Nu steeg Omar op de aangegeven manier op de schouders van Osko. Ik was

langer dan de kleine Hadschi en behoefde mijn armen zelfs niet uit

te strekken, om bij het luik te komen. Ik stootte er met mijn hoofd

bijna tegen aan. Ik had het phosphor-fleschje bij mij en belichtte de

planken. Aan de eene zijde van het luik was een ijzeren duim, waar de

grendel door werd geschoven. De beide punten van den duim waren door

het hout geslagen en van binnen haaksgewijze weer in het hout gedreven.

Ik tikte met den knokkel van mijn wijsvinger, en naar den klank te

oordeelen, konden de planken hoogstens anderhalven duim dik zijn. Op

mijn getik volgde ook nu een beantwoording:

--Hoort gij het? Ze zijn weer aan den gang. Nu, zij zouden mij mee

moeten optillen, als zij het luik al openbraken.

Daar ik nu dichter bij den sprekende was, herkende ik duidelijk de

stem van den slager. De plek, vanwaar de stem kwam èn de woorden

verrieden dat hij op het luik zat. Dat was een onvoorzichtigheid,

die men van een bandiet niet zou verwacht hebben.

Hij lachte hoonend. Een tweede lach beantwoordde den zijne. Daarna

hoorde ik de woorden:

--Deze muizen kunnen niet ontkomen, want de katten zitten voor de

val.--Deze stem herkende ik niet; maar toch hoorde ik dat de spreker

naast het luik zat, juist boven mijn hoofd.

--Hoort gij wel?--vroeg Halef. Ze zijn er nog, nu kunt gij hen

verzoeken om weg te gaan. Ik zou wel eens willen weten, hoe gij dat

zult aanleggen.

--Dat zult gij terstond hooren. Reik mij mijn geweer toe, Osko en

Omar moeten onbeweeglijk blijven staan.

--Ah, nu begrijp ik het. Welk geweer?

--Den berendooder.

Ik had dit, zooals van zelf spreekt, zeer zachtjes gezegd, opdat het

door de twee boven mij, niet zou worden gehoord. Halef gaf het geweer

aan Osko, die het Omar toereikte.

--Let nu goed op,--Omar! fluisterde ik. Ik heb hier in de hoogte

geen ruimte om mijn geweer aan te leggen; ik kan alleen den loop

vasthouden, en daarheen richten waar de kogels moeten treffen. Ik

zeg 'een' en 'twee'. Gij neemt den kolf in beide handen. Bij 'een'

schiet gij den rechterloop af, en daarna, als ik weer gemikt heb,

dus bij twee, den linker. Begrepen?

--Ja, Heer!

Ik had mijn tweeloops-geweer in de hand en richtte het op het midden

van het luik, waar de slager moest zitten.

--Nu!--Eén!

Het schot knalde. Boven ons klonk een kreet van schrik en een gil.

--Allah! Zij schieten!

Dat was niet de stem van den slager, maar die van den andere. Deze

laatste zat op dat gedeelte van de zoldering, dat uit boomstammen was

gemaakt. Ik richtte nu den linker loop op een plek, waar twee stammen

tegen elkaar lagen, en de kogel dus niet een stam, maar slechts de

basten had te doorboren.

--Twee!

Het tweede schot van mijn berendooder dreunde in de enge ruimte bijna

als een kanonschot.

--O Allah, Allah!--kermde de getroffene. Ik ben getroffen! Ik ben dood!

De slager had geen geluid gegeven. Wel had ik zijn gil gehoord,

maar verder niets. Luid gekerm weerklonk.

--Osko, worden wij u te zwaar?--vroeg ik.

--Zoo langzamerhand, ja.

--Dan willen wij wat uitrusten; wij hebben geen haast.

Toen ik weer op den grond zat en de anderen bij mij stonden, zeide

Halef:

--Ja, Sihdi, zulke verzoeken kan men niet afslaan. Hebt gij raak

geschoten?

--Tweemaal. De slager schijnt dood te zijn. De kogel is waarschijnlijk

door de edele deelen van zijn zitvlak in zijn lichaam gedrongen. De

andere is maar alleen gewond.

--Wie kan dat zijn?

--Waarschijnlijk de gevangenbewaarder. Was het een ander geweest, ik

zou hem aan zijn stem herkend hebben. Dien heb ik zóó weinig hooren

spreken, dat ik mij zijn stem niet herinneren kan.

