spijs gezonden? Mij kunt gij niet wat wijs maken. Ik wil u nog niet
terstond straffen, maar u tijd geven tot berouw. Maar pas op, dat gij
niet nog verder kwaad tegen ons verzint. Eigenlijk moest ik uw huis
terstond verlaten, maar dan bleef de ellende bij u achter en zoudt
gij vergaan. Daarom wil ik uit barmhartigheid nog tot morgen bij u
blijven, opdat gij u beteren moogt. Nu laten wij u alleen. Denk eens
na, hoe onbezonnen gij gehandeld hebt en nog verder handelen wilt!
Hij antwoordde geen syllabe, en wij verwijderden ons. Ik had opgepast,
mij niet al te duidelijk uit te drukken. Hij behoefde nog niet te weten
hoe en wat wij over hem dachten. Toen wij in den tuin kwamen, volgden
donder en bliksemflitsen elkaar onmiddellijk op. Het onweer brak los en
wij haastten ons, om den toren te bereiken, waar Janik op ons wachtte.
Tengevolge van het onweer en ook door de invallende schemering,
was het tamelijk duister geworden. Halef wilde de lamp opsteken,
maar dat liet ik niet toe. De deur werd aangezet, maar niet heelemaal
dicht gedaan, zoodat ik, vanwaar ik zat, door een kier in den tuin
kon zien en de schelf in het oog houden.
Ofschoon het niet waarschijnlijk was dat ik iets zou zien, te
minder omdat men wel met de grootste omzichtigheid te werk zou gaan,
trof ik het toch bizonder gelukkig. Een verblindende bliksemstraal
had, ondenkbaar kort, de duisternis onderbroken, maar dat moment
was voldoende om mij te doen zien dat er menschen waren bij de
koornschelf. Twee van hen waren in gebukte houding bezig, den ingang
te verwijden, door er eenige schooven uit te trekken.
Wie waren die menschen? Ongetwijfeld de door ons verwachten,
die onopgemerkt hun schuilplaats hadden kunnen bereiken, omdat de
stortregen alle huisgenooten naar binnen had gejaagd. Ik besloot ze
te beluisteren.
Allereerst droeg ik Janik op, bij de niet geheel gesloten deur uit te
zien, wanneer het voor mij geschikte oogenblik zou gekomen zijn. Het
gedurig lichten gaf hem daartoe genoegzame gelegenheid. Zoodra
hij mij kwam zeggen dat hij niemand meer zag en de ingang tot de
koornschelf weer dichtgestopt was, liet ik mij door hem en Osko er
heen dragen. Nadat zij zich oogenblikkelijk weer verwijderd hadden,
beproefde ik mij tusschen de heen en weer gevlijde garven in te
dringen. Dat was moeilijk genoeg, omdat de garven door hun eigen
gewicht elkaar drukten en ik mij niet door het minste geritsel
verraden mocht.
De kletterende regen, het loeien van den storm en het bijna aanhoudend
gerommel van het onweer waren mij in dit opzicht van goeden dienst. Ik
schoof mij, natuurlijk het hoofd vooruit, verder en verder tusschen
de garven in. De halmen van de rogge waren niet in verwarde bundels
saamgevoegd, maar languit gebost, zoodat ze van meer dan manslengte
waren. Daardoor was dan ook de buitenste rand van de schelf dikker
dan ik lang was en ik kon daarin verdwijnen, zonder dat van buiten
mijn voeten of van binnen mijn hoofd kon worden gezien.
Langzaam en geruischloos schoof ik vooruit, tot ik bij een plek kwam,
van waar uit ik, gedekt door een gordijn van aren, het innerlijke
van de uit koren gemaakte schuilplaats overzien kon.
Zooals ik daar lag, moest ik dubbel voorzichtig zijn. Indien ik,
door beweging of geluid mijn aanwezigheid verried, had ik, ingepakt
als ik was, mij niet kunnen verdedigen. Iedere op mij afgevuurde
kogel moest me treffen. Bij de ontdekking kon ik mij alleen redden
door mijn vijanden voor te zijn. Daarom had ik dan ook mijn beide
revolvers in mijn handen, tot schieten gereed. Alle andere wapens had
ik achtergelaten in den toren, want hun verlies zou onherstelbaar zijn.
