werkelijk honger en dorst. Maar ik ben een arme kleermaker en het past
mij niet bij Heeren, zooals gij zijt, aan te gaan zitten. Wanneer gij
mij iets geven wilt, zal ik het dankbaar aannemen, maar vergun mij,
het hier, waar ik zit, te mogen nuttigen.
--Zooals gij wilt. Halef, zet hem ons eten voor!
De Hadschi zette hem zooveel voor, dat meerdere personen er hun
genoegen aan hadden kunnen eten. Ook gaf hij hem bier en Raki.
Toen de man verzadigd was, kwam hij naar mij toe, reikte mij de hand
en dankte mij met de meest eerbiedige woorden. Hij zag er zoo verarmd
en eerlijk uit, bovendien sprak er zooveel oprechtheid uit zijn oogen,
dat ik zeer ingenomen met hem was.
--Hebt gij bloedverwanten?--vroeg ik hem.
--Geen enkele. Mijn vrouw en kinderen zijn, twee jaar geleden, aan
de pokken gestorven. Nu ben ik alleen.
--Hoe heet gij?
--Men noemt mij: de reizende kleermaker, maar mijn eigen naam is Afrit.
--Kunt gij mij ook zeggen, waar gij eigenlijk thuis hoort?
--Waarom niet? Ik moet toch weten, waar ik geboren ben? Ik stam af
uit het kleine berg-dorp Weicza in de Schar Dagh.
Ah, dat was de plaats, die door den stervenden gevangenbewaarder
genoemd was, als in de buurt liggende van de gezochte
Karanorman-Khan. De ontmoeting met dezen armen man kon van groot nut
voor ons zijn.
--Zijt gij daar bekend?--vroeg ik.
--Zeer goed; ik kom er dikwijls.
--Wanneer gaat gij er weer heen?
--Ik ga er juist nu naar toe. Over Uskub en Kakandelen reis ik er heen.
--Om iemand een bezoek te brengen?
--Neen. Daar woont een wonderdokter die mij moet helpen, want ik heb
iets, daar hij mij moet afhelpen.
--Wilt gij niet liever een wetenschappelijk man raadplegen?
--Dat heb ik gedaan, maar het heeft niet geholpen. Bij den wonderdokter
heb ik al veel baat gevonden.
--Wat hebt gij dan?
--Men zegt dat ik aan steenen in de lever lijd.
Hij zag er ook heelemaal naar uit, alsof hij aan innerlijke pijnen
leed. Ik had werkelijk medelijden met hem.
--Wanneer denkt gij verder te rijden?
--Morgen vroeg.
--Rijdt gij dan ineens door naar Uskub?
--Neen. Dat is te ver, om het in één dag te doen.
--Is er dan onderweg een goede herberg?
--Wel meer dan een.
--Zullen wij samen reizen?
--Ik met u reizen! Maar dat gaat toch niet! Met zulke Heeren als gij,
kan ik toch niet spreken.
--Waarom niet? Gij doet het nu wel, en gij bevalt mij goed. Wanneer
gij er niet op tegen hebt, dan reizen wij samen, gij kent den weg
beter dan ik, en voor uw wegwijzing betaal ik u als mijn gids.
--Heer, spreek niet zoo tegen mij! Ik ben maar een arme kleermaker,
voor wien het een bijzondere eer is met u mee te mogen rijden. Ook
is het veiliger niet alleen op weg te zijn. Wanneer gij het dan wilt,
zal ik mij bij u aansluiten.
Daarmee was de zaak afgedaan, en hij ging weer op zijn plaats
zitten. Een poos later wenschte hij ons wel-te-rusten, en verwijderde
zich om te gaan slapen. Osko, Omar en Halef, zij ook waren van oordeel,
dat wij met een eerlijken man te doen hadden, wat de waard ons ook
nogmaals verzekerde.
Langzamerhand liep de binnenplaats leeg en werd ook het voorvertrek
ontruimd. Ook voor ons werd het tijd om te gaan slapen. De waard maakte
voor mij de sofa in orde, maar de anderen moesten een plekje opzoeken
bij de paarden, die ik allerminst hier zonder toezicht wilde laten.
Toen ik alleen was, sloot ik van binnen de deur af. De vensters waren
ook sekuur gesloten, en daar ik mij op mijn scherp gehoor kon verlaten,
sliep ik onbezorgd in.
