overvallen, maar heeft zich moedig tegenover mij gesteld. Hij heeft
ook, voordat hij schoot, een mooie redeneering gehouden waardoor
hij mij tijd gaf voor het eerste schot, als ik daar lust in had. Een
sluipmoordenaar is hij niet, en daarom wil ik hem ook niet als zoodanig
behandelen. Maak de lasso los!
Halef gehoorzaamde en maakte den riem los. De Miridiet stond van den
grond op. Als wij gedacht hadden, dat de man terstond zou weggeloopen
zijn, hadden wij ons vergist. Hij strekte en rekte zijn armen, die
strak gebonden waren geweest, langzaam uit en kwam naar mij toe.
--Effendi,--zeide hij,--ik weet niet, wat dat losmaken beteekenen moet?
--Dat heb ik duidelijk genoeg gezegd.
--Gij laat mij dus vrij?
--Ja, gij kunt gaan, waarheen gij wilt.
--En gij eischt niets, in het geheel niets van mij?
--Neen.
--Ook niet de belofte van u te zullen sparen?
--Ook dat niet.
--Maar ik moet u toch dooden!
--Probeer het!
--En gij weet toch, dat ik heden avond met mijn makkers mee moet.
--Ik weet het en heb er niets op tegen, dat gij het doet.
--Weet gij ook, waar ze op mij wachten?
Ik zag aan zijn gezicht, dat hij het met zichzelf niet eens kon worden.
Trots en zachtmoedigheid, haat en achting streden in hem. Ten laatste
zeide hij:
--Zult gij mij voor een lafaard houden, als ik mijn leven, dat ik
verbeurd heb, en mijn vrijheid, van u aanneem?
--Neen. Ik zou het ook doen en houd mij toch voor een moedig man.
--Goed, ik neem het van u aan. Maar geen mensch zou iets met mij
te doen willen hebben, wanneer ik, dat doende, mijn plicht om mijn
broeder te wreken, opgaf. Die bloedwraak blijft tusschen ons bestaan,
maar mag opgeschort worden. Ik zie mijn Czakan daar liggen. Ik neem
die en geef u de bijl, ofschoon zij uw eigendom is, eerlijk door u
veroverd. Weet gij wat dat beteekent?
--Neen.
--Mijn bijl in uw bezit, bewijst dat de bloedwraak tusschen ons
opgeschort is. Zoodra gij mij de bijl teruggeeft, begint de wraakneming
op nieuw.
--Dus, zoolang ik uw bijl niet teruggeef, slaapt de wraak, en is
het vrede?
--Ja. Neemt gij de Czakan van mij aan?
--Dat doe ik.
--Waar is mijn paard gebleven?
--Daar ginds bij het boschje graast het.
--Ik ga dus, Effendi! Ik zou u tot afscheid gaarne de hand geven
maar aan de uwe kleeft het bloed van mijn broeder. Ik mag u dus niet
aanraken, tenzij om u te dooden. Vaarwel!
--Vaarwel!
Hij ging. Op eenigen afstand van ons wendde hij zich om en groette
nogmaals. Toen ging hij naar zijn paard en reed weg.
Ik heb den Czakan nog altijd. De bloedwraak slaapt en zal wel blijven
slapen.
De kleine kleermaker had met de grootste opmerkzaamheid alles
gevolgd. Het was hem aan te zien, dat hij, ofschoon ik het tegendeel
beweerd had, nog was blijven gelooven dat ik den Miridiet zou laten
dooden. Of hij met den afloop al dan niet tevreden was, kon men hem
in 't geheel niet aanzien. Zijn gelaat toonde alleen de grootste
verwondering.
Halef was kennelijk ontevreden. Hij had niets liever gehad, dan dat ik
hem had opgedragen, den man er vijftig op de voetzolen toe te tellen en
dan te laten loopen. Maar behalve het laaghartige, om dat een dapper
man aan te doen, zou ik mij den Miridiet daardoor tot mijn doodvijand
gemaakt hebben, terwijl ik nu niets meer van hem te vreezen had.
Daar Halef mij zijn ongenoegen niet durfde toonen, liet hij het den
kleermaker misgelden.
--Wel, gij ridder van naald en garen, wat staat gij daar en kijkt
naar de lucht, alsof het kameelen regende? Wat reden is er om zoo
verwonderd te zijn?
