liefst dood gaan, en zal het nu wel zóó inrichten, dat Habulam onze
verzorging aan zijn gehaten medeminnaar opdraagt. Maar help mij nu
eerst op mijn matras en ga dan op verkenning uit. Wij moeten weten,
hoe het er in dezen toren uitziet.
Toen ik het mij op mijn matras gemakkelijk gemaakt had, klommen de
drie anderen naar boven, maar kwamen al spoedig terug. Halef berichtte:
--Ik geloof niet, dat hier eenig kwaad tegen ons ondernomen kan
worden. De beide vertrekken boven ons, zijn volkomen zoo als dit.
--Zijn er blinden aan de ramen, zoo als hier?
--Ja, en ze kunnen met sterke houten sluitboomen vast gemaakt worden.
--Wij kunnen er dus voor zorgen, dat van nacht niemand ons besluipt,
zonder leven te maken. En hoe is het heelemaal boven?
--Daar is een rondom open ruimte, door een ballustrade omgeven en
gedekt door een dak, dat op vier steenen pilaren rust.
--Dat heb ik van buiten af ook gezien. In allen geval is daar de oude
op gekomen om haar kinderen te zegenen.
--Maar dat zal zij nu wel niet meer kunnen, want de vroegere opening
is dichtgemetseld,--verzekerde Halef.
--Dat dichtmetselen moet toch zijn reden hebben. Hoe komt men dan
nu op dat terras om van het mooie vergezicht te genieten? Daar het
rondom open is, kan het niet anders of er moet regen op vallen, waar
blijft dat water? Loopt dat de trap af, in de vertrekken er onder
en hier? Naar buiten kan het niet. De ballustrade belet dat. Er moet
dus een afwatering zijn.
--Ja, die is er. De trap-opening op het terras wordt gesloten met een
deksel dat men er afnemen kan. De dekselrand en die van de trapopening
zijn van gom-elastiek voorzien en sluiten waterdicht. De vloer van
het terras glooit van uit het midden naar den muur, en daarin is een
gaatje waardoor het water afloopen kan.
--Hm! Die open terraskamer komt mij gevaarlijk voor. Men kan er van
buiten af op en zoo bij ons komen.
--Daarvoor is het terras te hoog.
--Toch niet. Deze kamer is zoo laag, dat ik rechtop staande met mijn
hoofd tegen de zoldering stoot. Wanneer de twee boven ons liggende
vertrekken van dezelfde hoogte zijn, dan is de bedoelde vloer hoogstens
zeven en een halven meter hoog. Reken ik nu nog een meter voor de
balustrade, dan is de heele hoogte acht meter vijftig.
--Men zou een Merdiwan (een ladder) daarvoor noodig hebben, maar die
zullen ze hier wel bij de hand hebben.
--Dat zou ik wel denken. Maar het trapluik kan toch wel goed gesloten
worden?
--Neen.
--Het is dus zoo duidelijk als tweemaal twee vier, dat de weg naar
hier voor onze vijanden, die natuurlijk een ladder hebben, open
ligt. Of zijn de lagere zolderingen soms te sluiten?
--Neen.
--Ook dat niet! Wij kunnen dus op een mogelijk bezoek rekenen, dat
wel eens slecht voor ons kon afloopen. Ik moet zelf den toestand
opnemen. Osko, kunt gij mij op uw schouders naar boven dragen?
--Ja, Heer, ga er gerust op zitten, ik zal bukken.
Ik ging als te paard op zijn schouders zitten en hij droeg mij
naar boven.
Iedere verdieping in den toren was juist als ons vertrek. In de
vloeren waren openingen, waardoor de trap liep. Deze openingen hadden
geen sluiting, behalve die onder het dak, waarvoor het sterke zware
deksel diende, dat men, door de gummi-banden, waterdicht afsluiten
kon. De gording, onder het dak, was anderhalve meter hoog, zoodat
tusschen de zuilen, waarop het dak rustte, een opening was, waardoor
men prachtige vergezichten had over velden en rijen van vruchtboomen.
Bovendien liep er, boven langs den toren, een balkon. Het was
gevaarlijk zich daar buiten op te begeven, en dat zal wel de reden
geweest zijn, waarom die toegang dichtgemetseld was.
