--Gij zult binnen weinige oogenblikken voor den eeuwigen Rechter

staan. Weet gij wie u de hersens ingeslagen heeft?

--Barud el Amasat,--fluisterde hij.

--Aan wien gij een weldaad hebt bewezen. Gij zijt verleid. Allah

zal u vergiffenis schenken, wanneer gij berouwvol sterft. Zeg mij:

is de oude Murabek de Shoet?

--Neen.

--Wie is dan de Shoet!

--Ik weet het niet.

--Weet gij ook niet, waar hij is?

--Zij gaan naar hem toe en zullen hem in Karanorman-Khan [9] ontmoeten.

--En waar ligt dat plaatsje?

--In den Schar Dagh, dicht bij een dorp, dat Weicza heet.

--Achter Kakandelen?

Hij maakte een toestemmende beweging, want spreken kon hij niet

meer. Alle antwoorden had hij trouwens zoo fluisterend gegeven,

dat ik mijn oor bij zijn mond had moeten brengen om hem te verstaan.

--Sihdi, hij sterft!--zei Halef medelijdend.

--Haal water!

Hij ging; zijn hulpbetoon was niet meer noodig. De man stierf onder

onze handen, zonder nog een enkel woord te zeggen.

--Wij willen de lijken, en ook den Mubarek, in de rotsholte

brengen--zeide ik. De Kiaja moge ze weghalen.

--Heer, de oude doet zijn oogen open. Hij is niet bewusteloos

meer,--zeide Osko,--terwijl hij Mubarek met de lantaarn belichtte.

Terstond bukte zich Halef over hem heen, om te zien, of het waar

was. De oude schurk was werkelijk weer bijgekomen. Hij was weliswaar

voorzichtig genoeg om niet te spreken, maar zijn oogen verrieden dat

hij bij kennis was. Er sprak uit de blikken, die hij op ons wierp,

zulk een woeste haat, als ik nog nooit in iemands oogen gelezen had.

--Leeft ge nog, oude skelet?--vroeg Halef hem. Het zou ook

doodjammer zijn, wanneer de kogel je gedood had; want dat zou te

gemakkelijk voor je geweest zijn. Van pijn en ellende moet je heel,

heel langzaam sterven, om een voorsmaak te hebben van het pleizier,

dat een hellekind wacht.

--Hond!--siste de oude booswicht.

--Schoft. Verhongeren en verdorsten moesten wij? Dacht gij dan, dat

gij zulke beroemde helden, als wij zijn, zoudt kunnen opsluiten? Wij

dringen door muren heen en springen door ijzer en staal. Maar gij

zult in uw eigen val versmachten, want daar sluiten wij je op.

Natuurlijk was dat maar een dreigement. Toch werd hij in de rotsholte

gebracht en tusschen de beide lijken neergelegd. Een beetje doodsangst

verdiende het ongedierte wel en kon hem geen kwaad.

Toen ik den draagstoel nader bekeek, bleek mij dat de kap er afgenomen

kon worden. Ik liet dat doen, want daardoor had ik onderweg de vrije

beweging van mijn armen, tegen wie mij zou willen overvallen. Ik

nam nu mijn twee geweren bij mij, en wij vingen den terugweg aan,

nadat wij het vuur hadden uitgedaan.

Eerst nog hadden wij Mubarek los gemaakt, die nu, bevrijd van het

touw waarmede ik hem had gebonden, op kon staan en in de rotsholte

heen en weer kon gaan. Naar boven klimmen was voor hem onmogelijk, en

de met ijzer beslagen deur hadden wij ter dege gegrendeld. Wij lieten

hem in den angst, dat hij hier zou blijven, zonder hulp te vinden.

Bij nacht in een bosch zonder gebaande wegen gedragen te worden, is

een onzekere wandeling. Toch bleven wij in de goede richting. Mijn

metgezellen liepen zoo voorzichtig mogelijk voort. Halef hield zijn

pistolen en ik mijn revolver in de hand, vaardig om terstond vuur te

geven. Wij konden niet te voorzichtig zijn.

Toen het bosch achter ons lag, sloegen wij rechtsaf, naar de grasvelden

van de Sletowska, waar het terrein open en vlak was. Dit was wel een

omweg, maar wij ontgingen aldus een strijd, waarin wij, zoo al niet

gedood, dan toch gewond konden worden.

