zijn. Op eens dacht ik aan den veerman te Ostromdscha, en hoe die
zich bij den ouden Mubarek legitimeeren moest. 'Bir Syrdasch'--een
vertrouwde--had hij voor de deur moeten roepen. Zou dat ook hier het
teeken zijn? Ik waagde het er op en antwoordde:
--Natuurlijk moet ik het kennen, want ik ben immers een bir
syrdasch--een vertrouwde.
Nu knikte hij mij vriendelijk toe, reikte mij de hand en zeide op
een bijna hartelijken toon:
--Ook dat woord is het juiste. Gij zijt een van de onzen. Ik mag u
vertrouwen en heet u welkom. Wilt gij niet liever dit huis verlaten
en mijn gast zijn?
--Ik dank u. Gij begrijpt zelf, dat het beter is, dat ik hier blijf.
--Gij zijt een verstandig en bedachtzaam man; dat verblijdt mij en
verhoogt mijn vertrouwen. Welke boodschap hebt gij ons te brengen?
--Dat mag ik alleen aan den Shoet zeggen.
--Gij hebt dus ook leeren zwijgen. Hm! Wat zal ik doen?
Hij stond op, en bij zichzelf nadenkende, liep hij het vertrek op en
neer. Eindelijk vroeg hij:
--Betreft uw boodschap een persoon of een zaak?
--Een zaak, die zeer veel opbrengen zal.
Zijn oogen fonkelden van geldgierigheid.
--En wat verlangt gij van mij?
--Dat gij mij naar de Derekulibe brengt.
--Denkt gij den Shoet daar te zullen vinden?
--Ik wil het hopen.
--Welnu, in vertrouwen kan ik u zeggen, dat hij u daar verwachten zal,
wanneer ik hem bericht zend. Daar zal een klein uur mee verloopen. Hebt
gij zoo lang geduld?
--Als het zijn moet, zal ik wachten, ofschoon ik haast heb.
Er lag mij natuurlijk veel aan gelegen, om Mubarek voor te zijn. Kwam
deze binnen het uur hier aan, dan was mijn kans verkeken.
--Ik zal mij haasten, beloofde hij mij nogmaals. En nu een
onderzoekenden blik op mijn vrienden slaande, vroeg hij:
--Wie zijn die mannen?
--Mijn vrienden en mijn metgezel.
--Komen zij voor dezelfde zaak?
Ik zeide van ja, en hij vroeg verder:
--Willen ook zij den Shoet zien?
--Dat is niet bepaald noodzakelijk. Het is voldoende wanneer ik alleen
met hem spreek.
Er gleed een nauwlijks merkbaar en niet te beschrijven lachje over
zijn gezicht. Hij draaide de punten van zijn lange snorren op, keek
de drie mannen nogmaals onderzoekend aan en antwoordde:
--Zij moeten ook meekomen. De Shoet zal ben ook willen zien, omdat
zij met u hier gekomen zijn.
--Ook dat is mij goed.
--Maar, Heer, ik zie dat gij laarzen aanhebt, als iemand die lijdt. Wat
hebt gij aan uw beenen?
--Bij het rijden heb ik mijn voet verzwikt; ik kan dus niet loopen.
--Maar hoe wilt gij dan naar de Derekulibe komen?
--Te paard.
--Dat bewijst onbekendheid met den weg. Te paard kunt gij onmogelijk
door het struikhout komen.
--Zou misschien de Shoet zich de moeite willen geven om bij mij
te komen?
--Wat denkt gij wel! Al verzocht de Padischa zelf het hem, hij deed
het niet.
--Dat wil ik best gelooven!
--Overigens laat hij zijn gezicht nooit zien. Hij maakt het altijd
zwart. En zoo zou hij toch niet hier kunnen komen!
--Neen, dat begrijp ik. Maar hoe zal ik dan naar hem toe komen?
--Daar is maar één middel op: Gij moet u laten dragen.
--Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. De dragers zouden het
niet volhouden.
--Geen nood! Zij moeten u ook niet op hun armen dragen; men neemt
eenvoudig een draagstoel. Die zal ik u bezorgen. Mijn moeder is zoo
oud en zwak, dat zij niet meer loopen kan. Ik heb daarom een draagstoel
voor haar laten maken, opdat zij bezoeken zou kunnen afleggen, zonder
te veel van haar voeten te moeten vergen.