--Gij houdt het er dus ook voor, dat geen andere zich weer op de

zoldering zal wagen?

--Die domheid zal geen derde begaan, want het is duidelijk dat het

hem het leven kan kosten.

--Maar hoe krijgen wij het luik open? Dat is de hoofdzaak!

--Ik zal de ijzeren kram uit het luik wegschieten. Een paar goede

schoten op de spijkerpunten, waarmee ze in de planken vastzit, zullen

wel genoeg zijn. Ik laad twee kogels op ieder schot, dan moeten ze

er uit.

--Ah, als u dat gelukte!

--Dat gelukt zeker.

--Dan vlug naar boven en weg uit dit hok!

--Oho! Dat gaat maar zoo gauw niet. Hoe zult gij er uit komen?

--Wij klimmen op de schouders van Omar.

--En hoe komen Osko en Omar er uit?

--Wel, wij trekken ze omhoog er uit.

--Ja, als Omar ook op de schouders van Osko gaat staan, kunnen wij

hem optrekken, maar dan kunnen wij niet bij Osko komen.

--Dat is geen bezwaar. Als wij er uit zijn, dan gaan wij van het dak

af, en doen de deur open, waardoor wij binnen zijn gekomen.

--Alsof men ons dat zoo ongehinderd zou laten doen! En ook voor mij

zal dat bezwaarlijk gaan. Gij vergeet mijn verzwikten voet.

--Nu, op de een of andere manier moet dat toch mogelijk te maken zijn.

--Dat spreekt van zelf! Ik hoop, dat wij het touw, waarmede Mubarek

opgetrokken is, nog wel zullen vinden. Dan zouden wij ons daarmee

kunnen laten afzakken; maar wij moeten eerst nog op veel bedacht

zijn. Wij zullen natuurlijk, zoodra wij daar boven uit komen, met de

noodige kogels begroet worden.

--Ik geloof niet dat er hier boven nog iemand zal zijn.--zei Halef.

--Hier op de zoldering, neen, dat geloof ik ook niet, maar op het dak

hier nevens, zullen er des te meer zijn. Die kunnen uit hun verdekte

positie veilig op ons schieten.

--O wee! Dan kunnen wij er toch nog niet uit?

--Wij zullen het toch beproeven. Ik ga voorop.

--Neen, Sihdi, ik! Zouden wij u laten doodschieten?

--Wij u soms?

--Wat is er aan mij verbeurd!--antwoordde de trouwe Hadschi.

--Zeer veel! Denk aan uw Hannah, de lieflijkste aller vrouwen en

meisjes. Ik heb geen Hannah, die op mij wacht.

--Maar gij zijt, ook zonder een Hannah, meer waard, dan ik met de

tien mooiste rozen uit den harem van het Paradijs.

--Laten wij daar niet over twisten! De hoofdzaak is, zooals ik u

eerlijk moet zeggen, deze, dat ik meer op mijzelf vertrouw dan op

u. Ik ga voorop, gij moogt de tweede zijn. Maar gij moogt niet komen,

voor ik u roep.

Ik nam mijn groen-zijden tulbanddoek uit mijn zak en wond dien om mijn

fez. Halef zag het bij het schijnsel van het lichtfleschje en vroeg:

--Waarom doet gij dat? Wilt gij u ten doode wijden?

--Neen, ik zal den tulband op den loop van mijn geweer steken en dien

door het luik omhoog houden. Naar zich denken laat, zullen zij het er

voor houden, dat er iemand uit wil komen, en zij zullen schieten. Dan

moeten zij laden, voor zij weer kunnen schieten, want zij hebben geen

twee-loops geweren, en vóór zij daarmee klaar zijn, overval ik hen

met mijn Henribuks, waarop ik vier en twintig schoten heb.

--Mooi! Prachtig! Schiet goed raak en laat er geen een ontsnappen!

--Hoe zou ik zeker zijn van mijn schot, nu het donker is?

--Donker?

--Natuurlijk! Gij vergeet dat wij hier al heel lang opgesloten zijn

geweest. De zon moet al onder zijn. Maar mij dunkt, wij hebben lang

genoeg gerust en kunnen beginnen. Denkt er aan: als ik er uit ben,

mag Halef tot aan het luik komen; maar eerst dan er door klimmen,

als ik het zeg.

