Dit wapen, dat in een geoefende hand, voor den vijand zoo

gevaarlijk kan worden, is niet, zooals velen denken, uitsluitend

Amerikaansch. Alle Nomaden-volken, die veehoeders zijn, gebruiken,

ieder op hun manier, een lasso van hun model. Met hun werpriem of

koord vangen zij ieder rund uit de kudde, dat zij willen hebben. Hun

worp treft even zeker als de kogel van den besten schutter.

Daarom was het van mij volstrekt niet dwaas geweest mijn lasso

mede op reis te nemen. Ik zou toch meestal met Nomaden in aanraking

komen, en inderdaad had mijn gevlochten riem van dertig voet, mij

reeds meermalen voortreffelijke diensten bewezen. Ik had mijn riem,

zooals men weet, stuk moeten snijden, maar had een nieuwen gemaakt,

die echter minder goed was.

Ik maakte het boveneinde van mijn lasso vast aan den ring van mijn

zadelknop. Ik wilde den Miridiet er mee vangen. Hij had zeker nog

nooit een lasso gezien en had dus ook geen begrip, hoe den worp

te ontduiken. Om hem niet te vroeg opmerkzaam te maken op wat ik

van plan was, hing ik den riem niet aan mijn arm, maar om den knop

van mijn zadel. Mijn berendooder nam ik echter in de hand. Alleen

daarmede kon ik de bijl afweren. Dat is echter eerst dan te doen,

als men zich goed geoefend heeft in het afslaan van een naar ons

toe geslingerden tomahawk, zoodat de bijl ter zijde vliegt, zonder

een dier gevaarlijke wonden te slaan, die altijd het gevolg zijn van

onzeker pareeren. Het is niet genoeg, dat men aan de bijl ziet waar

zij neerkomen zal, maar men moet ook, ondanks de groote snelheid,

waarmee zij met een draaiende beweging door de lucht suist, steel en

staal van elkaar goed onderscheiden. Doet men dat niet, dan slaat de

steel om den geweerloop heen en treft den onhandige. Bovenal moet men

het pareerende geweer met beide handen vasthouden, omdat de kracht

waarmee de bijl tegen het geweer aankomt, zóó geweldig is dat men

anders én bijl én geweer in het gelaat krijgt. Ook moet de loop in

zoodanige schuine richting gehouden worden, dat de bijl scherphoekig

aanslaat en stomphoekig uitslaat. Lichamelijke kracht, geoefendheid

en een zeer scherp oog heeft men bij zulk pareeren noodig.

De situatie was nu als volgt: Recht voor mij lag de weg, dien mijn

gezellen volgden. Links van mij bevond zich de Miridiet. Ik hield

hem scherp in het oog en zag, dat hij zich alle moeite gaf om mijn

vrienden gade te slaan, in de verwachting mij bij hen te zullen zien.

Een driftige beweging toonde mij zijn ontevredenheid dat Suef den

door hem aangegeven weg niet was gegaan. Had ik Halef niet meer rechts

laten rijden, dan zouden zij veel dichter langs den Miridiet gekomen

zijn. Nu gingen zij op den zoom van een vrije vlakte, wat hem slecht

te pas kwam.

Al spoedig zag ik ze te voorschijn komen. Ook hij moest hen zien. De

hier en daar staande boschjes maakten het hem onmogelijk de ruiters te

onderscheiden. Hij kon dus niet zien of ik mij bij hen bevond. Daar

hij echter alle reden had om te veronderstellen dat ik mij bij hen

bevond, ging hij op hen af, eerst langzaam, daarna haastiger, tot

ten laatsten zijn paard den gestrekten draf aannam.

Ik volgde hem, met mijn buks in mijn rechterhand, en zorgde er voor,

dat zich tusschen hem en mij altijd struikgewas bevond. Eigenlijk

was dat onnoodige voorzorg, want zijn aandacht was zóó uitsluitend op

die voor hem uitreden, gericht, dat het hem niet in viel om achterom

te kijken.

De weeke grond maakte den hoefslag van mijn hengst bijna onhoorbaar,

en bovendien belette het draven van zijn eigen paard hem, om mij

achter zich te hooren.

Binnen enkele seconden zou alles beslist zijn. Angst kende ik ook nu

niet. Hoogstens had ik mij, over den bijl-worp ongerust kunnen maken.