TIENDE HOOFDSTUK.
DE MIRIDIET.
Ik werd den volgenden morgen eerst wakker toen Halef op de deur
tikte. Op het gevoel ging ik langs den muur om de deur te vinden
en die te openen. Het volle daglicht stroomde naar binnen. Ik had
mij verslapen; in huis had men alles vermeden wat mij zou hebben
kunnen storen.
De kleermaker moest met ons ontbijten; daarna betaalde ik onze
vertering en maakten wij ons tot de afreis gereed.
De waard was enkele oogenblikken afwezig geweest en hield nu
een opgewonden redevoering tot afscheid. Hij besloot die met de
waarschuwing:
--Heer, wij scheiden als goede vrienden, ofschoon gij mij heel wat
zorgen op den hals hebt gehaald. Alles is gelukkig goed afgeloopen,
en daarom wil ik u nog voor iets waarschuwen. Ik was zoo even aan
de overzijde bij den slager, bij wien ik als buurman een bezoek van
rouwbeklag brengen moest. De broeder van den gedoode kreeg ik niet
te zien. Men beweerde, hij was weggereden. Maar op de binnenplaats
zag ik het beste paard van den slager, gezadeld en opgetuigd. Het is
op u gemunt.
--Misschien wil hij het een of ander gaan inkoopen.
--Geloof dat maar niet. Wanneer iemand zoo gewond is als mijn knecht
mij van hem vertelde, dan kan alleen de bloedwraak hem doen besluiten
om den weg op te gaan. Pas dus goed op uw tellen!
--Hoe ziet zijn paard er uit?
--Het is een bruin met een lange, breede bles. Beter paard is er in
den heelen omtrek niet. Als het 's mans bedoeling is, u te vervolgen,
dan komt hij niet terug voor hij u gedood heeft. Want volgens de wet
der bloedwraak is hij eerloos als hij u laat ontkomen.
--Wij zullen zien. Intusschen, dank voor uw waarschuwing. Vaarwel!
--Vaarwel, en schrik niet als gij de poort hier uitrijdt.
--Wat zou mij doen schrikken?
--Dat zult gij wel zien en hooren ook.
Wij zetten ons in beweging om weg te rijden. Eerst nu werd de poort
opengedaan. Ik reed voorop. Toen ik mij onder de poortdeur bevond en
de kop van mijn paard zichtbaar werd, hoorde ik een knetterenden slag,
alsof de bliksem insloeg, en volgde daarop een ontzettend geraas.
Mijn hengst vloog omhoog en sloeg met alle vier de pooten om zich
heen. Ik had heel wat moeite om hem te doen bedaren.
En wat was nu dat heidensch lawaai? Een mooie vereerende fanfare had
men ons willen brengen. Buiten stond het legercorps van gisteren avond,
met volle muziek. Van de bazuin was het eerste knaleffect uitgegaan,
en nu donderde en bulderde zij verder met de andere instrumenten
mee. Eindelijk gaf de bazuinblazer, door een krachtigen zwaai met
zijn instrument, een teeken en--alles was stil.
--Effendi,--zoo sprak de bazuinist mij aan; nademaal gij ons gisteren
avond zoo groote eer bewezen hebt, willen wij op heden gelijk met
gelijk vergelden en u uitgeleide doen tot aan de grens van ons dorp. Ik
wil hopen dat gij ons dit zult toestaan.
En zonder antwoord af te wachten zette zich de stoet met volle muziek,
in beweging. Buiten het dorp hield Halef een toespraak, waarin hij
de Heeren bedankte, die daarna huiswaarts keerden. Wij reden in de
richting van Warzy, vanwaar wij gisteren waren gekomen. Daar week
onze weg af, van die wij gisteren waren gegaan, omdat wij van daar
uit naar Jerzely moesten rijden.
Toen wij aan gene zijde waren van de brug over de Sletowska, zei ik
tot Halef:
--Rijdt stapvoets door, ik heb iets vergeten. Ik moet nog even terug,
maar ik kom u spoedig achterop.
Zij reden door. Ik was volstrekt niet van plan, om naar het dorp
terug te gaan; ik had een gansch andere bedoeling, waarvan ik den
kleermaker niets wilde laten merken. Ik kende hem nog te weinig om
hem te vertrouwen.