Zonder eenig ongeval kwamen wij in onze herberg aan, waar ik, door

het voorvertrek dat heel wat gasten bevatte, naar de mooie kamer

gedragen werd.

Daar zat de waard. Vol verbazing sprong hij op, zoodra hij ons zag.

--Wat, gij, Heer!--riep hij uit. En ge waart vertrokken!

--En dat waarheen?

--Naar Karatowa.

--Wie heeft dat gezegd?

--De slager.

--Hij is dus hier geweest?

--Ja, en hij wilde uw paarden hebben en was bitter boos, toen ik

hem zeide, dat ik ze hem niet kon geven, want dat gij uw volmacht

ingetrokken hadt. Hij verzekerde mij dat gij gruwelijk kwaad op mij

zoudt zijn, want gij werd naar Karatowa gedragen en wildet daar uw

paarden vinden bij uw aankomst.

--Als ik het niet gedacht had! Hij wilde zich van mijn hengst meester

maken, en mij vermoorden bovendien.

--Vermoorden!

--Ja, wij hebben u veel te vertellen. De slager is dood.

--Heeft hij een ongeluk gehad?

--Ja, wanneer gij het ten minste een ongeluk noemt, dat ik hem

doodgeschoten heb.

--Doodgeschoten!--riep hij verschrikt. Gij! Zeker is dat een ongeluk,

niet alleen voor hem en zijn gezin maar ook voor u.

--In hoeverre voor mij?

--Hebt gij het met opzet gedaan?

--Wel, doodschieten wilde ik hem niet, maar wel dat mijn kogel hem

zou raken!

--Gij hebt dus met voorbedachten rade geschoten, dan moet ik u als

zijn moordenaar gevangen nemen.

--Daartegen protesteer ik ernstig.

--Dat zal u niet veel helpen!

--Toch wel, want ik moet u dan ook vertellen, hoe het gekomen is. En

al had ik hem niet uit noodweer gedood, dan zou ik mij maar niet

lijdelijk gevangen laten nemen. Hebt gij niet zelf erkend, dat de

Aladschy's struikroovers en moordenaars waren?

--Ja, want dat weet toch iedereen.

--En toch hebt gij Bybar niet gevangen genomen, toen hij in uw macht

was! En mij, een man, van wiens verleden gij niet het minste kwaad

weet, mij wilt gij zoo maar terstond in de gevangenis laten zetten! Hoe

rijmt zich dat?

--Heer, het is mijn plicht,--antwoordde hij verlegen.

--Ja, dat weet ik wel. Maar den Aladschy liet gij loopen, omdat gij

de wraak van zijn broer, van zijn bende en ook zijn eigen overmoed

vreesdet. En van mij denkt gij, dat ik mij niet verweren zal en ook

als vreemdeling niemand heb, die u met een kogel tot rede zal brengen.

--Oho!--riep Halef. Wie de hand uitsteekt naar mijn Effendi, dien

jaag ik een kogel door het hoofd! Probeer het eens!

Hoe klein hij ook was, zijn houding was energisch en overtuigend. Men

zag het hem aan, dat hij zijn woord gestand zou doen. De waard en

Kiaja van het dorp had kennelijk ontzag voor hem gekregen.

--Dank, Halef, voor dat woord,--zeide ik. Wij vertrouwen dat uw

tusschenkomst niet noodig zal zijn. Deze goede Kiaja zal inzien,

dat ik uit noodweer den slager heb moeten dooden.

En mij tot den waard wendende, zeide ik:

--Hebt gij mij niet gezegd, dat de slager een Skipetaar was?

--Ja. Hij is zelfs een Miridiet.

--Dus hoort hij hier in 't geheel niet thuis?

--Neen. Toen zijn vader zich in Sbiganzy vestigde, kwam hij uit

Oroschi, de hoofdplaats der Miridieten.

--Welnu, wat gaat u dan zijn dood aan? Staan de Miridieten onder

toezicht van den Padischa?

--Neen, het zijn vrije Arnauten.

--Weet gij ook dat zij zich alleen aan hun onderlinge rechtspraak

onderwerpen, die zich grondt op de oude wetten van Lek Dukadschinit?

--Stellig weet ik dat.

