Maar nu de bazuin! Ja, het was inderdaad een schuifbazuin in levenden

lijve. Hoe zou die man er aan gekomen zijn? Maar hoe zag het ding

er uit! Het was zoo vol blutsen, deuken en knepen, alsof Simson er

eenige honderden Filistijnen mee verslagen had. In den loop der

jaren was de bazuin totaal van gedaante veranderd. Ze scheen het

haar plicht geacht te hebben, meer een spiraalvorm aan te nemen,

en toen ik dat capricieuse ding in handen nam om te onderzoeken of

het nog uitschuifbaar was, bevond ik dat de tegenwoordige formatie

zich beslist daar tegen verzette, ja! vastgeroest was.

De gelukkige bezitter van dit instrument scheen aan mijn gezicht

te zien, dat zijn bazuin nu niet juist mijn volle vertrouwen had,

want hij haastte zich mij te verzekeren:

--Heer, wees gerust! Deze bazuin doet haar plicht.

--Dat wil ik hopen.

--Nu gij bij de Arpa suju ook Raki geeft, sla ik met mijn bazuin de

beide Aladschy's dood!

--Ezel!--beet hem die politie-agent toe. Dat mocht gij nog niet weten!

--Ach zoo!--zei de bazuinheld. Nu, dan neem ik mijn woorden terug!

--Maar gehoord heb ik ze toch,--zei ik lachende. Dus gij weet al,

wat wij gaan doen?

--Heer, zij lieten mij niet met rust, voor ik het hun

zei,--verontschuldigde zich de agent. Hun dapperheid werd zoo groot,

dat het mij het leven gekost zou hebben, als ik nog langer gezwegen

had.

--Het is begrijpelijk, dat gij uw leven gered hebt. Ik behoef dus aan

deze wakkere mannen niet meer uit te leggen wat van hen verlangd wordt.

--Neen, maar een toespraak wilt gij toch zeker wel houden, om ze meer

aan te vuren, want dan worden zij onoverwinbaar.

--Die aanspraak zal ik houden. Is 't niet, Sihdi?--stelde Halef voor.

Daar ik zijn redenaarstalent kende, knikte ik hem bewilligend toe,

en vroeg:

--Maar wie zal het krijgsvolk aanvoeren?

De politie-man antwoordde:

--Natuurlijk ben ik in mijn kwaliteit van handhaver der orde en

veiligheid, de Muschir (veldmaarschalk) van deze legermacht. Ik zal

zeer strategisch te werk gaan. Ik deel mijn leger in twee helften, die

ieder door een divisie-generaal gecommandeerd worden. Daarmee zullen

wij den vijand heimelijk omsingelen en gevangen nemen. Ontsnappen

kan hij niet, daar wij van twee kanten aankomen.

--Mooi! En dan gebeurt alles onder begeleiding van muziek?

--Ja, want daarmee jagen wij, bij onze nadering, den vijand den schrik

op het lijf. Wij leggen de boosdoeners gebonden aan uw voeten. Maar

nu gij ziet hoe dapper en vermetel wij zijn zullen, behoeft gij met

de hamels niet te wachten, tot wij als overwinnaars terug komen. Gij

kunt ze nu wel laten braden. Ik heb eenige vrouwen mee gebracht, die

dat werk uitstekend verstaan; zij zijn reeds op de binnenplaats en

maken er alles voor gereed. De staartstukken die de beste en meest

malsche zijn, worden u opgedischt want wij weten zeer goed wat de

beleefdheid vordert.

--Er zijn dus ook vrouwen opgekomen?

--O, nog anderen ook. Zie maar eens op de plaats, daar zijn ook zonen

en dochters van de vrouwen.

--Welnu, laat dan de Kiaja zijn knecht bevelen, niet twee, maar vier

hamels te slachten en aan de vrouwen te geven.

--Heer, gij zijt overvloeiende van weldadigheid! Maar laat ons de

hoofdzaak niet vergeten: wie krijgt de vier huiden?

--Die zullen onder de vier dappersten verdeeld worden.

--Dan ben ik zeker er een van te zullen krijgen. Maar laat nu uw

metgezel de toespraak houden, want de ijver van mijn volk is bijna

niet meer in toom te houden.

