zij evenveel houdt als ik. O, wat zal ik haar van ons te vertellen
hebben! Er zullen niet veel Beni Arab (zonen van Arabië) zijn, die
zulke reizen hebben gemaakt als wij! En dan, als ik... Hoor!
Wij hoorden van verre een geluid als van scherp zingende muggen. De
tonen werden aldoor luider, en weldra herkenden wij de krijgsmarsch
van ons strijdlustige leger, dat nu terugkwam.
--Zij komen!--riep de waard, nu eerst uit zijn lethargie ontwakende
en van zijn stoel opstaande. Zij brengen de gevangenen,--die in het
dorp waren om op mij te schieten, terwijl de dappere inwoners uit
wandelen waren,--antwoordde ik hem.
--Heer, hier is er toch maar één geweest! De andere drie zijn zeker
gevangen.
--Dan geef ik duizend piasters voor ieder van hen!
--Wie kan weten, of zij niet geslaagd zijn! Ik, het hoofd der politie,
moet hen ontvangen.
Hij ging, zeker om de landstormers te waarschuwen, mij wat voor
te liegen. Hij liet de deuren open, zoodat wij den intocht van het
roemrijke leger konden zien.
Voorop kwam de Muschir, zijn sikkelstok hanteerende, als een echte
tamboer-majoor. Hem volgden de muzikanten, als om strijd musiceerende,
doch niet naar noten en niet in harmonie en in de maat, maar ieder
naar zijn eigen zin.
Na dezen kwamen de helden, ieder in een houding, alsof hij een Roland
of Byard in moed en kracht overtroffen had. Vier hunner droegen
berries, uit jonge stammen en loofhout gemaakt, waarop de beide
dooden--de slager en de voormalige gevangenbewaarder.
In het voorvertrek werd halt gehouden. De muziek liet een zeer gemengde
fanfare hooren, waarna een diepe stilte volgde.
De geur van de bradende hamels drong in de kamer door. De
veldmaarschalk sperde zijn neusgaten wijd open, snoof de heerlijke
lucht welbehaaglijk op en trad in fiere houding op ons toe.
--Effendi,--zeide hij,--de veldtocht is ten einde. De beide Aladschy's
zijn alleen door mij geveld. Mij komen dus twee huiden toe.
--Waar zijn hun lijken?
--In de rivier geworpen.
--En waar zijn de beide andere boosdoeners?
--Ook in de Sletowska. Wij hebben ze als honden verdronken.
--En wie heeft ze gepakt?
--Dat kan men niet met zekerheid zeggen. Wij zullen dus om de andere
moeten loten.
--Vreemd, dat gij hen verdronken hebt, zoodat men hun lijken niet
kan vinden.
--Het is de kortste manier met zulke schurken.
--Ja, en het heeft nog dit voor, dat men den veldmaarschalk niet
gemakkelijk kan bewijzen dat hij liegt.
--Heer, beleedig mij niet!
--Sedert wanneer kunnen dan de dooden hier in het dorp komen, om hier
door het raam op mijn hoofd te mikken en te schieten?
Hij werd bleek van schrik.
--Heer, wat bedoelt gij?
--Dat de vier mannen, tegen wie gij opgetrokken zijt, intusschen hier
op mij hebben geschoten.
--Dat moeten dan hun schimmen geweest zijn!
--Een schim zijt gij zelf. Gelooft gij aan geesten, die spoken?
--Zeker, Heer.
--Goed, dan zal ik de gebraden hamels oproepen om hier, waar ze dood
gemaakt zijn, te komen spoken. Die spokende geesten moogt gij dan met
uw dapper leger opeten, maar van hun vleesch en been, blijft gij af.
--Effendi, gij hebt ze ons beloofd! Wij houden u bij uw woord!
--Ik beloofde ze u, onder voorwaarden, die gij niet hebt
vervuld. Wanneer gij mij voor een man houdt, tegen wien men zoo brutaal
mag liegen als gij doet, dan laat ik u een duchtig pak zweepslagen
geven. Ik heb er de macht toe; vraag het maar aan den Kiaja. Hij zal
u zeggen, dat de Sultan zelf mij die macht heeft gegeven.