Hier school voor ons het gevaar. Met een ladder kon men naar boven
komen en drie trappen afgaande, was men in ons vertrek. Wilden wij
dat verhinderen, dan moesten wij die dak-afsluiting zoodanig van
binnen verzekeren, dat zij van buiten niet kon geopend worden.
Het vergezicht was echter in een droevig waas gehuld. Reeds gedurende
het laatste uur van onzen rit hadden wij wolken zien drijven, die nu
den ganschen horizon dekten en aldoor zich uitspreidden.
Nauwlijks waren wij in de voor ons bestemde kamer terug, of er kwam
een flinke sterkgebouwde jongeman bij ons, met twee vaten drink-
en wasch-water. Met zijn open en vriendelijken blik keek hij ons
onderzoekend aan.
--Sallam!--klonk zijn heldere stem. Mijn Heer zendt mij om u water
te brengen, Effendi! Het eten zal weldra klaar zijn.
--Waarom komt Humun niet?
--Zijn heer heeft hem noodig.
--En hij heeft ons juist het tegendeel gezegd!
--De beenen begonnen pijn te doen, toen had hij zijn knecht noodig.
--Dus komt gij ons bedienen?
--Ja Heer, tenzij u het anders wenscht.
--Ik zie u liever hier dan Humun. Gij zijt Janik, de aanstaande man
van Anka?
--Ja Heer. Gij hebt haar veel gegeven. Zij heeft het geld nageteld,
toen zij thuiskwam. Zij zendt het u terug, want gij moet u vergist
hebben. Zóó veel hebt gij haar zeker niet willen geven.
Hij reikte mij het geld toe.
--Ik neem er niets van terug, want ik wist hoeveel ik haar gaf. Het
is voor Anka.
--Maar dat is toch te veel, Heer!
--Neen. Misschien krijgt gij ook wel zooveel, als ik over u tevreden
ben!
--Ik verlang geen Bakschisch, Heer. Wel ben ik arm, maar ik zal u
gaarne bedienen, ook zonder fooi. Anka heeft mij gezegd dat gij ook
van ons geloof zijt en bovendien den Heiligen Vader in Rome gezien
hebt. Daarom doe ik gaarne alles waarmee ik u van dienst kan zijn.
--Gij zijt een brave jongen, en als ik u met iets kan helpen, doe ik
dat gaarne. Is er soms iets, dat gij wenscht?
--Het eenige, dat ik wensch, is zoo spoedig mogelijk Anka mijn vrouw
te kunnen noemen.
--Zorg dan dat gij zoo spoedig mogelijk de duizend piasters bijeen
hebt.
--Aha, Anka heeft gebabbeld! Maar wat dat betreft, ik heb mijn duizend
piasters al haast bijeen. Anka is echter met de hare nog lang zoo
ver niet.
--Hoeveel ontbreken er nog aan uw spaarpot.
--Nog twee honderd.
--Hoe lang moet dat duren, voor gij die bijeen hebt?
--Nu, daar zal ik nog wel twee jaren voor noodig hebben. Ik moet geduld
hebben. Stelen mag ik niet, en Habulam geeft maar heel weinig loon.
--Wat zoudt gij zeggen, als ik u die twee honderd piasters gaf?
--Maar, Heer, dat kunt gij toch niet meenen!
--Met iemand, die het zoo ernstig meent als gij, spreek ik ook
in ernst. Ik wil u dat geld geven, en dan kunt gij uw Anka helpen
sparen. Kom hier, daar is het.
Het waren ongeveer vierentwintig gulden. Ik gaf ze hem gaarne, want
hij was een eerlijke oprechte jongen, en ook was het niet mijn geld,
dat ik gaf. Hij was ontzettend blij; alleen kon hij niet begrijpen,
dat een vreemde hem, zonder dat hij er iets voor doen zou, zooveel
geld gaf. De eigenlijke reden zei ik hem natuurlijk niet. Mijn doel
had ik echter bereikt, want ik had in Janik iemand gewonnen, dien ik
volkomen kon vertrouwen en ons met al wat hij kon, zou bijstaan.
Hij gaf een ieder van ons de hand, met de verzekering, dat hij alles
zou doen om onze tevredenheid te verdienen.
