en zijn stemgeluid klonk heesch. Het kookte in hem. Die kleine man die
zich Afrit--dat is: reus--noemde, was niet wat hij zeide te zijn. Daar
had ik een eed op willen doen. Maar hij verstond meesterlijk de kunst
om zich voor te doen voor wat hij verkoos. Die kleine sperwer verstond
het, zich met de veeren van een tortel te dekken. Misschien was hij
wel die Suef, die mij 'leveren' moest.
Maar dat was toch niet te denken, omdat de Kiaja hem kende en ook
zijn naam. Of zouden misschien alleen de verbondenen hem 'Suef'
noemen? Reisde hij soms als een arme kleermaker rond, om voor de
bandieten te spionneeren? Ik moest geducht op hem passen. Had hij
tegen mij gezegd, ik moest hen met rust laten, ik antwoordde nu:
--Ik laat een ieder met rust. Eerst toen de Aladschy's en die anderen
mij in den weg traden, heb ik het tegen hen opgenomen.
--Doe dan nu, alsof zij u niets in den weg hadden gelegd.
--Neen, mijn waarde, dat doe ik niet. Die mij te na komt, rijd ik
omver, al was 't de Shoet zelf. Wil hij den strijd, ik wacht hem. De
uitkomst zal leeren, wie het gelag betaalt.
Hij rekte het hoofd omhoog en strekte zijn hals uit, alsof hij het
uitschateren moest. Een hoonend, verachtend gelach zou het worden, dat
zag ik aan het vertrekken van zijn gezicht. Maar wederom beheerschte
hij zich en zeide op waarschuwenden toon:
--Geen besluit van den Grooten Heer heeft eenige kracht tegenover
hem, zelfs de militaire macht moet onderdoen voor de zijne. En gij,
die alleen zijt en een vreemdeling, gij durft hem dreigen?
--Hij is ook maar alleen, evenals ik en ik ken hem evenmin als hij
mij. Vind ik hem, dan wordt de strijd tusschen hem en mij beslist
door onze persoonlijke kracht, onze vlugheid en sluwheid.
--Ik zie dat het werkelijk uw voornemen is den Shoet op te zoeken.
--Wel, liegen doe ik nooit en ook nu niet. Ik wil hem zoeken en vinden.
--En gij wilt beslist met hem vechten?
--Dat hangt er van af. Ik ben hier vreemd. De menschen en de toestanden
hier zijn mij tamelijk onverschillig. Of hier een Shoet is of niet,
een roover meer of minder, laat mij volkomen koud. Maar er is iets
dat ik van hem wil. Voldoet hij aan wat ik vorder, dan....
--Aan wat gij hem vraagt, wilt gij zeggen, Heer?
--Neen. Een eerlijk man, zooals ik, is de meerdere van een gauwdief,
en heeft te bevelen. Gehoorzaamt hij aan mijn bevel, dan ga ik van
hem weg, zonder hem ook maar aan te raken. Doet hij het niet, dan is
er geen Shoet meer.
Ik zag, dat zijn korte smalle borst naar adem snakte. De man was
doodsbleek geworden. Hij was een en al opwinding, maar ook deze
bedwong hij en zeide met groote bedaardheid:
--Effendi, gij doet alsof gij onkwetsbaar zijt en voor geen duizend
Shoeten hadt te vreezen.
--Dat is ook zoo,--antwoordde ik, daarbij op mijn kniebeen slaande
dat het klonk. Wij zijn maar met ons vieren. Maar wij hebben een
geduchte rekening met den Shoet te vereffenen. Hij en zijn rakkers
hebben ons te vreezen en niet wij hen. Ik laat al dat tuig met een
enkele handbeweging in het stof bijten.