De kringvormige grondvlakte, van de ruimte vóór mij, zal ongeveer tien
meter omtrek gehad hebben. De koornmuren waren ongeveer 2,80 dik;
de ledige ruimte had dus een middellijn van stijf vier meter en kon
zeer goed een twaalftal personen bergen. Janik had de ruimte kleiner
geschat. Midden in stond een sterke hooge paal, die het dak droeg,
dat van stroo was. Rondom lagen bundels van rogge, om tot zitting te
dienen, en aan den paal hing een brandende lantaarn, die de anders
donkere ruimte verlichtte. De ingang was met eenige minder stijf
gebonden halmen dichtgemaakt, welke sluiting gemakkelijk uitgetrokken
en weer ingebracht kon worden, iets dat aan den buitenkant niet,
maar van binnen zeer goed te zien was.
Waartoe had Murad Habulam dezen schuilhoek gemaakt? Soms alleen
om zijn broer Manach el Barscha te verbergen? Dan had hij met een
kleinere ruimte kunnen volstaan. Ook waren er in zijn huis plekjes
genoeg om een enkelen man te verstoppen. En dan kwam de ex-ontvanger
immers altijd te paard! Ook daarvoor moest een geheime stalling zijn!
Neen, deze koornschelf was ontwijfelbaar voor grootere samenkomsten
bestemd; ze moest dienen voor geheime samenkomsten, en het vermoeden
lag voor de hand, dat de aanhangers van den Shoet hier bijeen kwamen.
Was dat werkelijk het geval, dan ook stond het vast, dat Murad Habulam
een hoofdman van deze rooverbende was. Hij, die podagra veinsde te
hebben, was zoo goed ter been, dat hij door dit verschrikkelijke weer
hierheen kon loopen. Hij zat recht tegen mij over. Aan zijn beide
zijden zaten zijn broeder Manach el Barscha en Barud el Amasat. Naast
den laatste zat de oude Mubarek, die zijn arm in een draagband
droeg. Bij den ingang stond Humun, de lijfknecht, en tegenover hem
de Miridiet, de broeder van den overleden slager van Sbiganzy. Hij
was dus toch gekomen, zooals ik wel gedacht had.
Aan den kant waar ik mij verscholen had, zaten drie personen, namelijk
de beide Aladschy's, en Suef, de spion. Ik kon ze niet zien, omdat
zij beneden de hoogte waarop ik lag, zaten; maar ik hoorde ze, en
kende hun stem.
Dat waren dus de personen, tegen wier vijandschap wij ons te verweren
hadden. Hun kleeren dropen van den regen en er kleefde zooveel
koornveegsel aan, dat zij nauwelijks te kennen waren.
De eerste, dien ik hoorde, was de Miridiet. Hij maakte de voor mij
weinig belangrijke opmerking:
--Wij hadden onze paarden niet in het struikhout moeten onderbrengen,
want met dat onweer zijn we niet zeker dat zij rustig blijven.
--Gij kunt zonder zorg zijn, want mijn knechten passen er goed
op,--antwoordde Habulam.
De paarden stonden dus ergens in het bosch, en wel onder toezicht
van eenige knechten van den gastheer. Dit bevestigde mijn vermoeden,
dat Habulam nog meer vertrouwelingen had, dan Humun.
De oude Mubarek had de windsels van zijn arm afgedaan en liet er
door Barud el Amasat het verband afnemen. Habulam gaf hem een potje
met zalf, dat van te voren bij hem moest besteld zijn. Op den grond
stond een kruik met water, waarmee de wond eerst uitgewasschen werd.
Ik zag dat mijn schot van eergisteren de spieren van zijn bovenarm
geraakt had. De kogel van gisteren had ook zijn elleboogsknokkel
vermorzeld.
Beide wonden moesten hem erge pijn doen, vooral de laatst genoemde, te
meer daar van een goed verband geen sprake was. In het allergunstigste
geval hield hij voor altijd een stijven arm; maar waarschijnlijker
was het, dat zijn arm afgezet zou moeten worden. Als de gewonde niet
spoedig goed verpleegd werd, dan kwam er onvermijdelijk koud-vuur bij.