De broeder van den slager zon op wraak, dat was zeker. Hij had
zijn paard laten zadelen om ons terstond te kunnen volgen. Was dat
werkelijk zijn bedoeling, dan zou hij ons op den voet volgen. Ik had
dus niet lang te wachten om te zien of wij iets van hem te vreezen
hadden. Over deze brug moest hij in allen geval komen.
Ik dreef mijn paard tusschen het struikhout, dat zich aan den
oever bevond en mij volkomen dekte, wanneer ik mij maar een weinig
vooroverboog. Daar bleef ik op wacht.
Wat ik vermoed had, gebeurde. Nauwlijks vijf minuten later kwam hij in
draf mij voorbij en de brug over. Hij reed op den bruin met de bles,
had een geweer aan zijn zadel hangen en een heidukkenbijl op zijde. Een
pleister, van onder zijn fez over voorhoofd, neus en wang loopende,
mismaakte zijn gezicht,
Hij volgde de richting naar Warzy niet, maar reed langs de Sletowska,
tot waar deze zich met de Bregalnitza vereenigt, hij ging nog een
eind verder en wendde zich daarna naar de steile hellingen, die het
plateau van Jersely dragen.
Voorzichtig volgde ik hem, met mijn verrekijker in de hand. Mijn
hengst liep zoo gelijkmatig en bedaard, dat ik mijn man, hoe ver ook
van mij af, steeds in het oog hield.
Hij volgde nu den weg, die van Karanorman naar Warzy gaat. Daarna
volgde ik hem over een vlakke weide, die met allerlei boschjes,
als met eilandjes, begroeid was.
Hier kon ik hem niet aldoor in het oog houden, omdat die boschjes
telkens tusschen hem en mij inkwamen. Ik moest zijn spoor volgen,
maar dat was duidelijk genoeg.
Links liep de helling steil naar omlaag. Het spoor wees in die
richting. De grasvlakte ging hier in steengrond over, waarop echter
ook veel struikgewas. Hier was het spoor niet zoo gemakkelijk te
onderkennen, toch kon ik het volgen. Ik was zoo dicht mogelijk langs
de steenachtige helling gegaan.
Op eens--ik trok mijn hengst terstond achterwaarts--hoorde ik dicht
voor mij het snuiven van een paard. Juist had ik om een boschje heen
willen wenden. Voorzichtig keek ik uit en zag den bruin, aan een
struik vastgebonden. Er zat niemand op.
Mijn hengst een pas verder brengende, zag ik den Miridiet, die al
zoekende en rondziende, achter een boschje verdween.
Wien of wat zocht hij? Dat had ik zoo graag willen weten; maar ik kon
hem niet bespieden noch beluisteren, want ik mocht te paard hem niet
volgen, daar hij mij dan zeker zou opgemerkt hebben, en te voet ging
ook niet, omdat ik niet loopen kon.
Maar een ding kon ik, als me een oogenblik tijd werd gelaten:
--zijn geweer voor mij onschadelijk maken. Het hing aan zijn
zadelknop. Tijd om den kogel af te draaien had ik niet; maar er was
nog een andere en betere manier om het te laten ketsen. En snapte hij
mij bij die bezigheid, welnu, dan was ik best tegen hem opgewassen,
indien hij hier ten minste geen kameraden was komen zoeken.
Ik liet mij dus uit den zadel glijden en nam mijn geweer in de hand,
om er op te leunen bij het gaan, en ook om in geval van nood een
veilig wapen bij de hand te hebben. Die enkele voetstappen tot waar
de bruin stond, kon ik wel loopen. Toen ik bij hem was, nam ik zijn
geweer, haalde den haan over, en trok de percussie er af. Dit gedaan,
nam ik een speld uit mijn vest--waarin ik er altijd eenige heb--en
stak die zoo diep mogelijk in het zundgat. Door heen en weer wrikken
bleef die er vast in zitten en brak bij de punt af. Het gaatje was
volkomen gedicht en het geweer zoo onbruikbaar als een vernageld
kanon. Ik zette de percussie er weer op en bracht den haan weer in
gesloten toestand. Nadat ik het geweer aan den zadel gehangen had
zooals het geweest was, hinkte ik naar mijn hengst terug en steeg op.