Daarbij streek ik verachtelijk mijn rechterhand over het vlak van
mijn linker, als vaagde ik al dat tuig weg. Het was volstrekt mijn
bedoeling niet om te bluffen of te pochen. Met zoo te spreken en
kracht te toonen, wilde ik mijn kleinen Afrit woedend maken en tot
onvoorzichtige uitingen verleiden. Maar de kleine was mij de baas. Hij
knipoogde vroolijk en zei:
--Beroem u gerust op uw sterkte, tot gij straks zelf in het stof
bijt. Ik ben uw vriend. Gij hebt den armen kleermaker vriendelijk u
aangetrokken en verzorgd. Daar ben ik u dankbaar voor. Ik zou alle
gevaar van u willen afwenden. Om die reden waarschuwde ik u. Maar
gij wilt naar mij niet hooren en zijt daarom niet te redden. Gij
zijt hier vreemd, maar ik ken dit land zooals het is. Ik heb beloofd
u naar Kakandelen te brengen, maar nu weet ik, dat gij die stad van
uw leven niet zien zult, want voor die reis is uw leven te kort.
--Binnen twee of hoogstens drie dagen ben ik daar.
--Neen, dan zijt gij in de stad der dooden.
--Weet gij dat zeker? Dat klinkt alsof gij bijzonder goed met den
Shoet bekend waart.
--Wat gij daar zegt kan u geen ernst zijn. Ik waarschuwde u zoo
ernstig, omdat ik uit andere voorbeelden weet dat de Shoet niet met
zich spelen laat.
--Mooi, ik ben ook niet van plan met den zwager van Deselim te
schertsen.
--Heer, wie heeft u dat verraden?--vloog hem uit den mond.
Nu had ik hem gevangen, ondanks zijn bijzondere sluwheid en
zelfbeheersching. Hij kende Deselim en wist, dat deze de zwager van
den Shoet was. Hij had zich verraden. Maar ik liet hem niets merken,
want zoodra hij wist, dat ik hem had doorzien, kon ik niets meer uit
hem halen.
--Dat heeft hij me zelf gezegd,--antwoordde ik.
Een fonkelende blik gleed, slechts een ondenkbaar oogenblik, over
mij heen. Ik had er woesten haat in gelezen. Hij wist, dat Deselim
door mij den hals had gebroken. Zijn blik had dat gezegd. Die kleine
beleefde onderdanige man was mijn doodvijand!
--Dat was zeer onvoorzichtig van hem,--zei hij op goedmoedigen toon. En
zonder te bedenken wat hij zeide, vroeg hij:
--Maar weet Deselim ook, wat zijn zwager uitvoert.... en dat hij de
Shoet is?
Aha! hij was zich bewust, dat hij zich versproken had en trachtte nu
zijn fout beter te maken door kinderlijken eenvoud te veinzen.
--Natuurlijk weet hij dat, anders had hij het mij niet gezegd,--zeide
ik.
--Hoe hebt gij hem dat ontlokt?
--Door een list.
--Bij Allah, gij zijt een hoogst gevaarlijk mensch! Was ik de Shoet,
gij zoudt terstond moeten sterven, maar ik ben slechts een arme
kleermaker en een eerlijk man, en daarom verheugt het mij dat er ook
slimme menschen zijn, die slechten in hun strikken kunnen vangen. Maar
nu gij dat weet, is een zeer gevaarlijk geheim in uw bezit. De Shoet
moet u laten dooden, want niemand mag weten, hetgeen u verraden is.
--Bah! Ik had al zoo dikwijls vermoord moeten worden, ook nog in
deze week. Gisteren, bijvoorbeeld, tweemaal, en de beide daaraan
voorgaande dagen ook zoo. En vandaag wil mij de Miridiet met gehakt
lood doodschieten of met zijn bijl treffen.
--Maar als gij dat weet, hoe kunt gij het dan wagen hem achterna
te rijden?
--Ik heb nog wel heel andere knapen nagereden!
--Als hij achterom kijkt, zijt gij verloren!
--Neen, hij.
--Verbeeldt u dat niet. Hij is een Miridiet, een dappere!
--En wat ik ben, zult gij vandaag zien. Toen ik begon hem te volgen,
verloor ik hem geen oogenblik uit het oog. Had ik hem niet kunnen
neerschieten, zoo dikwijls het mij goeddacht? Was hij in mijn macht
of ik in de zijne?
--Gij hadt hem in uw macht, indien gij ten minste een goed schutter
zijt: maar zoodra hij u ziet, zijt gij in de zijne.
--Ik geloof er niets van.
--O zeker! Hij legt zich in hinderlaag en schiet, wanneer en van waar
hij wil, zonder dat gij er op verdacht zijt. Voor gij hem zien kunt,
zijt ge een lijk.
