Natuurlijk lieten wij ons terstond een Khan aanwijzen. Deze bestond

uit vele gebouwen, die een zeer groote binnenplaats omsloten. De

geheele inrichting bewees dat de eigenaar een Bulgaar moest zijn.

En dat was ook zoo.

Hij ontving ons bijzonder vriendelijk, gaf mij de voornaamste titels,

omdat hij een paardenkenner was en mijn Rih bewonderde, en noodigde

ons uit, bij hem binnen te komen.

De man had twee vertrekken, een voor de gewone reizigers en een

beter voor de gasten die hij voor aanzienlijker hield en als zoodanig

wilde ontvangen.

Twee knechten moesten mij van 't paard tillen en in het mooie vertrek

binnen dragen, waar, tot mijn verwondering, een ligstoel stond,

waarop een lange breede zachte matras lag. Men had dit meubel bijna

een canapé kunnen noemen.

Toen hij zag met wat verwondering ik naar dat meubel, waar men mij

op lag, keek, zeide hij, met zelfvoldoening glimlachende:

--Gij verwondert u, Heer, deze sofa hier te vinden? Ze is in Sophia

gemaakt en op een wagen hier gebracht. Gij zult een Rahat Otturmak

(woordelijk: rust der ledematen) gewoon zijn, waarop men met

kruiselings over elkaar geslagen beenen zit, want ik zie dat gij

een Muzelman en Hadschi zijt, maar ik ben een Christen en mag met

uitgestrekte beenen zitten. Daar de uwe gezwollen zijn, zult gij

dezen ligstoel zeer gemakkelijk vinden.

--Ik ben deze manier van zitten van mijn jeugd af gewoon,--luidde

mijn antwoord. Ik ben geen Muzelman.

--En gij draagt het Hamaïl, het teeken der Mekka-bezoekers!

--Is dat verboden?

--Ja, zeer streng.

--Door wien?

--Door de Khalifen.

--Christen zijnde, heb ik met hen niets te maken. Ik heb er ook niets

tegen, wanneer een Muzelman onzen Bijbel mocht dragen.

--Wanneer gij een Christen zijt en van jongsaf gewoon aan een sofa,

dan hoort gij wel ver van hier thuis?

--Ik ben uit Alemania.

--O, dat ken ik heel goed!

--Werkelijk? Dat verheugt mij zeer.

--Ja, het ligt naast Baweria (Beieren), waar de Wolga is, en naast

Iswitschera (Zwitserland), waar de Tuna (Donau) in den Ak Deniz Adalary

(Middellandschen archipel) mondt.

--Ik hoor met genoegen, dat gij de grenzen van mijn vaderland

kent. Menschen, die zoo op de hoogte zijn, vindt men hier niet veel.

--Omdat zij niets willen leeren en te dom zijn om iets op te

merken,--antwoordde hij met innig welbehagen. Maar ik houd oogen en

ooren open en wat ik eenmaal weet, dat houd ik in mijn hoofd. Ik weet

nog meer, nog veel meer van uw vaderland.

--Van iemand zoo als gij, verwondert mij dat niet.

--Uw Sultan heet Gillem musafer (Willem de overwinnaar), maar toch

ook Gillem baryschdyrydschy (Willem de vredevorst). Zijn grootvizier

is Ismark bilasatschly (Bismark zonder haar), en uw geweren heeten

Jakma ijneleri (zundnagels). Uw hoofdstad is Munik, waar het beste

Arpa suju (bier) gebrouwen wordt, waarvan gij bij mij drinken kunt,

zooveel gij maar wilt.

--Arpa suju hebt gij?--viel ik in. Dat brouwt gij zelf?

Ik begreep, dat mijn goede Beier hier geweest zou zijn, om voor zijn

bierrecept vrije vertering te krijgen.

--Ja,--antwoordde hij. Ik maak het zelf, en het wordt veel gedronken,

vooral in den zomer.

--En waar maakt gij het uit?

--Heer, dat moet gij mij niet vragen.

--Waarom niet?

--Het is een groot geheim.

--O, in Baweria kent ieder kind dat geheim. Ik ken allerlei

bier-geheimen en weet, hoe men donker en lichtkleurig bier maakt, het

zware en het dunne, ook het heldere, dat men Ak arpa (eiwitbier) noemt.