Nu was ik toch al dicht bij hem. Ik ging een boschje verder van
hem af en bleef daar wachten. Na eenige oogenblikken hoorde ik
paardengetrappel en naderende stemmen.
--Wij hebben ons al langer opgehouden dan ons lief is,--hoorde ik
zeggen en ik meende de stem van Barud el Amasat te herkennen. Wij
hebben geen lust om den heelen dag achter hem aan te sluipen, maar
rijden vooruit en wachten u. Dan rusten wij uit, tot gij komt.
--Die honden zijn eerst laat op weg gegaan,--hoorde ik zeggen
door iemand, wiens stem ik niet kende en die dus de Miridiet moest
zijn. Ook mij is de tijd lang gevallen. Maar ik zal er nu gauw een
eind aan maken.
--Pas goed op, dat het niet weer mislukt, zooals gisteren avond.
--Dat was heel wat anders, vandaag ontsnapt hij ons niet. Ik heb mijn
geweer met gehakt lood geladen.
--Neem u in acht. Hij is kogelvrij.
--Gehakt lood is wat anders dan kogels.
--Inderdaad, daar kondt ge gelijk in hebben. Daar hadden wij eerder
om moeten denken.
--Kom, onzin; kogelvrij bestaat niet!
--Oho!--hoorde ik Manach el Barscha zeggen. Ik had gisteren avond
zorgvuldig geladen en tot bij het venster sluipende, had ik mijn
geweer op de vensterbank laten rusten. Toen nam ik hem op den korrel,
zoodat ik hem tusschen de oogen moest treffen, en toen ik losbrandde,
volgde er een hevige knal, waarbij mijn geweer achteruit sloeg en ik
er bij. Dat mijn schot hem niet deerde, hebt gij zelf gezien.
--Ja, ik stond bij de huisdeur. Vreemd is het zeker. Ik kon u bij het
lamplicht zien, dat in de kamer brandde. Ook zag ik dien verdoemeling,
namelijk zijn halven kop. Ik zag u aanleggen, den loop op zijn
voorhoofd gericht. Uw schot knalde en spoot vuur, al sof gij er een
heel pond kruit op geladen hadt. En terwijl gij achterover sloeg,
bleef hij rechtop staan, ongedeerd. Begrijpen doe ik het nog niet.
--Ik wel, hij is kogelvrij.
--Goed, daarom wil ik het met gehakt lood probeeren, en helpt dat niet,
dan neem ik mijn heidukkenbijl. Dat wapen hanteer ik als de beste;
en die Frank heeft nog nooit zoo'n wapen in zijn handen gehad. Ik
wil hem niet van achteren overvallen.
--Waag niet te veel.
--Bah! Voor hij tijd heeft zich te verweren, is hij er geweest!
--Maar zijn makkers!
--Om die geef ik niets!
--Die vliegen terstond op u aan.
--Daar zal ik ze geen tijd toe laten. Op mijn bruin haalt niemand mij
in. Ook zal ik voor den aanval een struikgewas kiezen, waarachter ik
terstond verdwijn.
--Vergeet ge dat zijn hengst oneindig vlugger loopt dan uw bruin?
--Wat geef ik om zijn hengst, als ik hem heb gedood!
--Neen, maar een ander springt er op en haalt u in, misschien wel
die kleine duivel, die vlug en flink is als zijn meester.
--Niets liever dan dat. Dan zou ik hem dien slag van gisteren avond
betaald kunnen zetten.
--Nu, veel geluk! Gij hebt uw broeder te wreken en hebt dus het recht
op uw zijde, waaraan Allah zeker de overwinning geeft. Gelukt het u
echter niet, welnu, kom ons dan achterna. Gij weet waar ons te vinden,
en heden avond overleggen wij, hoe dien kerel toch zijn portie te
geven. Nu scheiden wij, daar wij weten dat zij op weg zijn en naar
Uskub gaan.
--Gij gaat dus inderdaad niet denzelfden weg als zij?
--Neen, want wij rijden over Engely, en zij over Jerzely. Wij zijn
er dus eerder dan zij.
--Welnu, dan kan ik toch nog eenigen tijd bij u blijven. Wanneer ik dus
vandaag niet kom, dan is het gelukt, en gij krijgt ook dezen Effendi
niet meer te zien, want hij ligt hier of daar te verrotten. Voorwaarts!