Nog twee boschjes moest hij voorbij, en na een ondenkbaar oogenblik

had hij ze achter zich en was op de vlakte. Een schril geluid

uitstootende, om ons te laten schrikken, pareerde hij zijn paard

en hief zijn geweer op om te schieten. Maar hij schoot niet, hij

mikte zelfs niet. Hij stootte andermaal een kreet uit, een kreet van

toornende teleurstelling. Hij zag dat ik er niet bij was.

Ook mijn vrienden pareerden. Halef begon onbedaarlijk te lachen.

--Wel, man, wat wilt gij van ons?--vroeg hij. Gij trekt een gezicht

alsof gij uw eigen bepleisterden kop ingeslikt hadt!

--Hondegebroed!--siste de Miridiet.

--Maakt gij u soms zoo boos, omdat gij niet vindt, dien gij zoekt? Wel,

kijk dan eens achter u.

Hij deed het, en zag mij, op ongeveer vijftien pas achter zich.

--Zoekt gij mij?--vroeg ik.

Hij trok zijn paard om, nam zijn geweer op en antwoordde:

--Ja, ik zoek u, Satanskind! Weet gij wie ik ben?

Ik bleef onbeweeglijk staan en zei kortaf: Ja.

--Gij hebt mijn broeder vermoord en zijn bloed eischt het uwe. Ik

wil u niet verraderlijk van achteren doodschieten, maar als een man,

voor in de borst.

--Schiet niet, want wij allen zijn kogelvrij.

--Dat wil ik zien! Vaar ter helle!

Hij brandde los. De percussie knalde, maar het schot ging niet af.

--Ziet ge wel?--zeide ik lachend. Ik heb u gewaarschuwd. Nu zijt gij

in mijn macht!

Ik hief mijn berendooder op, als om te schieten. Maar hij trok zijn

heidukken-czakan uit zijn gordel en riep woedend uit:

--Nog niet! Treft u mijn kogel niet, dan mijn bijl!

Hij zwaaide de bijl om zijn hoofd en slingerde die naar het mijne. Op

zoo kleinen afstand geworpen, moest ze mij den schedel kloven,

wanneer ik ook maar om een haar-breedte onjuist pareerde.

Een ondenkbaar oogenblik hoorde ik haar door de lucht suizen. Het

was een dof en toch schril gefluit. Met wijd geopend oog had ik den

zwaai van den Miridiet gevolgd. Ik bleef vast in den zadel zitten,

het geweer met beide handen schuin omhoog. Onmiddellijk voelde ik

een slag; de bijl trof den loop en ketste af. Ik zou midden in mijn

voorhoofd getroffen zijn.

De Miridiet liet den teugel uit zijn linkerhand glippen, zóó had het

gebeurde hem verschrikt. Hij had nu geen ander wapen meer dan zijn

pistool, en daar behoefde ik niet bang voor te zijn.

--Ziet gij wel, dat ik ook tegen uw bijl opgewassen ben,--riep ik

hem toe. Nu zijt ge aan mijn wraak overgeleverd. Pas op!

Ik legde mijn geweer op hem aan. Dat bracht hem weer in beweging. Hij

greep den teugel, rukte zijn paard omhoog en achter uit, en vloog weg,

zooals ik had gedacht.

Ik reed naar Halef toe en gaf hem het geweer, dat mij nu hinderen zou.

Hij nam het aan, maar riep dringend: Gauw, vlug, of hij ontkomt!

--Wees maar bedaard! Wij hebben den tijd. Deze goede arme kleermaker

Afrit mag nu eens een ruiter zien, tegen wien zijn Shoet wel niet

opgewassen is. Komt mij in galop achter na!

Ik floot even en mijn Rih vloog vooruit.

Ik legde hem den teugel op den hals en richtte mij in de stijgbeugels

op, ofschoon het mijn voet geducht pijn deed.

Al rijdende legde ik den lasso, heen en weer geslagen, in mijn

linkerarm, zoodat hij goed afwikkelen kon. Den strik hield ik in

de rechterhand.

Mijn hengst, stuurde ik noch met den teugel, noch door kniedruk. Het

verstandige dier begreep uit zichzelf waar het om ging.

De Miridiet was eerst lijnrecht voortgereden, wat een groote domheid

van hem was, want daardoor was mij het mikken zoo gemakkelijk gemaakt,

dat ik hem zeker moest treffen, indien ik hem had willen neerschieten.