--Heer, dan zijt gij een nog veel knapper brouwer, dan de man, die

het mij heeft geleerd.

--Van waar was die man?

--Uit Stambul.

Aha! 't moest mijn Beier zijn.

--En waar wilde hij heen?

--Naar zijn geboorteland.

--Maar van hier uit, langs welken weg?

--Naar de Tuna.

Naar de Donau, dus noordwaarts. En ik wilde naar het Westen. Ik kon

den ijverigen zendeling van Cambrinus dus onmogelijk inhalen. Ik

zou gaarne zijn spoor gevolgd en hem getroffen hebben, om hem te

doen blozen over zijn leerling, bij wien ik kort geleden een Turksch

preparaat van zijn Duitsch recept had gedronken.

--Ik heb al van hem gehoord en ook van zijn bier gedronken,--zei ik.

--Hoe was het, Heer?

--Zeer..... warm!

--Maar dan moet men er koud bronwater bij gieten. Zal ik voor u er

een kruik van halen?

--Zeer zeker.

--Een groote kruik?

--Geef mij eerst een kleine, om te zien, hoe het smaakt.

Hij ging, juist toen mijn vrienden aankwamen. Zij hadden hun paarden

in een achter de huizinge liggende weide gebracht en onder bewaking

van een knecht gesteld. Toen ik hun zei, dat zij bier kregen, was de

vreugde algemeen. Toch meende ik op te merken, dat hun vreugde-betoon

meer uit beleefdheid voor mij, dan uit blijdschap over het beloofde

bier, voorkwam. Mijn vaderlandschen drank moesten zij natuurlijk met

gejuich begroeten.

De herbergier bracht een kruik, die ongeveer anderhalf liter

inhield. Dapper opende ik de sluisdeuren van mijn mond, en zette

er de kruik aan. Werkelijk, ik voelde zoo iets van koolzuur in mijn

neus prikkelen.

--Waarin bewaart gij deze Arpa suju?--vroeg ik.

--In groote kruiken, die ik goed dicht maak.

--Waarom sluit gij ze?

--Omdat dan in de Arpa suju een gisting ontstaat, waardoor het

lekkerder gaat smaken. Er stijgen dan blaasjes en pareltjes op.

--Wie heeft u dat gewezen?

--De Bawerialy, die mij het koken van de Arpa suju geleerd heeft. Proef

het gerust!

--Ik proefde niet, maar ik dronk, want het brouwsel was werkelijk

niet slecht. Mijn vrienden deden eveneens. Daarom bestelde ik nu een

veel grootere kruik, waardoor ik terstond het hart van den Bulgaar won.

Hij bracht nu een kruik, waaraan wij tot den laten avond genoeg zouden

hebben, en hij vroeg, of wij er ook iets bij te eten wilden hebben.

--Later, nu nog niet!--antwoordde ik. Wij moeten eerst nog een

onderhoud hebben met iemand die hier woont. Kent gij al de menschen

hier?

--Allen.

--Ook den slager Tschurak?

--Ook hem ken ik. Hij was slager, maar is nu veehandelaar, en reist

overal heen.

Ik was het liefst naar Tschurak gegaan, om hem in zijn huis te

bezoeken. Daar leert men de menschen kennen en juister beoordeelen. Tot

mijn spijt kon ik echter niet loopen. En er heen rijden en mij laten

dragen, dat zou even ongemakkelijk als belachelijk geweest zijn.

--In wat omstandigheden bevindt zich die man?

--In zeer goede. Vroeger was hij arm, maar de handel schijnt hem veel

op te leveren, want Tschurak behoort nu tot de rijksten uit den omtrek.

--Dan staat hij zeker ook goed aangeschreven?

--Best! Hij is een zeer rechtschapen mensch, ingetogen, weldadig en

hooggeacht. Als gij zaken met hem te doen hebt, zult gij hem als een

eerlijk man leeren kennen.

--Dat verblijdt mij inderdaad, want ik heb met hem iets te verhandelen.

--Is het nog al van belang?

--Ja.

--Dan zijt gij maar voor een oogenblik bij mij afgestegen en zult

bij hem uw intrek nemen?

--Neen, ik blijf bij u. Ik heb mij op Sbiganzy verheugd, want de

omgeving is mij als zeer mooi beschreven.