Ik had op hoogen toon en goed duidelijk gesproken, zoodat allen die in
het voorvertrek en buiten de deur stonden, het hoorden. De gezichten
betrokken. Mijn ernst maakte zichtbaren indruk. Zij staken, bezorgd
over het verbeuren der smullerij, de hoofden bij elkaar. De politieman
stond als een arme zondaar te kijken. De Kiaja, die dicht bij mij was,
meende dat hij het voor zijn onderhoorigen moest opnemen, maar zonder
te erkennen dat ik bedrogen en belogen was. Hij zeide alzoo:
--Effendi, wat gij denkt, is absoluut onwaar! Er is u niets
voorgelogen. Hoe zouden wij zoo iets durven!
--Ja, hoe hebt gij het durven wagen, te doen wat gij gedaan hebt! Mij
bedriegen en beliegen, en voor den gek houden! Gij weet, dat ik
onder de hooge bescherming sta van den Grooten Heer en diens eerste
raadslieden. Wat is een Kiaja, wat een politieman tegenover mij! En
ik ben uit een land, waar de knapen verstandiger en geleerder zijn
dan de mannen van hier die gij voor verstandig en wijs houdt. Toch
hebt gij gemeend, mij te kunnen bedriegen. Alleen omdat gij zoo
dom zijt, hebt gij dat kunnen denken. Zelfs de kinderen, die op de
binnenplaats bij de vrouwen zijn, weten dat ik bedrogen werd, en wij,
die de voorlichters van alle wetenschap en kennis zijn, wij zouden
dommer zijn dan zij? Zoo iets kan en mag ik niet dulden. Ik wilde
uw onderhoorigen Arpa suju, Raki en vier gebraden hamels geven,
en tot dank speldt gij mij zulke leugens op de mouw! De Arpa en de
Raki blijven in uw kelder tot een ander ze bestelt. De hamels neem
ik morgen mee, om ze aan betere menschen te geven.
Deze laatste bedreiging had de gewenschte uitwerking. De waard ging
verlegen achteruit. De maarschalk snoof den binnenstroomenden geur
van het gebraad op, kneep zijn lippen samen, wreef schurkend zijn
been. De bazuinblazer echter wist den toestand te redden. Hij kwam
zelfbewust en flink naar ons toe, stelde zich voor mij op en zeide:
--Effendi, de hamels willen wij liever niet verbeuren. Ook zou het uw
geweten met medelijden bezwaren, indien gij ze ons onthieldt. Ik wil
u ontlasten van heimelijk zelfverwijt, door u de waarheid te zeggen.
--Ik zie, dat er toch ook nog eerlijke mannen hier zijn,--zeide ik,
goedkeurend hem toeknikkend.
--O, eerlijk zijn wij allemaal; maar wij kunnen wel tegelijk spelen,
maar niet spreken. Dat doe ik nu voor ons allen, omdat ik gewoon ben
om de maat aan te geven met mijn Zurna, die alle andere instrumenten
overstemt. Neen, wij hebben niet gestreden, maar wij zijn naar de
rotshut gegaan, om de dooden te halen. Het water van de Sletowka
heeft geen lijken gezien. Als gij het wilt, zal ik u zeggen, hoe
alles gegaan is.
--Spreek op.
--Ik was thuis, bezig met mijn Zurna te repareeren van een diepe deuk,
omdat ik er gisteren iemand, die mij beleedigde, mee voor den grond
had geslagen, en toen kwam deze politie-agent, die mijn zwager is
omdat hij met de zuster van mijn vrouw is getrouwd. Hij vertelde mij
van u, van de Aladschy's en wat gij van den Kiaja had verlangd. Deze
had hem opgedragen, om in 't geheim naar het bosch te gaan en aan de
Aladschy's te zeggen, dat gij aan hen ontkomen waart en zij zich uit
de voeten moesten maken, omdat al gauw onze landstorm tegen hen zou
optrekken, om hen gevangen te nemen.
--Dat heb ik wel gedacht!
--De schutsman der openbare veiligheid wilde mij, omdat ik zijn vriend
en zwager ben, laten deelen in den roem, met de Aladschy's gesproken
te hebben; daarom vorderde hij, dat ik met hem zou meegaan.