Weer hoorde ik paardengetrappel, maar nu verwijderde het zich.
Nu liet ik ook mijn hengst voorzichtig uit het struikhout komen en zag
de geheele bende wegrijden.... de beide Aladschy's op hun sjekken,
den Miridiet op zijn bruin, ook Manach el Barscha, Barud el Amasat
en den ouden Mubarek, die zeer wankel in den zadel zat met zijn arm
in een hangband.
Indien ze geweten handen dat ik mij op hoogstens tien meter distantie
van hen bevond! Dat zou me een scène gegeven hebben! Als mijn hengst
maar even snoof, was ik verraden. Maar het verstandige dier wist, wat
het beduidde als ik hem maar even de hand op zijn neusgaten lei. Dan
hield hij zijn adem als het ware in.
Nu kon ik mijn kameraden gemakkelijk inhalen, die reeds lang Warzy
moesten bereikt hebben. Ik ging rechtsaf, zoodat ik die plaats in
het geheel niet aandeed.
Ik kende den omtrek in 't geheel niet, en er was van Warzy naar Jerzely
geen goed begaanbare weg. Dat had ik van den kleermaker gehoord. Maar
ik vond toch het spoor van de mijnen, ongeveer drie kilometer van het
eerste dorp verwijderd, en ik volgde dat. Het leidde mij door een
woest, rotsachtig, kloofachtig dal naar een hooger liggend bosch,
in welks weeken bodem ik hun spoor zeer duidelijk kon zien, zoodat
ik minder scherp behoefde op te letten en dus sneller kon rijden. Al
spoedig had ik hen dan ook ingehaald.
--Sihdi, ik wilde juist vragen, dat men op u zou wachten,--zeide
Halef. Wat hadt u vergeten?
Voor ik antwoordde wierp ik een onderzoekenden blik op den
kleermaker. Hij scheen volstrekt niet nieuwsgierig naar mijn antwoord.
--Ik wilde zien wat de Miridiet, de broeder van den slager voorhad. Gij
hebt onzen waard toch hooren zeggen dat ze allebei Miridieten zijn.
--Wat gaat ons die Miridiet aan?
--Heel veel. Hij wil mij onderweg met gehakt lood doodschieten of
met zijn heidukkenbijl treffen.
--Weet u dat?
--Hij heeft het gezegd tegen onze vrienden, die ons hebben willen
laten doodhongeren.
Ik vertelde nu wat er gebeurd was, maar zei niet, dat ik het geweer
had vernageld. Ik hield intusschen het oog aldoor op den kleermaker
gevestigd. Hij trok een oprecht verwonderd gezicht, en zeide ten leste:
--Effendi, wat zijn dat voor mannen? Zijn er dan waarlijk zulke
goddelooze menschen?
--Zooals gij hoort.
--O Allah! Dat had ik nooit gedacht. Wat hebt gij hen dan gedaan?
--Dat zult gij bij gelegenheid wel hooren, wanneer gij verder met ons
mede gaat, want wij blijven niet te Uskub. Wij gaan die stad slechts
door, en rijden dan, zoo spoedig mogelijk, verder naar Kakandelen
en Prisrendi.
--Dus naar de plaats waar ik thuis hoor? Daar ben ik blij om. Wat u
gisteren overkomen is, heb ik van de bedienden gehoord. En nu hebt
gij vandaag weer in doodsgevaar verkeerd! Zoo iets zou een mensch
toch bang en angstig maken.
--Als gij liever met ons niet mede gaat, zeg het dan vrij uit.
--Daar denk ik niet aan. Misschien ligt het alleen aan mij, wanneer
gij alle gevaar ontkomt. Ik voer u langs een weg waar die Miridiet u
zeer zeker niet vindt. Ik breng u door weideplaatsen en open vlakten op
het gebergte. Dan dalen wij af naar de beroemde en vruchtbare vallei
van Mustafa, die zich van Uskub, zuid-oostelijk, tot voorbij Kröpili
uitstrekt en waarin de nieuwe spoorweg aangelegd wordt. Daar trekken
wij door open vlak land. En wanneer gij het goedvindt, dan blijf ik
nog voorbij Uskub ook uw gids.
