Toen dit een poos geduurd had, schoof de heer des huizes wat dichter

naar mij toe en vroeg:

--Hebt gij een goede reis gehad, Effendi?

--Allah heeft mij veilig geleid,--antwoordde ik.

--Afrit, de kleermaker, zeide mij, dat gij van Sbiganzy waart gekomen.

--Ik was sedert gisteren daar.

--En voor dien?

--In Radowitsch en Ostromdscha.

--Zoo zijt gij altijd door op reis geweest?

--Ja, want wij komen van Edreneh en Stambul.

--Van Stambul! Allah heeft het dan wel goed met u voorgehad, dat hij

u in de stad van den Padischah heeft laten geboren worden!

--Ik ben daar niet geboren. Ik kwam van Damascus over Falesthin

(Palestina) daarheen.

--Dus zijt ge een Damaski?

--Ook dat niet. Ik ben een Frank, een Germani, en ik reisde van uit

mijn vaderland naar de groote Sahar (Sahara) om van daar naar Gypt

(Egypte) en Belad el arab (Arabië) te gaan.

--Allah is groot! Hebt gij zoover moeten reizen? En hebt gij goede

zaken gemaakt?

--Ik reis niet voor zaken. Ik wil de landen bezoeken en de volken,

die er wonen, hun taal en hun zeden leeren kennen. Daarvoor heb ik

mijn vaderland voor zoo langen tijd verlaten.

Hij zag mij ongeloovig aan.

--Daarvoor? Allah! Wat geeft het u of gij al bergen en dalen ziet,

de menschen en beesten, woestijnen en wouden? Wat hebt gij er aan,

of gij al ziet, hoe men zich kleedt, en hoort, hoe men spreekt?

Dat was weer de oude domheid, waarop ik al zoo dikwijls was

gestuit. Die menschen kunnen en willen maar niet begrijpen dat men

alleen uit belangstelling volken en landen bezoekt. Een handelsreis,

een bedevaart naar Mekka, verder gaat hun begrip niet.

--Houdt gij van Dschografia (geografie)?--vroeg ik hem.

--Veel. Ik lees zulke boeken heel graag.

--Wie hebben die boeken geschreven?

--Geleerde menschen, die zulke landen bezochten.

--En die menschen zijt gij toch zeker wel dankbaar, dat zij die

boeken, waaruit gij zooveel leert en die u zoo aangenaam bezig houden,

schreven?

--Natuurlijk!

--Welnu, ook in mijn vaderland zijn menschen, die zulke boeken

verlangen. Vele, vele duizenden zijn er, die ze lezen. Er moeten dus

ook mannen zijn, die ze schrijven, waarvoor zij eerst verre landen

moeten bezoeken. Een zoodanige ben ik.

--Gij zijt dus een Ehli Dschografie. Maar ik vraag u nògmaals: wat hebt

gij er aan? Gij verlaat uw huis en harem; gij offert alle genoegens

van het leven op, om in den vreemde allerlei moeite, honger en dorst

te lijden en misschien wel in groot gevaar te komen.

--Ja, dat is zeker het geval.

--En dan sluit gij u op, om uw oogen met schrijven te bederven,

opdat de nieuwsgierige menschen zouden kunnen lezen, wat gij al zoo

ondervonden en gezien hebt. Wat hebt gij er toch aan?

--Is dan het reizen op zich zelf geen genot?

--Neen, het heeft groote moeite.

--Gij zoudt dus ook geen hoogen berg beklimmen om de zon te zien

ondergaan?

--Néén. Daar ben ik te verstandig voor. Waarom zou ik mijn

gemakkelijken divan vaarwel zeggen, waarop ik kan rooken en koffie

drinken? Waarom zou ik klimmen en dalen, als het mij niet anders geeft

dan moe-worden? Dat is toch nergens toe nut. De zon gaat op en onder,

ook al ga ik niet boven op een berg zitten. Allah heeft alles heel

wijs ingericht, en ik kan door mijn klauteren niet het minste aan

zijn raadsbesluiten veranderen of verbeteren.

Inderdaad zoo denkt de Moslem. Allah il Allah! Zijn kismet beheerscht

alles en allen, en die voorstelling is de oorzaak van hun grenzenloos

flegma.