--Zeg liever, dat hij bang was om alleen te gaan en dat hij u daarom
mee wilde hebben.
--Daarin vergist gij u. In zijn hart is, zoo min als in het mijne,
eenige vrees, voor wien of wat ook. Voor den sterksten vijand ga ik
niet uit den weg, want in mijn Zurna heb ik een wapen, waarmee ik al
menigeen duchtig toegetakeld heb. Wij braken dus op en gingen.
--Maar u gehaast om er te komen, hebt gij niet?
--Neen, want wij moesten overleggen, hoe wij het best ons van deze
netelige opdracht zouden kwijten, en wij verhieven van tijd tot tijd
onze stem, om aan de Aladschy's te zeggen, dat wij niet kwamen om
hen dood te schieten.
--Dat was zeker zeer voorzichtig van u, want anders hadden zij u
kunnen overvallen.
--O neen! Wij deden het, om ze niet al te veel te laten schrikken,
maar zij vergolden onze teergevoeligheid voor hen met ondank.
--Dat wil zeggen, zij lachten u brutaal weg uit!
--O neen, dat deden zij niet; maar hun ondankbaarheid is ook een reden,
om u alles te zeggen.
--Waarin bestond dan hun ondankbaarheid?
--In zweepslagen, die zij mijn lieven zwager rijkelijk toedeelden,
wat zij mij natuurlijk niet durfden doen.
--Oho!--viel de politie-agent zijn lieven zwager in de rede. Heeft
de eene Aladschy u niet een oorveeg gegeven, dat gij op den grond
zijt gaan zitten?
--Dat verbeeldt gij u maar, want het was te donker dan dat gij het
zoudt hebben kunnen zien. En ook vielen de slagen zoo hageldik op u,
dat gij geen tijd hadt om te zien. Uw woorden bewijzen dus niets.
--Twist niet met elkaar!--beval ik. Wat deden de Aladschy's ten leste?
--Zij vroegen, in wat moeielijkheid zich onze Kiaja bevond, en wij
vertelden, dat wij hen zouden moeten gevangen nemen en dan den ouden
Mubarek met de lijken uit de rotshut moesten halen. Zij hadden gemeend,
dat Mubarek dood was. Toen zij het tegendeel hoorden, waren zij in
hun schik, en besloten, gauw naar hem toe te gaan, opdat hij niet in
uw handen zou vallen. Mijn zwager kreeg nog een schop van--
--Neen, gij hebt dien gekregen!--viel de agent in.
--Zwijg! Of gij 'm gekregen hebt of ik, dat is hetzelfde, want wij
zijn nauw aan elkaar verwant. Zij gaven dus aan een van ons een schop
en retireerden toen in de plooien van het nachtgewaad dezer aarde.
--En toen zijt gij teruggekeerd om de helden saam te roepen?
--Ja. Wij hadden ons lang opgehouden, en opdat gij niets vermoeden
zoudt, hebben wij ons moeten haasten.
--En gij hebt daarbij tevens gezegd, dat men niet bevreesd behoefde
te zijn, want dat de vijanden in allen trots geweken waren?
--Ja, Heer.
--En dat het eenige gevaar voor hen bestond in de belofte, dat zij
Arpa suju zouden moeten drinken en hamels eten?
--Dat hebben wij hun in goed vertrouwen medegedeeld.
--En hebt gij op uw krijgstocht ook een spoor van de Aladschy's
ontdekt?
--Niet maar een spoor, maar hen zelf.
--Ah! waar dat? Aan het eind van het dorp?
--Aan het einde van het dorp. Daar waren zij te paard--twee links
en twee rechts van den weg--en Mubarek stond bij hen. Wij trokken
met Janitzaren-muziek tusschen hen door. Het is geen kleinigheid,
twee lijken uit een stik donker bosch te halen; zij liggen nu in
het voorvertrek.
Met een handbeweging wees hij naar de deur. Ik antwoordde:
--Alles wat gij mij verteld hebt, wist ik. Maar omdat gij de waarheid
hebt gezegd, wil ik u de smulpartij niet onthouden.
--En wie krijgt de huiden?