--Wat de Effendi gedaan heeft.
--Daarover verwonder ik mij ook.
--Hij had hem kunnen laten dood maken.
--Juist, en u er bij.
--Mij? Waarom?
--Dat zal ik u bij gelegenheid wel eens zeggen, zoodra ik het u ook
op uw voetzolen schrijven mag.
--Maar als gij dat deedt, hadt gij geen gids meer.
--Dat zou jammer zijn, als wij u moesten verliezen.
--En wie weet, wat u dan onderweg nog zoo overkomen.
--Wel, iets ergers dan met u, kan ons moeilijk overkomen. Kent gij
de wetten der bloedwraak, die in deze streken gelden?
--Die ken ik.
--Is het nu waar, dat de Miridiet ons ongemoeid moet laten?
--Als bloedwreker mag hij zeker niet tegen u optreden, zoolang de
Czakan niet weer in zijn bezit is.
--Wat bedoelt gij daarmee?
--Hij kan u, bij voorbeeld, op den weg overvallen om u uit te plunderen
en u daarbij dooden. Dat doet hij dan niet uit bloedwraak, maar als
struikroover.
--Allah is groot, maar met uw eerlijkheid is het treurig gesteld. Wat
helpt het mijn buurman of ik hem beloof, zijn pompoenen niet te zullen
stelen, maar in den nacht zijn meloenen wegneem? Schurken zijt gij,
allemaal!
Ik maakte een eind aan dat gesprek, door te vragen:
--Hoever zijn wij nog van Jersely af?
--Ongeveer een uur.
--Dan kunnen wij daar wat rusten en ons verfrisschen. Is daar ook
een Khan?
--Ja, ik ken den waard.
--En waar raadt gij ons te overnachten?
--In Kilissely; daar vinden wij een gastvrij onderdak.
--Hoelang hebben wij te rijden om daar te komen?
--Van Jersely af, ruim vier uren.
--Waarom kiest gij juist dat dorp?
--Het is een bizonder mooie streek, midden in de vlakte van Mustafa,
waar alles goedkoop en in overvloed te krijgen is.
--Hoe ver is het van daar tot Uskub?
--Acht uren.
--Goed, dan blijven wij in Kilissely.
De kleermaker reed als gids voorop en scheen zich om ons niet te
bekommeren. Daar Osko en Omar achter hem reden, kon ik vrijuit over
hem met Halef praten, zonder door hem gehoord te worden.
--Sihdi, gij zijt toch ook van oordeel, dat hij Suef is?--vroeg
de Hadschi.
Ik knikte toestemmend, en Halef vroeg verder, terwijl hij mij van
ter zijde aankeek:
--Sihdi, gij houdt toch uw woord van die vijftig, u weet wel?
--Hij zal ze hebben, maar nu niet.
--En verdiend heeft hij ze, dubbel en dwars. Ik heb nooit begrepen,
waarom gij hem zooveel meegedeeld hebt, ofschoon gij wist, dat hij
het met onze vijanden hield.
--Dat deed ik met opzet.
--Ja, gij hebt altijd uw geheime bedoelingen. Gij ziet verder vooruit
dan wij, en houdt u alsof gij den kleermaker volkomen vertrouwt. Maar
ik zou hem halfdood slaan en dan laten liggen.
--En bij slot van rekening, van een slechte markt thuis komen. Zoolang
hij bij ons is, komen wij alles te weten wat zijn bondgenooten tegen
ons van zins zijn. Van avond vallen zij ons aan, voor het laatst,
naar zij meenen, want wij moeten daarbij onvermijdelijk omkomen. Hoe
zij dat zullen aanleggen, weet ik nog niet.
--Wij zullen het toch wel te weten komen?
--Natuurlijk! En wel door den kleermaker. Wij moeten hem heimelijk
gadeslaan; hij mag er niets van bemerken, anders zou hij zich te veel
in acht nemen. Uit wat hij doet, kunnen wij dan goed en wel opmaken,
wat zij van plan zijn.
--Dan zal ik mijn oogen maar goed open houden.