--Gij hebt u dus in 't geheel niet met den dood van den slager te

bemoeien. Ik heb hem gedood, te recht of ten onrechte, dat is bij

die menschen hetzelfde; op mij is de bloedwraak toepasselijk en de

bloedverwanten moeten zijn dood op mij wreken. Gij hebt daar niets

mee te maken.

--Ah!--zeide hij met een zucht van verlichting. Dat is juist wat

ik wenschte!

--Wij zijn het dus eens. Maar er is nog een doode.

--Wie?

--Een gevangenbewaarder uit Edreneh, die een gevangene heeft laten

ontsnappen en met dezen vluchtte. Hij, dien hij liet ontsnappen heeft

hem gedood. Bij die twee dooden zult gij ook den ouden Mubarek vinden,

wiens elleboog ik met een kogel verbrijzeld heb.

--Ook hem? Heer gij zijt toch een hoogst gevaarlijk mensch!

--Ik ben integendeel een zeer goedaardig mensch; maar zooals de zaken

stonden, kon ik niet anders handelen.

--Wat was er dan gebeurd?

--Kom hier bij ons zitten, en ik zal het u vertellen.

Hij zette zich, en ik begon te verhalen. Wij hadden den tijd. Daarom

was ik zoo uitvoerig mogelijk. Ik vertelde hem ook, waarom wij Barud

el Amasat vervolgden. Hij begon onze bedoeling goed te doorzien, en

dat maakte het hem gemakkelijk, te begrijpen met wat schurken wij te

doen hadden. Toen ik eindelijk zweeg, was hij heelemaal van zijn stuk.

--Zou men zoo iets voor mogelijk houden!--zeide hij. Gij zijt inderdaad

menschen, zooals de gepantserden van Kalif Harun al Raschid, die zijn

gebied doorreisden, om de slechte menschen te straffen en de goeden

te beloonen.

--O, wij zijn geenszins zulke aanzienlijke personen, als die gij daar

noemt. Die wij vervolgen hebben of onze vrienden of ons kwaad gedaan;

zij hebben nu nog andere booze plannen en wij volgen hun spoor om

die te verhinderen. Wat zult gij nu doen?

Hij krabde met beide handen zijn hoofd en antwoordde ten laatste:

--Geef mij een goeden raad.

--Gij zijt ambtenaar en moet zeer goed weten, wat uw plicht is. Mijn

raad hebt gij niet noodig.

--Ik zou wel weten, wat te doen, als gij niet een groote domheid

hadt begaan. Waarom hebt gij den ouden Mubarek maar in den arm

geschoten? Kondt gij niet op zijn hoofd of borst mikken? Dan waren

wij voor goed van hem af geweest.

--Dat zegt gij, gij die Kiaja zijt!

--Neen, dat zeg ik niet als Kiaja, maar als gewoon mensch. Was de

oude ook dood, dan liet ik ze alle drie begraven, en er werd geen

woord meer over gesproken. Nu moet ik den oude gevangen nemen en hem

aan de rechtbank overleveren. Dat is een moeilijk geval.

--Het moeielijke daarvan zie ik niet in. Gij zult u daardoor

verdienstelijk maken. Hij is uit de gevangenis te Ostromdscha

ontvlucht. Gij pakt hem en zendt hem naar Uskub; dan hebt gij uw

plicht volbracht.

--Maar dan moet ik er ook heen, om inlichtingen te geven. En gij moet

ook mee--als getuige en aanklager.

--Dat doen wij gaarne.

--Ja, dat wil ik gelooven. Gij verlaat dan deze streken; maar de

vrienden van den oude zullen mij er om koud maken.

--Dan beginnen zij toch zeker met u het vuur aan de schenen te leggen,

en dat was misschien nog zoo kwaad niet.

--Spot maar! Gij weet niet, hoe slim het mij vergaan kan. Ik blijf

er bij: hadt gij den schurk dood geschoten, dan had ik met de heele

zaak niet te maken en was er niet aansprakelijk voor. Maar nu, als

gij van uit Uskud opgeroepen wordt om te getuigen, kunt gij er zeker

van zijn dat gij voor dien tijd doodgeschoten wordt, en dan moet ik

ook dat nog verantwoorden!