--Daarmee zult gij mij zeer verplichten. Zoudt gij ook dragers willen
bestellen?
--Hoe krijgt gij dat in uw hoofd! Dragers! Kunnen wij vreemden dat
laten doen? Dan bleef onze schuilplaats niet lang geheim. Uw eigen
mannen moeten uw dragen.
--Goed; laten zij den draagstoel dan halen.
--Dat kan zoo terstond maar niet. Ik moet den Shoet eerst
waarschuwen. En dan moet gij den waard zeggen, dat gij een vriend
van mij zijt en hij alles moet doen, wat ik hem zeg.
--Waarom?
--Omdat ik niet weet, wat gij den Shoet te zeggen hebt en wat het
gevolg van uw onderhoud zal zijn. Het is mogelijk, dat ik als bode
naar het dorp terug moet. Misschien noodigt de Shoet u uit om zijn
gast te zijn, of wie weet wat verder besloten zal worden. Ik moet
dan toch bij den waard als uw gemachtigde kunnen optreden.
--Ook daartoe ben ik bereid,--zeide ik.
--Welnu dan: over een uur kunt gij den draagstoel laten halen en gaat
gij er het dorp mee uit. Ik wacht u daar buiten, want het is beter
dat men ons niet samen ziet.
Hij ging naar het zonneblind, dat op de binnenplaats uitzicht gaf en
riep den waard, wien hij zeide:
--Ik heb met dezen Effendi zaken. Over een uur zal hij van hier
gaan, en u misschien door mij een boodschap zenden. Daarom laat hij
u zeggen, dat gij alles doen moet, wat ik u namens hem opdraag. Vraag
het hem zelf.
De waard keek mij vragend aan, en ik bevestigde wat gezegd was. Daarna
ging de slager weg. Ik zag, dat hij zijn huis inging en het een
oogenblik later weer verliet.
--Heer, ik begrijp u niet,--begon nu de waard, die was blijven
staan. Ik weet, gij houdt den vleeschhouwer voor een slecht mensch,
en toch geeft gij hem zulk een volmacht. Als hij hier komt, moet ik
dan doen wat hij zegt?
--Volstrekt niet. Ik deed het maar voor den schijn en trek nu mijn
volmacht weer in. Het kan zijn, dat ik hem zend, maar dan geef ik
hem een blaadje uit mijn opschrijfboekje mee, waarop alleen het woord
"Allah" zal staan. Toont hij u dat, dan doet gij wat hij wil; heeft hij
zoo'n blaadje, met dat woord er op, niet, dan weigert gij hem alles.
--Dan zal hij boos worden.
--Dat is voor u niet zoo erg, als dat ik boos op u wordt. Hij kon
het misschien op onze wapens en op mijn paard verzien hebben. Hebt
gij een stal, die afgesloten kan worden?
--Ja, Heer.
--Laat dan onze paarden daarin brengen, en ze door twee man bewaken;
ik zal die menschen betalen. Alleen aan ons geeft gij de paarden
af. Begrepen?
--Zeer goed. Gij brengt mij echter in een toestand, die minder
aangenaam is.
--Ik zie daar niets onaangenaams in. Gij hebt de dieren voor ons te
stallen en te zorgen dat ze niet gestolen worden. Dat is alles. Gij
zoudt ons de schade moeten vergoeden.
--In 's hemels naam dan! Als ik uw paarden moest betalen, zou ik mijn
huis er voor moeten verkoopen! Ik zal mee de wacht houden.
--Doe dat, en breng ons nu iets te eten.
Wij aten, en een uur later haalden Osko en Omar den draagstoel uit
het huis van den slager. Ik zette mij er op, en scherpte het den
waard nog eens in, hoe hij te handelen had, en ging toen op weg.
De twee genoemden droegen den stoel. Hun geweer hadden zij over hun
schouder hangen. Halef liep vooruit en droeg drie geweren: het zijne
en de twee van mij, waar op den stoel geen plaats voor was. Toen wij
het dorp achter ons hadden, zagen wij den slager. Hij zag ons komen en
liep nu een goed eind voor ons uit. Eerst toen wij het bosch bereikt
hadden, waar men ons van uit de verte niet kon zien, bleef hij staan
en wachtte ons op.