Hij ging met zijn muzikanten naar het voorvertrek. Halef posteerde zich

in de opening van de verbindingsdeur en hield zijn aanspraak. Deze

was een klein rhetorisch meesterstuk. Hij was alles behalve bang,

om zijn toehoorders te veel in de hoogte te steken, want hij noemde

hen helden, onoverwinlijken, voortreffelijken, en doorspekte zijn

aanspraak met allerlei sarcasmen, die wij alleen begrepen.

Toen hij uitgesproken had, weerklonk er plotseling een geluid, dat mij

zoo deed schrikken, dat ik van mijn stoel opvloog. Het was alsof een

half dozijn Amerikaansche buffels levend aan het braadspit gestoken

en gebraden werden. Op mijn vraag, wat dat brullend gekrijsch mocht

zijn, antwoordde de waard:

--Dat was de bazuin, zij gaf het signaal tot opbreken.

De voorkamer liep nu leeg. Buiten voor de deur klonk de stem van den

maarschalk. Hij verdeelde zijn leger in twee divisies, en toen zetten

de helden zich in beweging. Eenige krachtige dondertonen leidden den

stormpas in. De fluit deed, alsof ze een triller wilde laten hooren,

bleef echter steken en verliep in een woedend gefluit. De trom begon

zich te roeren, de tamboerijn viel in, van de viool en de gitaar

werd niets gehoord. De zachte teedere tonen dier beiden werden totaal

overstemd door het geluid der andere krijgsinstrumenten.

Langzamerhand werden de harmonieën zwakker, al naar het leger verder

oprukte. De muziek klonk nog slechts als een stormwind, die om een

hoek huilt, verliep in een wegstervend piepen, als van een orgel dat

zijn voorradige lucht uitlaat.

Wij lieten het helden-leger nu zijn gang gaan en haalden onze

Dschibuks te voorschijn. Op de binnenplaats glommen eenige vuren,

waarop de hamels zouden gebraden worden. Zij kostten ons iets meer

dan een daalder per stuk. Voor een enkelen keer mochten wij ons zulk

een weelde wel veroorloven.

De waard had niets te doen. Hij kwam bij ons zitten en verdiepte

zich in de mogelijkheid, dat er één zou gevangen worden of alle vier,

of wel niet een.

Er lag daarbij een trek op zijn gezicht, die het vermoeden bij mij

opwekte dat hij niet geheel oprecht tegenover ons was. Hij was een

eerlijk mensch, dat geloofde ik gaarne; maar nu verborg hij iets voor

ons, dat in verband stond met onzen mooien veldtocht.

--Maar als zij nu geen geluk hebben,--zeide hij,--wat dan?

--Dan brengen zij ons de schurken niet.

--Ik bedoelde, wat er dan met het bier zou gebeuren.

--Dat wordt dan toch opgedronken.

--En de hamels?

--Die worden toch opgegeten.

--Uw woorden zijn vol wijsheid, Heer; want als de Aladschy's weg zijn,

dan baat alle dapperheid onze mannen niet.

--De maarschalk zal er wel voor zorgen, dat zij weg zijn. Zijn muziek

noodigt hen er toe uit. Of zou hij ze al van te voren gewaarschuwd

hebben?

--Gewaarschuwd? Wat meent ge daarmee?

--Wel, hij kan naar ze toegeloopen zijn, om hun in alle gemoedelijkheid

te vertellen dat zij tevergeefs op ons loeren, omdat wij reeds hier

bij u zijn.

Hij keek mij onderzoekend aan, om te zien of ik dat in vollen ernst

meende.

--Effendi, wat denkt gij toch!

--Iets, dat zeer goed mogelijk, ja zelfs zeer waarschijnlijk is. En bij

die gelegenheid heeft hij hun ook gezegd, dat zij een weinig op zijde

moesten gaan, want dat hij nu verplicht was om, tot hun vervolging,

de dappere bevolking op te roepen.

--Dat zal hij toch niet gedaan hebben. Dat zou heelemaal in strijd

met zijn plicht zijn!

--Maar als gij het hem nu bevolen hadt?

Hij kreeg een kleur, keek bezijden af en antwoordde op weifelenden

toon:

--En dat kunt gij van mij gelooven!