Daar in die richting de open vlakte hoe langer hoe breeder werd,

reed hij weldra zigzagsgewijze, van het eene boschje naar het andere,

die hem tegen mijn schot moesten dekken.

Rih schoot, zonder dat ik het aangaf, als een echte jachthond nu ook

van rechts naar links, om den bruine den pas af te snijden. Ik zag

evenwel dat ik mij te lang bij Halef opgehouden had. De bruin van

den Miridiet was een voortreffelijke renner, ofschoon ik voor geen

vijftig zulke renners mijn hengst zou gegeven hebben. Ik was zeker

dat mijn Rih den bruin zou inhalen, al was het ook niet voordat deze

de boschjes zou bereikt hebben. Maar ook dat behoefde ik niet toe te

laten. Ik had mijn hengst slechts het geheim-woord te laten hooren.

Reeds nu rende hij prachtig. In drie elegante sprongen legde hij een

even groote afstand af, als waarvoor de bruin vier wanhopende sprongen

moest doen. Maar de voorsprong van den laatste was te groot geweest. Ik

kon hem maar alleen door het geheim-woord bij tijds inhalen.

Wie nog onbekend is met de beteekenis van zulk een geheim woord,

die wete dat ieder Arabier, die een echten volbloed bezit, dezen

een bepaald woord of teeken leert, dat de ruiter alleen dán geeft of

uitspreekt, als het paard zijn alleruiterste kracht inspannen moet.

De echte Arabische renner speelt, zelfs bij de snelste carrière,

slechts met zijn krachten. Maar hij kan zichzelf overtreffen, als hem

het geheime woord, met of zonder bijgevoegd teeken, genoemd wordt. Het

spreekt van zelf dat dit slechts bij hooge uitzondering gebeurt,

als alleen zoo'n groote snelheid den ruiter redden kan.

Dat wordt dan een rennen op leven en dood. Het paard loopt dan niet,

maar vliegt. Zijn snelheid is zóó groot, dat men zijn beenen nauwelijks

ziet. Dan, op dat oogenblik, heeft de ruiter het geheime teeken aan

zijn paard gegeven, en weinige seconden later, zijn paard en man

alleen nog maar als een kleine punt aan den gezichteinder te zien.

Het woord of teeken, waarmee de ruiter zijn paard tot die uiterste

inspanning aanspoort, noemt men het 'geheim-woord', omdat de eigenaar

het aan niemand zegt; zelfs aan zijn vrouw, zijn zoon en eenigen

erfgenaam verraadt hij het niet. Alleen aan den kooper van het paard

deelt hij het mede, en op zijn sterfbed zegt hij het aan dengene die

het erven zal. Geen marteling, geen stervensnood brengt hem er toe,

om het aan iemand anders te verraden. Het sterft met hem.

Toen 'Rih' mij ten geschenke werd gegeven, werd het geheim-woord mij

natuurlijk gezegd. Het bestond hierin, dat ik mijn hand tusschen

zijn ooren moest leggen en hem dan tevens dringend bij zijn naam

'Rih' noemen. Een enkele keer heb ik hem daarmee moeten aanzetten,

altijd met ongelooflijk succes.

Nu bevond ik mij op dit oogenblik wel niet in groot gevaar, maar

Halef zou Rih van mij present krijgen. Nog maar korten tijd zou ik er

eigenaar van zijn, en Halef zelf zou het mij allerminst kwalijk nemen,

als ik voor het laatst nog eens met mijn trouwen hengst vliegen wilde.

Ik legde hem dus de hand tusschen zijn kleine ooren.... Rih!....!

Midden in zijn sprong stuitte hij zijn vaart en stak de ooren

op. Dan liet hij een geluid hooren, als van een korten diepen kuch

en voorwaarts ging het.... Hoe dat te beschrijven? Wat nu gebeurde,

gaat alle beschrijving te boven. Voor mijn gevoel zat ik niet op een

paard. Het was mij alsof ik op een pijl door de lucht vloog. Ik was

bij het struikhout, waar de Miridiet naar toe rende, veel eer dan

hij. Ik was hem minstens veertig paardelengten vooruit, ofschoon hij

een voorsprong van driedubbele lengte op mij had gehad. Het gevolg

hiervan was, dat hij zijn paard omwierp en de vlakte oprende.