--Zoo zoudt gij, alleen om kennis te verkrijgen, niet naar verre

landen willen reizen?--vroeg ik.

--Neen, beslist neen!

--Maar een voordeel heb ik er van. Het voorziet in mijn

levensonderhoud.

--Hoezoo? Kunt gij bergen eten en rivieren uitdrinken, die gij vindt?

--Neen, maar als ik een boek geschreven heb, waarin ik van mijn reizen

vertel, dan krijg ik daar geld voor, en dat is mijn inkomen.

Nu had ik toch eindelijk iets gezegd dat hij nog zoo dwaas niet vond.

--O, zeide hij,--nu begin ik te begrijpen. Gij zijt geen Geograaf,

maar een Kitabschi (een boekhandelaar).

--Neen, maar de Kitabschi betaalt mij voor wat ik schrijf, daarna

drukt hij het af en maakt er een boek van, dat hij aan de lezers

verkoopt. Zoo maken wij allebei zaken.

Hij bracht zijn vinger aan zijn neus, dacht een oogenblik na en

zei toen:

--Nu weet ik het. Gij zijt het die de koffie uit Arabië haalt, en de

Katabschi is de man die ze verkoopt aan de menschen.

--Ja, dat is nagenoeg zoo.

--Schrijft gij alles op, wat gij ziet?

--Niet alles, maar alleen wat belangrijk is.

--Maar wat is belangrijk?

--Wat mijn denken en mijn gevoel meer dan gewoon bezig houdt.

--Bij voorbeeld, als gij een bizonder goed mensch ontmoet?

--Ja, die komt in mijn boek.

--Of een ergen deugniet?

--Ook dien beschrijf ik, opdat de lezers hem zouden kennen en

verafschuwen.

Hij trok een bedenkelijk gezicht. De zaak begon hem gevaarlijk

te worden.

--Hm!--bromde hij. Dus goeden en slechten worden door u in het

land bekend?

--Zeker.

--Noemt gij ook hun naam in uw boek?

--Stellig.

--Wie en wat zij zijn en de plaats en het huis, waar zij wonen?

--Heel nauwkeurig zelfs.

--Wat zij gedaan hebben en wat gij met hen hebt gesproken en over

hen hebt hooren zeggen?

--Dat allemaal.

--Allah, Allah! Gij zijt dan een groote verrader! Men moet bang voor

u zijn.

--Goede menschen hebben van mij niets te vreezen. Integendeel,

men zal ze overal prijzen, want mijn boeken worden in alle talen

overgebracht. De slechten krijgen echter hun loon, als zij overal

bekend en aan de verachting prijs gegeven worden.

--Zult gij ook over Sbiganzy schrijven?

--Zeer veel zelfs, want ik heb daar zeer veel ondervonden.

--Misschien schrijft gij dan ook wel over Kilissely?

--Ongetwijfeld, want Kilissely is te mooi, dan dat ik het zou vergeten.

--Wat zult gij er van zeggen?

--Dat weet ik nog niet. Ik moet eerst afwachten, wat ik hier zie, hoor,

beleef en ondervind. Maar dat gij prachtige pijpen hebt en de lekkerste

koffie, die ik ooit heb gedronken, dat zal ik van u roemen en prijzen.

Hij keek zwijgend voor zich, en gedurende eenige oogenblikken sprak

geen onzer. Ik had hem, vanaf het oogenblik, dat ik binnen gekomen

was, goed opgenomen. De man kwam mij zoo bekend voor. Waar had ik

dat gezicht meer gezien?

Hij maakte op mij niet den indruk van een rijk man te zijn. Zijn

tulband-doek was oud en vuil en zijn kaftan eveneens. Van zijn

beenen zag ik slechts dat zij dik omzwachteld waren, van wege het

podagra. Desniettegenstaande waren zijn voeten niet omwonden maar

bloot, en staken in oude dunne afgesleten pantoffels.

Hij was evenwel zeer lang en mager. Zijn gelaat getuigde in diepe

groeven, niet van ouderdom, maar van uitspatting. Zijn scherpe

trekken, de kleine, iemand doorborende, cynische oogen, die sterk

ontwikkelde kin, die breede, aan de hoeken neergetrokken mond, dat

alles bijeengenomen maakte geen aangenamen indruk. Hij was integendeel

het type van een gierigaard, wiens gedachten altijd loeren op het

bijeenschrapen van geld, zonder er zich over te bekommeren hoe het

verkregen werd.