Ik hing mijn Henri aan mijn schouder en hield mijn berendooder, welks

beide loopen ik met twee kogels geladen had, in de hand. Daarna nam

Omar mij weer op zijn schouders en klom op die van Osko. Ik moest

mij haasten, om de beide genoemden niet te veel te vermoeien.

--Wij schieten weer zooals we straks deden, Omar,--fluisterde ik hem

toe. Eerst schiet gij den rechterloop af, daarna den linker. Ik leg

op de krampunten aan. Vooruit!--Een!--Twee!

De schoten knalden, en de kogels vlogen door alles heen, want ik kon

door de beide gaten heenzien, daar er een vuur brandde.

--Zij hebben voor de deur een vuur aangelegd,--zeide ik. Dat is voor

ons zoowel goed als kwaad. Want nu kunnen wij hen wel zien, maar zij

insgelijks ons.

--Hoe staat het met de kram?--vroeg Halef.

--Dat willen wij zien.

Ik stootte tegen het luik, en dat gaf mee. De zware berendooder had

zijn plicht gedaan.

--Geef het geweer nu aan Osko, Omar, want het luik gaat open. Opgepast

allebei! Ik moet op Omar's schouders knielen.

Niet zonder moeite kwam ik in die houding, moest echter bukken,

want ik stootte met mijn hoofd. Ik wierp nu het luik omhoog en--het

sloeg om. Met mijn Henrigeweer, schietvaardig, wachtte ik eenige

oogenblikken. Er bewoog zich niets. Toch moest men het luik hebben

hooren openslaan. Ook moesten zij dat gezien hebben, want het was

helder licht, door het vuur dat voor de deur brandde en tegen de

rotswanden opflikkerde.

Ik stak nu mijn tulband op den loop van mijn geweer, dat ik langzaam

omhoog hief, daarbij zuchtende als iemand die zich moeilijk naar

boven werkte.

Mijn list had het gewenschte gevolg: er vielen twee schoten. Een kogel

had den loop van mijn geweer even geraakt, zoodat het mij bijna uit

de handen vloog.

In minder dan geen tijd was ik nu met mijn bovenlijf door de opening

van het luik. Ik zag het vuur. Op het dak van het voorvertrek lag een

mensch--het lijk van den slager, zooals ik terstond zag. Ook stonden

daar de twee mannen, die van achter het hekwerk, dat ons scheidde,

op mijn tulband hadden geschoten.

Die onvoorzichtigen hadden een voornaam iets niet bedacht, namelijk,

dat ik hen beter kon zien dan zij mij, omdat zij in het licht stonden,

dat achter hen brandde. Een van hen was bezig op nieuw te laden,

en de ander hief zijn geweer op om op mij te schieten.

Terstond legde ik op hem aan. Hij was aan mijn genade overgeleverd,

maar ik wilde hem niet dooden en mikte dus op zijn linker-elleboog,

dien hij mij voorhield. Ik trok af. Hij liet zijn geweer vallen,

gaf een gil en viel van het dak naar omlaag. De ander wendde zich

oogenblikkelijk om, sprong zijn gewonden makker achterna en vluchtte

naar het vuur. Het was Bybar, de Skipetaar. Bij het vuur zaten zijn

broeder, Manach el Barscha en Barud el Amasat.

--Zij komen, zij komen! Ga weg van het vuur!--brulde hij. Gij zit in

het licht, zij schieten u neer!

Het drietal sprong op en alle vier vluchtten naar het bosch. Hij,

wiens elleboog ik stuk geschoten had, moest dus de oude Mubarek

zijn. En nu herinnerde ik mij, dat zijn arm buitengewoon dik was

geweest. Onder zijn mouw zat nog het verband van het schot, dat hij

bij de ruïne van Ostromdscha gekregen had.

Ik kroop tot aan den rand van het platform. Juist! Beneden op den grond

zes el of iets lager onder mij, lag de oude schelm, bewegingloos. Toen

zij nog op het dak waren, had ik ze niet herkend, verdekt opgesteld

als zij waren. Hier aan de zijzijde van het voorvertrek, waar ik over

den rand hen bespiedde, drong het licht niet door. Het was er tamelijk

donker. Indien het mij mogelijk was aan dien zijkant naar omlaag te

komen, dan kon ik door de in het bosch verscholenen niet gezien worden.