Met verwondering, bijna toornig zag hij ons aan en zeide:
--Hoe nu, gewapend, alsof wij ten strijde gingen!
--De wapenen teekenen den vrijen man, antwoordde ik.
--Maar hier hebt gij ze niet noodig!
--Wij zijn gewoon er ons nooit van te scheiden.
--Dat zult gij nu toch moeten doen, anders krijgt gij den Shoet niet te
spreken. Hij duldt niet dat men gewapend voor hem verschijnt. Wanneer
gij uw wapenen bij den ingang van zijn verblijf neerlegt, dan zijn
ze goed bewaard, want ik zelf zal er bij blijven.
--Ik geef mijn wapens niet af,--zei ik met beslistheid,--en als de
Shoet dan niet met ons wil spreken, dan wil ik u niet verder lastig
vallen.
Dat gezegd hebbende, gaf ik terstond bevel tot omkeeren. Ons troepje
wendde zich naar het dorp toe. De slager liet een half onderdrukten
vloek hooren en zeide:
--Halt! Dat kan zoo maar niet! Ik heb den Shoet laten waarschuwen,
en ik zou van een slechte reis komen, als ik u niet bij hem bracht.
--Zorg dan, dat hij ons zulke onzinnige voorwaarden niet stelt!
--Iets onzinnigs doet de Shoet nooit. Ik wil zien, of ik voor u
verlof kan krijgen, uw wapenen bij u te houden. Het zou mij echter
verwonderen, als hij met u een uitzondering maakte.
Echt boos liep hij weer voort, en wij volgden hem.
Het beviel mij in 't geheel niet, dat hij er zoo op stond, ons
wapenloos te maken. Zou Mubarek toch reeds gekomen zijn? Werden wij nu
in een val gelokt, waaruit niet te ontkomen was? Welnu, zoolang wij
gewapend waren, hadden wij niet te vreezen. Maar als wij nu onderweg
overvallen werden! Ik was weerloos. De draagstoel bestond uit een
draagbaar met een verdek van houten traliewerk. Ik moest met gekruiste
beenen zitten, wat mij met mijn verzwikten voet zeer moeilijk viel, en
ik kon mij bijna niet bewegen. Eer ik de kapdeur opengestooten had en
er uit was gesprongen, had ik bij een overrompeling een kogel beet. En
er uit springen kon ik in 't geheel niet van wege mijn voet. Een schot
van uit een boschje zou Halef, ondanks zijn drie geweren, ook hulpeloos
maken. Osko en Omar droegen den stoel; zich terstond verweren, konden
zij evenmin. Wij bevonden ons in een hoogst gevaarlijken toestand.
Het bosch was niet zoo dicht, als de slager mij het voorgesteld
had. Wij hadden zeer goed onder en tusschen de boomen door kunnen
rijden. Ook deze onware voorstelling verminderde mijn wantrouwen
niet. Ik schoof de deurtjes van de kapdekking een weinig open en
hield mijn revolver gereed.
Wij bevonden ons in een dal, welks wanden elkaar steeds meer nabij
kwamen. Waar zij zich aaneen sloten, werd halt gehouden. Wij hadden
ongeveer een half uur gebruikt om hier te komen.
--Hier zijn wij er,--zeide de slager, toen de beide dragers den stoel
neerzetten. Kom van den draagstoel af, Heer!
Ik schoof de deuren geheel open en keek naar buiten. De rotswanden
stegen loodrecht omhoog, en hadden op het punt, waar zij samen liepen,
een vrij ondiepe insnijding, een kloof, die volkomen kaal was; want
in het veldspaath, waaruit de rots bestond, was geen uitstekend stuk
en geen scheur, waar eenige plant had kunnen wortelen.
Tegen de kloof aan stond de uit knuppelhout opgetrokken schuur. Het
dak was uit hetzelfde materiaal gemaakt en met boomschors gedekt. De
deur scheen slechts aan te staan.
--Dien mij aan, voor ik van mijn stoel kom,--antwoordde ik.
Hij ging naar binnen en liet de deur open. Ik zag dat langs de kanten,
voorwereldlijke banken aangebracht waren.