--Wie is de armste van het dorp?
--Chasna, de houthakker, die ginds met zijn bijl staat.
--Dan zal hij ze hebben. Breng nu de lijken weg en laat de Arpa
suju komen.
Dit woord werd met gejubel ontvangen. Er werden groote dikbuikige
bierpotten gebracht en gevuld. Daar de Turken vroeger het bier niet
kenden, hebben zij er ook geen bijzonder woord voor. Hij noemt het
met de Czechische uitdrukking Piwa of met het genoemde omschrijvende
woord. Arpa beteekent: gerst. Su: water. Ju: van water. Arpa suju:
gerstewater van water, wat nu niet precies verleidelijk klinkt.
Onderwijl nu iedereen een kleiner kom of glas zocht meester te worden,
om er alleen uit te drinken, riep ik den politie-agent ter zijde en
vroeg hem:
--Waarheen denkt gij het lijk van den slager te brengen?
--Naar zijn huis aan de overzij.
--De overbrenging geschiedt natuurlijk onder uw leiding?
--Niet maar onder mijn leiding, maar onder mijn opzicht, want ik ben
de opzichter der politie.
--Dan heb ik iets voor u te doen. Ik heb opgemerkt dat gij een
echte diplomaat zijt, die een zaak bij het rechte eind weet aan te
vatten. Luister dus eens goed! Ik stel er prijs op, dat gij den broeder
van den slager, bij de overbrenging van het lijk, te zien krijgt.
--Dat zal niet moeilijk zijn.
--Misschien toch wel. Hij kan reden hebben om zich niet te laten zien.
--O, ik ben de politie! Mij moet hij te woord staan.
--Neen, zoo moet gij het niet aanleggen! Niet barsch, maar verstandig
en slim moet gij optreden.
--Daarvoor ben ik de rechte man.
--Leg het zoo aan, dat hij, als uit eigen beweging te voorschijn
komt en gij hem in 't gezicht kunt zien. Ik geef u vijf piasters,
wanneer het u gelukt.
--Daar ben ik zoo zeker van, dat u ik verzoek mij de vijf piasters
nu al te geven.
--Neen, mijn waarde. Gij hebt mij reeds zooveel voorgelogen, dat ik
voortaan voorzichtig zijn moet. Geloof dus niet, dat gij mij kunt wijs
maken hem gezien te hebben, zonder dat het waar is. Ik weet terstond
of gij mij wat voorliegt.
--Heer, geen enkel onwaar woord zal over mijn lippen komen. Maar wat
wilt gij dan eigenlijk weten?
--Daarover spreken wij later! Gij moet hem goed aangezien hebben;
als gij dat gedaan hebt, is het voldoende.
--Maar bedenk, dat gij een groote opoffering van mij vergt. Onderwijl
ik mij verwijder, drinken de anderen al de lekkere Arpa suju op.
--Ik zal zorgen, dat gij uw deel rijkelijk krijgt.
Hij ging. Ik zag, dat hij twee mannen riep om het lijk van den slager
voor hem te dragen. Dat van den gevangenbewaarder werd voorloopig
ergens opgeborgen.
Alles was nu in orde. Sommigen zaten, met de beenen kruiselings, op
den grond, terwijl anderen, op onze manier, aan tafels zaten. De helden
hadden allerlei mogelijk en onmogelijk vaatwerk in de hand, om er uit
te drinken. Buiten op de plaats hurkten de vrouwen en kinderen rondom
het vuur. Ook deze hadden eenige kannen bier gekregen. De jongens
en meisjes waren bijzonder druk in de weer. met het opvangen van het
vet, dat van de bradende hamels in het vuur dreigde te vallen. De een
had voor dat doel een steen, een ander een stuk hout, waarop zij den
druppel lieten vallen, om dien dan terstond daarvan af te likken.
Alleraardigst deed dit een misschien achtjarige jongen. Hij ving de
druppels in zijn kleine fez op, en als hij meende er genoeg bijeen te
hebben, om echt te kunnen smullen, dan keerde hij de muts binnenste
buiten, en belikte de bedruppelde plek zoolang er nog iets van te
halen was. Was het vet, te veel naar zijn zin, in de roodwollen muts
gedrongen, of kleefde het er te vast aan, dan weerde hij zich dapper
met zijn tanden. Toen het braden afgeloopen was, liet ik den knaap bij
mij komen en bekeek zijn fez. De kleine had er verscheidene gaatjes
in gebeten, en was den koning te rijk, toen ik zijn volharding met
een piaster beloonde.