Nadat de gekwetste deelen uitgewasschen waren, liet hij die, met
een linnen doek, waarop de zalf was gestreken, zwachtelen en daarna
verbinden. De oude vertrok daarbij geen spier. Hij moest zeer sterke
zenuwen hebben, anders had hij de pijn niet kunnen doorstaan.
--Allah, Allah, wat heeft die vreemde u toegetakeld!--zeide
Habulam. Die arm wordt nooit weer wat hij geweest is.
--Neen, ik ben Kötrüm (vleugellam) geworden,--zei de oude
knersetandend. Daarvoor zal hij tien dooden sterven. Is hij dan zóó
gemakkelijk in den strik geloopen?
--Zoo gemakkelijk als een kraai, voor wien men in den winter, in een
peperhuis, een stuk vleesch neerlegt. Zoo'n domme vogel steekt er zijn
kop in, om er het vleesch uit te halen, en daar het papier met Oska
(vogellijm) bestreken is, blijft hem dat aan den kop kleven en wordt
hij, als een blinde, zonder eenige moeite gevangen. Zoo'n peperhuis
hebben wij dezen vreemdeling opgezet en hem gesnapt. Mijn broer noemde
hem slim. Hij heeft het tegendeel bewezen!
--Neen, slim is hij niet, maar de Scheïtan staat hem bij. Dáár zit
zijn kracht!
--De Satan....? Neen. De Kem bakysch!
--Allah, w' Allah!--riep Murabek, opspringende van schrik. Is dat
werkelijk waar?
--Hij heeft het mijn knecht Humun gezegd en hem gewaarschuwd. Maar wat
het ergste is, hij heeft niet maar den gewonen boozen blik, maar den
Kem bakysch jyraka doghru (den boozen blik die in de verte werkt). Hij
behoeft zich iemand maar voor den geest te halen en in gedachte aan
te zien, dan komt over dien mensch al het kwaad dat hij hem toewenscht.
--Allah zij ons genadig! Neen, niet de duivel, maar zijn booze oog
maakt hem onoverwinlijk. Die met hem zal vechten, moet hem aanzien
en is dan verloren. Men kan dus geen gewonen strijd van man tegen man
tegen hem opnemen, men moet hem van achteren aanvallen en zoo dooden;
er vooral voor zorgende dat zijn oog niet op ons valt.
--Dus komt er van ons mooie plan niets?--vroeg Murad Habulam.
--Neen, tenzij iemand van ons den moed heeft om als Chajjal (spook)
op te treden. Maar ik raad dat niemand aan, want dan zou het oog van
den vreemde toch op hem rusten en hem verderven. Wie was daarvoor
aangewezen?
--Humun.
--Neen, neen!--riep de knecht in doodelijken angst. Ik was het eerst
wel van plan, maar nu denk ik er niet meer over om voor den geest
van de oude moeder te spelen. Ik heb mijn leven veel te lief.
--Misschien laat er zich een ander voor vinden?--zeide Habulam. Toen
echter niemand op die vraag inging, vervolgde hij:
--Niemand dus. Welnu, dan moeten wij wat anders verzinnen. Wij zijn
nu toch bijeen en kunnen overleggen.
--Lang behoeven wij er niet over te praten,--zeide Barud el Amasat. Wij
allen, wij willen dat deze menschen zullen sterven. Wij moeten hen
dooden zonder dat de Duitscher ons kan aanzien en daarvoor is het
noodig hem en zijn mannen in den slaap te overvallen.
--Volkomen juist!--was ook Manach el Barscha van oordeel. Wij wachten,
tot zij slapen, en overvallen ze dan, verondersteld altijd dat het
rottekruid van mijn broer het werk al niet voor ons heeft gedaan.
--Rottekruid?--vroeg Mubarek. Hebben ze dat dan werkelijk ingenomen?
--Ja. Ik sprak dat met Habulam af, toen ik kwam zeggen dat zij op
komst waren. Hij zou het hun in een ommelet mengen en die hebben zij,
naar ik geloof, nu al binnen.
--Nu, dan zijn ze voor de haaien, als hij ten minste niet te weinig
genomen heeft.
--O, drie handen vol heb ik er in gedaan--zeide Habulam. Dat is genoeg
om tien menschen te vergiftigen. Maar het heeft die schepsels geen
kwaad gedaan!