Daarover denkende, hoorde ik achter mij:

--Sihdi, ik ben het! Mag ik er uit komen?

--Ja, Halef; maar ga niet rechtop staan, anders zien zij u en schieten.

--O, wij zijn kogelvrij.

--Geen gekheid! Kom!

Hij kroop door de opening.

--Oho, wie ligt hier?

--De slager. Mijn kogel heeft hem gedood, zooals ik wel dacht.

--Dan heeft hij zijn verdiende loon al gauw gekregen. Allah zij

hem genadig!

Scherper rondziende, zag ik een ijzeren ring in den rotswand vast

gemaakt. Door dezen ring liep een touw, aan welks einde twee lussen

waren, wat wij al gezien hadden, toen Mubarek opgehaald werd.

--Sihdi, aan dat touw zal de gevangenbewaarder zich afgelaten hebben.

--Waarschijnlijk wel, Halef. Deze machinerie is met opzet hier

aangebracht. Zou het spelletje, dat ze met ons vertoond hebben,

ook al met anderen gespeeld zijn?

--Ach Effendi, misschien zijn al heel wat menschen hier in die

rotsholte van dorst omgekomen!

--Van deze schurken kan men zoo iets verwachten; zij waren het

tenminste wel degelijk van plan. Als wij nu dit touw naar binnen

laten zakken, dat kunnen Osko en Omar gemakkelijk bij ons komen.

Zoo gezegd, zoo gedaan. Al gauw zaten die twee bij ons. Wij tuurden

wat wij konden, maar trachtten te vergeefs een der in het bosch

gevluchten te ontdekken.

Ik haalde het touw naar ons toe en sloot het luik weer dicht.

--Zoudt gij denken, Sihdi, dat wij nu, zonder opgemerkt te worden,

ons met dat touw naar omlaag kunnen laten zakken?--vroeg Halef.

--Ja,--zeide ik,--want het is hier donker. Trouwens, wij zullen het

wagen. Wij kunnen de proef nemen met den slager. Een kogel meer,

zal hem niet hinderen. Schieten ze op hem, welnu ik heb mijn geweer

tot antwoorden gereed. Zie ik hun schot flikkeren, dan heb ik een

mooi mikpunt.

Het lijk werd neergelaten, langzaam aan, om onze vijanden tot schieten

te verleiden. Niets bewoog zich.

--Ik ga nu het eerst naar omlaag,--zeide ik. Ik kruip terstond tusschen

het struikhout en dan verder het bosch in. Als zij nog hier zijn,

moet ik ze daar zien. Maar er is ook een bron; bij gevolg zullen er ook

padden en kikkers zijn. Het geluid van die dieren valt dus niet op. Gij

blijft hier, tot gij mij een van die dieren hoort nadoen. Hoort gij

een pad, dan blijft gij hier tot het vuur uit is. Kwekt een kikvorsch,

eens en diep uit de borst, dan komt gij langs het touw omlaag, maar

blijft staan tot ik kom.

--Dat is te gevaarlijk voor u, Sihdi!

--Pah! Als de oude Mubarek, die hier ligt, ons maar geen kwaad brouwt

en zich bewusteloos houdt. Ook de gevangenbewaarder moet ergens

zitten. Neem u in allen gevalle goed in acht. Ik ga.

De berendooder lag in de rotsholte. Mijn Henrigeweer hing ik om,

greep het touw en daalde in allerijl omlaag. Daar lag het lijk en er

naast Mubarek, onbeweeglijk, als was hij dood.

Het touw was veel langer dan noodig. Ik sneed er een duchtig stuk af

en knevelde er den ouden schurk mee. Zijn arm bloedde, en het bleek

mij, dat ik zijn elleboog verbrijzeld had. Misschien was hij bij zijn

val op zijn hoofd neergekomen en bewusteloos geworden.

Nu kroop ik verder, altijd langs de rots, door varens en struiken

gedekt. Tevens was mijn oog aldoor gevestigd op de plek waar het vuur

brandde. Zoo kon mij niets ontgaan, wat er tusschen het vuur en mij

mocht wezen.

Ik voelde mij volkomen veilig. Wat wisten die menschen van het

besluipen, zooals ik dat bij de Indianen geleerd had! Zij dachten niet

anders, of wij waren nog op het dak, en zij keken, indien ze er nog

waren, natuurlijk daarheen en niet naar wat achter hen gebeurde. Ook al

ontdekten zij waar ik was, dan behoefde ik hen nog niet te vreezen. Met

de vele schoten, die ik op mijn geweer had, was ik ze dan toch nog

de baas. Ik kon rustig blijven zitten, en ze alle vier neerschieten.