Ik begon hem nu voorzichtig over zijn heer uit te hooren, en ik kwam
het navolgende te weten:
Habulam was de broeder van Manach el Barscha, den wegens verduistering
voortvluchtigen ontvanger der belasting. Daarom was mij het gezicht
van Habulam zoo bekend voorgekomen, want hij geleek sprekend op
zijn broer. Manach kwam dikwijls bij zijn broer, en verschool zich,
omdat hij hier te bekend was, alsdan in de groote koornschelf,
die het dichtst bij onzen toren stond. Deze schuilplaats moest
voor de knechten een geheim blijven, maar dezen kenden dat reeds
lang. Natuurlijk zwegen zij er over. Ook had Habulam aan Janik gelast,
om zooveel mogelijk bij ons te blijven en hem alles over te brengen
wat wij onder elkaar mochten praten.
--Als hij er naar vraagt,--zeide ik,--zeg hem dan dat gij ons niet
verstaat, want dat wij in een vreemde taal spreken, die gij niet kent.
--Dat zal wel het best zijn. Nu moet ik echter weg, want het eten
zal klaar zijn.
Toen Janik ging, liet hij, zooals ik hem gezegd had, de deur
openstaan, opdat ik de gevaarlijke koornschelf op mijn gemak zou kunnen
bezien. Deze was van een tamelijken omvang, en juist tegenover ons; ook
merkte ik onderaan een plek op, die iets afweek van de omgeving. Daar
was ongetwijfeld de ingang. Boven uit den top van het trechtervormige
dak stak een stok, waarin zich een stroowisch bevond, die misschien
wel dienen moest om geheime teekens te geven.
Janik kwam al spoedig terug, met een groote mand. Hij zette het
eten op tafel. Het bestond uit maïsbrood, koud vleesch en een warme
verleidelijk riekende ommelet (Jumurta jemeki).
--Heer,--zeide hij,--Anka heeft mij toegefluisterd, dat gij u voor
de Jumurta jemeki in acht moest nemen.
--Heeft zij iets opgemerkt dat haar verdacht leek?
--Onze Heer heeft zelf er alles voor klaargemaakt, maar Anka eerst
weggestuurd. Ze heeft echter door een kiertje gekeken en gezien dat
hij het peperhuis met Sytschan zehiri (rottekruid) uit zijn zak haalde.
--En was hij nu ook nog in de keuken?
--Ja, hij vroeg mij, waarover gij gesproken hadt, en ik antwoordde
zooals gij mij gezegd hadt. Toen gelastte hij mij, erg vriendelijk
tegen u te zijn en zooveel mogelijk met u te praten, opdat gij mij
zoudt moeten antwoorden en misschien lust zou krijgen een gesprek
met mij aan te knoopen. Hij heeft mij vijf piasters (60 cts.) fooi
beloofd, voor als ik alles goed deed.
--Hebt ge soms lust om uw ziel voor vijf piasters aan den duivel
te verkoopen?
--Voor geen duizend! Maar Anka laat u zeggen, dat gij zonder zorg
van het vleesch en het brood kunt eten.
--Dan zullen wij haar raad opvolgen. De Jumurta jemeki zal ik terstond
de musschen eens laten proeven.
Wat keurige kamer wij hadden, blijkt uit het feit dat ons vertrek
tot toevluchtsoord en onderdak van eenige musschen diende. Er waren
enkele steenen uit de muren gevallen en in de daardoor ontstaan
zijnde gaten bevonden zich de nesten van die brutale proletariërs,
die niet eens zooveel gevoel, voor wat gebruikelijk was, bezaten,
dat ze behoorlijke nesten maakten.
Die vroolijke musschen schenen voor ons in 't geheel niet bang te zijn,
want zij vlogen onophoudelijk in en uit, en zaten, van uit hun nest,
zoo onbeschaamd mogelijk, te kijken.
Ik gooide eenige stukken van de ommelet in een hoek, en de vogels
vlogen er op af, om er duchtig om te kibbelen. Of ze het eten hadden
zien binnendragen, weet ik niet, maar wel zag ik dat nagenoeg alle
tafelschuimers present waren. Het was buiten al mooi donker geworden,
en een gerommel van uit de verte verkondigde ons de nadering van
onweer.
--Breng ons een lamp,--zeide ik tot Janik,--en maak van die gelegenheid
gebruik, om aan uw meester te zeggen, dat wij alle luiken dicht
zullen maken!