Ik ging hem achterna, maar niet meer in ijlgang, waartoe ik mijn

hengst aangezet had. Met een bedarend vriendelijk aaien van zijn hals,

gaf ik hem te kennen dat ik over hem tevreden was en hij het nu weer

kalmer kon opnemen. En zoo deed hij. Binnen enkele seconden was ik

echter weer op twee paardelengten achter den Miridiet.

--Halt! Terstond!--beval ik.

Doorrijdende wendde hij zich naar mij om. Hij had zijn pistool in de

hand en schoot. Ik zag dat hij zou missen en nam mijn lasso.

De Miridiet had, gedurende zijn vluchten, den bruin aldoor met de

zweep aangezet. Het paard had zijn uiterste kracht ingespannen en

kon niet meer. Vloekend wierp de man zijn pistool weg, trok zijn

mes en stak er het paard mee in het vleesch. Het steunde en kreunde,

en trachtte harder te loopen, maar vergeefs!

Ik wierp mijn lasso uit. Op het oogenblik dat deze als een wijde

strik, boven het hoofd van den ruiter zweefde, hield ik mijn paard

in en trok het achteruit. Een ruk, een schreeuw--Rih stond, de

bruin stoof vooruit, en de Miridiet lag op den grond, door de strak

aangetrokken lasso, die hem ter hoogte van de ellebogen omknelde en

weerloos maakte. Hij was uit den zadel gerukt, opgelicht en tegen

den grond gesmakt.

Ik zag, dat hij zich niet verroerde, en haastte mij niet met afstijgen.

Stapvoets naar hem toerijdende, zag ik, dat hij zijn oogen dicht

had. Hij was bewusteloos. Ik bleef in den zadel en liefkoosde

mijn paard, tot dank voor zijn ren. De hengst was voor dergelijk

liefdebetoon zeer gevoelig. Hij draaide zijn hoofd naar mij toe en

wilde mij likken, maar kon mij niet bereiken. Toen dat niet ging,

trachtte hij mij ten minste met zijn staart te waaien. Om hem dat

genoegen te gunnen, boog ik mij achterover en strekte mijn hand uit,

waarin hij wel tienmaal met zijn prachtigen staart sloeg, onderwijl

hij van plezier aldoor hinnikte.

Na eenigen tijd kwamen ook mijn begeleiders naar mij toe. Met

verwondering zag ik, dat het oude magere paard van den kleermaker

keurig en krachtig met de andere meegaloppeerde. Het leek mij, alsof

het oude dier blij was te mogen toonen wat er wel in hem stak.

En de kleine magere snijder zat te paard als de beste van ons! Ik

geloof dat het paard een even groote huichelaar was als zijn meester.

--Is hij dood?--vroeg Halef, toen hij wat dichterbij gekomen was.

--Ik weet het niet. Kijk maar eens.

Hij sprong van zijn paard en onderzocht den gevangene.

--Heer, de kwant dommelt maar een beetje. Hier is zijn bijl, zijn

Czakan.

Halef gaf mij dat heerlijke wapen, dat hij opgeraapt had. De

slangvormige steel was overtrokken met gepereld visch-leer; de bijl

zelf was van ouderwetsch prachtig geciseleerd staal. Op de eene zijde

stond in Arabisch schrift: 'Lima' ak kelimet--ik heb een woordje met u

te verhakstukken,--en op den anderen kant: Awasi, chatrak--wel bekome

het u, vaarwel! De kunstenaar, van wien dit prachtstuk afkomstig was,

moet van een eenigszins stekeligen aard geweest zijn.

--Welnu, Halef, wat zegt ge van onzen Rih?--vroeg ik.

De Hadschi haalde diep adem en antwoordde met schitterende oogen,

buiten zichzelf van opgewondenheid:

--Wat zal ik zeggen, Sihdi! Gij hebt hem het geheim-woord

ingefluisterd.

--Juist geraden.

--Dat dacht ik wel. Hij vloog eerst als een pijl uit een boog en daarna

met de snelheid eener gedachte. Hij zag er in de verte uit alsof hij

alleen een lijf had, want beenen zag men niet. Nog voor ik dacht: Daar

is hij! was hij den ander vooruit en bij het boschje. En kijk nu eens,

hoe hij daar staat! Ziet u ook maar het minste zweet op zijn lijf?

--Neen.

--Of ook maar een vlokje schuim op zijn lippen?