--Hoe, in 't geheel niet?
--Eenvoudig, omdat zij er niet van gegeten hebben. Die kerel met den
boozen blik, heeft het terstond gezien dat de eierkoek vergiftigd was.
--Dat is toch onmogelijk!
--Onmogelijk? Wat zou dien Giaur onmogelijk zijn! Verbeeld u, hij kwam
met zijn drie makkers in mijn kamer, om mij den ommelet te brengen. Met
allerlei vertoon van vriendschap kwam hij me zeggen, dat de beste
spijs den gastheer toekwam en hij wilde dat ik er van zou eten.
--O wee!
--En dan wilde hij nog bovendien, dat ik er in zijn tegenwoordigheid
van zou eten. Hij had er de doode musschen boven op gelegd, waarop
hij eerst de proef had genomen.
--O Allah! De zaak was dus verraden!
--Natuurlijk. Bij ongeluk heeft ook Janik er van gegeten en die zal
er wel van doodgaan.
--Aan dien kerel is niets verloren!--viel Humun verachtelijk uit.
--Omdat gij hem haat? Maar gij moest bedenken, in wat verdenking ik er
door kom! Ik kan tengevolge daarvan als giftmenger aangeklaagd worden.
En nu vertelde hij aan zijn verwonderde genooten, al wat er
voorgevallen was. Daarna zeide hij:--De ommelet en de musschen heb
ik terstond laten vernietigen; wie kan, mag mij nu bewijzen dat ik
mijn gasten inderdaad vergif heb voorgezet.
--De dood van Janik zal het bewijzen.
--O neen! Wie weet wat hij gegeten heeft? Ik houd vol dat ik zelf
den eierkoek opgegeten heb. Ik heb er niets van gekregen.
--Zullen de vreemden van avond nog weer eten?
--Ik denk van wel. Tenminste moet ik hun een avondeten aanbieden,
ditmaal zonder vergif; want ik mag het niet nogmaals wagen om van
giftmenging beschuldigd te worden. Neen, van avond zal ik, voor hen,
zoo rijk laten opdisschen als maar denkbaar is.
--Daar zult gij verstandig aan doen. Dat zal ze in de war brengen
en doen denken, dat zij zich toch misschien hebben vergist. Hoe
minder achterdocht, hoe gemakkelijker ons werk. Laat dus zoo keurig
mogelijk voor hen opdienen. Gij kunt het best doen, want wat het kost,
is maar een kleinigheid, vergeleken bij het ontzaglijke voordeel dat
gij trekt uit onze broederschap.
--Ik, ontzaglijk voordeel? Gij spreekt, alsof ik millioenen door u
verdiend had. Het voordeel, dat ik door u heb, weegt in geen geval
op tegen het gevaar van uw agent te zijn.
--Oho!
--Neem nu maar alleen dit geval! Als wij deze vreemdelingen dooden
en het wordt bekend, dan kan ik mijn testament wel maken. Met al
den invloed, dien ik heb, zou ik, in dat geval, mijn leven toch niet
kunnen redden. Gij gaat er van door en laat u niet snappen. Gij hebt
geen vaste woning, noch vast eigendom. Wilde ik mij door de vlucht
redden, dan zou ik alles verliezen, wat ik bezit.
--Leg het dan maar slim aan!--bromde de oude Mubarek. Er mag geen
spoor van die vervloekte kerels overblijven.
--Natuurlijk! Ze moeten in stukjes gehakt en in den grooten vischvijver
van Habulam gegooid worden, tot spijs voor de snoeken,--stelde een
ander voor.
--En dan mag ik de snoeken opeten, dank je wel,--zei Hambulam, met
den grootsten afschuw.
--Noodig is het niet. Gij kunt de visch ook verkoopen. Maar wij
moeten ons haasten, want voor het dag wordt, moet alles in alle stilte
afgeloopen zijn en in geen geval mogen wij schieten.
Nu gingen zij breedvoerig overleggen, hoe zij ons het best zouden
overvallen en dan of wurgen of doodslaan.
Eindelijk waren zij het er over eens, met behulp van de aanwezige
ladder buiten langs, op den toren te klimmen, het luik van de
trap-opening weg te nemen en dan, de trap af, naar omlaag te gaan,
tot in het vertrek waar wij, zooals zij veronderstelden, zouden liggen
te slapen.