--Waarom?
--Ja, dat zal hij wel vragen. Zeg hem, dat wij de spokende oude moeder
het binnenkomen willen beletten.
Toen hij zich verwijderd had, klommen mijn vrienden vlug naar boven
om de luiken ter dege te sluiten. Nauwelijks was dit gedaan of Janik
kwam terug met een steenen lamp, waarin zóó weinig olie was dat ze
binnen het uur moest uitgaan.
--Waarom brengt gij ons zoo weinig olie?--vroeg ik.
--Mijn Heer zei, gij zoudt wel spoedig gaan slapen. Maar Anka is ook
niet dom! Zij heeft mij tersluiks dit fleschje meegegeven.
Hij haalde het fleschje uit zijn zak. Er was olie genoeg in, en hij
gaf het mij.
--Dat is niet enkel gierigheid,--zeide ik. Onze gastheer Wil ons in
't donker laten zitten; dan is men hulpeloos.
Een angstig gepiep en gesjilp deed mij naar de musschen kijken. Zij
zaten met opgestoken veeren in hun nest, en het was duidelijk dat
zij pijn hadden. Een vladderde uit zijn nest en viel op den grond,
waar hij nog een paar malen met zijn vleugels sloeg en zich daarna
niet meer bewoog. Hij was dood.
--Zoo gauw!--zeide Halef. Die schoft moet een geduchte portie vergift
in de ommelet gedaan hebben!
--Er is ook heel wat voor noodig om vier sterke mannen met rottekruid
te vergiftigen. Met ons zou het zeker niet zoo gauw gedaan geweest
zijn, als met een musch. Dat mensch is niet alleen duivels slecht,
maar ook verbazend dom. Hij moet gedacht hebben dat wij even gauw
zouden bezwijken als die vogels, en dus geen tijd meer zouden hebben
om ons te wreken.
Er lagen nu reeds meer vogels dood op den grond. De arme diertjes
gingen mij wel aan het hart, maar ik had ze moeten opofferen om
zekerheid te krijgen.
--Wat zult gij nu met de ommelet doen, Sihdi?--vroeg Halef. Zullen wij
naar Habulam gaan en hem met zweepslagen dwingen zijn eigen ommelet
op te eten?
--Het eerste gedeelte van uw voorstel neem ik aan, maar het laatste
niet. Wij gaan terstond naar hem toe en nemen de ommelet mee, netjes
gegarneerd met de doode vogels.
--Heer, doe dat niet,--bad Janik,--want dan loopt het slecht met mij
af, omdat hij zal denken dat ik u gewaarschuwd heb.
--Daarin zullen wij hem te vlug af zijn. Wij zullen doen, alsof gij
van ons een stuk hadt gekregen en opgegeten, zoodat gij nu van de
pijn ligt te krimpen. Kunt gij dat veinzen en u goed houden, als hij
soms komt kijken?
--Ik denk wel van ja.
--Laat dan de rest maar aan mij over. Kunt ge mij ook zeggen, waar
wij Habulam zullen vinden?
--In zijn kabinet achter de ontvangkamer (Selamluk), waar gij met
hem gezeten hebt. Gij ziet de deur terstond. Is hij niet daar, dan
is hij in de keuken; want Anka vertelde mij, dat hij er bij wilde
zijn als het avondeten voor u werd klaargemaakt (het Achscham).
--En waar is de keuken?
--Links van de plaatsdeur. Men heeft er u voorbij gereden. Pas echter
op, dat hij u niet ziet aankomen, want dan schuilt hij weg.
Hij ging, en ook wij maakten ons op, ik natuurlijk in mijn
wandelwagen. Halef bedong voor zich de pret, de ommelet te dragen,
en hij hield die toegedekt onder een slip van zijn kaftan. Maar wij
gingen niet over de binnenplaats. Wij liepen er om heen, om niet te
gauw opgemerkt te worden.
Eerst zochten wij onzen gastheer in zijn particulier vertrek. Omdat
de vloer met matten belegd was, kon men ons moeilijk hooren aankomen
terwijl wij nog in de ontvangkamer waren. Osko deed de aangeduide
deur open en trad naar binnen.
--Wat wilt gij?--hoorde ik Habulam verschrikt vragen.