--Heeft de slager nog weerbare bloedverwanten hier?

--Ja, een broer, en die moet u dooden.

--Weet gij niet, of hij nu thuis is?

--Ja, hij is er, want mijn knecht heeft mijn boodschap aan hem gedaan

en niet aan Tschurak zelf.

--Hm! Dat is inderdaad een kwaad geval. Als hij is, zooals zijn broer,

dan mag ik wel voor hem oppassen.

--Dat is hij, en zeker nog erger. Ik heb hem nooit voor zoo goed

als zijn broer gehouden. En nu Tschurak een schurk was, zal de broer

nog wel veel erger zijn. Gij zijt geen oogenblik van uw leven zeker,

zoo lang gij hier zijt. Daarom wil ik u een goeden raad geven: stijg

onmiddellijk te paard en rijd naar Karatowa. Ik zal u een goeden

gids meegeven.

--Daar willen wij volstrekt niet heen.

--De slager zei het toch!

--Dat was een leugen. Wij willen naar Uskub, en dat treft goed. Wij

nemen uw verdediging op ons, wanneer gij den ouden Mubarek daarheen

vervoert.

--God beware mij! Men schiet ons onderweg dood!

--Dan zouden wij het al heel dom moeten aanleggen.

--Ik hoor, dat gij geen flauw begrip van de toestanden hier hebt. Gij

en uw vrienden zijt hier aldoor in levensgevaar, en geen haar op uw

hoofd is veilig. Rijdt liever terstond weg! Dat is voor u werkelijk

het beste.

--En ook het beste voor u, niet waar?

Die vraag bracht hem in groote verlegenheid. Hij had zóó sterk bij mij

aangedrongen, dat hij begreep, verraden te hebben, hoe hij eigenlijk

voor zich zelf pleitte. Hij was een goedig man en ik kon het hem

nu niet zoo kwalijk nemen dat hij den onzekeren rechtstoestand in

aanmerking nam en op zijn eigen veiligheid bedacht was.

--In hoe verre voor mij?--vroeg hij.

--Gij zoudt, als wij weg waren, den ouden Mubarek eenvoudig laten

loopen; dan hadt gij geen wraakneming te vreezen, maar dank te

verwachten.

Hij kreeg een kleur van schaamte; ik had zijn voornemen geraden. Hij

zeide evenwel:

--Denk dat van mij niet! Ik zou zeer streng volgens mijn plicht

handelen; maar ik wenschte u in veiligheid te zien.

--Daarover behoeft gij u niet ongerust te maken. Wij hebben u reeds

getoond, dat wij geen hulp van anderen behoeven. Eigenlijk had ik mij

heden tot u moeten wenden om ons te beschermen tegen onze vijanden;

ik heb het niet gedaan om u niet lastig te vallen, en omdat ik wist,

dat wij ons zelf wel konden helpen. En zoo hebben wij ook verder

geen raad of ondersteuning noodig. Eigenlijk zijt gij de oorzaak,

dat wij zoo in gevaar zijn geweest.

--Hoe zoo?--vroeg hij.

--Omdat gij ons verzekerd hadt, dat geen vreemden bij den slager

konden aangekomen zijn, en toch waren zij er reeds voor ons geweest.

--Dat wist ik niet, want in het dorp zijn zij niet gekomen. Tschurak

zal hen er buiten ontmoet hebben. Ik zeide u dat hij te paard was

thuis gekomen. Hij moet hen toen ontmoet en gesproken hebben.

--Dat laat zich hooren. Alzoo ik verlaat vandaag Sbiganzy niet en

blijf bij u overnachten. Wat denkt gij nu met de drie te doen, die

door ons achter slot zijn gezet?

Weder krabde hij zich achter de ooren.

--Heer, laat mij buiten die geschiedenis blijven!

--Dat gaat eenvoudig weg niet. Zij mogen daar toch niet blijven. Ik

verlang, dat gij u van avond nog van den ouden Mubarek zult meester

maken. De beide lijken mogen, wat mij aangaat, blijven liggen.

--Maar wat moet ik met hem beginnen?

--Hem hier opsluiten, tot wij hem morgen naar Uskub transporteeren.

--Bij alle heiligen! Dan bestormen de Aladschy's van nacht mijn huis!

--Wij helpen u het te verdedigen.