Tegenover den ingang, was een tweede deur, die eveneens open
stond. Deze was zeer smal en laag, ging naar binnen open en was
voorzien van een ijzeren kram, waar een lange grendel door kon gestoken
worden, die nu er bij, op den grond lag.
Dat was blijkbaar de achterafdeeling, waarvan de waard mij gesproken
had. Ik meende op te merken, dat er licht ontstoken was.
Het viel mij op, dat van uit het dak een heiningachtige rij
knuppelstokken het onderste deel der kloof nagenoeg onzichtbaar
maakte. Men kon er niet doorheen zien. Daar achter konden gemakkelijk
tal van personen verborgen zijn.
De slager kwam bij ons terug en zeide:
--Heer, de Shoet verlangt, dat gij de wapens zult achterlaten.
--Dat doen wij niet.
--Maar waarom niet? De Shoet is geheel alleen.
--O, bang zijn wij allerminst; wij geven onze wapenen niet af, omdat
wij dat niet gewoon zijn.
--Maar de Shoet wil nu eenmaal niet, dat een gewapende voor hem
zal staan.
--Werkelijk niet?
--Neen, nooit!
--En toch zijt gij nu bij hem geweest, met een mes en twee pistolen
in uw gordel!
Die opmerking bracht hem in verlegenheid, hij antwoordde echter:
--Met mij is dat heel iets anders. Ik ben zijn innigste vertrouweling.
--Dan geven wij het op,--zei ik vast besloten. Halef, wij keeren terug.
Reeds grepen Omar en Osko toe, toen de slager ze ophield, zeggende:
--Heer, gij zijt voor geen rede vatbaar, ik wil nog eens voor u vragen,
of de Shoet toegeven kan.
Hij ging andermaal binnen en kwam ditmaal terug met de boodschap, dat
wij, zooals wij waren, mochten komen. Ik ging niet uit mijn stoel,
maar liet mij naar binnen dragen. Halef moest door de tweede deur
kijken en fluisterde mij in:
--Er is maar een enkele ongewapende man binnen, met een zwart gemaakt
gezicht!
--Zijn er deuren daarbinnen?
--Geen enkele.
Hoe smal en laag deze tweede deuropening ook was, toch kregen mijn
dragers er den stoel doorheen. Bij het schijnsel eener lantaren zag
ik, dat deze holvormige ruimte driehoekig was. De grondlijn van
dezen scherphoekigen driehoek werd gevormd door de voorzijde met
de deur. Langer waren de beide zijden, die uit de gladde rotswanden
bestonden. Geheel achter in den hoek stond de dievenlantaren, waarnaast
de Shoet zat. Hij droeg een zwart talaarachtig gewaad en had zijn
gezicht met roet zwart gemaakt. En daardoor, en doordien hij niet in
de belichting van de lantaarn zat, waren de trekken van zijn gelaat
niet op te nemen. Ook kon ik niet goed zien, waar de zoldering van deze
rotsholte uit bestond. Wij bevonden ons in de kloof. Boven ons was het
goed dicht gemaakt, want anders zou het daglicht van boven ingekomen
zijn. Osko en Omar hadden den draagstoel zoodanig neergezet, dat de
schuifdeuren van de kap naar den Shoet gericht waren. Deze gaf aan de
lantaren een dusdanige richting, dat het volle licht mij bescheen. Bij
den ingang stond de slager. Dit alles had een avontuurlijke tint,
maar spelde geen gevaar.
De Shoet begon:
--Gij hebt mij willen spreken. Wat wilt gij van mij?
Zijn stem klonk gedempt en hol, alles behalve natuurlijk. Was dat
een gevolg van de slechte akoustiek der ruimte, of veranderde hij
opzettelijk zijn stemgeluid, om later er niet aan herkend te worden?
Hij had nog maar deze weinige woorden geuit, en toch was het mij of
ik die stem meer had gehoord. Het was niet de toon noch de nuance er
van, maar het was de uitspraak der enkele woorden, die mij op deze
gedachte bracht.
--Zijt gij de Shoet?--vroeg ik.
--Ja,--antwoordde hij langzaam.
--Dan heb ik u groeten over te brengen.
--Van wien?