Op hetzelfde oogenblik schoof Omar mij naar binnen. Toen Habulam
mij zag, spreidde hij zijn tien vingers voor mij uit, en riep in
doodelijken schrik:
--Hasa, si amahu Allah,--God beware mij, God behoede mij! Ga weg,
ga weg! Gij hebt den boozen blik!
--Alleen voor mijn vijanden, maar niet voor u!--antwoordde ik.
--Neen, ik durf mij niet door u laten aankijken!
--Maak u niet bezorgd! Zoolang gij vriendelijk jegens mij gezind zijt,
kunnen mijn oogen u geen kwaad doen.
--Dat geloof ik niet! Er uit, er uit!
Sidderend van angst had hij zich afgewend, om mij niet te moeten
aankijken, en hield zijn handen naar de deur gestrekt.
--Murad Habulam,--zeide ik op strengen toon,--wat bezielt u? Behandelt
men zijn gast ooit op zulk een manier? Ik zeg u dat mijn blik u
volstrekt geen kwaad zal doen, en ik ga niet weg, voor ik met u
besproken heb, wat mij tot u doet komen. Keer u dus gerust naar mij
toe en kijk mij aan.
--Kunt gij mij bij Allah verzekeren, dat uw blik mij geen kwaad zal
doen, ook al valt die op mij?
--Ik geef u die verzekering.
--Dan wil ik het wagen. Maar ik zeg u, dat mijn vinnigste vervloeking
u zal treffen, als gij mij onheil aanbrengt.
--Die vervloeking zal mij niet treffen, want mijn oog zal slechts in
vriendschap op u gericht zijn en u dus niet schaden.
Nu wendde hij zich naar mij toe. Maar de uitdrukking van zijn gelaat
getuigde van zoo grooten angst, dat ik er mij ten zeerste in verheugde.
--Wat wilt gij van mij?--vroeg hij.
--Ik zou een kleine opheldering van u willen hebben, maar eerst u
een vriendelijk verzoek willen doen. Het gebruik brengt mee, dat de
gastheer het brood met zijn gasten deelt. Gij hebt dan niet kunnen
doen, omdat het podagra u verhinderde, naar mij toe....
Ik zweeg plotseling, alsof ik eerst nu op zijn beenen lette. Inderdaad
had ik terstond bij mijn komst bemerkt, dat de dikke omslagen
verdwenen waren.
Hij stond recht overeind. De wijde broekspijpen hingen hem in breede
plooien om de knieën, en de schrikbewegingen, die hij gemaakt had,
waren zoo vlug en heftig geweest, dat er bij hem van eenige pijnlijke
aandoening in de beenen geen sprake meer kon zijn. Daarom ging ik na
een oogenblik van verbazing, aldus voort:
--Wat zie ik! Heeft Allah een wonder gedaan? Is uw krankheid geweken?
Hij was met zijn zoogenaamde wonderbare genezing, zóó verlegen,
dat ik hem slechts eenige onverstaanbare woorden hoorde stamelen.
--En nu hadt gij nog wel angst voor mogelijk kwaad, dat mijn oog
u doen zou?--ging ik voort.--Mijn blik brengt, aan die mij goed
gezind zijn, niets dan geluk. Ik ben daarvan zóó overtuigd, dat ik uw
plotselinge genezing uitsluitend aan mijn oog en aan mijn vriendschap
voor u toeschrijf. Wee echter dengene, die kwaad tegen mij in den zin
heeft! Mijn blik is voor hem een onuitputtelijke bron van allerlei
rampen! Al ben ik op honderden mijlen van hem verwijderd, dan is een
enkele gedachte aan hem genoeg, om al het kwade, dat ik hem toewensen,
over hem te doen komen.
Daarmede had ik hem overvloedige stof voor een uitvlucht gegeven. Hij
maakte daar terstond gebruik van, zeggende:
--Ja, Effendi, alleen daar kan het door gekomen zijn. Sedert jaren
lijd ik aan die Nikris. Nauwlijks waart gij weg of ik bemerkte een
onbeschrijfelijk gevoel in mijn beenen. Ik beproefde te loopen, en
zie, het gelukte! Nog nooit in mijn leven heb ik mij zoo gezond en
sterk gevoeld, als nu. Dat kan alleen uw blik hebben gedaan.