--Gij ziet er mij zoo buitengewoon slim uit. De groote zorg voor

uw dappere helden is zoo geheel en al verdwenen en de eerste dier

helden kwam zóó laat, dat ik werkelijk geloof dat uw veldmaarschalk

een kleine wandeling naar de boschjes heeft gedaan. Maar ik neem u

uw bezorgdheid voor uw dorpsgenooten in 't geheel niet kwalijk. Ik

hoop maar dat er niet veel sneuvelen zullen.

Ik zeide dit op schertsenden toon. Hij antwoordde half daarop ingaande:

--Zij zullen strijden als leeuwen. Zulke wapenen als gij, hebben zij

wel niet, maar de hunne weten zij te gebruiken. Met onze geweren kan

men geen kram uit een luik wegschieten. Ik heb ook nog nooit zulk

een kaliber gezien.

Hij nam mijn berendooder, die tegen den muur stond, in de hand,

en woog het.

--Wordt gij niet moe, als gij het lang moet dragen?

--Neen, ik ben er aan gewoon.

--Maar waarom maakt men bij u zulke zware geweren? Alleen het aanleggen

is reeds een pijnlijke inspanning.

--Men maakt tegenwoordig ook geen geweren meer van dat kaliber. Dit

geweer is van een zeer oude constructie. Men noemt ze berendooders,

omdat men ze op die jacht gebruikt. Er zijn ginds in Amerika beren,

die een grauwen pels hebben. Dat soort is zoo sterk, dat het een

os meesleept. Geen der vroegere kogels doodde zulk een grauwen

beer. Alleen met zeer zware geweren, zooals dit er een is, legde men

hem neer zoodat hij het opstaan vergat.

--Hebt gij ook zulke grauwe beren geschoten?

--Ja. Waarom zou ik anders zoo'n geweer hebben?

--Maar waarom sleept gij het hier mee, terwijl er geen beren zijn?

--Omdat ik op mijn reizen in streken zou komen, waar wel geen beren,

maar ander even sterk wild was. Ik heb er leeuwen en den zwarten

panther mee geschoten. Bovendien is men met dit soort geweren, juist

omdat ze zoo zwaar zijn, altijd zeker van zijn schot. En dat ze ook

voor andere dingen van nut kunnen zijn, heeft de ondervinding vandaag

nog bewezen.

--Is het nu geladen?

--Ja. Zoodra ik het afgeschoten heb, laad ik het terstond weer. Dat

is jagers-gewoonte.

--Dan zet ik het liever weer weg. Maar van wat bijzonder makelij is

dat andere geweer van u?

Ik moet mijn lezers doen opmerken, dat wij aan een tafel zaten, die bij

het open raam stond. Ik zat met mijn gezicht naar het raam en Halef

met den rug er naar toe. Rechts van mij zat de waard, links Omar, en

achter mij stond Osko, die juist zijn pijp gestopt had en opgestaan

was, om die aan de lamp op te steken. Hij was achter mij blijven

staan, om op den waard te letten, die mijn berendooder opgenomen

en nu zóó op de tafel gelegd had, dat deze, toevallig en gelukkig,

zoo door mij gegrepen en afgevuurd kon worden. Niet dat Osko den

waard van iets kwaads verdacht, maar deze had nu mijn Henri-geweer

genomen. De waard vroeg mij naar de constructie er van, en ik legde

hem uit, hoe ik vijfentwintig schoten kon doen, zonder op nieuw te

herladen. In deze verklaring werd ik gestoord door een uitroep van

Osko, die mij schrikken deed.

--Effendi! Om Allah's wil! Help!--riep hij met grooten schrik.

Ik keek naar hem om. Hij wees naar het venster. Zijn oogen waren

wijd open en op zijn gelaat lag een doodelijke bleekheid. Hij was

werkelijk verlamd van den schrik.

Toen ik de richting van zijn arm volgde, zag ik den loop

van een geweer, dat op mij gericht was. Die loop rustte op het

vensterkozijn. De schutter stond buiten op straat en had zijn geweer

op het kozijn gelegd, om te zekerder mij te treffen. Dat het op mij

gemunt was, begreep ik terstond.

Er komen toestanden voor waarin, binnen een ondenkbaar kort oogenblik,

onze geest waarneemt, gevolgtrekkingen maakt, besluit wat te doen, en

het genomen besluit uitvoert. Men meent dan instinctief te handelen:

maar inderdaad heeft onze geest dan in een halve seconde afgewerkt,

waartoe in gewone omstandigheden minstens vele minuten noodig zijn.