--Allereerst van den Usta in Stambul.
--Maar die leeft niet meer!
--Wat zegt gij?
--Hij is dood. Men heeft hem van de gaanderij van den toren te Galata
afgeworpen.
--Scheitan!--ontviel Omar, die er hem afgegooid had.
Hoe kon de Shoet dat weten? Geen bode had zoo snel kunnen reizen
als wij.
--Weet gij het nog niet?--vroeg hij.
--Ik weet het,--antwoordde ik.
--En toch brengt gij mij zijn groet, den groet van een doode?
--Gij wilt toch niet beweren, dat hij mij dien niet vóór zijn dood
kan opgedragen hebben?
--Dat zou kunnen zijn. Maar de moordenaar zal zijn straf niet
ontkomen. Langzaam en ellendig zal hij den hongerdood sterven, zonder
eenige lafenis tegen den brandenden dorst. Hebt gij ook nog andere
groeten te brengen?
--Ja, van Deselim uit Ismilan.
--Ook die is dood. Hij heeft zijn nek gebroken, en men heeft zijn
Koptscha gestolen. Ook zijn moordenaar zal sterven, zooals die van
den Usta. Verder!
--Verder breng ik u de groeten van den ouden Mubarek en van de beide
Aladschy's.
--Deze drie zijn mij reeds zelf komen groeten. Dit hadt gij dus niet
meer te doen.
--Ah! Zijn zij hier?
--Ja, zij zijn hier. En weet gij, wie ik ben?
--Ja, de Shoet.
--Neen, ik ben de Shoet niet, en dien zult ge ook niet zien. Neen,
nimmer zult gij weer iemand zien, dien gij zoudt kunnen roepen. Ik
ben....
Op dat oogenblik viel er een geweldige slag achter ons. De slager was
verdwenen, hij had de deur achter zich dichtgetrokken. Wij hoorden,
dat hij den sterken grendel er voorgeschoven had.
De lantaarn was uit.
--Ik ben.... de oude Mubarek zelf,--klonk het boven ons. Gij blijft
hier om van honger en dorst te verrekken en elkaar bij levenden lijve
te verslinden!
Een hoonende lach begeleidde deze woorden; boven ons werd een opening
zichtbaar. Wij zagen een dubbele strik, waarin de oude Mubarek hing
en omhoog werd getrokken. Hij verdween door het luik, dat achter hem
dichtviel. Wij bevonden ons in volslagen duisternis.
Dat alles was zóó vlug gedaan, dat wij het onmogelijk hadden kunnen
verhinderen. Had ik niet in den draagstoel gezeten en geen verzwikten
voet gehad, dan zou het den schurken misschien niet zoo gemakkelijk
gevallen zijn, om ons in deze val op te sluiten.
--Allah!--riep Halef. Daar is die oude bedrieger ons boven uit
ontsnapt, en wij hebben hem laten gaan, zonder hem een kogel na te
zenden, en we hadden er toch tijd genoeg voor!
--Dat is zoo, Heer! Wat zijn we dom geweest!--zeide Osko.
--Ja,--viel Halef in. Tot nog toe waren slechts enkelen van ons zoo
dom, maar ditmaal houdt de Sihdi ons gezelschap.
--Wel, Halef, gij hebt volkomen gelijk,--stemde ik toe. Maar hoor eens!
Wij hoorden een woest gebrul voor de deur. In krankzinnige
opgewondenheid beukte men er op, en noemde een ieder zijn naam en
knoopte aan zijn voorstelling de afschuwelijkste vervloekingen vast. In
satanischen wellust beschreven ze, wat ellendige dood ons te wachten
stond. Er viel niet aan te twijfelen, wij waren hier opgesloten,
om den hongerdood te sterven.
--Sihdi, niet een ontbreekt er: ze zijn er allemaal!--verzekerde Halef.
--Allah! Wanneer ik hier uit kon komen wat zou ik ze toetakelen met
mijn zweep!
--Laat uw zweep maar rusten, die kan ons niet helpen.
--Wij moeten dus verhongeren! Meent gij dat wij dit zullen doen?
--Ik wil hopen van niet. Wij willen nu eerst deze ruimte eens
onderzoeken. De beide rotsmuren bieden ons geen kans. Wij moeten door
de deur of boven uit.