--Maar misschien houden die kerels de wacht,--zei er een.
--Dat geloof ik niet,--antwoordde Habulam. Waarom zouden zij dat
doen? Zij hebben sluitbouten op de deuren en vensters, en daar zij
niet vermoeden dat iemand van boven af in den toren komt, zullen zij
zich te veilig achten om nog bovendien wacht te houden. Overigens
kunnen wij voor alle zekerheid nog eerst onderzoeken of zij slapen.
--Op wat manier?
--Door aan het raam te luisteren. Maar ik twijfel niet of zij zullen
wel slapen; als het rondom donker is, blijft men niet lang wakker.
--Maar gij hebt ze toch een lamp meegegeven?
--Ja, maar met zoo weinig olie, dat ze lang voor middernacht uit
moet zijn.
De oude schurk vermoedde niet, dat Janik ons voldoende van olie
had voorzien.
--Kraken de treden niet?--vroeg Barud el Amasat.
--Neen, want ze zijn van steen; sommige mogen wat los liggen, maar
leven maken ze niet.
--Het zou een mooie geschiedenis zijn, als wij, met treden en al,
de trap kwamen afstormen!
--Daar behoeven wij niet bang voor te zijn. Maar voor alle zekerheid
nemen wij een lantaarn mee, om op de trap te kunnen zien.
--Ja, dan waren wij vrij zeker dat... de kerels ons zouden zien!
--Toch niet. Er zijn verscheidene verdiepingen, zoodat het licht niet
kan doordringen tot waar zij zijn. Als wij bij het benedenste vertrek
gekomen zijn, laten wij de lantaarn staan, en halen die eerst terug
als de kerels dood zijn.
--Dan is het goed. Toch is 't geen gemakkelijk werkje. In de kamer bij
de slapenden hebben wij geen licht, en we mogen geen leven maken. Hoe
licht stoot men zich in donker niet!
--Bah! Hoe zwaartillend! Ik zie er geen zwarigheid in, als wij elkaar
maar begrijpen en de rollen goed verdeelen. Dan is 't in een ommezien
gedaan.
--Wat meent ge met 'rollen verdeelen'?
--Ik meen, dat een ieder van ons dient te weten wien hij pakken
moet. Wij mogen elkaar niet in den weg staan. Voor dien Duitschen
giaur zijn in allen gevalle twee man noodig.
--Ik en mijn broeder nemen hem voor onze rekening,--zeide een der
Aladschy's.
--Goed. Naar onze persoonlijke kracht moeten wij de rollen
verdeelen. Voor ieder van hen kiezen wij den juisten man. Na de beide
Aladschy's is de Miridiet zeker de sterkste. Hij neme dus hem voor
zijn rekening, die zich Osko noemt.
--Neen,--viel Barud el Amasat in; dezen Osko vraag ik voor mij
alleen. Ik ben het, dien hij vervolgt, op mij wil hij zich wreken,
en daarom zal hij in mijn handen sterven.
--Op u wil hij zich wreken? Waarom?
--Omdat ik eenigen tijd geleden, zijn dochter ontvoerd en als slavin
verkocht heb. Aan wien, dat gaat u niet aan.
--Dat is een grap, die niet iedere vader grappig vindt.
--Hij zit mij sedert dien tijd dan ook aldoor op de hielen.
--Wat is hij voor een mensch? Een Serviër?
--Neen, een Montenegrijn. Vroeger waren wij groote vrienden.
--Dan heeft hij u zeker beleedigd, en hebt gij, om u te wreken,
zijn dochter geroofd?
--Neen, hij had mij niets gedaan, maar hij had een verbazend mooie
dochter, met name Senitza. Een vermogend man zag en begeerde haar. Zij
wees hem echter af. Toen wendde hij zich tot mij en bood mij een zeer
belangrijke som. Wat zoudt gij in mijn plaats hebben gedaan?
--Het geld hebben verdiend,--zei Murad Habulam en lachte.
--Zoo dacht ik er ook over! Ik ontvoerde haar, wat gemakkelijk genoeg
was, want zij vertrouwde mij als haar vaders vriend, en ik heb haar
geleverd. Hij voor wien ik dat deed, nam haar mee naar Egypte, waar
zij kort daarop hem weer ontvoerd is. [10]
--Door wien?