--Dan treft mij later hun wraak!

--Hoe laf!

--Gemakkelijk gezegd! Gij behoeft voor hen niet bang te zijn. Gij rijdt

weg en komt nooit weer hier. Maar dan breekt de storm boven mij los.

--De Aladschy's kunnen u niets doen, want wij leveren hen morgen ook

te Uskub uit, met Manach en Hamd el Amasat erbij.

--Hebt gij ze dan?

--Neen, maar wij halen hen terstond.

--Hoe wilt gij dat doen?

--Met de inwoners van Sbiganzy, die wij laten oproepen om tegen hen

op te trekken.

--Die zullen u lekker danken!

--Zij moeten opkomen! Hebt gij niet gelezen, dat ik onder bescherming

van den Grooten Heer sta?

--Ja, dat is, helaas! waar.

--Gij hebt dus te voldoen aan wat ik van u vorder. Weigert gij het,

dan dien ik morgen te Uskub een klacht tegen u in.

--Heer, wilt gij mij ongelukkig maken?

--Neen, ik wil u gelegenheid geven uw plicht te doen. Deze vier

roovers bevinden zich ginds aan den zoom van het bosch. Niets is

gemakkelijker dan ze in te sluiten en gevangen te nemen.

--Neen, daarin vergist gij u. Zij zullen zich verschrikkelijk verweren.

--Wat zou dat?

Hij zette zulke groote oogen op, dat Halef hardop begon te lachen.

--Wat dat zou, vraagt gij? Zeker niets?--riep de Kiaja uit. Als zij

ons doodschieten, is dat zeker niets? Ik ben integendeel van oordeel,

dat er geen grooter schade is, dan dat men het leven er bij inschiet.

--Dat ben ik tamelijk wel met u eens. Maar gij moet het zoo aanleggen,

dat zij er niet toe komen om zich te verweren.

--Maar, hoe dat te doen?

--Dat zal ik den menschen zeggen, als zij hier bijeen zijn.

--Maar er komt niemand, wanneer ik bekend maak, wat zij zullen

moeten doen.

--Juist; en daarom zult gij dat ook niet bekend maken. Maar gij erkent

toch dat gij volgens de wet, het recht hebt en verplicht zijt om, in

dergelijke omstandigheden als waarin gij nu verkeert, alle strijdbare

mannen op te roepen?

--Ja, het recht heb ik.

--En zij moeten u gehoorzamen?

--Dat zal waar zijn!

--Welnu, roep ze dan op, met bevel dat zij ten spoedigste met hun

wapens, zich hier in uw voorvertrek moeten bevinden. Als zij hier zijn,

zal ik hun zelf zeggen, wat wij van hen verlangen. Ik zal zoo tot hen

spreken, dat zij er trotsch op zullen zijn, tegen deze bandieten uit

te trekken.

--Dat doen zij nooit!

--Ik ben er zeker van dat zij het wel zullen doen.

Hij opperde nog allerlei bedenkingen, maar ik bleef bij mijn verlangen,

zoodat hij eindelijk zei:

--Welnu, daar gij het zoo beslist wilt en u op den Padischa beroepen

kunt, zal ik mijn politie-agent halen en hem in uw tegenwoordigheid

gelasten, wat hij te doen heeft.

Toen hij zich verwijderde, zeide Halef:

--Ik begrijp u niet, Sihdi. Denkt gij werkelijk, dat deze prachtige

onderdanen van den Sultan ook maar een vlieg zullen vangen?

--Neen; maar ik heb behoefte aan een vroolijke afleiding die ons tevens

te beter met den aard van dit volk zal bekend maken. Wij reizen immers

om landen en volken te leeren kennen. Welnu ik wilde de bevolking

van hier eens bij elkaar zien, om te weten wat geest hen onderling

beheerscht en hoe zij zich amuseeren. Wij hebben heden ernstige en

gevaarlijke uren doorleefd en mogen ons wel een afleiding veroorloven.

Allen waren het er mee eens; zij waren benieuwd den gewapenden

landstorm, die zou opkomen, te zien.