--En ik zeg u: als hij het waagt zijn geweer op te richten, is hij
verloren!
--Heer, Allah is mijn getuige, dat dit onvergeeflijke vermetelheid
is!--riep hij toornig uit.
--Het is geen vermetelheid. Ik weet, wat ik zeg!
--En ik zeg u: al mocht zijn schot u, door de een of andere oorzaak
missen, dan zijt gij toch, door zijn bijl, een kind des doods. Op dat
wapen is hij meester, zooals geen ander. Maar gij, hebt gij ooit met
een heidukken-bijl geworpen?
--Neen.
--Dan zijt gij verloren. En al mocht het u al gelukken hem te ontkomen,
dan zijn de anderen er nog, aan wie gij gisteren ontsnapt zijt. In
ieder boschje kunnen zij hier op u loeren, en u overvallen.
--Dat is onmogelijk!
--Waarom?
--Omdat zij naar Engely gereden zijn. Waren zij hier, dan zou ik hun
spoor zien; ook zou mijn hengst hen verraden door te snuiven ofschoon
ik hen al lang zou gezien hebben, want mijn oogen zijn sedert vele
jaren aan het doorspieden der bosschen gewend.
Hij was, voor zich, overtuigd dat ik binnen het uur een lijk zou zijn
en het ergerde hem dat ik mijn vijanden zoo gering achtte.
--Ik herhaal, zeide hij,--gij zijt niet te helpen. Naar wat
onwedersprekelijk waar is, luistert gij niet, tenzij om het tegen
te spreken.
--Waarheid, die blind geloof eischt, is geen waarheid. Laat ons niet
verder redeneeren. Gij zult ons nog wel beter leeren kennen. Als ik
wil dan gaat het geweer van den Miridiet zelfs niet af, al geeft hij
zich ook nog zooveel moeite.
--Kunt gij dan werkelijk tooveren?
--Bah! Ik kan niet meer dan andere menschen, maar ik heb nog tegenover
heele andere mannen gestaan als die broer van den slager, en ik weet,
hoe ik mij tegen hem moet verweren. Halef, als hij mij aanvalt,
laat hem dan aan mij over. Ik heb daar niemands hulp bij noodig.
--Zooals gij wilt, Sihdi,--antwoordde de kleine, zonder meer.
De steilten, die naar het plateau van Jerzely leiden, zijn naar alle
zijden heen, door bosch gedekt. Het plateau zelf geeft alleen weiden
en akkers te zien. Wij hadden den zoom van het bosch achter ons en
reden nu over een wijd uitgestrekte vlakte, die begroeid was met kort
dun gras. Op enkele plekken benam eenig hout ons het vergezicht.
Na eenigen tijd gereden te hebben, stootten wij op een paardespoor,
dat van links af, op ons aankwam en dan voor ons uit ging. Ik hield
mijn paard in en bezag, mij voorover buigende, den grond.
--Wat zoekt u?--vroeg de zoogenaamde kleermaker.
--Ik wil zien wie hier, voor ons uitgereden is.
--Waaruit wilt gij dat opmaken?
--Dat doe ik op mijn manier... een kunst die gij niet kent. Ik zie al,
dat het de Miridiet geweest is. Ongeveer een kwartier geleden is hij
hier langs gekomen.
--Zoo iets kunt gij toch onmogelijk zien.
--Toch wel. Het neergetrapte gras verraadt het mij, zoodat er niet
aan te twijfelen valt. Wij zullen nu verder dat spoor volgen.
Nu moest ik niet alleen op het spoor letten, maar ook op den
kleermaker. Ik meende op te merken dat mijn man eenigszins onrustig
werd. Vluchtig maar scherp keek hij naar links en rechts voor zich uit,
en meer bijzonder naar het boschje, waar wij voorbij reden.
Had dat een bepaalde reden? Ongetwijfeld. Ik hield dus dat houtgewas
te scherper in het oog, en zag al spoedig dat de Miridiet onzen gids
afgesproken teekens gaf.
Nu eens rechts en dan weer links was een takje omgebogen in de richting
die de verrader ons te voeren had.