Een der vuren werd letterlijk belegerd door een kleine bende. Telkens
als de aandacht van de braadster ook maar een oogenblik afgeleid kon
worden, sprong een der saamgezworenen vooruit, om de een of andere
appetijtelijke plek van het gebraad een lik te geven en dan vlug weer
weg te loopen.
Dat was geen ongevaarlijk werk, omdat het vuur de kleeren van den
kleinen gauwdief in brand kon steken. Gelukkig was niet een van het
troepje in zijde met Brusselsche kanten gekleed. Was het waagstuk
aan iemand gelukt, dan werd de gelukkige door de saamgezworenen met
brulgejuich begroet. Kreeg de waaghals echter van een der vrouwen
een flinken klap of ook wel een duchtige oorvijg, wat bij negen van
de tien aanvallen gebeurde, dan werd hij geweldig uitgelachen. Maar
telkens als de aanval gelukt was of niet, volgde er een zeer teekenend
gebarenspel, naar aanleiding van de oorvijg of de gebrande tong.
Er was een mengeling van typische figuren, die een interessant geheel
uitmaakten. De gasten--zoowel oude als jonge--gingen ongedwongen en
in allen eenvoud hun gang. De ceremonieele vormen, die de Oosterling,
vooral tegenover vreemden, streng in acht neemt, waren door de Arpa
suju volkomen verdrongen. Langzamerhand werd men vertrouwelijk ook
met ons en waren wij door vroolijke gezellen omringd, die mij tot
kostelijke studie-opnamen dienden.
Toen de politie-agent van zijn diplomatische zending terug kwam,
berichtte hij:
--Heer, het is mij gelukt! Ik heb hem gezien; maar het heeft moeite
gekost. Gij zult mij wel tien piasters mogen geven in plaats van vijf.
--Waarom?
--Omdat ik mij tienmaal meer heb moeten inspannen. Toen ik naar hem
vroeg, kreeg ik ten antwoord, dat hij afwezig was. Maar ik was hem
te slim af, en liet zeggen, dat ik hem noodzakelijk moest spreken,
omdat ik hem een belangrijke mededeeling te doen had betrekkelijk
de laatste oogenblikken van zijn broeder. Toen liet hij mij komen,
want hij zat alleen, in een vertrek. Hem ziende schrikte ik geweldig,
want hij had een lange diepe wond, die over zijn voorhoofd, neus en
wang liep. Naast hem stond een kom water, om de wond af te koelen.
--Hebt gij hem gevraagd, hoe dat gekomen was?
--Zeker. De spijker, waar zijn bijl aan hing, had losgelaten en toen
was de bijl op zijn gezicht gevallen,--zoo zeide hij.
--En toen wilde hij zeker uw gewichtige mededeeling hooren?
--Ik zeide hem, dat zijn broeder nog niet dood was, toen ik hem opnam,
maar nog eenmaal had gezucht.
--Was dat alles?
--Was dat niet genoeg? Moest ik dan mijn teere geweten met een
nog grootere leugen bezwaren? Een enkel zuchtje zal ik voor den
gerichts-engel nog wel kunnen verantwoorden. Maar had ik gezegd dat
de doode nog eerst een lange redevoering had gehouden, dan zou ik
mijn ziel daarmee ernstig bezwaard hebben.
--Nu, wat dat betreft, ik had u niet opgedragen, om leugens te
vertellen. En tien piasters zijn voor een zuchtje te veel.
--Te veel voor u? Voor een man van zoo'n grooten invloed en
begaafdheid? Wanneer ik de voortreffelijkheid had van uw karakter,
de innigheid van uw gevoel, den rijkdom van uw hart en de sierlijkheid
van uw denken, zouden vijftig piasters mij niet te veel zijn!
--Vijftig piasters zijn ook niet te veel voor mijzelf.