--Pas dan op, dat het ook zoo blijft! De verandering uwer gezindheid
brengt ook verandering in uw welstand mee. Gij zoudt er dan slechter
aan toe zijn dan ooit.
--Effendi, waarom zou ik van gezindheid jegens u veranderen? Gij hebt
mij niet alleen geen kwaad gedaan, maar genezing aangebracht. Gij
zijt mijn vriend en ik de uwe.
--Zoo is het en daarom heeft het mij zoo gespeten dat ik onzen maaltijd
niet met u heb kunnen deelen. Gij zult echter van ons niet zeggen, dat
wij de wetten der beleefdheid en der vriendschap niet kennen. Daarom
komen wij om het lekkerste van onzen maaltijd hier te brengen, en u te
verzoeken daarvan, in onze tegenwoordigheid te willen genieten. Wij
willen toezien en ons van harte verblijden, als gij die heerlijke
spijs ter onzer eere opeet. Hadschi Halef Omar, geef ze hier!
Halef nam de slip van zijn kaftan, van de ommelet weg, ging naar
Habulam toe en bood hem die aan, met de woorden: Heer, neem deze
spijs der gastvrijheid, en schenk ons het genot u die te zien eten,
en zelfs te mogen toezien, hoe die u smaakt!
Er lagen zes doode musschen bovenop. Habulam keek verlegen van den
een naar den ander en vroeg:
--Wat moet dat? Waarom zijn die vogels op de Jumurta jemeki?
--Ik gaf ze er van te eten, en ze zijn terstond gestorven van het
genot dier heerlijke spijs. Nu zijn zij paradijs-vogeltjes geworden en
vermeien zich in de tuinen van den Profeet, om met nachtegaalklanken
den lof te zingen uwer voortreffelijke kookkunst.
Hij strekte de hand niet uit naar de ommelet, hij was zoo bleek
geworden als een doek en stotterde:
--Effendi, ik begrijp u niet. Hoe kunnen musschen van een ommelet
sterven?
--Dat is het juist, wat ik u vragen wilde; daarom ben ik hier gekomen.
--Hoe kan ik dat zeggen?
--Wel, niemand beter dan juist gij. Hebt gij de ommelet niet zelf
klaargemaakt?
--Ik? Hoe komt gij op die gedachte, dat ik zelf haar zou hebben
gebakken?
--Ik dacht dat uw groote vriendschap voor mij u er toe gedreven had
om dien lekkeren schotel zelf te bereiden.
--Zoo iets kan niet in mij opkomen. Ik ben geen kok (Aschdschy). Ik
zou alles bederven.
--Zeg ons dan, wie dat zoo handig gedaan heeft.
--Anka, de dienstmeid heeft het gedaan.
--Zoo toon haar dit gebak en doe er haar van eten. Dit is geen Uemr
taami (brood des levens), maar Oelum jemeki (spijs des doods). Over
die er van eet, komen de schaduwen der ontbinding.
--Heer, uw woorden doen mij beven!
--Als ik het kwade oog niet had, zoudt gij op dit oogenblik
nog angstiger zijn. Dan lagen onze lijken in den toren, en
onze geesten kwamen 's nachts, met de oude vrouw, spoken om den
lichtzinnige te verontrusten, die den dood in het brood des levens
heeft gemengd. Gelukkig is mijn blik zoo scherp, dat hij door alles
heen ziet. Niets ontgaat mij, kwaad noch goed. En al laat ik het al
niet merken, toch lees ik in ieder menschen hart, en weet wat daarin
omgaat. Zoo heb ik ook terstond het rottekruit opgemerkt en, om het u
te bewijzen, de vogelen des hemels er van gegeven, die terstond dood
neergevallen zijn.
--Allah! Is dat waar?
--Ik zeg het, en dan is het zoo.
--Maar hoe is dat dan gebeurd?
--Ik zou denken, gij moest dat weten.
--Ik weet er niets van. En hoe zoo iets kan gebeurd zijn, begrijp ik
nog minder. In mijn keuken is ook geen vergif!
--Maar ratten zijn er toch immers wel?
--In huis zijn er zelfs veel.
--Dus is er ook vergif om ze te dooden?
--Ja, ik heb het uit Uskub laten komen.
--En waar bewaart gij het?
--Hier in mijn eigen kamer. Het ligt op de plank aan den muur. Alleen
ik kan er bij.
