en ieder van hen een kogel door den kop jagen. Dan
waren wij voor goed van ze af en konden rustig verder trekken.
--Wilt gij dan moordenaars-werk doen?
--Moorden? Hoe komt gij op die gedachte! Die galgebrokken zijn
roofdieren. Ik zou ze zonder eenig gewetensbezwaar neerschieten,
juist zooals ik dat een stinkenden hyena of jakhals zou doen.
--Wij zijn niet geroepen om hen te straffen!
--Oho! Zij staan ons naar het leven. Wij bevinden ons tegenover hen
in een toestand van noodweer.
--Dat is ontegenzeggelijk waar; maar wij kunnen hun aanslagen wel
verijdelen, zonder hen te dooden.
--Maar dan zijn we niet van ze af, en zij blijven ons vervolgen.
--Als wij zoo goed oppassen als tot nu toe, kunnen zij ons niets doen.
--Moeten wij ons dan altijd plagen met de gedachte aan die
schurken? Hebben wij eenig genot van ons reizen en trekken? Kunnen
wij op onze reis aldus eenige kennis opdoen? Wij doorreizen dit land
als mieren, die over den weg gaan en ieder oogenblik op moeten passen
niet doodgetrapt te worden. Ik dank voor zoo'n genoegen! Laten wij
dus deze jakhalzen in menschengedaante doodschieten waar en wanneer
wij ze vinden!
--Ik weet heel goed,--antwoordde ik,--in wat toestand wij ons
bevinden. Nemen wij die mannen gevangen en brengen wij ze voor de
rechtbank, dan worden wij uitgelachen. Eigenen wij ons het strafrecht
toe, dan handelen wij tegen wat mijn geloof gebiedt en tegen de wet
der menschelijkheid. Wij moeten dus geen van beide doen, en liever
beproeven, ons tegen die vijanden te verweren, zonder een misdaad,
met betrekking tot hen, te begaan.
--Maar hen doodende begaan wij geen misdaad!
--In mijn oogen wel. Als ik mij verweren kan, zonder mijn vijand te
dooden, dan is het strafbaar indien ik hem het leven beneem. Met list
bereikt men veelal even veel als met geweld.
--Hoe zult gij dit dan nu doen?
--Ik laat ze boven op den toren klimmen, en zorg er voor, dat ze er
niet weer af kunnen.
--Dat is niet slecht bedacht. Maar als zij er op zullen kunnen komen,
dan zal het hun ook niet onmogelijk zijn, er langs denzelfden weg
weer af te komen.
--Ook als wij, zoodra zij boven zijn, de ladder wegnemen?
--Hm! Dan komen zij de trap af.
--Wanneer zij dat deden, zouden zij verraden, dat zij kwaad tegen ons
in den zin hadden. Maar dat daargelaten, wij kunnen dien weg voor
hen afsluiten. We hebben niets anders noodig, dan een hamer en een
grooten spijker, waarmee wij het luik in den vloer vastmaken.
Janik bood aan het benoodigde te halen, alsook een groote ijzeren kram.
--Dat is opperbest,--verzekerde ik. Een kram is onverbeterlijk voor
ons doel. Wij nagelen de bovenste tree vast aan het luik, zoodat
dit naar boven niet opgetrokken kan worden. Dan kunnen die mannen
de trap niet afkomen, en daar wij de ladder wegnemen, zitten zij
op het terras gevangen, waar zij in den regen kunnen blijven staan,
tot het dag wordt. Dat zal hun ondernemingslust wel wat afkoelen.
--Sihdi--bekende Halef,--uw plan verzoent mij met uw goedmoedigheid van
daar straks. Het is toch een prettig iets, te weten dat die schurken
den ganschen nacht, op dat terras moeten blijven staan. Zitten kunnen
zij niet, daar het van alle kanten kan inregenen. Op de terras-étage
moet wel veel water staan, want die Kat (bovenste verdieping) is
lantaarngewijze gebouwd en in den berm is geen aflaat.
--Toch wel,--viel Janik in.--Er is een gat in den bermmuur.
--Kunnen we dat niet dicht maken?
--Heel gemakkelijk. Er is genoeg Uestipu (werk) voorhanden.