--Dat is ze ook, ja, dat is ze, Heer! De ligging tusschen twee

rivieren, reeds dat is iets bijzonders. En dan die prachtige bergen,

die zich verder op, tot voorbij Sletowo uitstrekken. Waar gij ook komt,

het is overal even heerlijk om er te wandelen.

--Dat heeft men mij gezegd. Bijzonder romantisch moet de weg naar de

Derekulibe zijn.

Ik had met opzet het gesprek op de rotsholte gebracht. Ik wilde uit

den mond van dezen onpartijdigen man hooren, wat dat eigenlijk was.

--Naar de Derekulibe?--vroeg hij. Die ken ik nog in 't geheel niet.

--Het is dus geen algemeen bekende plek?

--Ik heb er nog nooit van gehoord.

--Maar er moet toch hier in den omtrek iets bestaan, dat dien naam

draagt.

--Dat kan ik moeilijk gelooven. Ik ben hier geboren en heb altijd in

Sbiganzy gewoond. Zoo iemand, dan zou ik die bergwoning kennen.

--Hm! Dan heeft hij, die mij er over sprak, dien naam aan die plaats

gegeven.

--Dat moet dan wel zoo zijn.

--Maar al is dat het geval, dan moet er toch zoo iets van dien aard

hier zijn. Naar den naam te oordeelen is het een woning, die in een

berg uitgehold is. Is u misschien zooiets bekend?

--Woont daar iemand?

--Dat weet ik niet.

--Als er niemand woont, dan weet ik het. Er is werkelijk ginds in

het bosch een kloof, waarvan mijn vader een schuur heeft gemaakt,

zóó dat het geheel op een kloofhut gelijkt. Hij kon dat gemakkelijk

doen, want al het hout, daar in de buurt, was van hem. Voor ongeveer

acht jaar heeft de slager dat gedoe van mij gekocht.

Dit feit was mij een bewijs, dat deze zoogenaamde bergholte bedoeld

was. Daarom vroeg ik verder:

--Met welk doel heeft uw vader dat daar gemaakt?

--Om zijn gereedschap er in te bergen: harken, schoffels, spaden en

andere dingen.

--En waartoe gebruikt de slager de bergplaats nu?

--Dat weet ik niet. Ik geloof, dat hij die in 't geheel niet gebruikt,

ofschoon hij er banken in heeft laten maken, die er vroeger niet waren.

--Is dat gebouw gesloten?

--Ja. Het bestaat uit twee afdeelingen. Heel achter in de kloof is,

in den berg zelf, een groeve, die mijn vader inbouwde. Waarom vraagt

gij zoo bijzonder naar die hut?

--Omdat men mij er van gesproken heeft en verteld dat de weg er naar

toe een zeer romantische was.

--Dan heeft men u bedrogen. Gij komt eerst door kale velden, en dan

in een zoo dicht begroeid bosch, dat men er geen enkel vergezicht

heeft. De wanden van het dal komen steeds dichter tot elkaar, en

waar zij ineen loopen, daar is het bosch ondoordringbaar, en daar

is de zoogenaamde kloofhut, bij een bron, die uit het gebergte

ontspringt. Mooi kan men het daar in 't geheel niet noemen.

Toen maakte Halef de opmerking:

--Sihdi, wij zoeken een plaats, die wij niet kunnen vinden, en van

morgen hebt gij een gelijkluidenden naam genoemd. Hebt gij niet

gesproken van een plaats, welker naam overeenstemt met die op het

papiertje van Hamd el Amasat staat? Gij zeidet, dat de weg, dien wij

gingen er ons misschien door zou brengen.

--Meent gij Karaorman?

--Ja, dat was de naam.

--Wij zoeken Karanorman en ik noemde Karaorman, wat iets anders is.

--Karanorman en Karaorman, dat scheelt maar een letter. Het is wellicht

een schrijffout.

--Misschien.--Zijt gij in Karaorman bekend?--vroeg ik onzen waard.

--Ja, antwoordde hij. Ik ben menigmaal in dat dorp geweest, want onze

weg naar Istib gaat er doorheen.

--En is daar een groote Khan? [8]

--Neen, er is in 't geheel geen herberg. Het ligt zoo dicht bij Istib,

dat de reizigers zich liever dien korten afstand naar Istib getroosten,

dan in dat dorp te vertoeven.

--Het is ons om een plaats of gebouw te doen, dat Karanorman-Khan

moet heeten.