Ik keek waar hij wees. Daar stonden allerlei kistjes en doosjes. Een
peperhuis zag ik niet. Misschien had hij het nog in zijn zak; daarom
zeide ik:
--Als gij u het gebeurde niet kunt verklaren, zoo wil ik mijn oog
laten werken en daarmee zie ik alles dat verborgen is. Welnu, ik
zie Anka, het meisje is in de keuken en ik zie er u ook. Gij stuurt
haar weg. Terwijl zij weg is, neemt gij het peperhuis met Sytschan
zehiri uit uw zak en gij schudt er een gedeelte van in het meel van
de ommelet.
Verschrikt deed hij een stap achteruit.
--Effendi!--riep hij uit.
--Is 't niet zoo?
--Neen, gij ziet mij toch niet voor een giftmenger aan!
--Heb ik dat gezegd? Gij hebt u misschien wel vergist, en het
rottekruid voor suiker aangezien.
--Neen, neen! Uw oog bedriegt u. Ik ben in 't geheel niet in de
keuken geweest.
--Maar ik zie u er toch, en mijn oog liegt niet.
--Neen, gij vergist u. Het moet een ander geweest zijn!
--Ik vergis mij niet. Voel eens in uw kaftan. Daar zit het vergif
nog in.
Onwillekeurig stak hij zijn rechterhand in den zak, maar trok zijn
hand terstond terug, uitroepende:
--Maar wat wilt gij dan toch, Effendi? Waarom moet ik vergif in mijn
zak hebben?
--Om het voor de ratten te gebruiken.
--Maar ik heb geen vergif!
--Voel maar eens in uw rechterzak; daar is het peperhuis, ik zie het!
Hij voelde er in, haalde zijn hand er leeg weer uit, en verzekerde:
--Er is niets in.
--Murad Habulam, laat alles waar zijn, nu liegt gij.
--Neen, Effendi!
--Hadschi Halef, haal het peperhuis uit zijn zak!
Halef ging naar hem toe en stak zijn hand uit. Habulam trad toornig
achteruit en zei:
--Heer, wat begint gij? Denkt gij dat ik een schurk ben, waarmee
men doen kan wat men wil! Niemand heeft het recht om mijn zakken te
doorzoeken, en dat nog wel in mijn eigen huis!
Waarschuwend hief Halef den vinger op.
--Murad Habulam, verzet u niet! Als gij mijn Effendi boos maakt,
dan werpt hij u terstond den boozen blik toe en geef ik geen duit
meer voor uw leven. Denk er om!
Hij greep, zonder daarin verhinderd te worden, in Habulams zak en
haalde er het peperhuis uit.
--Welnu, Habulam,--zeide ik,--wie heeft gelijk?
--Gij, Effendi,--stamelde hij. Maar, bij Allah! ik weet niet hoe dit
peperhuis in mijn zak gekomen is. Dat moet de een of ander gedaan
hebben om mij in het verderf te storten.
--Zoudt gij mij willen verplichten dat te gelooven?
--Dat moet gij gelooven, want ik zweer het u bij den baard van den
Profeet. Dat kan niemand anders gedaan hebben dan Janik, want hij is
in de keuken geweest.
--Die heeft het zeker niet gedaan.
--Gij kent hem niet. Hij is door en door slecht, en altijd erop uit
om te doen wat gemeen is. Waarom heeft hij u op mij afgestuurd? Is
hij niet bij u om u te bedienen? Weet hij niet, dat ik u allerminst
verwachtte? Waarom heeft hij u niet verhinderd om naar mij toe
te komen?
--Omdat hij het niet kon. Om door hem niet gehinderd te worden,
zond ik hem naar den stal, en toen zijn we terstond stil weggeslopen.
--En toch is alleen hij het geweest!
--Gij verdenkt hem ten onrechte. Hij at van de ommelet, waarvan wij
hem een stuk gaven. Zou hij dat gedaan hebben, als hij er het vergif
in had gedaan?
--Wat? Heeft hij er van gegeten, hij?
--Vraagt het hem zelf. Ziet gij niet, dat er een stuk van de ommelet
af is?
Dit stuk hadden wij er af gesneden en verstopt.
--O Allah! Maar dan gaat hij dood!
--Helaas!
--En dat is uw schuld, want gij hebt er hem van gegeven!