--Prachtig! Daar maken wij het gat mee dicht. Ah, die moordenaars
zullen voor hun straf in het water overnachten en jicht, rheumatiek,
podagra en alle gevolgen van kouvatterij oploopen. Ik gaf wat als
wij hen tot aan de schouders in het water konden zetten en--
Hij sprong op en liep haastig heen en weer. Hij was op een idee
gekomen. Hij bleef voor onzen knecht staan, legde zijn hand op diens
schouder en zei:
--Janik, gij voortreffelijkste aller trouwe knechten! Voor u klopt
mijn hart, maar het zou tot een fontein worden van onuitsprekelijken
dank, indien gij hadt, wat ik noodig heb.
--Welnu wat is dat?--vroeg de aangesprokene.
--Ik heb nu een ding noodig, dat hier wel niet zal zijn. Want niet
waar, hier is geen Tulumba (brandspuit) voorhanden?
--Een groote niet, maar in plaats daarvan hebben wij een Boutan
fyschkyrmaju (tuinbesproeier), een die op twee wielen loopt.
--Mensch! Man! Vriend! Broeder! Wat een prachtige kerel zijt gij! Ik
had het voor onmogelijk gehouden, dat hier zoo'n ding zou zijn!
--Verleden jaar heeft onze Heer er zoo een uit Uskub laten komen
omdat de koornschelf telkens in brand gestoken werd. Die tweewieler
staat in den tuin altijd klaar.
--Hoeveel water gaat er in?
--Iets meer dan in een groote badkuip, die hier Kurna heet.
--Groot genoeg voor mijn doel; maar wat heb ik aan zoo'n prachtige
Bostan fyschkyrmaju, als er het allernoodigste aan ontbreekt.
--Wat zou dat dan zijn?
--Een Kyrba (slang), liefst een lange. Zoo een is er wel niet?
De kleine Hadschi was een en al opgewondenheid. Hij stelde zijn vragen
op zulk een gewichtigen toon, alsof het om het heil der wereld te
doen was.
--O, een Kyrba hebben wij, niet maar om op reis het water in mee
te nemen, maar een Akar su getirdschi (wateraanbrenger), zooals tot
blussching van brand gebruikt wordt. De vraag is maar, hoe lang gij
die wenscht.
--Zóó lang, dat wij er boven op den toren mee kunnen komen.
--Zoo lang is onze slang wel. Ja, nog wel iets langer.
--Man, ik moet u in mijn armen drukken! Kom aan mijn hart, gij zijt
de vreugde mijns levens, de zon op mijn weg! Er is dus een spuit en
ook een slang. Dat is verrukkelijk! Een slang, zoo lang als ik noodig
heb! Wie had kunnen denken, dat zoo'n instrument in Kilissely zou te
vinden zijn!
--Dat is toch verklaarbaar genoeg. Zonder deze slang zou de spuit
ons weinig helpen, daar wij het water op verren afstand zouden
moeten halen.
--Uit den vischvijver ginds?
--Neen, dat zou al te ver zijn. Wij hebben juist achter den toren,
tegen den muur aan, een groote Su delikai (waterbak), die altijd
vol is. Daar plaatsen wij de spuit en brengen de slang tot waar de
brand is.
--Een waterbak, een Su deliki; waaruit men de spuit vullen kan! Is
hij diep? Is hij groot? Is er nu veel water in?
--Ik weet niet, waarvoor gij water wilt hebben, maar ik geloof dat
het u nog al zal meevallen.
--Gelooft gij dat werkelijk? Dat kan niet beter! Uw woorden zijn als
de druppelen van den dauw op den verdorrenden akker. Wat gij zegt
is meer dan honderd piasters waard, en als ik ooit een Bin kire bin
sahibi (een millionnair) geworden ben, geef ik er u duizend. Gij weet
dus niet, waartoe ik dat water gebruiken wil?
--Neen.
--Gij vermoedt het ook niet?
--Neen.
--Dan moge Allah uw hersens behoeden, want ze zijn aan een uitgedroogde
regenbak gelijk. Let op, mijn Sihdi heeft terstond geraden wat ik
voornemens was. Niet waar, Heer?
Daar deze vraag tot mij gericht was, knikte ik toestemmend.
--En wat zegt gij er van, Sihdi?
Zijn oogen fonkelden van intense pret. Hij was verrukt bij de gedachte,
dat hij onzen vijanden een kool kon stoven. Daarom was hij ook vrijwel
ontnuchterd toen ik hem op ernstigen toon antwoordde:
--Kinderwerk, Tschodschukluk, en anders niet.