Dat hadden zij natuurlijk afgesproken, in de meening dat zij dat
bizonder slim hadden overlegd. Van deze ontdekking had ik nu gebruik
kunnen maken zonder er een woord van te zeggen. Maar ik wilde niet
dat mijn kleermakertje ons in zijn hart ook maar uitlachen zou. Hij
voorzag dat ik op het punt stond aangevallen te worden, en ik wilde
hem den aanval voorspellen. Daarom hield ik stil, toen wij weer bij
zoo'n omgebogen takje waren en zeide:
--Halef, ziet ge dat takje?
--Ja, Heer.
--Wie kan dat omgebroken hebben?
--Het een of ander wild.
--Dat moet dan een groot wild geweest zijn en daar zouden wij de
sporen van moeten zien.
--Het gras kan zich weer opgericht hebben, zoodat het spoor niet meer
te zien is.
--In dat geval moet het lang geleden zijn toen het takje brak en zou
het op de breuk verdord zijn. Maar het is nog zoo frisch en vocht,
dat het hoogstens een kwartier geleden gebroken kan zijn.
--Wie zou het dan gedaan hebben, en wat kan ons dat schelen? Waarom
stelt gij zooveel belang in dien tak?
--Omdat die mij een heele geschiedenis vertelt.
--Een geschiedenis? Sihdi, ik weet, dat gij sporen van menschen en
beesten kunt zien, zooals niemand anders. Dat van den Miridiet hebben
wij hier vlak voor ons. Maar wat hebben wij met dien tak te maken?
De kleermaker liep, op een paar pas afstand, naast mij en zag mij aan
met oogen die rustige verwondering moesten te kennen geven. Maar zijn
rechter mondhoek was heel weinig zijwaarts opgetrokken, waardoor zijn
gezicht eene nauwelijks merkbare hoonende uitdrukking kreeg.
--Als gij heb niet weet, wat die tak mij vertelt, is misschien onze
gids Afrit scherpzinniger dan gij,--zeide ik.
De kleermaker keek terstond verwonderd op en antwoordde:
--Heer, ik weet het evenmin en zou ook niets kunnen bedenken. Veel
meer geloof ik dat gij u iets verbeeldt. Wat zou een takje ons kunnen
vertellen?
--Heel wat.
--Zeker, zoo'n gebroken tak verkondigt de vergankelijkheid van al het
aardsche. Gisteren nog bloeiend en groen, moet hij nu al verwelken
en verdorren.
--Juist, en mij moet hij zeggen dat de dood op mij loert.
--Hoezoo? Ik begrijp u niet.
--Wel, ik ben zeker, dat de Miridiet dit takje omgebogen en gebroken
heeft.
--Waarom?
--Met een bijzondere bedoeling. Hebt ge ook al niet nog andere takjes
gezien, die omgebroken waren?
--Neen, Heer.
--Dit hier is het elfde, dat ik opgemerkt heb.
--Dat kan wel, maar zal wel louter toeval zijn.
--Men kan al loopende of rijdende, spelenderwijze een takje grijpen,
maar elf.... en nu eens rechts en dan weer links, dat moet met een
bepaalde bedoeling geschied zijn.
--Dan zou ik die bedoeling wel eens willen weten.
--Let dan maar goed op. Wij zullen nog wel meer van die teekens aan
de volgende boomen zien, en dit is er het eigenaardige van, dat zij
allemaal in dezelfde richting gebogen zijn.
--Natuurlijk, omdat het groot-wild in dezelfde richting geloopen is.
--Onmogelijk, dat een hoog wild dat zou hebben gedaan. De breuk aan
de takken is geregeld op dezelfde hoogte en juist zoo hoog als een
ruiter reikt. De breuk is hooger dan een ree of het gewei van een
hert reikt. En bovendien loopt het spoor van den Miridiet altijd van
rechts naar links, van het eene gebroken takje naar het andere.
--Maar Heer, daar gij toch zoo scherpzinnig zijt, zeg ons dan ook,
om wat reden hij ze zal gebroken hebben.
--Kent gij misschien een man, die Suef heet.
Het kleine manneke, dat zich zoo hardnekkig een arm kleermakertje
bleef noemen, moest toch een ontzettende mate van zelfbeheersching
hebben, want geen spier van zijn gezicht vertrok. Was er niet een
ietwat donkere gloed in zijn oogen zichtbaar geworden, dan had ik
gedacht dat ik mij vergiste.