--Dat is mij volkomen onbekend. Hier in de nabijheid zoekt gij het

tevergeefs.

--Dat heb ik ook al gedacht. Maar wie is hier in het dorp Sbiganzy

met het oppergezag bekleed?

--Dat ben ik. Voor mij was mijn vader het.

--Gij spreekt hier dus recht en vonnist?

--Ja, Effendi. Ik heb echter, wat dat betreft, hier weinig te

doen. Hier is de bevolking rustig en goed. Valt er iets voor, dan

zijn het altijd vreemdelingen, die het ons lastig maken. Jammer dat de

macht van een Kiaja zoo weinig beteekent. Het komt voor, dat schurken

ons in het gezicht uitlachen, omdat zij weten, dat zij bij de hoogere

Overheid meer steun vinden dan wij.

--Dat is treurig genoeg. In zulke gevallen moet gij gestreng te werk

gaan om uw ambt te doen eerbiedigen.

--Dat doe ik ook, maar vertrouw dan meer op mijzelf dan op de hooge

Overheid. De schavuiten, die voor niets respect hebben, maken toch

liever geen kennis met een paar stevige vuisten, en--die heb ik. Ik

ga daarbij kort en bondig te werk. Het gebeurt somwijlen dat ik de

partijen afransel; maar dat is niet altijd ongevaarlijk. Eenige weken

geleden had het mij bijna het leven gekost.

--Hoe zoo?

--Hebt gij wel eens van de twee Aladschy's gehoord?

--Zeker.

--Dat zijn de brutaalste en gevaarlijkste schurken, die er op de

wereld zijn, echte Skipetaren, onvervaard tot vermetelheid toe, sluw

als de wilde katten, gruwzaam als verscheurend gedierte. Denk eens,

de een, die Bybar heet, terwijl zijn broer zich Sandar noemt, komt

op een avond hier de plaats oprijden, stijgt af, loopt in de kamer

heen en weer, zonder zich om de aanwezigen te bekommeren, en eischt

lood en kruit van mij.

--Van u, den Kiaja? Dat is sterk!

--Brutaler kon het niet. Had ik hem gegeven wat hij vorderde, dan

had ik er mijn goeden naam bij ingeboet. Ik weigerde dus. Terstond

vloog hij op mij aan, en er begon een ernstige strijd.

--De overwinning bleef natuurlijk aan uw kant, want er waren menschen,

die u moesten helpen.

--O, niet één verroerde een vinger, want allen waren bang voor de

wraak der Aladschy's. Ik ben ook niet van papier, maar tegen dien

ijzersterken kerel was ik niet opgewassen. Hij kreeg er mij onder,

en sloeg er zoo op los, dat het mij het leven zou gekost hebben,

als niet twee mijner knechten toegeschoten waren. Wij kregen hem nu

met z'n drieën te pakken en gooiden hem de deur uit.

--Een mooie vertooning. Het hoofd van de politie, die den struikroover

gevangen moet nemen, gooit hem goedig de deur uit!

--Lach maar! Ik was blij, dat ik den kerel kwijt was. Wat zou ik met

hem beginnen?

--Hem gevangen nemen en naar Uskub opzenden, dat de hoofdplaats van

uw Vilajet is.

--Ja, dat was mijn plicht geweest; maar hoe het te doen? Waar zou ik

hem op kunnen sluiten?

--In de dorpsgevangenis.

--Maar die hebben wij hier niet.

--Maar dan hebt gij toch in uw huis nog wel een kelder, die daar voor

dienen kan.

--Dien heb ik, en menigeen heb ik daarin reeds opgesloten. Maar met

den Aladschy was dat een ander geval. Om hem in den kelder te krijgen,

had ik meer dan tien mannen noodig gehad. Hij zou zeker zijn wapens

gebruikt hebben om zich te verweren, en zeker hadden eenigen van ons

er het leven bij ingeschoten. En zelfs als het mij gelukt was hem

gevangen te nemen, hoe zou ik hem dan naar Uskub krijgen?

--Gebonden op een wagen.

--Dat had gekund, ja; maar dan leefde ik nu niet meer. Toen hij

wegreed, braakte hij de heftigste bedreigingen tegen mij uit. Den

volgenden dag ging ik op de groote weide. Er viel een schot uit een

boschje, waar ik voorbij moest. Hij had niet goed gemikt, want de

kogel ging tusschen mijn arm en mijn lichaam door. Twee duim meer

naar rechts en ik was in het hart getroffen geweest.