--Sihdi, dat moogt gij niet zeggen. Die schurken klimmen op den toren
om ons te vermoorden. Gij wilt er voor zorgen, dat zij er niet af
kunnen komen, maar den ganschen nacht er op moeten blijven. Mij goed,
maar dan wil ik zorgen dat zij het daar boven ook niet al te gezellig
hebben. Wij pompen hun bovenvertrek vol water. Hun kamer is wel is waar
rondom open, maar de bermmuur is toch zoo hoog dat hij een man tot aan
de borst reikt, en laat ik hen ook zoo hoog in het water staan. Of hebt
gij medelijden met hen? Vindt gij het jammer, indien deze moordenaars
een verkoudheid oploopen en wat Disch aghrysty (kiespijn) krijgen?
--Neen, dat niet. Ik gun ze, dat zij den nacht zoo onaangenaam als
maar kan, doorbrengen, maar ik kan uw voornemen toch niet goedkeuren.
--Maar gestraft moeten zij toch worden!
--Dat is zoo. Maar gij loopt den kans, ons en uzelf daardoor in gevaar
te brengen.
--Neen, Sihdi. Wij nemen onze maatregelen zoodanig, dat niemand er
iets van bemerken kan. Wat zegt gij er van, Osko, Omar?
De beide genoemden waren het met hem eens. Alle drie hielden zóó lang
bij mij aan, dat ik tegen wil en dank ja zeide.
Janik ging en kwam, na eenige oogenblikken, terug met de slangen
en touw. De anderen klommen nu met hem in den toren, en weldra
hoorde ik, ondanks den tegen de luiken kletterenden regen, luide
hamerslagen. Janik had den hamer en de kram in zijn zak meegenomen,
en toen zij de slang vastgemaakt hadden, spijkerden zij het luik zoo
goed dicht, dat het bovenop niet los te krijgen was.
Teruggekomen, zeide Halef, op den toon der hoogste zelftevredenheid:
--Dat hebben wij eens goed opgeknapt, Sihdi. Gij zelf hadt het niet
beter kunnen doen.
--Wel, en hoe hebt gij de slang vastgemaakt?
Boven aan den buiten kant van den toren hangt ze naar omlaag, zoodat
wij hier beneden er de spuit maar aan hebben te schroeven.
--En als zij de ladder opzetten, zien zij de slang.
--Janik zegt, dat zij zeker de ladder aan den anderen kant opzetten,
omdat hen daar geen boomen in den weg staan. De monding van de slang is
naar hun vertrek gericht, maar zoo, dat het water aan de binnenzijde,
langs den muur afloopt zonder geruisch te maken. Zij zouden in een
donkeren hoek moeten zoeken, om de instrooming te vinden. Ook zijn
de luiken van de andere vertrekken goed gegrendeld, en ik wilde dat
de badgasten nu maar kwamen.
--Dat zal nog lang genoeg duren, want Habulam sprak er van, dat hij
ons nog een keurig avondeten zou zenden.
--Wil ik het gaan halen?--vroeg Janik.
--Ja, doe dat. Hoe eer wij eten, des te korter hebben wij te
wachten. Maar doe alsof gij werkelijk van den eierkoek gegeten hadt
en nog altijd snijdingen voelt. Tracht ook Anka te spreken te krijgen;
misschien heeft zij u iets te zeggen.
Hij ging, en wij wachtten in alle stilte, daar wij niets bijzonders
meer te bespreken hadden, op zijn terugkomst. Halef zat op zijn matras,
zich van tijd tot tijd van plezier in de handen wrijvende en daarbij
onbegrijpelijke geluiden makende. Hij verkneukelde zich aldoor in de
gedachte aan de badkuur, waarop hij onze vijanden zou onthalen.
Toen Janik terug kwam, was hij niet alleen. Hij bracht ons avondeten,
en daar hij alleen het niet dragen kon, hielp Humun hem daarbij. Deze
kwam echter niet binnen; hij bleef buiten staan tot Janik hem zijn
vracht afgenomen had, en ging toen in allerijl weg.