--Suef?--antwoordde hij. Dien naam heb ik wel eens hooren noemen,
maar den man zelf ken ik niet.
--Ik dacht, omdat gij in deze streken zoo bekend zijt, zoudt gij ook
den man kennen, dien ik bedoel.
--Ik ken hem niet. Wat voor man is het?
--Een volgeling van den Shoet. Hij zou ons vandaag voor gids dienen
en had op zich genomen, mij bij de plek te brengen, waar de Miridiet
mij op zijn gemak kon doodschieten.
--Maar Heer, hoe komt dat in u op?
Nu verried zijn gezicht, zoo al geen schrik, dan toch groote
bezorgdheid; maar hij kon dat zoowel voor mij zijn als voor zichzelf.
--Wat ik zeg, weet ik,--ging ik voort. Gisteren is er afgesproken,
dat die Suef ons vertrouwen zou trachten te winnen en in de val zou
laten loopen.
--Heer, gij schijnt alwetend te zijn!
--Opmerkzaam ben ik, meer niet.
--Maar hoe weet gij dat dan?
--Daar wil ik niet over spreken. Ik ben gewoon alles op te merken en
daaruit mijn gevolgtrekkingen te maken. Dat hebt gij met deze takken
kunnen zien.
--Is die Suef bij u geweest?
--Neen. Hij moest zich natuurlijk komen aanbieden om voor gids te
dienen. Gelukkig voor ons, hebben wij u eerst gesproken en heeft die
Suef ingezien dat hij met zijn mooipraterij bij ons niet behoefde
aan te komen.
--Maar hoe komen dan die gebroken takjes hier?
--Daar wil de Miridiet Suef mee zeggen, hoe hij moest rijden.
--De Miridiet weet dus volgens u nog niet, dat die Suef niet bij
ons is?
--Zeker niet. De bloedhond is waarschijnlijk van plan geweest ons
onderweg aan te klampen, en heeft toen uit zijn schuilplaats gezien,
dat wij al een gids hadden. In allen geval sluipt hij nu achter
ons aan.
Het gezicht van den kleermaker helderde op. Hij had reden te over,
om te denken dat hij doorzien was. Nu was hij zonder zorg, want ik
geloofde immers dat die Suef achter mij was. Hij vermoedde niet dat
ik hem kende, en daarbij moest ik het laten.
--Maar ik meen toch, dat gij u vergist,--begon hij weer. Uw redeneering
klopt niet.
--Hoezoo?
--Om wat redenen zou de Miridiet die takken omgebogen hebben? De
verrader, die Suef, zou zijn spoor wel hebben kunnen vinden. Als
zooiets op den grond zóó zichtbaar is, heeft men geen bijzondere
teekens noodig.
--Toch wel! Te meer als men de streek, waar men zijn moet, niet in
den grond kent. Als de bodem hard is, laat die geen sporen zien,
en dan moet men zich wel met andere teekens behelpen.
--Maar hier is de bodem week. Als dat takken-ombuigen moest dienen
tot wat gij zegt, dan had het hier wel kunnen ophouden.
--Volstrekt niet; want sporen kunnen op allerlei manieren weggemaakt
worden. Ook konden andere trekkers voor ons hierheen gekomen zijn. Van
die zou dat van den Miridiet niet te onderscheiden zijn. De listige
verrader, en ook de Miridiet hebben zoo'n takkenaanwijzing noodzakelijk
geacht. Maar dat is voor mij niet het voornaamste.
--Er steekt dus nog meer in?
--Ja, gij hebt mij niet begrepen. Hij heeft met deze teekens niet
willen zeggen, wat weg hij zelf genomen heeft, maar in wat richting
Suef ons leiden moest.
--Komt dat niet op hetzelfde neer?
--Volstrekt niet. Ik ben zeker dat, al heel gauw, het spoor van den
ruiter zal afwijken van de richting door de takken aangewezen.
--Allah, Allah! Wat een hoofd hebt gij?