--Dat raadt gij nooit. Door hem die van alles de schuld is, door den
schurk, die zich Kara Ben Nemsi noemt.
--Door dien Duitscher?
--Ja.
--Allah verdoeme hem.
--Wij willen hopen dat uw wensch nog heden vervuld wordt. Deze
Senitza had namelijk een andere lief, den zoon van een schatrijken
groothandelaar uit Stambul. Hij heet Isla en trof in Egypte den
Duitscher aan. Deze heeft uitgevonden, waar Senitza verborgen was,
haar ontvoerd en aan Isla gegeven, die haar mee nam naar Stambul en
daar trouwde. Ik zou wel eens willen weten, hoe die Duitscher haar
op het spoor is gekomen.
--Wel, door zijn boozen blik!--beweerde Habulam. Hij ziet en ontdekt
alles. Maar heeft degeen, aan wien Senitza ontvoerd is, zich niet
gewroken?
--Dat wilde bij wel, maar kwam er niet toe; want de duivel beschermt
den Duitscher. Ja, hem of aan een der zijnen gelukte het zelfs,
om later mijn vriend te vermoorden. En nu zitten zij met Osko mij
achterna. De oude Montenegrijn zou natuurlijk niets liever willen,
dan zich op mij wreken.
--Dat moet hem betaald gezet worden!
--Zoo denk ik er ook over, en daarom neem ik hem voor mij. De Miridiet
mag dengene inpikken, die zich Omar noemt.
De Miridiet had tot nu toe met de armen over de borst geslagen,
zonder iets te zeggen of eenig teeken van goed- of afkeuring te
geven, op zijn plaats gestaan. Maar nu wees hij die opdracht af en
zei met beslistheid:
--Ik wil van daag met dien Omar niets te maken hebben.
--Niet?--vroeg Habulam verwonderd. Hebt gij voor u dan een ander
uitgekozen? Misschien dengene, dien wij Hadschi Halef noemen? Ik had
u voor moediger gehouden, dan gij u nu toont.
De oogen van den Miridiet fonkelden van toorn, maar toch vroeg hij
op bedaarden toon:
--Gij meent dus, dat het mij aan moed ontbreekt?
--Ja. Gij zoekt voor u den kleinste uit, van al onze vijanden!
--Wie heeft dat gezegd? Ik misschien?
--Wel, dat ligt toch voor de hand.
--Gij moogt denken, wat u belieft. Misschien wel, dat ik in 't geheel
niet durf, nu ik u rondweg zeg, dat ik niet een van deze mannen voor
mijn rekening nemen wil.
Deze besliste weigering van den Miridiet wekte aller verwondering.
--Wilt gij daarmee soms zeggen, dat gij in 't geheel geen partij wilt
trekken tegen onze vijanden,--vroeg Habulam terstond.
--Ja, dat heb ik willen zeggen.
--Dat zou ontrouw zijn jegens ons, en daarom hoop ik dat gij het uit
gekheid zegt.
--Wat ik zeide, was in allen ernst gezegd.
Er volgde nu een oogenblik van algemeene stilte, onderwijl aller oog
strak op hem gevestigd was. Daarna nam Barud el Amasat het woord:
--Als gij dat werkelijk meent, dan was het beter, zoo wij u nooit
hadden gekend. Die niet met ons is, die is tegen ons. Wij zouden,
als gij bij uw besluit blijft, u als onzen vijand moeten beschouwen.
De Miridiet antwoordde, terwijl hij het hoofd schudde:
--Ik ben uw vijand niet. Ik zal u in uw voornemen niet belemmeren,
maar u ook niet bijstaan.
--Van morgen vroeg hebt gij anders gesproken.
--Ik ben sedert dien van gevoelen veranderd.
--Gij beschouwt dus deze menschen niet meer als onze gemeenschappelijke
vijanden?
--O ja; want zij hebben mijn broeder gedood. Maar er is tusschen hen
en mij een Mutareke (wapenstilstand) gesloten.
--Een Mutareke! Zijt gij dol! Hoe klopt dat met de woorden, die gij
hebt gesproken bij uw komst onder ons?