--Ik hoop--zeide hij eindelijk,--dat het u bij mij zal bevallen en

gij veel goeds van mij schrijven zult.

--Dat zal ik zeker. Gij hebt mij zoo vriendelijk en gastvrij ontvangen,

dat ik alle reden heb om u dankbaar te zijn.

--Ik zou u nog heel anders ontvangen hebben en u ook beter hebben

laten verzorgen, maar mijn vrouw is van huis, en ik kan mij niet

bewegen. Ik heb aan beide beenen veel te lijden van de Nikris. Die

heb ik in den oorlog opgedaan.

--Gij waart dus militair? Officier?

--Ik had een veel hoogeren en beteren rang. Ik was Asker zagredschiji

(leverancier van het leger), en heb voor de kleeding en voeding van

des Sultans helden gezorgd.

Aha, hij was dus de aannemer van het leger geweest! Onwillekeurig

dacht ik aan de arme, half naakte en uitgehongerde soldaten, wier

lijden deze leveranciers zoo rijk had gemaakt.

--Dan hadt gij een zeer gewichtig ambt en genoot gij wel het vertrouwen

van den Grooten Heer!

--Ja, dat is zoo!--zei hij trotsch. De leverancier is eigenlijk

de man die de veldslagen wint; hij leidt de strijders tot de

overwinning. Zonder hem is er geen moed, geen dapperheid, maar slechts

honger, ellende en ziekte. Het vaderland heeft veel, zeer veel aan

mij te danken.

--Zal ik dat ook in mijn boek vermelden?

--Ja, ik bid u, doe dat. Hebt gij over ons land en over de onderdanen

van onzen Sultan veel goeds te schrijven?

--Zeer veel,--antwoordde ik kortaf, want ik bemerkte dat hij op het

onderwerp wilde overgaan, dat voor hem het gewichtigste was.

--Misschien ook wel veel wat niet te prijzen is?

--Ook dat; er zijn overal goede en slechte menschen.

--Hebt gij van dat laatste soort er veel bij ons aangetroffen?

--Ja, vooral in den laatsten tijd en vooral in deze streken.

Hij schoof heen en weer. Op dit thema had hij willen komen.

--Dan zullen de lezers van het boek dat allemaal te weten komen.... Ik

zou dat boek wel eens willen hebben.

--Dat zoudt gij toch niet kunnen lezen, want het is niet in uw taal

geschreven.

--Maar dan kondt gij er mij toch wel een en ander uit vertellen.

--Misschien later, als ik eerst wat geslapen heb.

--Dan zal ik u wijzen, waar gij overnachten zult. Maar zoudt gij mij

er niet eerst wat van willen vertellen?

--Ik ben werkelijk zeer moe; maar om u te toonen dat ik voor mijn

gastheer wil doen wat ik kan, zal ik door mijn metgezel Halef Omar

een kort verhaal laten doen van wat wij in den laatsten tijd hebben

doorgemaakt.

Dat Halef vertellen mocht, was hem zeer naar den zin, maar het stak hem

dat Murad Habulam, onze gastheer, hem van uit de hoogte aanzag en half

gebiedend zeide:--Dat hij beginne, ik hoor.--Ik wist wat er komen zou.

--Veroorloof mij u eerst te zeggen wie zoo goed zal zijn tot u te

spreken, zoo begon hij. Ik ben Hadschi Halef Omar Ben Hadschi Abul

Abbas Ibn Hadschi Dawuhd al Gossarah. Mijn beroemde stam rijdt de

beste Hassi-Ferdschahn merries der woestijn, en de krijgers mijner

Ferkah dooden den leeuw met hun lans. De overgrootvader van mijn

overgrootvader reed met den Profeet in den slag en de stamvader

van dezen held heeft met Abram, den vader van Isaac watermeloenen

gegeten. Is uw stamboom even zuiver en oud?

--De rij mijner voorvaderen is niet minder groot,--antwoordde Habulam

wel eenigszins verlegen.