Dat was ongeveinsde bewondering. Ik had hem dus eindelijk in zijn
zwak getast en antwoordde:
--Mijn verstand gaat het uwe niet te boven. Ik overleg scherper. Ik
stel mij voor dat de Miridiet ons hier opwacht, en in mijn verbeelding
zie ik hem komen, onder leiding van den verrader Suef. Als de
eerstgenoemde mij wil doodschieten, dan moet hij op mij loeren. Hij
moet dus, links of rechts, in een struikhout schuilen. Bij gevolg moet
hij eerst in een andere richting gaan. Dat begrijpt gij immers toch?
--O ja?
--Dus moet hij, van af een zeker punt, een teeken geven, dat Suef
hem niet langer moet volgen. En dat teeken zullen wij gauw genoeg
vinden. Laten we nu verder rijden.
Onderwijl wij onze paarden in den draf zetten, zei de kleermaker:
--Ik ben benieuwd te zien of uw veronderstelling juist is.
--En ik ben zeker, dat ik mij niet vergis. Ik weet zeer zeker, dat
ik voor het oogenblik, niets te vreezen heb. Eerst als de sporen
uit elkaar gaan, word ik overvallen. En zooals ik u bewezen heb,
dat ik al de overleggingen en plannen van den Miridiet en van dien
Suef uit de takken der boomen mij heb laten vertellen, zoo weet ik
nog veel meer dan gij denkt of vermoeden kunt. Voor mij is de Shoet
een zeer ongevaarlijk persoon.
Wij kwamen nu meer omgeknotte takken voorbij. Ik maakte den kleermaker
er op opmerkzaam en toonde hem dat het paard van den Miridiet steeds
vlak langs die struiken was gegaan.
Daarna kwamen wij aan de plek, waarvan ik hem gesproken had. Het
paardespoor ging linksaf, terwijl voor ons uit twee tegenover elkander
liggende boschjes omgebroken takken vertoonden.
--Zie, daar hebt gij het punt, dat ik bedoelde,--zeide ik. De
Miridiet is linksaf gereden, om achter ons te komen. Suef moet ons
nu rechtuit, tusschen de beide boschjes door, laten gaan. Is dat ook
niet uw meening?
--Heer, ik weet niet wat ik zal zeggen. Uw redeneering gaat mijn
verstand te boven.
--Ik heb u toch alles duidelijk uitgelegd.
--Ja, maar uw gevolgtrekkingen kan ik niet volgen. Ik geloof toch
dat gij u vergist.
--Ik vergis me niet.
--Wat wilt gij nu doen?
--Als ik dien Suef hier had, zou ik beginnen met hem zóóveel
zweepslagen toe te dienen, dat hij het opstaan vergat.
--Dan had hij niet meer dan hij verdiende. Jammer genoeg, dat hij
niet hier is.
--In allen gevalle is hij achter ons. Ik zou grooten lust hebben,
om hem op te wachten.
--Hij zal wel oppassen, zich niet te laten zien.
--Dat geloof ik ook. Maar vroeg of laat valt hij toch in mijn handen,
en dan krijgt hij zijn loon.
--Dat begrijp ik, Heer.
--Zouden volgens u honderd slagen op zijn voetzolen genoeg zijn?
--Neen. Als gij hem te pakken krijgt, dan moet gij hem laten
doodranselen, want erger dan een verrader is er niet.
--Daar hebt ge gelijk in! maar vijftig voetslagen acht ik genoeg.
--Dat zou een buitengewoon genadige behandeling zijn.
--Denk aan wat gij daar zegt, en vraag geen genade voor den schurk als
hij in mijn macht zal zijn. Maar dat komt later. Voor het oogenblik
hebben wij voor ons zelf te zorgen.
--Juist, Sihdi, hier kunnen wij niet blijven wachten,--zeide
Halef. Misschien loert de Miridiet hier in de buurt wel op ons.
--Daar ben ik niet bang voor. Wij willen echter verder rijden, maar
niet in de richting, die de takjes ons aanwijzen. Daarvan afwijkende
en wat meer rechts houdende, komt er wat meer ruimte tusschen hem en
ons. Ik blijf echter nog een oogenblik achter, maar kom u dadelijk
achterop. En nog iets, Halef! Houd uw geweer gereed. Wij kunnen nooit
weten hoe wij het onverwachts noodig kunnen hebben. Den Miridiet neem
ik alleen voor mijn rekening. Mocht gij echter dien Suef hier of daar
zien, schiet hem dan terstond voor den grond.