Ik zal ongeveer vijftig passen ver gekomen zijn, toen ik paarden

rook. Ik sloop verder en hoorde stemmen. Weldra zag ik paarden en

menschen. De dieren waren aan de boomen gebonden, de mannen stonden

bij elkaar, zacht sprekende.

De paarden stonden niet onbeweeglijk stil. Zij hadden zich tegen

nacht-insekten te verweren, ze stampten met hun hoeven en sloegen

met hun staart om zich heen. Dit maakte zooveel leven, dat zelfs een

ongeoefende hen benaderen kon.

Eindelijk had ik ze bereikt. Ik kroop tusschen twee paarden en lag

daar, in lang rietachtig gras verborgen. De mannen stonden niet verder

dan drie pas van mij af.

--Mubarek is er geweest,--hoorde ik Manach el Barscha zeggen. De oude

was een ezel om daar te gaan staan.

--Dan was ik er ook een?--vroeg de Aladschy.

--Gij waart voorzichtiger en hebt u niet laten treffen.

--Hij zou ook mij neergeschoten hebben, als ik het niet op een loopen

had gezet.

--Maar wie heeft geschoten?

--Wie? Moet gij dat nog vragen! Natuurlijk hij, de Effendi genoemd.

--Hij, met den verzwikten voet, hij zou door het luik gekropen zijn?

--Zeker. Had hij maar zijn nek gebroken, in plaats van zijn voet! Dan

zou ik Allah nog eens bedankt hebben. Maar men ziet toch, dat hij

wel degelijk kwetsbaar is.

--Pah! Dat hij kogelvrij zou zijn, heb ik nooit geloofd. Dat is

een leugen.

--Een leugen? Hoor eens, ik geloof het nu nog meer dan ooit. Mubarek

had hem op de korrel, toen hij het hoofd door het luik stak. Ik

mag vervloekt zijn, als ik hem niet getroffen heb. Ik kan hem niet

gemist hebben. De monding van mijn geweer was geen twee armlengten

van zijn hoofd af, dat wij duidelijk zagen. Wij hebben allebei hem

getroffen. Ik zag, dat zijn hoofd terug sloeg, want zoo'n kogel

heeft een vreeselijke kracht, als hij aanslaat; maar op hetzelfde

oogenblik, dat wij hem raakten, hoorde ik onze kogels tegen de rots

slaan. Ze moeten van zijn hoofd afgesprongen zijn, en ze zouden, bij

terugkaatsing, ons getroffen hebben, als wij niet verdekt opgesteld

geweest waren. En ook te zelfder tijd had de kerel op Mubarek aangelegd

en hem neergelegd. Hij moet hem het hoofd doorschoten hebben, want de

oude gaf maar een enkelen gil en viel dood naar omlaag. Het zou mij

eveneens vergaan zijn, als ik niet terstond op de vlucht was gegaan.

--Wonderlijk! Om bang van te worden!

--Ja. Gij weet, dat ik zelfs voor den Scheïtan niet uit den weg ga,

maar voor deze kerel ben ik angstig bang. Men kan hem alleen met het

mes of met een heidukkenbijl aan het lijf komen, en dat zullen wij

van daag hebben.

--Maar weet gij zeker, dat ge uw geweer geladen hadt?--vroeg Manach

el Barscha.

--Volkomen zeker. Ik had met opzet een dubbele prop op den kogel

gedaan. Verbeeld u, vier voet van af zijn hoofd, brandde ik los!

--Hm! Kreeg ik maar eens de gelegenheid, om op hem te schieten! Ik

zou er de proef wel eens van willen nemen.

--Waag het niet! het zou u het leven kosten, want hij kaatst den

kogel terug. Hadt mijn raad maar gevolgd, en den kerel overvallen,

toen hij onder weg in den draagstoel zat! Toen was hij in onze macht.

--Mubarek verbood het ons.

--Dat was dom van hem.

--Ja, maar wie kon vermoeden, dat het zoo zou loopen! En het was

een prachtige gedachte, die honden daar binnen van honger te laten

verrekken. Maar de duivel heeft ze in zijn bizondere bescherming

genomen. Ik wil hopen, dat hij zich nu eindelijk eens neutraal houdt.