Het eten was uitstekend. Eerst werd ons een schotel Balyk tschorbaju
(vischsoep) voorgezet, zoo als men ze in Weenen of Praag niet
beter krijgt. In plaats van lepels kregen wij kopjes, waarmee wij
opschepten en aten. Daarna kregen wij een reusachtigen opgevulden
kapoen, een Iblig doldoeri, en daarbij een menging van meel, vijgen, en
gestooten noten er in. Het derde gerecht bestond uit een Oghlak kebabi
(lamsvleesch), dat zeer goed smaakte, ofschoon menigeen het liever niet
eet. Daarbij kregen wij een vetten pillaw met rozijnen en geweekte
amandelen. Het dessert bestond uit vruchten en zoetigheden, waarvan
wij niets gebruikten. Ook bleef er van het vooreten meer den de helft
over. Vóór wij er trouwens van hadden gebruikt, wisten wij van Anka,
dat wij gerust konden zijn, want dat zij alles zelf had klaargemaakt.
--Maar uw Heer is immers thuis?
--Ja. Hij zit op zijn divan en rookt en kijkt aldoor voor zich. Hij
liet mij roepen en vroeg, wat mij scheelde. Ik trok namelijk een
allerdroevigst gezicht. Ik antwoordde dat ik een kweepeer gegeten had,
die stellig onrijp was geweest, want dat ik een verscheurende pijn
in mijn ingewanden had.
--Dat was heel verstandig geantwoord. Nu denkt hij misschien, dat
gij niets vermoedt van zijn giftmengerij, en zal het daarom ook niet
noodig achten om u iets voor te liegen.
--Nu, voor mij gelogen heeft hij trouwens niet. Zijn ontzettenden
haat tegen u heeft hij zonder omwegen en in de bitterste bewoordingen
uitgesproken. Hij wilde alles van mij weten, wat gij doet en zegt. Ik
vertelde hem, dat gij een pijn aan uw voet hebt, waardoor gij niet kunt
loopen. Ook waart gij, zoo zeide ik, te vermoeid om niet spoedig te
gaan slapen. Toen gelastte hij mij, terstond na het eten uw slaapplaats
in orde te brengen en daarna moest ik ook gaan slapen. Hoe eer gij
u ter ruste begaaft, hoe vroeger gij zoudt opstaan, zoo meende hij,
en dan moest ik bij de hand zijn om u te bedienen.
--Nog al slim van hem! Waar slaapt gij gewoonlijk?
--Met Humun en de andere bedienden in één vertrek.
--Dat is lastig, want dat belet u om onopgemerkt weg te gaan, en wij
hebben u toch noodig.
--O, wat dat betreft, Effendi, kunt gij zonder zorg zijn. Niemand
wil van heden af, meer met mij in één vertrek slapen, en Humun
heeft op bevel van onzen Heer, mij een slaapplaats op de vliering
aangewezen. Maar als gij het verlangt, dan doe ik, alsof ik ga slapen
en kom dan op den toren. Die is dan wel gegrendeld, maar dat hindert
niet, ik klop en gij doet open.
--Maar niet zoo als gewoonlijk. Klop aan het luik dat achter is, eerst
eens, dan twee en daarna driemaal. Zoo weten wij dat gij het zijt
en doen open. Zeg aan uw Anka, dat ook zij zoo kloppen moet. Men kan
nooit weten wat er, gedurende uw afwezigheid, bij Habulam voorvallen
kan. Laat zij opletten en ons, indien noodig, komen waarschuwen.
Janik bracht nu het eten weg en voorzag ons daarna van nog enkele
dekens. Toen hij weg was, deden wij het licht uit. Deur en luiken
waren wel gesloten en gegrendeld, maar er waren zooveel kieren,
dat men van buiten zeer goed zien kon, dat het licht uit was.
Na ruim twee uren kwam Janik terug. Hij klopte zooals wij hadden
afgesproken, en wij lieten hem in.
--Ik kom zoo laat,--zei hij fluisterend,--omdat ik op de gedachte
kwam, Habulam eens te beluisteren. Hij gaf aan alle bedienden last
om te gaan slapen; daarna sloop hij met Humun naar de koornschelf. Ze
zijn er alle twee daar juist ingekropen.
--Wij weten dus, waar wij nu aan toe zijn. Men zal meenen, dat wij
slapen, en wij kunnen de bestijging van den toren spoedig verwachten.
--Dat moeten wij zien,--zeide Halef en hij ging, door de anderen
gevolgd, fluks de trappen op.