Het geweer was zóó volkomen juist op mijn voorhoofd gericht, dat ik

niet den loop, maar alleen de tromp als een ring kon zien. Had de

schrik mij, ook maar het honderdste deel eener seconde geparalyseerd,

het had mij het leven gekost. Bliksemsnel moesten denken en handelen

samen vloeien. Wat te doen? Boog ik mijn hoofd zijwaarts en ging het

schot af, dan zou niet ik, maar de achter mij staande Osko getroffen

worden. Om dezen te redden, mocht ik mijn hoofd, het mikpunt van

den moordenaar, niet wegtrekken; maar ik bewoog het zóó snel heen

en weer, dat de moordenaar geen zeker schot had. Dit doende greep ik

den berendooder.

Natuurlijk kan dit niet zoo vlug verteld of gelezen worden, als het

geschiedde. De in aanslag liggende moordenaar kon niet zien, dat ik

het geweer van de tafel greep. Zonder aan te leggen, want dat zou hij

bemerkt hebben, strekte ik het uit, hield de beide trompen tegen de

mij bedreigende monding en trok beide schoten bijna tegelijk af.

Tusschen Osko's geroep en het losbranden van mijn geweer, was zoo

weinig tijd verloopen, als zich niet denken laat. Nauwlijks had hij

geluid gegeven, of er knalden ook twee, of juister gezegd, drie

schoten, want hij die buiten stond had ook geschoten, gelukkig,

één tiende seconde na mij.

Op de losbranding volgde onmiddellijk een jammerkreet, die van

buiten kwam.

Halef had Osko's waarschuwing gehoord en zich naar het venster

omgewend, maar mijn geweer was iets vlugger geweest dan zijn blik. Hij

had de verraderlijke tromp niet gezien. Daarom sprong hij, bij het

schieten, van zijn stoel op, en riep:

--Wat is er, Sihdi? Gij schiet!

--Een moordenaar, een moordenaar!--stamelde Osko, nog altijd stijf

van den schrik en met gestrekten arm staande, terwijl ik opsprong,

den berendooder neerwierp en het revolvergeweer uit de handen van

den waard rukte.

Ik kon niet zien, wie buiten stond; bevond de schurk zich nog daar,

dan was hij verloren, want ter zijde van het venster staande, waar ik

geen juist mikpunt voor een buitenstaande aanbood, vuurde ik zes zeven

schoten zoo snel achter elkaar af, dat ze wel een eenig schot leken.

Halef had terstond begrepen, wat er gaande was.

--Houd op met schieten!--riep hij mij toe.

Oogenblikkelijk was hij in het open venster en wilde er uit.

--Halef, zijt ge dol!--riep ik, hem bij de beenen terug houdende.

--Ik moet er uit!--schreeuwde hij, wrong zich los en sprong.

Ik had met mijn gezonden voet een wijden vluggen sprong gedaan, die

mij aan het raam bracht. Ik stak er eerst mijn geweer door, daarna

mijn hoofd en linkerarm. Verder ging niet. Het raam was te smal. Ik

zag Halef loopen, rechtsaf, waar de breede plaatsdeur open stond en

het schijnsel van het flikkerende vuur de straat goed belichtte.

Tezelfder tijd kwam van af de donkere deur van het tegenover liggende

huis van den slager, een persoon, die Halef achterna liep.

Was dat een vijand? Ik legde mijn geweer aan. Daar kwam iemand

voorbij de plaatsdeur vluchten. Hij was bij het schijnsel duidelijk

te herkennen.

--Manach el Barscha!--brulde Halef hem achterna. Ook ik had hem

herkend en zag nu Halef de groote deur voorbij stuiven. Ik mikte op

de smalle streep, die verlicht was en waarover de derde moest gaan,

die Halef achtervolgde. Daar kwam hij, juist zoo gekleed als de

slager geweest was. Hij kwam in mijn lijn en ik schoot. Maar ik zag,

dat ik hem miste. Alleen mijn linkerarm buiten het raam hebbende,

moest ik links mikken. Wie kan nu, bij nacht, in mijn ongemakkelijke,

gedwongen houding en door het flikkerende vuur gehinderd, het geweer

aan de linkerwang leggen, het rechteroog sluiten en van een treffer

zeker zijn! Dat was bijna onmogelijk.