--Ik bedoel niet voor uw eigen gebruik, maar om ze mij te geven, te
meer omdat de zaak niet zoo eenvoudig afgeloopen is, als ik wenschte.
--Hoe dan?
--Wel, hij werd boos, sprong op en vloekte afgrijselijk. Hij zei,
er voor te zullen zorgen, dat ik ook nog zuchten zou, en niet zoo
zacht als, volgens mij, zijn broer zou gedaan hebben. En wat er toen
gebeurde, kunt gij wel denken.
--Neen. Zoo duidelijk als gij, kan ik mij den toestand niet
voorstellen.
--Welnu, ik nam in ontvangst, wat men gewoonlijk een pak slaag noemt,
maar wat ik nu betitelen wil als gevolg mijner innige toewijding aan
uw belangen.
--Waren de slagen ter dege raak?
--Meer dan dat!
--Het is mij zeer aangenaam, dat te hooren!
--Maar ze te ontvangen, was mij het niet. Ik zal heel wat noodig hebben
voor mijn genezing, uitwendig een afwrijving met Raki, en inwendig
heel wat Arpa suju voor afkoeling, en hamelvleesch tot herstel van
verloren kracht en lenigheid.
--Ik vermoed, dat gij de Raki ook wel voor den innerlijken mensch
zult gebruiken. En wat uw lenigheid betreft, bewijs mij terstond
dat die niet geleden heeft, door u oogenblikkelijk uit de voeten te
maken. Hier zijn de tien piasters.
--Heer, uw woorden zijn beleedigend, maar uw daden zijn balsem. Al
de roerselen van mijn hart zijn eenstemmig in liefde voor uw persoon,
en mijn ingewanden rommelen van verrukking over uw goedertierenheid!
--Maak dat gij weg komt, gij groote held, of ik zal uw beenen zóó
smeren, dat gij er op springt!
Ik greep het handvat van mijn zweep, en terstond was de dappere
verdwenen.
Het nauwkeurig herhaalde onderzoek naar den toestand van de hamels
bewees dat ze gaar waren, en de verdeeling begon. Opdat er geen
twist zou ontstaan, liet ik Halef voorsnijden, een kunst, waarin
hij een meester was. Daarna werden de porties verloot. Wij kregen de
staartstukken; maar ik ontzegde mij het genot dier lekkere stukken,
omdat ze in mijn tegenwoordigheid het meest door de jeugd waren
belikt geworden.
Trouwens, onze waard had goed voor ons gezorgd. Wij konden ons
vergasten aan een overvloedig en smakelijk avondeten. Wat dat betreft,
konden wij over hem tevreden zijn.
Na de bijna spoorlooze verdwijning der vier vette hamels, nam de
krijgskapel plaats in een hoek van den binnenhof, en fungeerde als
orkest voor zang en dans.
Wat wij nu te hooren kregen, gaat alle beschrijving te boven Ik moet
mij bepalen tot de vermelding, dat er gedanst werd, bijna alleen door
de mannen; later verschenen er ook eenige vrouwen. De dans bestond òf
uit wilde onregelmatige sprongen òf in minder mooie verdraaiïngen van
het lichaam. Eén enkel paar, man en vrouw, vertoonde een vrij goede
pantomime, waarbij gitaar en viool alleen begeleidden.
Ter afwisseling van den dans, lieten zich de zangers hooren, meestal
in koor. De solostukken ademden een weemoedigen geest, maar er zat ten
minste melodie in, en bij de begeleiding ook sporen van harmonie. De
koorzangen waren meest krijgsliederen. Deze werden eenstemmig gezongen
of veel meer gebruld en door gegil onderbroken dat oorverscheurend
was. De begeleiding was als de zang. Bazuingeschal, de trommel en
fluit vervulden de hoofdrol.
Laat in den avond, omstreeks middernacht, zag ik een ruiter aankomen,
die hier overnachten wilde. Hij was klein van gestalte en steeg van een
oud mager en slecht verzorgd paard af, dat nu hard had moeten loopen.
Hij wisselde eenige woorden met onzen waard, en deze zeide mij,
dat ik morgen al een zeer goeden gids zou kunnen krijgen.