--Heer, hebt gij uw lantarentje niet bij u, dat kleine fleschje,
waarin olie is, met phosphor?--vroeg Halef.
--Ja, dat heb ik altijd bij mij. Hier hebt gij het.
Wanneer men een stukje phosphor in een fleschje met olie doet,
dan straalt de phosphor licht uit, zoodra men de stop er af doet,
omdat dan zuurstof er bij kan komen. Dan krijgt men, naar de grootte
van het fleschje en de reinheid van het glas, een meer of minder
helderen glans.
Ik heb altijd zulk een fleschje bij mij, ook wanneer ik niet op
reis ben. Het bewijst, bij het trappenklimmen in ons onbekende
woningen, en bij donkere, ons vreemde stegen en straten, zeer goede
diensten. Geslepen glas is natuurlijk het beste.
Halef nam het kleine lantaarntje, liet er lucht in stroomen en kon de
deur voldoende belichten. Deze was van binnen met sterk plaatijzer
beslagen, dat er op geklonken was, en de scharnieren waren in de
steenen kozijnen met lood vastgegoten. Misschien zouden wij die
ingegoten scharnieren los kunnen krijgen, maar verstandiger was het,
eerst een anderen uitgang te zoeken.
En dat begonnen wij nu te doen. De bodem van onze driehoekige
gevangenis was even als de twee zijwanden, rotsgrond. De voormuur was
uit veldspaath opgetrokken en zoo sterk gevoegd dat er geen doorkomen
aan was. En daar het plaatijzer op de deur geklonken was met dikkoppen,
konden wij met onze messen niets uitrichten. Maar boven door de
zoldering, door het luik, dat zich achter Mubarek gesloten had? Omar
klom op Osko's schouders en kon zelfs met de toppen van zijn vingers er
niet bijkomen. Wij moesten vooreerst ook van dezen uitweg afzien. Het
lag voor de hand, dat wij de scharnieren trachtten los te krijgen en
mijn drie gezellen gingen moedig aan den arbeid. Hun messen knarsten
en knetterden, en hun eenig succes was..... spotgelach van die ons
hadden gevangen!
Inderdaad was dan ook ons plan, om langs dezen weg uit te breken,
geen bewijs van rijp overleg. Want al gelukte het ons al, om de deur
open te krijgen, dan--en dit hadden wij moeten bedenken--dan zouden
wij, van ter zijde af, neergeschoten zijn, voor wij zelf nog een
schot hadden kunnen lossen. Toch hielden wij vol. Uren verliepen,
maar het werk vorderde niet. Osko's mes brak, en ik gaf hem mijn
deugdelijk Amerikaansch bowiemes.
Ik kon niet meewerken. De tijd begon mij lang te vallen, daarom kroop
ik op mijn knieën naar de deur, om te zien hoever men in al die uren
gevorderd was. Helaas, geen halven duim! Ik greep nu zelf mijn mes en
begon te boren, maar met zoo weinig succes dat ik na een kwartier weer
ophield. Het was jammer van de krachten die wij nutteloos uitgeput
hadden, en--ook Omar's mes brak.
--Laten wij zoo niet voortgaan, zeide ik.--Wij zullen onze krachten nog
wel beter kunnen gebruiken. Misschien komt onze waard ons opzoeken,
als wij niet terugkeeren. Ik heb hem gezegd, dat de slager tot de
bende behoort. Als wij wegblijven, zal hij zich ongerust maken en
naar hier komen, want hij kent deze plaats, die vroeger zijn eigendom
was. Hij weet dat wij met den slager op iets uit zijn gegaan.
--Maar hij weet niet waarheen!--viel Halef in.
--Ik heb, helaas! vergeten het hem te zeggen; maar wij hebben over
deze rotsholte gesproken, en hij zal ons zeker hier komen zoeken.
--Dat geloof ik niet, want hij is bang voor de Aladschy's. Als hij
die hier ziet, loopt hij weg.
--Het is de vraag, of die dan nog hier zullen zijn!
--Dat zullen zij zeker, want men zal ons hier niet onbewaakt
achterlaten.