--Ook niet.

--Of ziet u hem hijgen? Ziet u zijn borst gaan of zijn flanken?

--Niets van dat alles.

--Juist alsof hij eens lekker geslapen had, zoo rustig en vergenoegd

staat hij daar. Het was een heerlijk prachtig gezicht! Zelfs de

Profeet heeft zoo'n paard niet gehad. Jammer, dat het geen merrie

is. Dat is zijn eenig, zijn allereenigste gebrek. Ik geef hem van

avond, tot belooning, een grooten maïskoek, met raki overgoten,

want dat is zijn lievelingskost; hij is een lekkerbek.

En zich tot den kleermaker wendende, vroeg hij:

--Welnu, Afrit, gij reuzekind, hebt gij ook soms respect voor dat

paard?

--Het is onvergelijkelijk mooi. Ik heb nog nooit zoo iets

gezien,--antwoordde de gevraagde.

Hij bekeek den hengst met het oog van een kenner. Kon een arme

kleermaker, een zoo goed paardenkenner, een zoo groot paardenliefhebber

zijn? Neen! En zijn begeerte om het paard te bezitten was in hem zoo

sterk, dat zijns ondanks zijn blik het verried.

--Goed gezegd,--zeide Halef, met die lofspraak tevreden. Maar wat

zegt gij van zijn meester?

--Hij verdient zulk een paard te bezitten. Hij rijdt goed!

--Goed...? Mensch, hoe kunt ge dat zeggen: Ook gij rijdt goed. Maar

bij hem vergeleken, zijt gij een kikvorsch, die op den rug van een os

zit. En wie heeft uw oordeel over zijn rijden gevraagd? Ik bedoelde,

of hij niet mooi zijn woord heeft gehouden.

--Ja, dat kan ik niet ontkennen.

--Neen, dat kunt gij niet ontkennen. Alles dwingt er u toe. Of heeft

hij niet zonneklaar bewezen, dat de Miridiet, hij hem vergeleken, een

kwajongen is, die zijn broek nog niet opbinden kan? Hoe mooi is hij hem

te vlug af geweest! Hadt gij gedacht, dat mijn Heer hem ging besluipen?

--Neen.

--Ik begreep het terstond. Maar uw hersens zijn verdroogd en kunnen

niets bedenken. Hoe verwonderd keek de Miridiet op, toen hij hem niet

bij ons zag; en wat schrikte hij, toen hij hem opeens achter zich

zag staan. En wat mikte hij mooi op hem. En weet gij wel, waarom zijn

geweer niet afging?

--Omdat het ketste.

--Mis, omdat wij kogelvrij zijn. Begrepen, snijdertje? En dan, die

bijl-worp? Hadt gij hem kunnen pareeren?

--Bij Allah, neen!

--Dat loopt met bijlen en weet er niet mee om te gaan. En wat zegt

gij van die eenvoudige manier om iemand gevangen te nemen? Hadt gij

al eens gezien, hoe men een ruiter, met een riem van zijn paard haalt?

--Nog nooit!

--Dat wil ik wel gelooven. Gij hebt trouwens nog zoo veel, nog zoo

oneindig veel niet gezien van wat wij weten en kunnen. Wat zou de

Shoet tegen onzen Effendi vermogen? Ons overleg en onze dapperheid

zijn schroeven, die op zijn lichaam inwerken en het doorboren.

--Zeg dat toch niet van mijn Shoet!

--Gij neemt het dus voor hem tegen ons op?

--Dat is niet in mij opgekomen.

--Hebt gij dan niet gezegd, dat hij sterker is dan wij, en hij ons

verpletteren zou?

--Ik wilde vriendelijk u waarschuwen.

--Dan waarschuw ik u even vriendelijk om voortaan uw mond te houden. We

hebben geen waarschuwingen noodig, zelf weten wij wat wij doen en

laten moeten, want wij kennen ons volkje en onze vijanden. Gij staat

tegenover ons als dorre grashalmen, terwijl wij palmen zijn, die hun

kronen in de wolken baden. Deze Shoet zal aan onze voeten kruipen,

zooals hier de Miridiet. En allen, die hem aanhangen, zullen wij

verteren als de tabak, die men in den mond steekt en uitspuwt.

--Hadschi, wat heb ik toch gedaan, dat gij zoo streng en toornig

tegen mij spreekt?