--Dat is gelukkig voor u, want niet hij is een man van beteekenis,

die fijne pijpen heeft en kopjes, maar die wijzen kan op een reeks van

roemrijke voorouders. In het Paradijs wachten helden, wier geliefde

nakomeling ik ben, op mijn komst. Niet een ieder vereer ik met mijn

verhalen, maar omdat mijn vriend en Heer, de Hadschi Effendi Kara Ben

Nemsi Emir het wenscht, daarom zal ik verhalen, maar verlang ook dat

gij met opmerkzaamheid mij aanhooren zult.

Dat alles kwam er zoo rustig uit, alsof hij er zelf bij was geweest

toen de veronderstelde stamvader met Abram zijn watermeloenen at! Hij

deed alsof hij onzen gastheer een groote genade bewees met hem wel

zijn verhaal te willen doen.

Nu gaf hij in goedgekozen woorden een kort verslag van hetgeen ons

in de laatste dagen overkomen was. Geen jurist had het beter kunnen

doen dan mijn Halef. Geen syllabe kwam hem over de lippen, die den

ex-leverancier kon doen vermoeden dat wij wisten wat vleesch wij aan

hem in de kuip hadden. Ik had inwendig plezier in den tact, waarmede

hij zijn rol speelde, en knikte hem goedkeurend toe, nadat hij het

verhaal had gedaan en mij vragend aankeek om te weten of ik over hem

tevreden was.

Murad Habulam deed, alsof hij een en al verwondering was. Hij legde

zijn pijp weg, wat voor een Muzelman iets buitengewoons is, sloeg de

handen in elkaar en riep:

--O Allah, Allah, zend toch uw wrekers op aarde, opdat zij die

boosdoeners, wier misdaden ten hemel schreien, door het vuur van uw

toorn verdelgen! Moet ik gelooven, wat ik hoorde? Neen, 't is niet

te gelooven!

Hij bleef als in verwondering verzonken, nam zijn rozenkrans en liet

de paarlen door zijn magere vingers glijden, alsof hij bad. Eindelijk

hief hij plotseling het hoofd op, zag mij onderzoekend aan en vroeg:

--Effendi, bevestigt gij de woorden van dezen Hadschi?

--Woord voor woord.

--Men heeft u dus bijna elken dag trachten te dooden?

--Zoo is het.

--Gij zijt dus die moordenaars zoo gelukkig ontkomen? Gij moet wel

bizondere lievelingen van Allah zijn!

--Volgens die redeneering waren dan die moordenaars, lievelingen van

Allah, indien hun plannen gelukt waren?

--Neen, maar uw dood stond dan in het boek des levens geschreven,

en wat daar staat, kan zelfs Allah niet veranderen. Dat is Kismet.

--Welnu, dan wil ik hopen, dat het het Kismet zij van deze schurken,

om nog hier op aarde hun welverdiende straf te moeten ontvangen.

--Dat hebt gij in uw hand gehad, maar gij hebt hen gespaard.

--Ik wilde hun rechter niet zijn.

--Vertelt gij dat nu allemaal in uw boek? Van den Shoet, van de

Aladschy's, van Manach el Barscha, Barud el Amasat, en van den ouden

Mubarek?

--Ik noem ze allemaal.

--Dat is voor hen een verschrikkelijke straf. En gelooft gij dat gij

hen nog weer ontmoeten zult?

--Zeer zeker, want zij vervolgen mij. Hier in uw huis ben ik mooi

veilig en dat dank ik u en den goeden Afrit, mijn gids. Maar morgen,

als wij verder trekken, dan zullen die boosdoeners ons weer overvallen.

--Gij zult mijn huis toch de schande niet aandoen van er maar een

enkelen nacht te blijven.

--Ik zal er over denken. Overigens is het naar uw overtuiging, van

eeuwigheid af in het boek des levens geschreven, hoelang ik in uw huis

vertoeven zal. Niet een van ons kan daar verandering in brengen. Ja,

zelfs Allah kan dat niet.

--Dat is zoo. Maar ik hoop dat het licht uwer oogen mij nog langen

tijd zal bestralen. Ik voel mij zeer eenzaam en verlaten hier in mijn

huis, en gij zult mij opvroolijken en mij het lijden mijner voeten

doen vergeten, indien gij heel lang bij mij blijft.

--Ook mij zou het aangenaam zijn, wanneer ik nog lang van uw gezelschap

zou kunnen genieten. Gij moet vele en groote reizen ondernomen hebben?