--Het is toch al te dol, den slager door het luik heen, dood te

schieten en het been van den ander te vermorzelen! De arme jongen

heeft een ellendigen dood gehad.

--Om zijn dood zal ik niet treuren,--zei Barud el Amasat. Hij stond

mij al lang in den weg, en wij hadden niets dan last van hem. Men

kon geen vertrouwelijk woord samen spreken. Daarom heb ik hem, toen

hij binnen gedragen was, nog een kolfslag gegeven.

Afschuwelijk! De gevangenbewaarder was, door dengene, dien hij bevrijd

had, vermoord! Hij betaalde die misdaad wel duur. De vier schurken

waren toch echte galgebrokken.--Laten we nu een besluit nemen, voor

de tijd verloopt!--stelde Sandar voor. Zullen wij ze aanpakken,

waar zij nu nog zijn?

--Neen,--antwoordde Manach el Barscha. Daar is het te licht. Zij

zien ons daar, en dan zijn wij verloren, omdat zij kunnen schieten

en onze kogels hen niet kunnen schaden. Wij moeten hen in 't donker

overvallen, zonder dat zij het vermoeden. Vier houwen of steken,

en zij zijn er geweest.

--Daar ben ik het mee eens; maar waar zal het gebeuren?

--Natuurlijk in het bosch.

--Neen, hoog opgaand hout deugt voor onzen aanval niet. Bij den

uitgang van het bosch zijn wij zekerder, vooral van onze worpen. Daar

geven de sterren genoeg licht, om ons niet te vergissen. Zij zullen

denzelfden weg volgen, waarlangs zij gekomen zijn; want een anderen

kennen zij niet. Zij moeten dus in onze handen vallen. Het beste is,

dat wij hen opwachten in het struikhout, waar het vrije veld begint.

--Goed zoo,--stemde Bybar in, wiens klankgeluid verried dat zijn mond

en neus gewond waren. Wij zijn met ons vieren, en zij ook. Ieder van

ons neemt er dus een voor zijn rekening. Ik kies voor mij den Effendi:

gij zorgt voor de dragers en den kleine. Hij heeft mij het gezicht

kapot geslagen, ik wil hem het licht uitblazen.

--Maar hij zal in den draagstoel zitten, want hij kan, met zijn voet,

niet loopen. Hoe zult gij hem dan te pakken krijgen? Voor gij de

schuifdeuren open hebt, heeft hij, met zijn pistool u gegroet, zoo

dat gij geen vin meer verroert.

--Denkt gij dat ik hem die kans nog zal geven, of mij om dien stoel

iets bekommer? Ik zal het kort met hem maken. Met mijn Czakan sla ik

de kap te morzelen, met dien eenen slag raak ik den kerel zoo geducht,

dat hij naar geen tweede zal vragen, maar voor altijd genoeg heeft.

--En als u dat niet gelukt?

--Het zal, het moet gelukken!

--Denk aan wat gebeurd is! Overal en altijd hebben wij gedacht, dat

ons plan gelukken moest, en toch zijn die Satanskinderen er altijd

beter afgekomen dan wij. Men moet steeds op alles bedacht zijn. Wij

kunnen gestoord worden, wat dan?

--Hm! Als wij te weten konden komen, wanneer zij van Sbiganzy

vertrekken!

--Toch zeker morgen! Zij zullen denken, dat wij vluchten, en daarom

niet talmen met ons te volgen.

--Welnu, dan voeren wij het plan uit, dat wij dezen namiddag bespraken:

wij zenden hun onzen Suef op den hals, die zal ze aan onze genade

overleveren. Hij is de slimste vogel, dien ik ooit gezien heb, en

hij kent het terrein tusschen hier en Prisrendi zoo precies als ik

mijn zak. De keus van de plek, waar wij zullen aanvallen, kunnen wij

gerust aan hem overlaten.

--Dan stel ik voor, nu op weg te gaan. Wij weten niet, wanneer

die kerels zullen opbreken. Het zou verdrietig zijn, als ze eerder

weggingen, dan wij.

Langer kon ik niet wachten en kroop als een kreeft, terug tot aan

de rots, en toen verder naar mijn metgezellen. Toch bleef ik, goed

verscholen, op eenigen afstand uitzien, of onze vijanden werkelijk

vertrokken.