Natuurlijk trok ik mij uit het raam terug, de kamer in, en beval Osko

en Omar:

--Vlug, door de voorkamer, en de binnenplaats over, rechts de straat

op! Halef bevindt zich tusschen twee vijanden in.

Op dat oogenblik vielen er verscheidene schoten. Het waren pistolen,

die ik hoorde knallen. De twee genoemden grepen naar hun geweren.

--Geen geweren! Daar helpt alleen mes en pistool. Voort, maakt voort,

vlug!

Zij snelden de deur uit. Ik kon, helaas! niet volgen. In mijn

hulpeloozen toestand was ik tot blijven gedwongen.

De waard zat nog altijd verstijfd van schrik op zijn stoel. Zooals

ik hem het geweer uit zijn hand had getrokken, zoo hield hij die

nog. Hij had sedert Osko's angstkreet zich nog niet bewogen en nog

geen geluid gegeven.

--Ef--ef--effen--fendi! stamelde hij nu. Wat was er toch?

--Dat hebt gij toch gezien en gehoord.

--Men heeft ge--ge--geschoten!

Ik greep hem bij zijn schouder en schudde hem.

--Man, kom toch tot bezinning. Gij zijt suf van den angst!

--Wilde men mij dooden?

--Neen, mij.

--Ik dacht, omdat--omdat ik u geholpen had, wilde men mij doodschieten.

--Neen, uw lieve leven werd niet bedreigd, maar het mijne. Sluit nu het

luik: wij willen niemand gelegenheid geven, om weer op ons te mikken.

Hij waggelde, toen hij mijn aanwijzing volgde. Hij was in 't geheel

geen lafaard; maar het onverhoedsche en de geweldige snelheid der

opvolgende handelingen hadden hem heelemaal in de war gebracht. Nadat

hij het luik had gesloten, zonk hij weer op zijn stoel, en stak ik

mijn pijp op nieuw aan.

--Rookt gij, Effendi?--vroeg hij verwonderd. En buiten vechten ze!

--Kan ik hen bijstaan? Als gij een kloeke kerel waart, dan zoudt gij

u haasten om ze bij te springen!

--Dank u wel! Het gaat mij niet aan.

--Rook dan ook!

--Ik beef nog aan al mijn leden. Dat oude geweer van u gaf een slag

als een kanon!

--Ja, mijn oudje heeft nog al een krachtige basstem. Ik wil terstond

weer laden. Gij hebt nu gezien, hoe goed dat is. Was de oude niet

geladen geweest, dan zag het er nu slecht met mij uit.

--Gij had toch uw lichtere geweer nog.

--Dat hadt gij in uw hand, maar de zware buks lag voor het grijpen. Ook

weet ik niet of een minder zwaar schot wel dezelfde uitwerking zou

gehad hebben.

--Gij hebt toch op den moordenaar geschoten!

--Neen. Ik kon niets van hem zien. Ik zag alleen de tromp van zijn

geweer. Hij mikte precies op mijn voorhoofd. Mij bleef niets anders

over, dan zóó te schieten, dat mijn kogel den op mij gerichten loop

omhoog sloeg, en dat is mij gelukt.

Onder de vrouwen en kinderen op de binnenplaats was het onrustig

geworden. Zij hadden natuurlijk de schoten ook gehoord en daarna de

mannen ook zien loopen. Ook wisten zij, dat de Aladschy's in de buurt

waren en dat maakte ze dubbel zenuwachtig.

Het begon nu echter stil te worden, en de deur van het voorvertrek

ging open. Osko, Omar en Halef kwamen terug. De laatste zag er erg

toegetakeld uit. Zijn kleeren zaten vol vuil en waren niet weinig

gehavend; van zijn voorhoofd liep het bloed over zijn gezicht.

--Gij zijt gewond?--vroeg ik verschrikt. Is het gevaarlijk?

--Ik weet het niet, Sihdi. Wilt gij het eens onderzoeken?

--Terstond water hier!

Daar dit niet zoo gauw bij de hand was, doopte ik mijn zakdoek in

het bier en waschte daarmede het gezicht van mijn dapperen kleine af.