--Ik geloof niet dat ik daarmee nu in tegenspraak ben.
--Volkomen in tegenspraak. Dezen morgen zijt gij van ons gegaan met het
vaste voornemen, om die vreemdelingen, ten minste dien Kara Ben Nemsi,
te zullen dooden. Het was ons dus al een groote teleurstelling, toen
gij ons straks kwaamt zeggen, dat het u niet gelukt was uw plan ten
uitvoer te brengen. En nu komt gij ons verrassen met de mededeeling dat
gij een wapenstilstand hebt gesloten. Wij dachten dat hij u ontsnapt
was, maar zooals wij nu hooren, hebt gij met hem zelfs gesproken.
--Dat heb ik zeer zeker gedaan.
--En gij hebt werkelijk een Barysch scharti (vredesverdrag) met
hem gesloten?
--Slechts een tijdelijk.
Hoe kalmer de Miridiet antwoordde, des te opgewondener werd Barud
el Amasat. Deze stond op van zijn plaats, ging op den Miridiet toe,
zeggende:
--Dat was u niet geoorloofd!
--Waarom niet? Wie zou daar iets tegen kunnen hebben?
--Wij, natuurlijk wij! Gij zijt onze bondgenoot en hebt geen recht
en ook geen verlof, om zonder onze toestemming zoo iets te doen. Uw
verdrag is van nul en geener waarde, omdat het zonder en tegen ons
gesloten is. Neem dat ad notam!
De wenkbrauwen van den Miridiet fronsten. Zijn oogen fonkelden. Toch
beheerschte hij zich en antwoordde zoo bedaard als te voren:
--Gij acht u dus gerechtigd om mij te bevelen?
--Ja. Wij zijn eedgenooten, en niemand van ons mag iets tegen den
wil van de anderen doen. Daarom zeg ik u, dat gij zeer onbezonnen en
onnadenkend gehandeld hebt!
--Bin scheitanlar, duizend duivels!--riep de Miridiet uit, nu in
heftigen toorn ontstoken. Gij waagt het mij te gebieden, gij, dien
ik in 't geheel niet ken, van wien ik zelfs niet eens weet, wie hij
is, van waar hij komt en den ingang naar de hel zal vinden! Nog een
zoo'n beleediging, en mijn kogel zendt u in de diepte, waar de Baba
bozulmanun (de vader des verderfs) huist. Ik ben een Miridiet, een
zoon van den beroemdsten en dappersten stam der Arnauten, en duld van
u geen beleedigend woord. Treedt gij met zulke woorden tegen mij op,
dan staat gij aan den rand van uw graf. Een greep van mijn hand en
gij stort er in!
--Oho! Ook ik ben gewapend!--antwoordde Barud el Amasat, de hand op
den greep van zijn pistool leggende.
--Halt!--riep de oude Mubarek. Zullen vrienden in twist elkander
verderven? Barud el Amasat, het is best, dat gij voor onze zaak ijvert,
maar gij moogt het niet in beleedigende bewoordingen doen. Ga weer
zitten! De Miridiet zal mij open en rond zeggen, hoe en waarom hij
met dien man een verdrag heeft gesloten.
Barud zette zich, maar verborg zijn ontevredenheid niet. De Miridiet
zei:
--Ik heb den Duitscher mijn Czakan gegeven.
--Allah! Dat is een heilig verbond dat niet verbroken mag worden. Voor
hoe langen tijd hebt gij hem uw Czakan gegeven?
--Tot hij mij dien teruggeven zal.
--Dat is dus voor altijd?
--Als hij dat zoo wil, kan ik er niets aan doen.
--Ik kan u daarover geen verwijt doen, want ik ken de reden niet,
die u daartoe bewoog. Met een man, met wien men in bloedwraak leeft,
sluit men zoo'n verdrag niet, tenzij om zeer gewichtige redenen. Gij
moet dus jegens dezen Duitscher, dien Allah verdoeme, wel groote
verplichtingen hebben.
--Ik ben hem alles verplicht, namelijk het leven. Ik was volkomen
in zijn macht, toch doodde hij mij niet, ofschoon ik het hem had
willen doen.
--Vertel ons, hoe het zich toegedragen heeft!