--Gij hebt den Shoet onzen meerdere genoemd. Is dat niet genoeg? Gij

hebt nog geen enkelen beroemden held gezien. Maar hier zijn beroemde

en dappere mannen, die uw Shoet als een vlieg wegslaan.

Om den kleinen Hadschi, die zich als een kikvorsch opblies, niet te

laten bersten, viel ik hem in de rede:

--Toen ik den Miridiet volgde, hoorde ik fluiten. Wie deed dat?

--Hier, de kleermaker.

--Waarom floot hij?

--Hij zei, dat hij een hond zag loopen in het hout.

--Ja, Heer, ik zag hem duidelijk,--verzekerde de verrader.

--Wat ging dat beest u aan?

--Hij was zeker verdwaald, en wij konden hem meenemen naar het naburige

dorp, waar hij waarschijnlijk zijn thuis heeft.

--Zoo? De Miridiet scheen dat gefluit te kennen.

--Toch niet.

--Toch wel, want hij sprong terstond op van den grond en steeg

te paard.

--Dat trof dan toevallig samen.

--Wel toevallig, want hij scheen met dien Suef afgesproken te hebben,

dat deze hem, door gefluit, kennis zou geven van zijn komst. Dat

was een groote domheid van die twee, want daardoor moest uitkomen,

dat Suef ons verried. Ik wil hopen dat die knaap óók nog in mijn

handen zal vallen, en dan zal ik hem dat aan zijn verstand brengen,

zóó dat hij het nooit vergeet.

--Zoudt gij niet eens naar den Miridiet zien? Hij beweegt zich.

De genoemde had, om wat anders te liggen, een beweging met zijn beenen

gemaakt. Ik zag, dat hij mij kwaadaardig aankeek.

--Wel, vroeg ik hem, hoe bevalt u de afloop van uw grap?

--Verrek!--antwoordde hij.

--Uw mond loopt niet over van zegenwenschen, en toch heb ik het goed

met u gemeend.

--Hoe goed gij het met mij meent, dat begrijp ik!

--Wat denkt gij dan wel?

--Dat gij mij dooden zult.

--Mis geraden! Had ik u willen dooden, dan had ik dat van daag meer

dan eens kunnen doen.

--Hebt gij dan nog wat ergers met mij voor?

--Hoe komt ge op die gedachte?

--O, er zijn allerlei manieren, om een, die een bloedschuld moet

wreken, onschadelijk te maken, zonder hem terstond te dooden.

--Men laat hem, bij voorbeeld, verhongeren, zooals gijlieden met ons

van zins waart.

--Daar heeft de Satan je uitgeholpen!

--Had alleen die ons kunnen helpen, dan waren wij liever in dat

hol gebleven.

--En toch is die uw helper, want anders waart gij niet kogelvrij.

--Meent gij werkelijk dat men daarvoor de hulp van den Satan

behoeft? Daarvoor heeft men geen vreemde hulp noodig. Men moet daarvoor

een beetje slim zijn en wat geleerd hebben. Wij zijn in allen gevalle

niet bang voor uw kogels en evenmin voor het gehakte lood, waarmee

gij van daag uw geweer zoo zorgvuldig geladen hadt.

--Gij hebt dus mijn geweer?

--Neen, dat hangt aan uw zadel, en uw paard is er mee van door.

--Hoe kunt gij dan weten, dat ik met gehakt lood geladen had?

--Ik weet altijd alles, wat ik weten moet. Nu kunt gij niet naar

Sbiganzy terug gaan, maar gij moet naar uw bondgenooten, zooals gij

met hen afgesproken hebt.

--Ik? Waarheen?

--Dat weet gij even goed als ik. Zijn ze u niet vooruit gereden,

den weg naar Engely op?

--Heer, wie heeft u dat gezegd?

--Mijn droom. In mijn droom heb ik hen gezien, op u wachtende,

aan gene zijde van Warzy, op de hoogte die daar is. Gij kwaamt,

sprongt van uw paard en zocht ze, om hen te zeggen, dat wij te laat

waren weggereden. Gij zijt toen een eind met hen opgereden maar al

spoedig zijt ge van hen weggegaan, om hierheen te rijden, waar Suef

ons u leveren moest.

--Suef?--riep hij verschrikt uit.

Hij keek rond naar den kleermaker en zag hem. Ik deed alsof ik den

waarschuwenden oogwenk van den kleine niet zag. Diens wenk scheen

hem gerust te stellen, want hij vroeg:

--Wie is Suef?