--God zij dank! Een onbeduidend schampschot,--troostte ik. Binnen

twee weken is de krabbel genezen.

--Dat valt mee!--lachte Halef. Maar het was anders bedoeld. De kerel

wilde mij het licht uitblazen.

--Wie heeft op u geschoten? Manach el Barscha?

--Neen, de andere.

--Kent gij hem?

--Neen. Het was zoo donker, dat ik zijn gezicht niet herkennen kon,

ofschoon onze baarden zoo dicht bij elkaar waren, dat wij ons over

en weer hadden kunnen kussen.

--Ik vermoed dat het de broer van den slager geweest is.

--Best mogelijk, want juist als een slager greep hij toe.

--Vertel nu hoe het gegaan is. Omar kan intusschen het verbandlinnen

uit mijn zadeltasch halen.

--Wel, alles ging nog al gauw in zijn werk. Toen ik mijn hoofd uit het

venster stak, zag ik een man er onder liggen. Ik wilde boven op hem

springen, maar gij hieldt mij van achteren vast. Ik wrong mij los, maar

toen ik mijn beenen naar buiten stak, sprong de kerel op en liep weg.

--Dat moet Manach el Barscha geweest zijn. Hij zeide heden, toen ik

hem beluisterde, tegen de drie anderen, dat hij heel graag eens op

mij zou willen schieten. Dat heeft hij gedaan. Het is dus blijkbaar

een gevaarlijke aardigheid zich voor kogelvrij uit te geven.

--O, het was in allen ernst op ons gemunt. Zooals gij daar zat, waart

gij zoo'n mooi mikpunt. De schurken zagen het en besloten u weg te

blazen. Daar Manach nu gaarne weten wilde, of uw hoofd werkelijk harder

was dan zijn kogel, zoo droegen zij hem op op u te schieten. Het was

in allen gevalle hun plan u te vermoorden; dat staat vast!

--Dat laat zich hooren.

--Juist. Maar nu verder! Ik sprong naar omlaag, en kwam op een lang

smal ding terecht, zoodat ik viel. Het moet een geweer wezen, dat er

nog liggen zal.

--Dat zal ik hem uit zijn handen geschoten hebben. Hij moet een stoot

of slag gekregen hebben, waardoor hij neersloeg.

--Hij moet in allen gevalle, hoe kort dan ook, niet bij zijn zinnen

geweest zijn, want anders was hij niet blijven liggen tot ik kwam. Ik

krabbelde terstond weer op en sprong hem achterna. Toen hij voorbij

de slagdeuren liep, herkende ik hem terstond en riep het u toe.

--Ik heb hem ook herkend.

--Hij liep als een haas, maar ik zat hem op de hielen. Plotseling

struikelde hij en viel. Ik was zóó dicht achter hem, dat ik niet

tijdig genoeg kon stoppen en over hem heen vloog. Daar maakte hij

gebruik van, om op te springen en door te loopen.

--Dat was dom. Hij had zich boven op u moeten werpen.

--Zeker. Maar de schurken hebben geen geluk.

--Wie schoot toen?

--Ik. Terwijl ik opsprong, trok ik mijn pistolen uit mijn gordel

en brandde op hem los. Maar ook ik was dom, want ik schoot al

loopende. Was ik blijven staan, om rustig te mikken, dan had ik hem

stellig geraakt, want mijn pistolen dragen ver. Dat zal mij ook geen

tweede keer gebeuren.

Toen Halef zoover was met zijn verhaal, kwam Omar met de

verbandmiddelen.

--Buiten onder het venster ligt Manach's geweer,--zeide Halef tegen

hem. Haal het hier.

--Maar ik wil uw verhaal ook hooren.

--Ik zal op u wachten.

Toen Omar het geweer bracht, bleek het dat Manach een geduchte oorvijg

moest gekregen hebben, want de kolf was gespleten. Men kon aan de

tromp zien, waar mijn kogels getroffen hadden.

--Maar het geweer is niet geladen,--merkte Halef op, terwijl hij

dapper bezig was, het bloed uit zijn gezicht weg te wasschen. Dus

heeft hij toch geschoten!

--Natuurlijk! Bijna tegelijk met mij.