Ik dacht terstond aan den man, van wien de beide Aladschy's gesproken
hadden, en die mij in hun handen leveren zou. Suef hadden zij hem
genoemd, een echt Arabische naam.
Hij moest, in geval ook de aanslag op heden niet mocht gelukken,
terstond met zijn verraderij beginnen. Welnu, de poging om mij door
het raam dood te schieten, was mislukt; dus stond het vast, dat hij
van daag met zijn verraderij beginnen zou.
Het was mogelijk, dat hij al van avond zou trachten, met ons in
verbinding te komen, en in dat geval kon de reiziger de gevaarlijke
persoon zijn. Ik moest voorzichtig te werk gaan en nauwkeurig
onderzoeken.
--Hoe komt gij er toe, van een gids te spreken?--vroeg ik den
waard. Wij hebben zoo iemand niet noodig.
--Misschien toch wel! Kent gij den weg?
--Wij hebben nooit een weg, dien wij in deze streken gingen, vooruit
gekend, en zijn toch altijd terecht gekomen.
--Gij verlangt dus geen gids?
--Neen.
--Zoo als gij wilt. Ik meende u een dienst te bewijzen.
Hij wilde van ons weggaan. Dat zag er niet naar uit, alsof de
aangekomen vreemdeling zich door hem bij ons wilde indringen. Daarom
vroeg ik nader:
--Wie is hij dan, dien gij bedoelt?
--Een bij u passend gezelschap is hij eigenlijk niet. Het is een arme
kleermaker, die niet eens een vaste woonplaats heeft.
--Hoe heet hij?
--Afrit is zijn naam.
--Afrit, dat woord beteekent: reus. Die naam past niet bij zijn
gestalte, want hij is zoo klein, dat hij veel van een dwerg heeft.
--Dat hij nochtans Afrit heet, is zijn schuld niet, want dien naam
heeft niet hij gekozen, maar is hem door zijn vader gegeven. Misschien
was die ook zoo klein, en heeft zijn zoon Afrit gedoopt, in de hoop
dat zijn zoon een reus zou worden.
--Is hij uit deze streek?
--Waar hij geboren is, dat weet niemand. Hij is overal als de reizende
kleermaker bekend. Waar hij werk vindt, daar blijft hij tot het klaar
is. Met den kost en een kleine vergoeding is hij tevreden.
--Is hij eerlijk?
--Volkomen vertrouwd. Hij is door zijn onbaatzuchtigheid zelfs
spreekwoordelijk geworden. Zoo eerlijk als de reizende kleermaker,
pleegt men te zeggen.
--Waar komt hij nu van daan?
--Van Sletowo, dat in het Noorden ligt.
--En waar wil hij heen?
--Naar Uskub en nog verder. Omdat gij ook derwaarts wilt gaan, meende
ik hem u te mogen aanbevelen. Volgt gij den straatweg, dan maakt gij
een omweg, en de kortste weg is heel moeielijk te vinden.
--Hebt gij met hem al over ons gesproken?
--Neen, Heer. Hij weet in 't geheel niet, dat hier vreemdelingen
zijn. Hij vroeg alleen, of hij hier tot morgen ochtend blijven kon. Ik
wilde hem werk geven, maar hij kon het, om een ziekte-geval niet
aannemen. Hij wordt daarvoor gewacht.
--Waar is hij op het oogenblik?
--Achter het huis, waar hij zijn paard laat weiden. Gij kunt het dat
dier aanzien, hoe arm zijn baas is.
--Geef hem dan straks vergunning om bij ons binnen te komen. Hij mag
onze gast zijn.
Al spoedig kwam dan ook de man zelf. Hij was zeer klein, zwak, en
bepaald armoedig gekleed. Hij scheen zeer veel geleden te hebben, en
nam uiterst bescheiden in een hoekje plaats. Behalve een mes, droeg
hij geen wapens, en al spoedig haalde hij een stuk hard maïsbrood
uit zijn zak, om daarmee zijn avondmaal te doen. Deze arme man was
zeker geen makker van de bandieten. Ik noodigde hem uit, om bij ons
plaats te nemen, en van het overschot van ons avondeten, dat nog op
tafel stond, gebruik te maken.