--En wat deedt gij toen?

--Ik sprong terstond achter een dikken boom en trok mijn pistolen. Toen

kwam die Bybar uit het boschje te voorschijn. Hij zat op zijn muisvaal

paard, en riep mij onder hoongelach toe, dat hij nu getoond had, wat

mij te wachten stond; later zou hij beter raken. Daarna reed hij weg.

--En hebt gij hem nog weer ontmoet?

--Neen. Maar ik ga nu zonder mijn geweer niet meer van huis, want

als ik hem ontmoet, dan sterft een van ons: hij of ik.

--Wees dan op uw hoede! Vandaag zult gij hem waarschijnlijk nog

wel zien.

--Wat? Vandaag nog?

--Ik weet dat de beide Aladschy's heden of op zijn laatst morgen naar

Sbiganzy zullen komen.

--Heilige Moeder Gods! Dan kan ik er mij op voorbereiden! Hoe weet

gij dat?

Ik vertelde hem mijn ontmoeting en mijn strijd met hen.

--En gij zijt er levend afgekomen!--riep hij, ten hoogste verbaasd. Dat

is een wonder, een mirakel!

--Maar ik ben er niet zoo goed afgekomen als gij. Ik heb bij dat

gevecht mijn voet verzwikt; daarom ziet gij mij nu in deze laarzen

voor u zitten.

--Den voet verzwikt! En gij zijt hun toch ontkomen?

--Zoo als gij ziet. Maar zij hebben bij die gelegenheid vernomen,

dat ik naar Sbiganzy wil gaan, en nu komen zij mij achterna om zich

te wreken.

--O wee! Gij brengt ons alzoo die bandieten op den hals!

--Wilt gij me daar een verwijt van maken?

--O neen! Mijn plicht is, u te beschermen. Maar hoe leg ik dat aan? Het

kan mij misschien zelf het leven kosten.

--Uw bescherming heb ik niet noodig; maar lastig zal ik u toch zijn,

want gij moet iemand, die hier woont, gevangen nemen.

--Wie kan dat zijn?

--De slager Tschurak.

--Heer, dat is niet mogelijk!

--Misschien toch wel. Zie nu eerst dezen pas eens in. Daaruit zult

gij zien dat ik uw hulp mag verlangen, als ik meen ze te behoeven.

Toen hij mijn legitimatie-bewijs had gezien, gaf hij het, met een

diepe buiging terug en zei:

--Effendi, mijn vermoeden is bewaarheid, gij moet een voornaam man

zijn, want gij staat onder de onmiddellijke bescherming van den Grooten

Heer. Maar dat maakt de zaak voor mij des te moeilijker, want ik moet

u in alles ter wille zijn en kan de noodige hulp van de Overheid niet

krijgen. Blijf ik in gebreke u bij te staan, dan dient gij een klacht

over mij in, en heb ik het ergste te wachten. Help ik u echter wel,

en komen mijn superieuren daardoor in moeite, dan kom ik er niet veel

beter af. Wat ik dus doe, ik ben altijd de lijdende partij.

--Wees niet bezorgd. Ik zal zoo trachten te handelen, dat gij u niet

zult te beklagen hebben. Hebt gij wel eens van den Shoet gehoord?

--Zeker. Hij is de hoofdman van een bende bandieten, die in deze

streek overal haar vertakkingen heeft. Men kent hem niet, men weet

niet, wie hij is en waar hij woont, maar zijn manschappen zijn overal.

--Ik zoek hem.

--Gij? Ach, dan zijt gij een hoofd der politie en reist als

geheim-agent in deze streek?

--Neen, ik ben geen Rijksambtenaar. Ik heb voor mijn eigen

verantwoording een woordje met den Shoet te spreken.

--Maar gij vindt hem nooit uit.

--Ik ben hem al op het spoor.. Er woont hier in Sbiganzy een vertrouwde

van hem.

--Dat kan niet waar zijn, Heer!

--Toch is het zoo!

--Hier wonen alleen eerlijke menschen.

--Waarschijnlijk vergist gij u.

--Wie zou die vertrouwde dan moeten zijn?

--Wel, niemand anders dan Tschurak.