Na eenige oogenblikken kwam de waard terug en bracht den politie-agent

mee. Deze maakte een weinig martialen indruk. Wel had hij een

verbazenden volbaard, maar zijn verdere persoonlijkheid stemde daar

niet mee overeen. Hij droeg den stempel van een echten hongerlijder,

en zijn kleedij bestond uit een tot aan de knieën reikende broek en een

oud gescheurd van voren dichtgemaakt wambuis. Zijn onderbeenen hadden

kousen noch schoenen. Om zijn hoofd had hij een katoenen doek gedraaid,

van het soort dat op de kermis voor een dubbeltje te koop is. In zijn

hand had hij een olijven-stok, ter dikte van een kinderbeen. In plaats

van een handvat was er een soort sikkel aan. Waartoe? Tot wapen? Dan

was 't een hoogst gevaarlijk ding.

--Heer, hier is mijn politie-agent,--zei de Kiaja. Wilt gij hem zeggen,

wat hij te doen heeft?

--Neen, doe gij dat! Gij zijt de magistraat en hebt te bevelen.

Geheel in mijn geest beval hij hem alle weerbare mannen saam te

roepen. Daarna vroeg ik naar zijn bier-voorraad.

--Ik heb juist gisteren een nieuwen voorraad gekookt,--antwoordde

hij. Gij zult met uw drie vrienden er wel een week lang, genoeg

aan hebben.

--Wilt gij mij uw geheelen voorraad verkoopen?

--Ja. Maar waartoe wilt gij die massa gebruiken?

--De politie-agent mag aan de landstormers zeggen, dat zij al het

voorradige Arpa suju krijgen en ook nog Raki, als zij goed doen,

wat van hen verlangd wordt.

Toen hief de politie-agent-zijn stok omhoog, als tot een eed en zeide:

--Effendi, uw goedheid gaat het al te boven; maar bij Allah en den

Profeet, wij zullen vechten en strijden, als trokken wij tegen de

ongeloovigen op.

--Gij weet dus wat wij gaan doen?

--Ja, de Kiaja, mijn Heer en Gebieder, heeft mij zijn vertrouwen

waardig geacht en het mij gezegd.

--Maar wat u in vertrouwen is medegedeeld, moogt gij aan de anderen

niet oververtellen!

--Geen woord! Mijn mond zal zijn als het boek met zeven zegelen,

waarin niet gelezen kan worden, en als een ijzeren kist, waarvan de

sleutel verloren is.

--Dat raad ik u ook aan. En nu haast u!

--Ik zal vliegen, als de gedachte eens menschen, die in een seconde

om de aarde loopt!

Hij wendde zich om en ging met opgeheven hoofd en deftigen gang de

deur uit.

--Dat is nog nooit gebeurd,--zei de waard. Geen mensch zal alle mannen

van het dorp onthalen, en een vreemdeling allerminst. Heer, men zal u

prijzen nog jaren lang en uw naam gedenken tot in de verste geslachten!

--Wat moet het bier kosten?

--Vijftig piasters.

Dat was zooveel als zes gulden.

--En hoeveel mannen zullen er komen?

--Misschien wel twintig.

--En wat kost hier een vette hamel?

--O, die is hier veel goedkooper dan in Stambul of Edreneh, van waar

gij komt. Voor vijftien piasters hebt gij er een.

--Zeg dan aan de landstormers, dat zij voor zich, als zij dapper

optreden, twee hamels op uw binnenplaats aan het spit mogen braden.

--Heer, heel het dorp zal u zegenen voor uw mildheid. De menschen

zullen----

--Nu ja,--viel ik hem in de rede,--maar gij zelf hebt vette

hamels. Zoek er twee uit en zorg dat ook wij een flink avondeten

krijgen.

--Gij zult er over tevreden zijn. Ik zal voor u zorgen, alsof de

Khalif zelf bij mij te gast was!

Hij spoedde zich weg.

--Nu is hij in zijn schik!--zei Osko en lachte hartelijk.

--Ja, maar die blijheid bevalt mij minder. Bezorgd, dat de mannen hun

leven er bij kunnen inschieten, is hij in 't geheel niet meer. Dat

komt mij verdacht voor.

--Hij zal maatregelen genomen, hebben, die hem zeker doen zijn,

dat zij geen gevaar loopen.

--Hij zal er ons toch niet laten inloopen?

--Dat is onmogelijk. Hij zorgt, dat onze vijanden weggaan. Dat is

het eenige wat hij zal doen.