--Uw vriend.

--Ik ken geen Suef.

--Nu, misschien zult gij hem wel kennen, als ik hem, zooals mijn

plan is, vijftig slagen op zijn voetzolen laat geven waar gij bij

staat. Gij hadt met uw makkers afgesproken, dat gij niet zoudt komen

als ik dood was, maar van avond hen zoudt vinden, als de aanslag

mislukt zou zijn. Wel, die is niet gelukt. Wilt gij nu weg?

Hij wist niet, wat van mij te denken, maar zeide op somberen toon:

--Hoe gij dat alles weet, begrijp ik niet en behoef ik ook niet te

weten. Maak het kort en dood mij.

--Waarom zou ik u dooden?

--Omdat ik het u heb willen doen.

--Dat is voor mij geen reden, want ik ben een Christen en vergeld

geen kwaad met wraak.

--Gij kent dus de wet van de bloedwraak niet?

--Zeker ken ik die.

--Gij weet dus, dat ik mijn leven lang er op uit moet zijn om u

te dooden?

--Dat weet ik.

--En toch doodt gij mij niet?

--Neen. Ik heb mij tegen u verweerd, en gij hebt niets tegen mij kunnen

uitrichten. Dat is mij genoeg. Wij Christenen erkennen de verplichting

der bloedwraak niet. Daarom straft onze wet den bloedwreker met den

dood. Maar het gebod van uw land dwingt u, als bloedwreker van uw

broeder op te treden en... ik mag toch geen wrok tegen u hebben,

omdat gij uw wet gehoorzamen wilt.

Hij keek mij aan alsof hij droomde. Wat ik zeide ging zijn verstand

te boven.

--Maar,--zoo ging ik door,--denk eens na, of ik uw bloedwraak werkelijk

verdien. Ik was opgesloten, ik moest mij er uit redden. Daarvoor was

't noodig dat ik schoot, maar wist niet dat uw broeder op het luik

zat. Het was zijn schuld dat mijn kogel hem trof. Hij wist dat wij

onze wapens bij ons hadden. Het was een groote onbezonnenheid, dat

hij op het luik ging zitten.

--Heer, er is veel waars in wat gij zegt.

--En waarom wilde hij mij laten doodhongeren? Wat had ik gedaan? Had ik

hem beleedigd, gekrenkt, bestolen of beroofd? Neen. Ik kwam, om naar

den Shoet te vragen. Het stond aan hem, om mij dat, al dan niet, te

zeggen. Had hij geweigerd mij te zeggen, waar ik hem vinden kon, ik zou

in vrede weg zijn gegaan. Waarom behandelde hij mij als zijn vijand?

--Omdat zijn vrienden uw vijanden zijn, en gij den Shoet kwaad

wilt doen.

--Maar dat wil ik niet!

--Gij spoort hem na en hebt zijn zwager Deselim gedood. Bloed roept

om wraak, en aan u zullen de dooden gewroken worden.

--Ik heb Deselim niet gedood. Hij stal mijn paard, viel er af en brak

zijn hals. Ben ik zijn moordenaar?

--Had hem laten vluchten. Gij hebt hem integendeel opgejaagd en

vervolgd!

--Ik val dus onder de wet der bloedwraak, omdat ik mijn paard niet

wilde laten stelen? Hoor eens, ik had achting voor u gekregen, want

ik meende dat gij dappere en openhartige mannen waart. Maar nu zie ik

dat gij lafhartige valsche schoften zijt. Dieven zijt gij, ellendige

dieven, en wanneer men u nazit om het gestolene weer terug te krijgen,

dan zegt gij, dat bloedwraak op ons moet genomen worden. Dat is om

te spuwen. Bah, Satansgebroed, dat gij zijt! Nu is uw Shoet in mijn

oog een ellendeling, en allen die hem dienen zijn schurken, waar ik

niet mee te maken wil hebben. Voort, ga weg uit mijn oogen. Voor zulk

tuig als gij zijt, ben ik allerminst bang. Schiet op mij, zooveel

gij wilt. Halef, maak de lasso los en jaag hem weg!

--Sihdi,--riep de kleine,--zijt gij dol?

--Neen. Maak den riem los!

--Dat doe ik niet!

Door het land der Skipetaren · 第 20 / 34 段