--Dat is heel vriendelijk van u. Het lijkt mij, dat ge al veel
rondgezworven hebt.
--Alleen in deze streken, maar die ken ik dan ook goed.
--Wij zijn hier vreemd, maar hebben toch nu en dan over een man hooren
spreken, dien men den 'Shoet' noemde. Wie is dat toch?--vroeg ik zoo
onverschillig mogelijk.
De dwerg trok de wenkbrauwen hoog op en antwoordde:
--Hij is een berucht roover.--Hij keek schuw rond en vervolgde: Het is
beter over hem niet te spreken. Hij heeft overal zijn spionnen. Achter
iederen boom kan er een staan.
--Is zijn aanhang dan zoo groot?
--Hij heeft zijn aanhangers overal, in ieder dorp, in iedere stad. De
Raadsheeren van den Grooten Heer en de vroomste Iman zijn misschien
lid van zijn bende.
--Kunnen ze dan geen vat op hem krijgen?
--Neen. De wet vermag in deze niets. Ik ben geen leeraar van den
Koran, noch van de Sunnan en haar uitlegging, maar ik heb wel eens
hooren zeggen, dat onze wetten zoo duister en dubbelzinnig zijn,
dat ze gehandhaafd wordende, meer kwaad dan goed doen. De rechters
kunnen de wet op allerlei manieren uitleggen.
--Dat is, helaas, maar al te waar!
--Hoe moet het dan daar zijn, waar men de wet niet handhaven kan,
waar niemand zich om haar behoeft te bekommeren, zooals hier bij
ons? Denk eens aan de Albaneezen, de Arnauten, Skipetaren, Miridieten
en al die natiën en stammen, die allemaal hun eigen wetten, gebruiken
en rechten hebben. Dat is het terrein waar de Shoet op zijn plaats
is. Hij lacht om den Grooten Heer en zijn ambtenaren. Hij spot met
de gerechtshoven, de politie en de soldaten. Niet een hunner kan
hem ook maar het minste doen. Hier leeft ieder dorp in vijandschap
met de omliggende. Iedere plaats heeft met een andere, een diefstal,
een rooverij of ook wel een bloedwraak te vereffenen. Dat geeft een
eindeloozen strijd, waarin natuurlijk de sterkste en slechtste de
overhand houdt. Effendi, ik ben maar een arme man en wil niet nog
ellendiger worden dan ik al ben, daarom wil ik niets gezegd hebben.
--Denkt gij dat ik uw woorden zal overbrieven?
--Neen, daarvoor zijt gij een te nobel mensch. Maar de boomen hebben
ooren, en de wind voert alles mee.
--Zulke toestanden kunnen dan ook slechts in deze streken bestaan.
--Maar zijn er dan in andere landen ook geen rooverbenden en dieven?
--Soms wel, maar die houden het niet lang uit, hoogstens enkele
weken. Zij die geroepen zijn om de wetten te handhaven, maken daar
spoedig een eind aan.
--Nu ik wil gelooven dat rechters daar veel macht hebben, maar tegen
list is macht niet bestand.
--Maar dan stellen wij list tegenover list. Bij ons is geen misdadiger
zoo slim, of de politie is nog slimmer. Als een van onze mannen hier
kwam, hij zou den Shoet gauw genoeg opgespoord hebben.
--Bah! De Shoet zou dien man eerder kennen dan deze hem. En wat zou
er dan gebeuren?
Het was mij alsof de kleermaker iets meer bedoelde dan een eenvoudige
vraag, er klonk minachting in zijn stem. Of verbeeldde ik mij dat maar?
--Wel, dan zou die geheime politie-man er misschien het leven bij
inschieten,--antwoordde ik,--maar anderen kwamen hem vervangen.
--Die anderen zouden verdwijnen evenals hij. Zooals de toestanden
hier zijn is de Shoet niet te vinden of te vangen. Het verstandigste
is dat men in 't geheel niet over hem spreekt en daarom willen wij
ook verder over hem zwijgen. Hoe arm ik ook ben, toch bekruipt mij de
angst als ik maar aan hem denk. Ik verdien mijn brood, wel met groote
moeite, maar toch heb ik iets overgespaard om den wonderdoenden man
te betalen, die mij moet genezen. Als die roovers mij overvielen,
mij mijn spaarpenningen afnamen, dan zou ik niet eens medicijn kunnen
koopen voor mijn genezing.