--Wij willen vooreerst uitrusten en wachten. Dat wij nu nog bewaakt
worden, is zeker. Als wij eenigen tijd niets doen, dan hooren zij ook
niets en denken, dat wij ons in ons lot schikken. Dan zullen zij de
bewaking ook wel opgeven.
Wij hielden ons rustig en wanhoopten niet. Maar dat lijdelijk wachten
viel mijn vrienden eindelijk te zwaar. Zij hielden bij mij aan, om
een of ander te beproeven, en wel zoo sterk, dat ik ten leste toegaf.
--Komaan, dan willen wij de zoldering met het luik nader
onderzoeken,--zeide ik. Het zou kunnen zijn, dat ze het luik niet
hadden gesloten.
--Maar, daar kunnen wij niet bij! Toen Omar op mijn schouders stond,
ging het nog niet,--bracht Osko tegen mijn voorstel in.
--Dan maken wij de pyramide nog hooger. Laat Halef op Omar's schouders
gaan zitten. Misschien komen wij er dan. Gij zijt sterk genoeg,
om ze allebei te houden.
Halef nam het lantaarntje, stak het bij zich, en klom op Omar's
schouders, waarop hij ging zitten. Omar aldus met Halef verlengd,
stapte nu op Osko's rug en hield zich aan de rotswanden in
evenwicht. Osko zelf, die als een viervoeter, met voeten en handen op
den grond had gestaan, richtte zich langzaam en onwankelbaar op. De
piramide stond. Halef strekte de armen uit en gaf te kennen:
--Sihdi, ik voel de zoldering!
--Spreek zachter! Er kon iemand bij staan. Neem nu de lantaarn!
Ik zag boven in den hoek, waar Mubarek verdwenen was, het
licht-fleschje schemeren. Halef hield het in zijn linkerhand, terwijl
hij met zijn rechter de zoldering onderzocht.
--Zij bestaat uit sterke boomstammen,--fluisterde hij. Het valluik
is van planken gemaakt.
--Dat is best, dan is de zoldering op dat punt niet dik. Klop er eens
tegen, om uit den klank te weten,' hoe dik dat luik is.
--Maar dan hoort men mij!
--Het zou zeer zeker te wenschen zijn, dat men ons niet hoorde;
maar voor ons is het echter nuttig, te weten of er boven ons wacht
wordt, gehouden.
Hij klopte, en terstond hoorden wij boven ons hardop lachen en
uitroepen:
--Hoort, ze zijn daarbinnen bij het valluik!
Buiten bij de deur klonk de vraag:
--Zit de grendel er goed op?
--Natuurlijk!
--Dan kunnen zij het luik ook niet open krijgen. Zij zullen op elkaars
schouders geklommen zijn.
--Ja, zij vertoonen hun kunststukken. Nu, als de honger begint te
knagen, zullen zij nog wel andere sprongen maken. Ik zou wel zin
hebben om het luik open te doen.
--In geen geval!
--Maar dan kon ik ze met de kolf van mijn geweer op den kop tikken.
--Dat kunnen wij altijd nog doen. Laat ze kloppen!
--Hebt gij het gehoord, Sihdi?--vroeg Halef. Zullen wij ons met hun
kolven laten doodslaan?
--Neen. Wij zullen die heeren verzoeken van het luik weg te gaan.
--En gelooft gij werkelijk dat zij dat zullen doen?
--Ik zal het hen zóó verzoeken, dat zij zich zullen haasten er aan
te voldoen. Klim af, Halef, ik ga uw plaats innemen.
Osko bukte weer langzaam tot op den grond. Omar steeg van zijn rug
af en daarna sprong Halef van Omar's schouders.
--Rust nu eerst wat uit,--zeide ik,--want een inspanning is het toch
altijd geweest. Ik ben zwaarder dan Halef en zal langer op u moeten
blijven staan, dan hij.
Wij wachtten eenige minuten; toen nam Omar mij op zijn schouders.
--Past nu dubbel op, dat wij niet vallen,--waarschuwde ik.--Met mijn
verzwikten voet zou een val voor mij dubbel gevaarlijk zijn.
--Weest maar niet bang, Heer,--antwoordde Osko. Ik zal staan, als
een boom. De rotskloof is hier zóó eng, dat ik met beide ellebogen
er tegen steunen kan. Vaster kan men niet staan.