--Dat is juist wat ik noodig heb, want ik zelf kan mij onmogelijk nu
met alles bemoeien. Ik zal om mijn voet wel weer mijn kamer moeten
houden. Wat daarbuiten omgaat, moet door u drieën nagegaan worden. Vóór
alles moeten wij te weten komen, waar de Aladschy's, Barud en de
anderen zijn, wanneer en waar zij met den kleermaker een samenkomst
willen hebben, en wanneer, waar en hoe wij vermoord zullen worden.
--Sihdi, dat is nog al iets om er achter te komen. Maar zullen de
Aladschy's er dan ook bij zijn? Zij zijn toch immers over Engely
gereden.
--Van Engely naar Kilissely kunnen zij den Istib-Uskuberweg nemen,
en zijn dan vóór ons daar. Het komt er nu maar op aan, om te weten,
waar zij zich schuil houden. Overigens kunnen wij nu nog geen vast plan
maken, en moeten wij eerst zien welke de plaatselijke gesteldheid is,
die wij zullen vinden. Maar denk er vooral om, dat wij den kleermaker
geen oogenblik uit het oog verliezen.
--Die gluiperd! Hij leek zoo'n trouwe eerlijke vent te zijn. Waarom
zou hij toch hier in deze streken gekomen zijn, Sihdi?
--Ik geloof dat hij een bizondere vertrouweling van den Shoet is,
en van dezen een voor hem belangrijke opdracht heeft ontvangen.
--Nu, dat zullen wij wel te weten komen. Voor het oogenblik, mogen
wij blij zijn, dat wij ons onzen ergsten vijand van den hals hebben
geschoven.
--Gij bedoelt den Miridiet?
--Ja. Die komt van avond ten minste niet.
--En ik geloof, dat hij juist wel zal komen.
--Om de Aladschy's te helpen?
--Integendeel, om ons tegen hen bij te staan.
--Neen maar, dat geloof ik niet!
--Ik wel. Hij is een Miridiet, een dapper man, en alleen dáárom mijn
vijand, omdat mijn kogel toevallig zijn broeder getroffen heeft, en
niet om den Shoet. Ik geloof dat hij achting voor ons heeft en al die
valsche giftige streken van de anderen verafschuwt. Hij is overtuigd,
dat ik hem het leven geschonken heb. Welk mensch hecht niet aan zijn
leven! Daarom acht hij zich tot dank verplicht.
--Hebt gij het leven van de anderen ook niet gespaard, en zijn zij
u daarvoor dankbaar geweest?
--Neen, maar dat zijn ellendige schurken. Waren het mannen, eerlijk en
oprecht als hij, dan hadden wij met hen geen moeite meer. Ik ben vast
overtuigd dat hij hier komt, en misschien is zijn tegenwoordigheid
ons van nut.
Zooals de kleermaker ons gezegd had, waren wij binnen het uur te
Jersely, Het was een hooggelegen dorp, waarvan verder niets te zeggen
valt. Bij den Khan hielden wij stil en lieten ons wat eten geven:
zure melk en maïs-brood. Ook voor onze paarden zorgden wij. Het viel
ons op, dat de kleermaker, zoodra het dorp in 't zicht was, zich er,
ons vooruit, naar toe begaf om, zooals hij zeide, wat eten voor ons
te bestellen. Halef haalde de schouders op en zag mij vragend aan.
--Sihdi, begrijpt gij wat zijn eigenlijke bedoeling is?
--Hij wil den waard zeggen hem niet Suef, maar Afrit te noemen.
--Dat geloof ik ook. Maar dan had hij onzen waard te Sbiganzy ook
van te voren moeten waarschuwen.
--Misschien is hij daar onder den naam Afrit bekend.
--Het kán zijn, maar ik geloof het niet.
Nadat wij een en ander gebruikt hadden, reden wij verder en gingen
wij al spoedig, langs den westelijken kant van het plateau naar
de reeds genoemde vlakte van Mustafa, die vele uren lang en breed
is. Door welige velden, waarvan de oogst reeds binnen gehaald was,
reden wij den weg, die van Engely naar Domanova loopt, en na vier
uren zagen wij Kilissely voor ons liggen.