--Is die wonderman beroemd?
--Wijd en zijd.
--Dan moet het dorpje, waar gij van daan zijt, ook goed bekend zijn?
--Zeker, iedereen kent het.
--Nu, ik heb ook wel van Weicza gehoord. Toen vertelde men mij ook
van een beroemden man, die daar in de buurt moet zijn.
--Een Khan..., hoe noemde men die?
--Dat herinner ik mij niet. Ik meen, het woordje 'Kara' was er bij.
Hij zag mij scherp aan, en een oogenblik vergetende, dat hij zich
daardoor verried, schoot er een blik, als een bliksemstraal, uit
zijn oogen. Maar het volgende oogenblik was hij weer de zachtmoedige
kleermaker, waarvoor hij zich uitgegeven had, en zei weifelend:
--Kara, kara, hm? Ik kan er niet op komen wat dat kan zijn.
--Als gij het geheele woord wist, kon ik u misschien helpen.
--Misschien schiet de naam mij nog te binnen. Kara.. Kara...--Halef
gij hebt den naam ook gehoord, weet gij hem nog?
--Karanorman?--antwoordde de Hadschi, die mijn bedoeling heel goed
begreep.
--Ja, juist, dat was 'ie, Karanorman-Khan? Kent gij dien, Afrit?
Hij deed alsof hij zich moest bedenken, voor hij antwoordde:
--Ja, nu weet ik, wat gij meent. Maar het is niet een groote Khan,
een ruïne slechts. Er woont niemand. Eeuwen geleden was het een groote
Karawanserai. Daarna werd het een soort kazerne, een wachttoren voor
de grenswacht, en nu is 't een bouwval, meer niet. Wat heeft men
ervan gezegd?
--Dat de Shoet zelf daar zijn hoofdkwartier heeft.
Er ging een trilling over zijn gelaat, alsof hij een plotselinge
geweldige aandrift moest onderdrukken. De man wist wat zelfbeheersching
was, want in minder dan geen tijd toonde hij weer het kalme en rustige
gezicht van daareven en antwoordde:
--Ik geloof dat men u wat heeft wijs willen maken.
--Inderdaad?
--Ja, want ik ken die plek heel nauwkeurig. Ik ben op alle uren van
den dag, ook bij nacht, daar geweest, en heb nooit iets gezien, wat
tot dat praatje aanleiding kon geven. Ook in den omtrek zelf weet
men daar niets van. Ik verzeker u dat men juist daar het minst over
den Shoet spreekt.
--Hij zal wel oppassen, juist daar, waar hij woont, de bevolking niet
tegen zich in te nemen.
--Dat kon wel zijn. Ik zie, Heer, dat gij uitgeslapen genoeg zijt
en de dingen gemakkelijk doorziet. Maar dat kan gevaarlijk voor u
worden. Weet gij wel dat ik u sterk verdenk, naar den Shoet te zoeken?
--Neen, maar hoe komt gij op die gedachte?
--Uw heele manier van doen brengt mij op die gedachte.
--Hoor eens, ik begin te begrijpen, dat het u aan scherpzinnigheid
niet ontbreekt. En.... dat kan voor u gevaarlijk worden.
--Gij steekt er den draak mee. Ik ben een arme kleermaker, maar gij
hebt, naar ik hoor, reeds lang de aanhangers van den Shoet vervolgd
en vervolgt ze nog altijd. Ik moet u wel voor een politieman houden,
en wel voor zoo'n sluwe, als waarvan gij gesproken hebt.
--Dat ben ik toch niet.
--Het schijnt toch van wel. Misschien zoekt gij den Shoet in
Karanorman-Kahn. Maar daar komt gij nooit.
--Waarom niet?
--Omdat gij voor dien tijd vermoord wordt. De Shoet weet reeds precies
wat gij voorhebt. Gij zijt ten doode opgeschreven.
--Dat wacht ik bedaard af.
--Als gij dengene afwacht, die u moet dooden, is het te laat.
--Welnu, ik herhaal, dat ik geen ambtenaar en geen politie-man ben. De
Shoet en zijn mannen kunnen mij gerust mijn gang laten gaan.
--Bemoei u dan ook niet met wat zij doen.