--Heer, ik wil alles gelooven, wat gij mij zegt, maar dit niet!

--Die slager schijnt een doortrapte huichelaar te zijn.

--Neen, hij is een best mensch, hij is zelfs mijn vriend.

--Dan zijt gij in de keus uwer vrienden niet zeer voorzichtig geweest.

--Geef me bewijzen, Effendi!

--Dat zal ik. Maar ik moet van u de strengste geheimhouding

vorderen. Tschurak mag zelfs niet vermoeden dat ik met u over hem

heb gesproken.

--Ik zal zwijgen.

--Dan wil ik u voorloopig iets zeggen. Hebt gij wel eens hooren

spreken over den ouden Mubarek van Ostromdscha?

--Ja. Hij heeft den naam een heilige te zijn en moet zelfs wonderen

kunnen doen.

--Gelooft gij dat?

--Neen, want ik ben geen Moslem.

--Die heilige is een hoogst gevaarlijke booswicht. Hij schijnt een

onderaanvoerder van den Shoet te zijn.

--Heer, gij deelt mij dingen mede, die mij verbazen.

--O, ik heb dien Mubarek ontmaskerd, en de Kiaja van Ostromdscha

heeft, op grond van mijn bewijzen, hem gevangen genomen. Hij is echter

ontvlucht en is nu met drie andere schurken en de twee Aladschy's,

die zijn makkers zijn, op weg naar hier.

--Dan behoede ons God!

--Zij willen den slager Tschurak bezoeken.

--Gij blijft er dus bij, dat hij ook tot de bende behoort?

--Ja. Voor het oogenblik wil ik niets van u, dan dat gij mij niets

in den weg legt.

--Natuurlijk niet. Ik ben in allen opzichte tot uw dienst.

--Het is bijna onmogelijk dat de genoemde personen reeds hier zouden

zijn, maar toch zou ik het zeker willen weten.

--Ze zijn nog niet hier. Indien zij aangekomen waren, dan had ik

ze moeten zien. De slager woont tegenover mij, in het huis, dat gij

door het zonneblind zien kunt. Tschurak zelf was ook niet in huis,

hij kwam eerst een uur geleden thuis.

--Zoudt gij hem willen laten zeggen of hij zich de moeite wil geven

om bij mij te komen, want dat ik iets met hem te bespreken heb?

--Het zal terstond gebeuren. Moet ik bij uw gesprek tegenwoordig zijn?

--Neen. Alleen verlang ik, dat gij hem niets zult laten merken;

wees zoo vriendelijk tegen hem als altijd.

Hij ging de kamer uit, om den bode te zenden, dien ik bij den slager

zag binnen gaan. Ik was zeer benieuwd Tschurak te zien. Ik stelde mij

voor, een kruiperig beleefd man te zullen zien. Ik dacht, dat hij de

heler der bende zou zijn en niet zoozeer een daadwerkelijk medelid.

Ik haalde de Koptscha te voorschijn, die ik den Ismilaner waard Deselim

afgenomen had, en stak dat herkenningsteeken op mijn fez. Halef deed

met het zijne evenzo. Men bedenke, dat ik den groenen tulbanddoek

niet meer droeg.

Deze Koptscha moest mij bij den slager als lid der bende

legitimeeren. Was Mubarek met zijn gezellen nog niet aangekomen,

dan kon ik hopen, nu achter het zoo lang gezochte geheim te zullen

komen. Natuurlijk scherpte ik het mijn vrienden in, om vriendelijk

tegen Tschurak te zijn, om alles te vermijden, wat zijn argwaan

opwekken kon. Al spoedig zag ik hem met den bode aankomen. Ik had

mij vergist. Hij was een gansch andere persoonlijkheid dan ik mij

voorgesteld had. Hij droeg een fez, een wijde lange roode broek,

een blauw vest met zilveren tressen versierd, en een rood met goud

geborduurd jacket met wijde mouwen. Een geelzijden chale, die om zijn

heupen geslingerd was, dekte den Handschar en twee pistolen. Aan zijn

voeten had hij glimmende laarzen, die tot aan zijn knieën reikten,

waar de schachten de broekspijpen omsloten.