Het was geen romantische, maar een echt mooie streek. Bergen waren
er niet; des te aangenamer vonden wij aan weerszijden van den
weg de lommerrijke bosschen, waaronder enkele met nimmer dorrend
loof. Wij kwamen door prachtige boomgaarden, waar de zuid-vruchten
welig tierden. Rijke nu afgemaaide koornvelden breidden zich naar
alle zijden uit, en toen wij nabij het dorp kwamen, zagen wij een
grooten vischvijver, in welks kristalhelder water zich de boomen van
een grooten tuin spiegelden. De tuin behoorde bij een gebouw, dat
iets van een kasteel had en daardoor, in deze omgeving van armoedige
gebouwen, nog al vertooning maakte.
--Wat is dat voor een gebouw?--vroeg ik den kleermaker.
--Het is een slot,--antwoordde hij.
--Aan wien behoort het?
--Aan den gastheer, bij wien wij zullen overnachten.
--Maar dit slot is, naar 't mij toeschijnt, toch geen herberg?
--Neen, zeker niet.
--En gij hebt toch van een Khan gesproken?
--Ik dacht, dat het er, in dit geval, niet op aan kwam, of ik van
een Khan of een Konak sprak. Ik ken den eigenaar. Hij ziet altijd
verlangend naar gasten uit, en hij zal u van harte welkom heeten.
--Wie is hij dan?
--Een Turk uit Salonika, die hier, na een zeer bedrijvig leven,
van de rust genieten wil. Hij heet Murad Habulam.
--Hoe ziet hij er uit?
--Hij is van middelbaren leeftijd, een lange magere figuur en zonder
baard.
Op een langen schralen baardloozen Turk was ik niet bizonder
gesteld. Ik kan mij een dapperen rechtgeloovigen eerlijken Turk niet
als een half of heel skelet voorstellen, en weet bij ervaring dat men
in het land der Osmanen, voor een meer dan middelmatig langen mageren
en bovendien baardloozen man, op zijn hoede moet zijn. Ik vermoed
dat de kleermaker zoo iets op mijn gezicht las, want hij vroeg mij:
--Is het u niet naar den zin, dat ik u bij hem breng?
--Neen, want ik vind het onbescheiden, indien men, vijf man sterk,
ongenood en onbekend, bij iemand in huis komt vallen.
--Maar dat doet gij niet, want hij laat u noodigen.
--Dat is wat nieuws!
--De verklaring ligt voor de hand. Hij heeft bizonder graag gasten
en ik kom zeer dikwijls bij hem. Voor eens en voor goed heeft hij mij
bevolen, mijn bekenden mee te brengen, wanneer die zoodanig zijn dat
hij zich over hen niet behoeft te schamen.
En om het mij recht uitlokkend te maken, ging de kleermaker voort:
--Vreemdelingen ziet hij het allerliefst. Hij is een zeer geleerd en
bereisd man, even als gij. Gij zult elkander best bevallen. Bovendien
is hij zóó rijk, dat hij zijn huis wel altijd vol gasten kan
hebben. Hij heeft een prachtige woning, met een harem, een park en
alles wat een rijk man maar hebben kan.
--Heeft bij ook boeken?
--Een groote verzameling!
Dat hief alle bedenking op, en ik zond den kleermaker vooruit om ons
aan te dienen.
Terwijl ik met Halef over den schatrijken en geleerden Turk praatte
en mijn vermoeden uitsprak, dat de Aladschy's onze komst misschien al
wel aangekondigd hadden, werd het paard van Halef op eens schichtig
en schuw.
Wij reden namelijk dichtbij den vijver, en er was over de watervlakte
een boot recht op ons aan komen schieten. Er zat een jong meisje in,
dat met krachtige slagen de riemen hanteerde.
Zij was gekleed als alle ongetrouwde Bulgaarschen. Van onder den rooden
doek, die haar hoofd dekte, hingen twee lange zware vlechten uit.
Zij had blijkbaar groote haast, want zonder de boot vast te maken,
sprong zij er uit en wilde in allerijl ons voorbij gaan. Haar roode
doek, haar driftige beweging of wat het ook geweest moge zijn, deed
Halef's paard schrikken; het sprong naar voren, raakte het meisje
met den eenen hoef en sloeg haar tegen den grond. Mijn hengst werd
ook schuw en steigerde. De Bulgaarsche wilde opspringen, week den
verkeerden kant uit, kwam onder mijn paard en schreeuwde het uit
van angst.
--Stil! Gij maakt het paard schuw. Blijf rustig liggen!--riep ik.