--Wie heeft dat gezegd?

--De kleermaker.

Ik zag aan zijn gezicht, dat de kleermaker mij dat voorgelogen

had. Toch antwoordde hij:

--Ja, toen ik nog goed ter been was, heb ik de steden en dorpen van

vele landen bereisd.

--En straks hebt gij gezegd, dat gij zelfs geen berg zoudt willen

bestijgen om de zon te zien opgaan!

--Nu niet, om mijn beenen,--zeide hij om zich te verdedigen.

--Waarom, als gij podagra hebt, laat gij uw voeten bloot ofschoon

gij uw beenen omwikkelt?

Ik zag hem, bij die vraag, scherp aan. Hij werd verlegen. Zou hij om

de een of andere reden podagra voorwenden en niet hebben?

--Omdat ik de ziekte in mijn beenen heb en niet in de voeten,

beweerde hij.

--Gij hebt dus geen pijn in uw grooten teen?

--Neen.

--En die is ook niet gezwollen?

--Die is gezond.

--Hoe staat het 's avonds met de koorts?

--Ik heb nog nooit koorts gehad.

De man verried zich, want als die kenteekenen zich bij hem niet

voordeden, had hij ook het podagra niet. Hij wist in geen enkel

opzicht, welke verschijnselen met podagra gepaard gingen. Ik wist

nu, wat ik aan hem had. Om het gesprek ook nog op de bibliotheek te

brengen, die mijn gastheer, volgens Afrit had, vroeg ik hem:

--In uw lijden en in uw eenzaamheid zult gij wel veel afleiding en

verpoozing vinden bij de vele boeken, die in uw bezit zijn.

--Boeken?--vroeg hij verwonderd.

--Ja, gij zijt een zeer geleerd man en gij bezit een menigte

handschriften, waarom gij te benijden zijt.

--Wie zegt dat?

--Ook de kleermaker.

Blijkbaar had onze gids ook dit verzonnen om mij daarmee te zekerder

in de val te lokken. Habulam begreep dit, en zeide daarom:

--Heer, mijn bibliotheek is bij lange na niet van zooveel beteekenis

als gij wel denkt. Voor mij is die voldoende, maar voor een man als

gij is ze onbeduidend.

--Toch hoop ik die bij gelegenheid te mogen zien.

--Met alle genoegen, maar nu niet. Gij zijt vermoeid, ik zal u uw

vertrekken laten wijzen.

--Waar zijn die?

--Niet hier in huis, want daar zoudt gij te veel rumoer hooren, om

rustig te kunnen slapen. Ik heb daarom voor u de Kulle jaschly Anaja

in orde laten brengen; daar zijt gij vrij en met elkaar.

--Zoo als gij het schikt, is het mij goed. Maar waarom heet dat gebouw

de toren van de oude moeder?

--Dat weet ik zelf niet. Men zegt, een oude vrouw is na haar dood,

meermalen weergekomen en stond dan 's avonds in lijkwa op de zoldering,

om van daaraf haar kinderen te zegenen. Gelooft gij aan spoken?

--Neen.

--Dan zult gij voor de oude vrouw ook wel niet bang zijn?

--Geen oogenblik! Maar komt zij tegenwoordig nog wel eens te

voorschijn?

--De menschen zeggen van ja en gaan daarom 's nachts nooit naar

den toren.

Waarom zeide hij mij dat? Als het in den toren niet pluis was,

moest dat voor mij een reden zijn om in den toren niet te willen

overnachten. Misschien ook wilde iemand ons verraderlijk, als spook

gekleed, besluipen, en van zijn misdaad de oude vrouw de schuld

geven,--een zeer kinderachtige gedachte, die alleen in het hoofd van

zulke domme menschen kon opkomen.

--Wij zullen heel graag eens een spook zien, om het te vragen, hoe

het er in het doodenrijk uitziet,--verzekerde ik hem.

--Zoudt gij daar den moed toe hebben?

--Zeker.

--Maar gij zoudt van een slechte reis kunnen komen. Hij, die met een

geest spreekt, kan er het leven bij inschieten.