Het duurde lang, zeer lang, voor de eerste der strijdbare helden

verscheen.

Toen deze aankwam, deed de waard de deur onzer kamer open en berichtte:

--Effendi, zij beginnen reeds te komen. Zal ik al Arpa suju brengen?

--Neen, eerst moeten zij toonen, dat zij dapper zijn.

Stuk voor stuk kwamen nu ook de anderen. Ieder kwam bij onze deur,

die open stond, en maakte een diepe buiging, ons tevens nieuwsgierig

opnemende. Maar de blikken, die zij op ons wierpen, verrieden nog iets

anders dan loutere nieuwsgierigheid of blijdschap over de smulpartij,

die hen wachtte. In hun oogen blonk echte guitigheid. Zij hadden

een geheim, waarover zij zich vroolijk maakten. Gewapend waren ze

allemaal; met geweren, pistolen, sabels, bijlen, messen, sikkels en

dergelijke werktuigen.

Een poos later hoorden wij een luid Hallo! van deze dapperen. Wij

zagen den politie-agent binnenkomen en achter hem aan, nog meer

mannen. Ook dezen waren gewapend, maar bovendien had ieder van hen

nog een muziekinstrument bij zich.

Stram en stijf kwam hij bij ons binnen, de anderen volgden hem.

--Heer, meldde hij,--deze strijdvaardige mannen zijn present en

wachten op uw bevelen.

--Goed! Maar wat moeten de mannen, waar gij mee binnen gekomen zijt?

--Dat zijn de Tschalgydschylar (muzikanten), die eerst de Tschenk

makami (krijgsmuziek) en daarna de Makam er raks en nagmeh (dans-

en zangmuziek) zullen maken. Zij zullen de troepen tot de grootste

dapperheid opwinden.

--Ah, gij wilt dus met muziek tegen de vijanden oprukken?

--Natuurlijk! Dat is zoo het gebruik in ieder leger. Bij stormloopen

wordt getrompet.

Dit was allercurieust. De vier schurken moesten in alle stilte

omsingeld en gevangen genomen worden, en deze politie-man wilde met

muziek tegen hen optrekken. Dat hij van stormloopen en krijgsmuziek

sprak, bewees dat hij aan de mannen reeds gezegd had, met welk doel

zij geroepen waren. Hij had dus mijn gebod overtreden, maar ik zweeg

er over. Trouwens, hij liet mij niet aan het woord komen, want hij

pakte den man, die zoo iets als een trommel aangegespt en twee stokken

in de handen had, bij de borst, plaatste hem voor mij en zeide:--Deze

slaat de Dawul (trommel). Hij is meester op dit instrument.

Den trommelslager op zij schuivende, trok hij een ander vooruit die

een hoepel droeg, waarover een vel was gespannen.

--Deze laat de Dawuldschuk (tamboerijn) rinkelen en die daar blaast

op de Düdük (fluit).

Na deze voorstelling duwde hij er een, die een lange fluit had, op

de plaats voor zijn voorganger, maar slingerde hem weer weg, om twee

anderen voor te brengen, die snareninstrumenten schenen te hebben. Deze

tokkelt de Kytarn (gitaar), en gene zaagt op de Keman (viool). Maar nu

komt het voornaamste, Effendi! Hier deze laatste heeft het eigenlijke

krijgsinstrument. Hij laat heldentonen hooren. Hij geeft de maat aan

en blaast de vijanden omver, wanneer hij wil. Hij blaast de Zurna

(bazuin), waaraan niemand weerstand kan bieden. Gij zult over onze

muziek tevreden zijn.

Ik twijfelde er zeer aan. De zoogenaamde gitaar, bestond uit een plank

waar een hals aan gelijmd was. Twee van de snaren zouden gewiegeld

hebben, wanneer de avondwind hier in de kamer was gekomen. De viool

bestond uit een hals met iets als een kropgezwel er aan. Over den

kam liepen drie snaren, zóó dik dat misschien een vioolbas ze had

kunnen gebruiken. De strijkstok bestond uit een kromme lat, die krom

gehouden werd door een sterk snoer. Een groot stuk pek, dat de man

in zijn hand had, moest de hars vervangen!

Door het land der Skipetaren · 第 15 / 34 段