De hengst trippelde nog wel een beetje maar trapte haar niet en--zij
kon opstaan. Zij wilde nu weg loopen. Ik gebood haar echter:
--Hallo! Een oogenblik! Hoe heet gij?
Zij bleef staan en zag naar mij op. Het was een echt Bulgaarsch
jongemeisjes-gezicht, poeselig, rond en vol, met kleinen neus en
goedige oogen. Naar de kleeding te oordeelen, was zij arm. Ook ging
zij barrevoets. Halef's paard scheen haar pijn gedaan te hebben,
want zij trok den eenen voet omhoog.
--Anka, is mijn naam,--antwoordde zij.
--Zijn uw ouders nog in leven?
--Ja.
--Broers en zusters?
--Veel.
--Ook een hartedief?
Er kwam een diepen blos op het frissche gezichtje, maar toch draalde
zij niet met te zeggen:--Ja, een pracht-exemplaar!
--En wat is zijn naam?
--Janik. Hij is knecht.
--Dan zijt gij-beiden zeker niet rijk?
--O, als wij geld hadden, was ik al lang zijn vrouw. Maar wij sparen.
--Hoeveel wel?
--Ik, duizend piasters en hij duizend.
--En wat gaat gij dan beginnen?
--Dan gaan we naar Uskub, waar zijn en mijn ouders wonen, en we
pachten een stuk tuingrond. Zijn vader is tuinman en de mijne ook.
--Nu, en hoe staat het met den spaarpot?
--Dat gaat maar heel langzaam, Heer! Ik verdien niet veel en wil
van tijd tot tijd toch ook wat aan mijn vader geven, die ook maar
pachter is.
Dat deed mij genoegen. De Bulgaarsche zag mij zoo trouwhartig en
kinderlijk aan.
--Hebt gij u pijn gedaan?--vroeg ik.
--Het paard heeft mij geraakt.
Erg was het gelukkig niet, want zij stond flink rechtop. Maar ik stak
mijn hand in mijn zak en haalde er een kleinigheid, misschien vijftig
à zeventig piasters, uit en reikte ze haar toe.
--Dan moet ge naar den dokter of apotheker gaan, om de kwetsuur te
laten genezen. Hier hebt gij iets om het te betalen.
Zij stak de hand uit om het geld aan te nemen, maar trok die terstond
weer terug, zeggende:
--Maar dat mag ik niet aannemen.
--Waarom niet?
--Omdat ik misschien geen dokter of apotheker zal noodig hebben en
dan mag ik dat geld ook niet aannemen.
--Wel, neem het dan, als een present, van mij aan.
Zij zette een allerliefst bedremmeld gezicht en vroeg verlegen:
--Waarvoor dan? Ik heb toch nog niets voor u kunnen doen.
--Dat doet men ook niet voor een present. Leg het in uw spaarpot of
zend het aan uw vader, die het wel zal kunnen gebruiken.
--Heer, gij geeft mij daar een goeden raad. Ik zal het aan mijn
vader zenden. Hij zal Moeder Maria voor u bidden, ofschoon gij een
Moslem zijt.
--Ik ben geen Moslem, maar een Christen.
--Daar ben ik te meer blij om. Ik ben een Kyzyr Elma katolika,
(Roomsch-Katholieke) en mijn aanstaande behoort tot hetzelfde geloof.
--Welnu, ik ben in Rome geweest en heb den Baba mukkades, (den Heiligen
Vader) gezien, omgeven van de hooge Kardnalalar (de Kardinalen).
--O, als gij me daar van zoudt willen vertellen!
Onder dien wensch lag ook heel wat vrouwelijke nieuwsgierigheid
verscholen, maar wie zal daarom haar belangstelling veroordeelen! En
dat zij een belangstellende was, dat bewezen haar oprechte fonkelende
oogen.
--Ik zou u dat genoegen gaarne doen, maar zie u waarschijnlijk
niet weer.
--Gij zijt een vreemdeling, naar ik zie. Waar neemt gij uw intrek?
--Bij Murad Habulam.
--Tanry walideji aziza--Heilige moeder Gods!--riep zij verschrikt
uit. Haastig kwam zij nader, greep mijn stijgbeugelriem en vroeg
fluisterend:
--Zijt gij soms de Effendi, die met drie makkers hier wordt gewacht?