Nog een kort eind kroop ik voort, maar toen richtte ik mij op en

ging met mijn hand tegen de rots leunende, strompelend verder. Het

optrekken van mijn linkerbeen, bij het kruipen noodig, was inderdaad

een te groote inspanning geweest, maar zoo leunende kon ik, op

mijn rechtervoet alleen, wel vooruit komen. Ik zag er van af om het

gekwek van een kikvorsch na te bootsen, want ik was al gauw onder

de belichting van het vuur, en daar ik rechtop stond, zagen de

vrienden mij.

--Komt maar hier! riep ik ze toe.

Ze lieten zich zakken, en toen was ik zóó moe, dat ik moest gaan

zitten.

--Laten wij die twee snaken eens visiteeren, zeide Halef. Misschien

hebben zij een en ander bij zich, dat ons van nut kan zijn.

--Van den slager neemt gij niets,--gebood ik. Wat er in zijn zakken

is, komt ons niet toe. Daarover beschikke de Kiaja. Maar wat Mubarek

bij zich heeft, dat nemen wij.

Hij had een mes en een paar oude pistolen bij zich. Zijn geweer lag

op het dak; wij hadden het niet noodig. Maar twee buidels, groote

volle buidels, haalde mijn kleine Hadschi uit zijn zak.

--Hamdullillah! riep hij uit. Hier heb ik de Kahlifen en de geleerdheid

van den Koran! Sihdi, dat is goud, goud, goud!

--Ja, die den Kodscha Bascha zóóveel voor zijn vrijlating kon geven,

moest wel goud hebben. Wij kunnen het hem afnemen, zonder te moeten

vreezen, onrecht te doen.

--Natuurlijk nemen wij het!

--Maar wie zal het hebben? Zullen wij het deelen, Halef?

--Effendi, wilt gij mij iets schandelijks laten doen? Houdt gij uw

Halef voor een dief? Ik neem het hem af, om het aan behoeftigen te

geven. Herinner u eens, hoe de waard in dat kleine dorpje was, en

hoe gelukkig die Nebatja, en ook die arme mandenmaker! Met dit geld

kunnen wij aan heel wat honger en kommer een einde maken, en voor

ons Allah's zegen verkrijgen.

--Dat antwoord had ik van u gewacht!

--Sihdi, steek dat geld bij u!

--Neen gij steekt het bij u; gij zult onze aalmoezenier zijn beste

Halef!

--Dat ambt neem ik dankbaar aan! Ik zal het eerlijk en trouw

waarnemen. Laten wij nu het geld natellen.

--Daar hebben wij nu geen tijd voor; wij moeten weg! Breng nu die twee

mannen in de rotsholte. De doode gevangenbewaarder ligt er reeds in.

--Dus hebt gij hem ook doodgeschoten?

--Neen, slechts gewond, en Barud el Amasat heeft hem met de kolf van

zijn geweer de hersens ingeslagen, omdat de man hem hinderlijk was.

--Wat een schoft! Laat hij eens in mijn handen vallen!--Pak aan,

gij beiden! Eerst dragen wij den Effendi voor in de hut.

Toen zij mij in het voorvertrek neergezet hadden en zich verwijderden

om het lijk van den slager en Mubarek te halen, hoorde ik erbarmelijk

steunen. De bewaarder was dus nog niet dood. Halef moest toen hij

terugkwam, een stuk glimmend hout halen. Bij het schijnsel zagen wij

de lantaarn van den oude. Dat ding stond op de bank, en wij staken

het aan.

Nu konden wij den kermende beter zien. Hij zag er verschrikkelijk

uit. Mijn kogel had zijn dijbeen verbrijzeld en tengevolge van den

kolfslag, gaapte zijn hersenpan. Hij was reddeloos verloren en staarde

ons met starre oogen aan.

--Hier hebt gij mijn fez, Halef; breng water!

Deze hoofddekking wordt zoo fijn geweven, dat men er water in kan

doen. Wij gaven den stervende eenige lafenis en goten hem aanhoudend

water over het hoofd. Dit scheen hem goed te doen. Zijn oogen kregen

weer eenigen glans. Hij zag ons aan, alsof hij weer begon te denken.

--Kent gij ons?--vroeg ik.

Hij maakte een toestemmende beweging.

Door het land der Skipetaren · 第 14 / 34 段