Buiten op de binnenplaats wisselde hij eenige woorden met onzen

waard; daarna kwam hij naar binnen. Zijn donkere oogen namen ons

met een scherpen blik op, die een oogenblik langer op mij gevestigd

bleef. Die oogen maakten een eigenaardigen indruk op mij. Zij waren

koud, harteloos en onmeedoogend. Het leek alsof zij nooit vriendelijk

konden kijken. Een oogenblik lang trokken zij samen, zoodat zich aan de

hoeken kleine plooitjes vormden. Daarna keken zij onverschillig rond.

Hij groette en boog als iemand die beleefd wil zijn, maar allerminst

zijn besef van hoogheid prijs wil geven, en vroeg:

--Zijt gij de Effendi, die mij wenschte te spreken?

--Ja. Neem mij niet kwalijk, dat ik u stoor, en ga zitten.

--Neem mij niet kwalijk, dat ik blijf staan. Ik heb niet veel tijd.

--Misschien zal ik u langer ophouden, dan gij denkt. Of hebt ge soms

daarom zoo'n haast, omdat gij gasten hebt?

--Ik heb geen gasten.

--En gij verwacht er ook geen?

--Neen,--antwoordde hij kortaf.

--Dan verzoek ik u te gaan zitten. Ik heb een verzwikten voet ik

kan niet staan, en zou mij schamen te moeten zitten, terwijl gij zoo

beleefd zijt tot mij te komen.

Nu zette hij zich. Hoe scherp ik hem ook opnam, ik kon toch niets

ontdekken, wat aanleiding gaf om mijn argwaan op te wekken. Hij was

geheel de zelfbewuste Skipetaar, die bij een vreemde geroepen is en

nu verwacht, dat hij de reden zal hooren, waarom hij verzocht werd

te komen. Hij maakte allerminst den indruk van een huichelaar, van

een arglistig mensch of van een geheimen heler.

--Kent gij dit?--vroeg ik, op de Koptscha wijzende.

--Neen,--antwoordde hij.

Dat had ik verwacht. Hij kon zich aan een hem onbekende, zoo als ik,

toch niet op de eerste de beste vraag blootgeven.

--Bezie dit teeken eens nauwkeurig!

Hij bekeek het met een onverschilligen blik en zeide toen:

--Pah, een knoop! Hebt gij mij daarvoor laten roepen?

--Ja,--zeide ik kortaf.

--Ik drijf handel in paarden en rundvee, maar niet in knoopen,--luidde

zijn wederwoord.

--Dat weet ik wel. In dit soort knoopen wordt trouwens geen handel

gedreven. Ik ben gekomen, om u een groet over te brengen.

--Van wien?--vroeg hij koel.

--Van Deselim, den waard te Ismilan, en van zijn broeder.

Op deze woorden kregen zijn oogen een vriendelijker uitdrukking,

en werd zijn gezicht minder ernstig.

--Kent gij ze allebei?--vroeg hij nu.

--Zeer goed. Natuurlijk moet ik hen kennen.

--Natuurlijk? Hoezoo?

--Omdat wij broeders zijn.

--Van waar komt gij?

--Uit Stambul. Ik ben een afgezant van den Usta, van wien gij gehoord

zult hebben.

--Tot wien heeft hij u gezonden?

--Tot den Shoet.

--Zult gij dien kunnen vinden?

--Dat geloof ik wel.

--Hm! Dat is niet gemakkelijk.

--Voor mij zal het dat wel zijn, want gij zult mij inlichten.

--Ik? Wat weet ik van den Shoet! Houdt gij mij voor een bandiet?

--Neen, maar voor een dapperen Skipetaar, die de beteekenis van deze

Koptscha kent en dienovereenkomstig handelen zult.

--Heer, ik weet zeer goed, wat ik te doen heb. De Koptscha, die

gij draagt is die van een aanvoerder; maar wij hebben dit teeken

afgeschaft. Het heeft geen waarde meer, want er is te veel misbruik

van gemaakt. Er zijn thans gansch andere teekens.

--Welke?--vroeg ik bedaard.

--Gij zult begrijpen, dat ik u dat niet kan zeggen, want gij moet u

daarmede legitimeeren.

--Bedoelt gij de woorden?

--Ja. Het eerste woord is de naam van een plaats. Waar zoekt gij

den Shoet?

--In Derekulibe.

--Heer, dat klopt. Ik weet nu dat gij werkelijk bij ons behoort. Maar

het andere herkenningsteeken? Kent gij dat ook?

Door het land der Skipetaren · 第 12 / 34 段