--Een Effendi ben ik, en drie vrienden begeleiden mij. Maar of ik
verwacht word, dat weet ik niet.
--Komt gij van Sbiganzy?
--Ja.
--Dan zijt gij het.
En terwijl zij op haar teenen ging staan, fluisterde zij mij nog
zachter toe:
--Neem u in acht!
--Gij moogt gerust hardop spreken, Anka. Deze drie mannen mogen alles
hooren; het zijn mijn vrienden. Voor wien moet ik mij in acht nemen?
--Voor Murad Habulam, Heeren!
--Aha, gij zijt bij hem in dienst?
--Ja, en Janik ook.
--Hebt gij reden om mij te waarschuwen?
--Men staat u naar het leven.
--Dat weet ik reeds. Kunt gij mij misschien zeggen, wat men van
plan is?
--Nog niet. Ik heb geluisterd en Janik ook. Wij hebben iets gehoord,
wat ons deed vermoeden dat men iets verschrikkelijks met u voorhad.
--Wilt gij mij beschermen?
--Gaarne, met alle liefde, want gij zijt van mijn geloof en hebt den
Heiligen Vader gezien. Ik zal u helpen, al joeg mijn meester er mij
ook om weg.
--Als hij dat doet, zal ik voor u zorgen.
--Zult ge dat inderdaad doen, Effendi?
--Ik geef u mijn woord.
--En dat zult gij houden, want gij zijt een Christen. Ik kan u voor
't oogenblik niets meer zeggen, want ik moet naar de keuken, omdat
onze meesteres naar Uskub op bezoek is. Zij is terstond weggestuurd,
zoodra er bericht kwam van uw komst. Pas op voor Humun, den bediende,
die de vertrouwde is van onzen heer en mij haat, omdat ik Janik
liefheb en niet hem. Gij zult in den toren Kulle Jaschly anaja (de
toren van de oude moeder) slapen, en ik zorg er voor dat gij nader
bericht krijgt. Als ik zelf niet kan komen, dan zal ik u Janik zenden,
dien gij volkomen vertrouwen kunt.
Zij had in vliegende haast gesproken en liep ijlings weg.
--Heer, wat hebben wij daar moeten hooren?--zeide Osko. Wat
verschrikkelijk gevaar dreigt ons daar? Zouden wij niet beter doen,
met naar de gewone herberg te gaan?
--Neen. Daar zou ons hetzelfde dreigen, zonder dat wij ons zouden
kunnen verdedigen. Hier hebben wij vrienden, die ons zullen helpen
en die ons zullen zeggen wat wij te doen hebben.
--De Sihdi heeft gelijk,--verzekerde Halef. Allah heeft ons deze
vriendin en die haar lief heeft, gezonden om ons te beschermen. Het
Christendom moet toch wel goed zijn, waar het de elkaar vreemde
belijders tot onderlinge hulp verbindt. Omdat ik een Moslem ben,
kan ik geen Christen zijn; maar als ik geen Moslem was, dan zou ik
een volgeling van Isa ben Marryam worden (Jezus, Maria's Zoon). Zie,
daar wenkt ons de kleermaker, onze verrader!
Wij waren nu aan den hoek van den tuinmuur gekomen en reden er
langs. Daar stond de deur open, en de kleermaker stond er bij, om
ons binnen te leiden.
--Komt, komt!--riep hij ons toe. Gij zijt hoogst welkom. De heer des
huizes wacht u.
--Kan hij zelf ons niet komen ontvangen?
--Neen, want hij lijdt aan zijn beenen en kan niet loopen.
--Maar dan bezorgen wij hem te veel moeite en hinderen wij hem in
zijn zoo noodige rust.
--In 't geheel niet. Hij verheugt er zich op, in zijn eenzaamheid
menschen te zien met wie hij zich kan onderhouden, want de verveling
is de groote schaduwzijde van deze krankheid.
--Nu, dat is te verhelpen. Schertsen kunnen wij en bezighouden ook.
ELFDE HOOFDSTUK.
IN DEN TOREN DER OUDE MOEDER.