--U kunt er op rekenen, Sihdi.
--En daar onze goede Afrit ongewapend is, moeten wij hem
beschermen. Osko en Omar moeten hem tusschen zich in nemen, en gij
rijdt vlak achter hem. Kijk goed uit, en ziet ge iets verdachts dan
weet ge wat gij te doen hebt.
--Laat dat gerust aan mij over, Effendi! Als ik dien Suef maar ruik,
is hij er geweest ook.
De Hadschi had mij goed begrepen. Ik kon er zeker van zijn, dat hij
den kleermaker terstond zou neerleggen, wanneer deze het in zijn hoofd
mocht krijgen, om te willen vluchten. Deze had ook begrepen wat hem te
wachten stond, want hij zag, bezorgd en onderzoekend, mij aan en zeide:
--Effendi, gij hoeft u voor mij zooveel moeite niet te geven!
--Dat is onze plicht. Gij zijt onze gids en dus de vijand van onze
vijanden. Zij zullen u dan ook als zoodanig behandelen. Daarom moeten
wij u in onze hoede nemen. Blijf echter dicht bij mijn drie makkers,
anders kon u iets overkomen, waarvoor wij niet verantwoordelijk willen
zijn. Alleen bij hen zal u niets gebeuren.
--En gij rijdt niet met ons mee?
--Ik blijf een poosje achter.
--Waarom?
--Uit bangigheid. Laat de Miridiet het maar eerst met mijn drie mannen
uitmaken voor hij op mij schiet. Voorwaarts!
Halef lachte om mijn antwoord en wees met een oogwenk naar het spoor
van den Miridiet. Hij begreep, dat ik dat wilde volgen.
Ik wachtte tot zij tusschen de boschjes door waren, en reed toen
langzaam aan het spoor volgende.
Nu kwam het op er aan, goed uit mijn oogen te kijken. Ik kon door
den Miridiet veel eerder gezien worden dan hij door mij. Dat niet
willende, week ik naar links af en volgde een weg die parallel met
het spoor liep.
De boschjes stonden op tamelijk regelmatigen afstand van elkaar altijd
vijftien à twintig meter. Zoo dikwijls ik zulk struikhout bereikte,
hield ik mijn paard in, om eerst voorzichtig, van uit de bedekking,
rond te zien.
Op eens hoorde ik een schel gefluit. Het kwam van de plaats waar op
dat oogenblik mijn metgezellen moesten zijn. Wie had gefloten? Halef
misschien, om mij te waarschuwen, of om mij een teeken te geven? Neen,
hij zou een ander geluid hebben laten hooren. De kleermaker
wellicht? Zou hij met de Miridiet afgesproken hebben, zoo'n sein,
bij onze nadering te zullen geven? Zoo ja, dan was het zeer gewaagd
van hem, nu hij toch wist dat alles mij verraden was, dit signaal te
laten hooren.
Nauwelijks had het gefluit weerklonken, of ik hoorde voor mij, achter
het volgend struikgewas, een geluid alsof iemand, op gedempten toon
het woord "el hassil"--eindelijk!--uitsprak. Terstond ook hoorde ik
hoefgetrappel, niet luid, maar dof door de weekheid van den grond,
en ik richtte mij hoog in den zadel op, om over het hout heen te zien,
waarachter ik was.
Jawel, juist zooals ik gedacht had, ik zag den Miridiet, die naast
zijn paard in het gras had gezeten en nu opsteeg. Ook hij stond in
de stijgbeugels en keek naar ons rond.
Ik moet erkennen dat hij zijn plek goed gekozen had. Beter liet
zich voor het beraamde plan niet denken. De Miridiet kon, tusschen
de boschjes door, ongezien naderen, ons overvallen en terstond
weer verdwijnen. Zijn plotselinge onverwachte verschijning zou ons
natuurlijk een oogenblik doen schrikken. Voor wij onze geweren gegrepen
hadden, zou hij mij neergeschoten hebben, en zelf verdwenen zijn voor
mijn verschrikte makkers aan zijn vervolging konden denken.
Dat was alles prachtig uitgedacht, maar het plan had mijn goedkeuring
niet, en om een streep door hun rekening te halen, had ik reeds
gedurende de twee laatste minuten mijn lasso opgerold.