--Dan hebben uw kogels zijn geweerloop naar omhoog geslagen, en moeten

zijn kogels ginds in den muur of hier in de zoldering zitten.

Osko nam de lamp en vond al gauw het gat, waarin de kogel zat.

--Daar is ie,--zeide hij. Die zat nu in uw hoofd, Sihdi, wanneer ik

niet bij tijds het op u gerichte geweer had gezien.

--Ja, u heb ik mijn leven te danken.

--Daar ben ik trotsch op. Wij hebben u zooveel te danken, ik vooral,

want mijn dochter hebt gij verlost uit de macht van dezen Abrahim

Mamur. Nu heb ik u toch ook een kleinen dienst kunnen bewijzen!

--Klein kan ik dezen dienst niet noemen. Ik ben er u van harte

dankbaar voor!

--Gij behoeft mij daar niet voor te danken. Ondanks mijn waarschuwing

zou een ander doodgeschoten zijn. Hoe kwaamt gij op de gedachte zijn

loop weg te schieten? Gij hadt maar te bukken.

--Dan zou hij toch geschoten en u getroffen hebben. Hij lag al

in aanslag.

--Dus gij hebt geschoten en niet gebukt, om mij te redden?

--Ja, daarom. Maar nu wij zijn kogel gevonden hebben, kunnen wij ook

naar de mijne zoeken. Zij zijn door zijn loop afgewend en naar omhoog

of ter zijde gevlogen. Kijk eens aan de zijkozijnen van het raam.

Ja wel, zij zaten in de zachte poreuze steenen, heel dicht bij

elkaar. Osko groef ze er uit.

--En die daar boven moet ik ook hebben,--zeide hij. Ik moet de drie

kogels tot een aandenken hebben. Maar vertel nu verder, Halef!

Deze verhaalde: wat er verder gebeurd is, weet gij even goed als

ik. Ik haalde Manach in en pakte hem van achteren beet. Hij deed een

geweldigen sprong zijwaarts, rukte zich weer los en ik viel op den

grond. Ditmaal was hij verstandiger dan vroeger. Hij wierp zich op

mij en pakte mij bij mijn keel. Juist trok ik mijn mes, om het hem

van onderen op, tusschen de ribben te steken, toen er nog een ander

kwam. Wie hij was weet ik niet, maar morgen zal ik hem wel herkennen,

want ik gaf hem met mijn mes zoo'n haal over zijn gezicht, dat hij

mij los moest laten. Daarvoor hield hij mij echter den loop van

zijn pistool aan mijn hoofd. Ik geloof, dat hij, ten gevolge van de

kennismaking met mijn mes, te sterk bloedde om goed te kunnen zien,

want hij zeide: Houd hem vast, Manach!--wat deze tamelijk goed deed. Ik

lag met mijn gezicht op zij. De tromp van zijn pistool raakte den slaap

van mijn hoofd. Ik wierp het hoofd in den nek en hij brandde los. Het

was, alsof iemand met een gloeienden draad langs mijn voorhoofd had

gestreken; maar toen spande ik alle kracht in, om mij los te maken

uit hun handen. Het mes was mij ontvallen. Zij hielden mij vast,

bij mijn keel en armen. Op eens kreeg ik lucht. Een hunner stiet een

vloek uit, want hij werd van achteren beet gepakt.

--Dat deed ik,--zeide Osko. Ik pakte hem bij den strot, maar ik ging

te onbedaard te werk. Het was niet de goede greep. Hij rukte zich

los en ontkwam.

--Ja, en onderwijl was Manach er ook van doorgegaan,--voegde Halef

er bij. Ik was op stikken na dood, en toen ik weer adem kon halen,

was Manach zonder afscheid nemen weggegaan.

Het is een eigenaardig en onbeschrijfbaar gevoel, zoo plotseling

door den dood gegrepen te worden en even onverwacht gered te

worden. Millioenen kunnen gelukkig zich daar geen voorstelling

van maken.

De wond van Halef was gemakkelijk te verbinden en zou maar een

onbeduidend litteeken nalaten.

--Nog weer een teeken van uw dapperheid, mijn beste jongen! zeide

ik. Wat zal Hannah, het juweel van haar geslacht, zeggen, als zij

deze merkteekenen van uw onversaagdheid bemerkt?

Door het land der Skipetaren · 第 16 / 34 段