--Dat geloof ik niet. Allah zal geen verdoemde veroorloven, de

ellende der hel te verlaten, om op aarde voor pleizier wat te gaan

wandelen. En goede geesten behoeft men niet te vreezen. De als spook

verkleeden gaan wij eenvoudig te lijf. Wees nu zoo goed ons naar den

toren te laten brengen.

--Gij zult door een deel van den tuin moeten gaan, en ik denk dat

gij dien met groot genoegen zult zien. Hij kost mij veel geld en is

zoo prachtig als het park der gelukzaligen achter den ingang van het

eerste Paradijs.

--Dan spijt het mij dat ik van uw aanbod geen gebruik kan maken,

want het is mij onmogelijk door de lanen te wandelen.

--Dat behoeft u niet te beletten den tuin te zien. Gij behoeft niet

te loopen, gij kunt rijden. Mijn vrouw is ook slecht ter been. Daarom

heb ik voor haar een wandelstoel laten maken, waarop zij zich laat

rijden. Zij is op het oogenblik niet thuis, en gij kunt dus gebruik

maken van haar stoel.

--Dat is voor mij een heerlijke uitkomst.

--Ik zal den stoel terstond laten halen. Humun zal u rijden en u

verder bedienen.

Die knaap moest ons ook in het oog houden, zoodat wij niets zouden

kunnen doen, zonder dat het opgemerkt werd. Daarom antwoordde ik:

--Ik mag u van de hulp van uw lijfknecht niet berooven en ben gewoon

mij door mijn metgezellen te laten ondersteunen.

--Dat kan ik niet toelaten. Zij zijn even goed mijn gasten als gij,

en het zou strijden met de wetten der gastvrijheid, indien ik hen eenig

werk liet doen. Verzet u dus niet tegen wat ik voorstelde. Humun heeft

in last om alles te doen wat gij hem opdraagt en altijd bij u te zijn.

Altijd bij ons zijn! Dat wilde zeggen, wij waren onder zijn toezicht

gesteld. Hoe zou ik van dien man af komen?

Hij bracht den stoel, ik zette mij er in en nam afscheid van onzen

gastheer. Humun reed mij naar buiten en mijn metgezellen volgden.

Wij kwamen, door de breede gang van het hoofdgebouw, allereerst

op een binnenplaats, die als algemeene mestvaalt scheen gebruikt

te worden. Aan twee kanten stonden lage zadelvormige gebouwen die

met stroo waren gevuld. De vierde zijde was bezet met stallingen,

waartusschen een doorgang naar den tuin.

Deze zoogenaamde tuin was inderdaad een grasveld, waarop een menigte

schelven stonden. Daarop volgden dan eenige bedden met groenten,

waartusschen enkele bloemen. En dat moest 'de lusthof der gelukzaligen'

verbeelden! Als de Profeet dien aangelegd had, ten genoegen van zijn

geloovigen, dan moest hij van hun smaak eene armzalige voorstelling

gehad hebben.

Toen wij die bedden voorbij waren, stonden wij weer voor een grasveld,

dat grooter was dan het vorige. Ook hier waren vele mijten van hooi en

allerlei graansoorten. Eindelijk zagen wij den 'toren der oude moeder'.

Het was een rond, zeer oud gebouw, vrij hoog opgetrokken, en vier ramen

over elkaar. In de ramen waren, zooals gewoonlijk, geen vensters. De

deur stond open.

De benedenverdieping bestond uit eene enkele ruimte, waarin een vrij

gebrekkige trap, die naar de bovenverdieping leidde. Ik zag dat er

matten langs den muur waren gelegd, met matrassen er op, en eenige

kussens. In het midden dier ruimte lag op een laag onderstel, een

plank die voor tafel moest dienen. Meer ameublement was er niet.

--Dit verblijf is ter uwer beschikking, Heer,--zeide Humun, nadat

hij mij binnen gebracht had.

--Zijn hier dikwijls gasten?

--Neen. Deze kamer is de beste die wij hebben, en mijn gebieder wil

u daarmee toonen, hoezeer hij uw komst op prijs stelt.

--Zijn er nog vertrekken boven ons?

--Nog twee verdiepingen, en daarop volgt het terras voor het

vergezicht; maar zij zijn ongemeubeld, omdat er nooit iemand logeert.

De muur van ons vertrek zag er uit, alsof kleine aardbevingen de

steenen van tijd tot tijd in de voegen deden verschuiven.