Wij reden door de poortdeur binnen. Naar de beschrijving, ons door
den kleermaker gegeven en door den indruk dien het gebouw, van uit de
verte, op mij gemaakt had, dacht ik zoo iets als een slot of kasteel
te zullen zien. Maar hoe viel dat tegen!
Het was wel een lang en hoog gebouw, maar mocht veeleer een bouwval
heeten. De ramen keken ons vensterloos aan en het dak was op tallooze
plaatsen zonder bedekking. Het pleister van de muren was verdwenen
en langs het front van het gebouw lag het poeder waarin de verweerde
tegelsteenen waren overgegaan.
Wij reden tot voor de hooge dubbele deur, waar ons een kerel ontving
wiens lange en smalle galgetronie alles behalve vertrouwen inboezemde.
--Dit is Humun, de lijfknecht van den Heer,--zeide de kleermaker.
Aha, daar hadden wij al terstond den man, voor wien wij op onze hoede
moesten zijn! Hij maakte voor mij een diepe buiging en wees op twee
pootige knapen, die achter hem stonden, zeggende:
--Effendi, mijn Heer betreurt het zeer dat gij niet kunt loopen. Daarom
gaf hij bevel dat deze mannen u naar hem toe zouden dragen. Zij zijn
zoo sterk, dat gij u gerust op hen kunt verlaten.
Ik steeg van mijn paard. De beide dragers strengelden twee armen en
vouwden de vrij zijnde handen zóó, dat die een zitting vormden, terwijl
de armen voor leuning konden dienen. Op dien levenden draagstoel
gezeten, werd ik, door het voorportaal en twee vertrekken, naar de
ontvangkamer gebracht. Mijn makkers volgden mij.
De ontvangkamer was redelijk gestoffeerd. Langs de wanden stonden
divans. Op een geringe verhooging, tegenover den ingang, zat
de zoogenaamde slotvoogd. Naast hem was een dergelijke verhoogde
zitplaats, die blijkbaar voor mij bestemd was, en tegenover ons lagen
eenige matrassen voor mijn metgezellen.
De dragers bleven met mij in de deuropening staan. Onze gastheer boog,
zonder op te staan en zeide:
--Zijt mij welkom, groote Effendi! Allah zegene uw ingang in mijn
huis en doe u vele dagen bij mij blijven! Houd het mij ten goede dat
ik u niet staande begroet, maar blijf zitten, maar Nikris (podagra)
belet mij u de verschuldigde beleefdheid te bewijzen. Laat u naast
mij nederzetten. Uw volgelingen zullen, hier voor ons, uitrusten van
hun vermoeienis.
Men zette mij naast hem neer en de drie namen tegenover ons plaats.
Ik sprak eenige beleefde woorden van dank en verontschuldiging die
hij afbrak met de verzekering, dat niet ik hem, maar hij mij dank
verschuldigd was.
De dragers hadden zich verwijderd, en de lijfknecht bracht pijpen
en koffie.
In het Oosten is men gewoon den rijkdom van een man te beoordeelen naar
zijn rookgerei. Naar dien maatstaf was Murad Habulam een zeer rijk man.
De pijp die men mij gaf, en ook die waaruit hij rookte, hadden een roer
van echt rozenhout, dat met gouddraad omwonden en met edelgesteente
versierd was. De mondstukken verdienden in een museum ten toon gesteld
te worden. Het barnsteen was half doorzichtig, wolkrijk, een soort
dat in het Oosten veel hooger geschat wordt dan het doorschijnende.
De kleine kopjes, waarin de koffie gediend werd en die men, 'fingans'
noemt, stonden op schotels van filigraan, en toen ik de koffie proefde,
moest ik bekennen nog maar eenmaal en wel in Caïro, zoo iets lekkers
te hebben gedronken. Ze werd naar Oostersch gebruik, natuurlijk met
het fijngestooten bezinksel genoten. Een kopje hield ongeveer vier
vingerhoeden in. Ook de tabak was van de fijnste soort. Jammer, dat
de pijpekoppen zoo klein waren. Als men ongeveer vijftien trekjes had
gedaan, moesten zij opnieuw gestopt worden, waar Humun, 's meesters
lieveling, voor zorgde.
Daar de beleefdheid meebracht, dat men zijn gasten niet zoo terstond
naar hun omstandigheden vraagt, werden slechts algemeene opmerkingen
ten beste gegeven.