De muren waren niet gekalkt; ook was er geen schoorsteen. Het was

een hok, meer niet.

Onderweg was ik op een gedachte gekomen, hoe ik Humun weg kon

krijgen. Wij waren een arbeider tegengekomen, die afzichtelijke

leepoogen had. Daardoor had ik mij onwillekeurig herinnerd, dat bijna

alle Oosterlingen aan den "boozen blik" gelooven. De Italianen noemen

dat "Jettatura".

Wanneer iemand, die den "boozen blik" heeft, bij toeval een ander

scherp fixeert, verdenkt men hem al gauw een Jettatore te zijn. Zoo

iemand wordt dan door een ieder gemeden.

Om kinderen tegen den boozen blik te beschermen, bindt men ze een

rood lintje om den hals of hangt ze een rood kraaltje om, dat den

vorm van een hand heeft.

Volwassenen kennen maar één middel, om zoo'n boozen blik af te

weren. Dat doen zij, door hun hand, met uitgespreide vingers, tegen

het booze oog op te heffen. Die dat doet en dan terstond wegloopt,

ontkomt aan de doodelijke gevolgen der Jettatura.

--Dit vertrek is mij goed genoeg, alleen zou ik, voor van avond,

een lamp willen hebben.

--Ik zal die meebrengen, tegelijk met het avondeten. Verlangt u ook

nog iets?

--Ja, water. Meer hebben wij voor het oogenblik niet noodig.

--Ik ga het terstond halen, en hoop dat gij met mijn prompte bediening

tevreden zult zijn. Zulke Heeren als gij, moeten vlug geholpen

worden. Ik heb gehoord wat gij mijn meester verteld hebt. Van mijn

hoogachting en toewijding kunt gij verzekerd zijn. Ik heb inwendig

gebeefd, toen ik hoorde in wat gevaren gij geweest zijt. Allah heeft

u in zijn bizondere bescherming genomen, anders waart gij al lang

verloren geweest.

--Ja, Allah heeft er ons altijd uit geholpen. Hij heeft mij een

bizondere kracht geschonken die mij altijd behoedt, zoodat geen vijand

mij kan overwinnen.

Zijn nieuwsgierigheid was terstond opgewekt.

--Wat is dat, Heer?--vroeg hij gluiperig.

--Iets in mijn oogen.

--Iets in uw oogen! Hoezoo?

--Kijk mij eens flink met opgeslagen oogen aan.

Hij deed het.

--Welnu, bemerkt gij nog niets?

--Neen, Effendi.

--Is er niets in mijn oogen dat u opvalt?

--Volstrekt niets.

--Dat is juist het bizondere, dat men niets aan mij zien kan, en toch

behoef ik mijn vijanden maar aan te zien, dan zijn ze verloren.

--Wat gebeurt ze dan, Heer?

--Dan gelukt hun nooit meer iets, hun leven lang. Hij, dien ik aankijk,

is aldoor en in alles ongelukkig, namelijk als ik wil. De blik van

mijn oog volgt hem tot in den dood. Zijn leven behoort mij voortaan

toe; ik behoef slechts aan hem te denken en hem iets kwaads toe te

wenschen, dan overkomt het hem ook.

--Heer, is dat waar?--vroeg hij haastig en verschrikt.--Hebt gij

misschien den Kem Bakysch in uw oogen?

--Ja, ik heb den boozen blik, maar gebruik dien alleen tegen die mij

kwaad willen doen.

--Allah zij mij genadig! Ik wil niets meer met u te maken

hebben. Allah, w' Allah!

Hij strekte alle tien zijn vingers tegen mij uit, maakte rechtsom

keert, en liep in allerijl weg. Mijn vrienden barstten in een

onbedaarlijk gelach los.

--Dat hebt gij mooi gedaan, Sihdi,--viel Halef in. Die man laat zich

niet weer zien, hij heeft een kwaad geweten. Wij krijgen nu gelukkig

een ander om ons te bedienen.

--Ja, en wel hoogstwaarschijnlijk hem, dien ik wensch, namelijk Janik,

de aanstaande man van dat jonge Christen-meisje.

--Waarom denkt gij dat?

Door het land der Skipetaren · 第 22 / 34 段