--Dat leek maar zoo. Ik heb mezelf reeds verweten dat ik de menschen

in hun bijgeloof heb versterkt, maar misschien kan ik dat door u weer

goed maken. Wanneer gij weer te Ostromdscha komt, zult gij daar wel

over ons hooren spreken. Vertel de menschen hoe het gegaan is. Ik had

gehoord, dat wij zouden worden overvallen, of van uit een hinderlaag

doodgeschoten, en toen kwam ik op het denkbeeld, om de menschen in

den waan te brengen dat wij kogelvrij waren, omdat men dan hoogst

waarschijnlijk niet op ons schieten zou. Ik zal u vertellen hoe ik

dat heb aangelegd.

En nu legde ik hem alles uit. Zijn gezicht werd al langer. Toen bekwam

hij langzamerhand van zijn verbazing, hoorde mij ten einde toe aan,

en zeide lachend:

--Het verheugt mij buitengewoon, Heer, dat gij mij die geschiedenis

hebt verteld. Ik zal te Ostromdscha een groote rol spelen, wanneer

ik de menschen uitlach en hun vertel, hoe de zaak in elkaar zit. Ik

wilde dat ik het hun kon laten zien.

--Dat kunt gij. Ik heb nog meer kogels, en wanneer gij mij belooft

voorzichtig te zijn en ze niet met andere te verwisselen, dan wil ik

u die geven.

--Ja, geef ze mij. Ik ben o zoo blij dat gij dit wilt doen. Maar weet

gij, dat ik nu nog meer eerbied voor u heb dan te voren.

--Waarom?

--Omdat het nog veel meer zegt, zich door wijsheid en slimheid

ergens doorheen te slaan dan door tooverij. En nu geloof ik ook dat

de goochelkunst uit niets anders dan zulke kunstgrepen bestaat. Gij

hebt echter uw doel bereikt, want de Aladschy's besloten in 't geheel

niet op u te schieten, maar u met bijlen en messen af te maken. De

bode beschreef u zoo nauwkeurig, dat geen vergissing haast mogelijk

was en ging toen heen. Geen kwartier later kwaamt gij.

--En wien meendet gij te zien?

--Een Scheriff. Ik kon niet vermoeden dat gij de vreemde Effendi waart,

die zou worden vermoord.

--En hebt gij ook ons gesprek beluisterd?

--Neen, want uw persoon leek mij niet van voldoende gewicht. Toen

kwaamt gij binnen en waart vriendelijk tegen mij en de kinderen. Gij

genaast zelfs mijn dochtertje van haar tandpijn. Ik wist wel is waar

niet, wat zij met u voorhadden, maar gij waart vriendelijk tegen ons

geweest en daarom waarschuwde ik u.

--Met gevaar voor u zelf.

--Dat was zoo groot niet. Ik waagde er alleen een paar zweepslagen

aan. Toen zij met u waren weggereden, maakte ik mij ongerust over u,

want zij hadden elkander zulke vreemde blikken toegeworpen. Daarom

wenkte ik u nog eens, toen gij op de brug omkeekt.

--Ik begreep dat gij mij tot voorzichtigheid wildet aanmanen. En wat

deedt gij daarna?

--Ik ging naar mijn buren, vertelde hun wat er was voorgevallen en

riep hen op, om met mij het bosch in te gaan en u uit de handen

der roovers te bevrijden en ook de vier vreemdelingen te redden,

die zouden worden overvallen.

--Maar daarvoor waren ze niet te vinden!--vervolgde ik zijn verhaal. Ze

waren natuurlijk bang voor de wraak der Aladschy's en verscholen zich

veilig achter hun vier muren. Dat kan ik me voorstellen. De vrees is

de grootste vijandin dergenen die vreesachtig zijn. Ergens anders

waren de Aladschy's nooit zoo ver gekomen; men zou hen heel gauw

onschadelijk hebben gemaakt.

--Meent gij, in uw vaderland?

--Ja zeker!

--Is daar dan iedereen een held?

--Neen, maar daar is het onmogelijk dat een Skipetaar de menschen

zooveel vrees aanjaagt. Wij hebben geen strengere maar wel veel

zachtere wetten dan gij, maar ze worden gehandhaafd. Daarom vreest ook

niemand de wraak van een mensch, want de politie is sterk genoeg om de

zwakkeren en goeden en eerlijken te beschermen. Maar wie beschermt u?

--Niemand, Heer. De vrees alleen. Wie het bijvoorbeeld zou wagen om

zich tegen de Aladschy's te verzetten en hun bevelen niet uit voeren,

zou alles van hun toorn hebben te vreezen, en er is geen overheid

die hem daarvoor kan vrijwaren. Daarom moet het u niet verwonderen,

dat mijn buren niets met de zaak te doen wilden hebben.

--Maar gij zijt ook niet groot in getal!

--Ook dat, en buitendien is men vrij algemeen de meening toegedaan

dat twee van die Aladschy's allicht tien man kunnen staan!

--Hm! Dan kan ik er wel twintig voor mijn rekening nemen, want ik

ben hun de baas af!

--Maar alleen met Allah's hulp, Effendi. Die roovers zijn

verschrikkelijk. Toch nam ik mij voor, de vreemdelingen te

waarschuwen. Daarom zette ik mij op de bank voor mijn huis neer en

wachtte hen op.

--Hebt ge ze gezien?

--Neen, mijn kinderen waren aan het kibbelen geraakt, zij huilden en ik

ging naar binnen om den strijd te beslechten. En in dien tijd moeten

de vreemdelingen voorbij gekomen zijn. Ik ben er slecht afgekomen,

maar wat mij uit hun gesprek bleek, deed me veel genoegen. Ik hoorde

namelijk dat de bewuste Scheriff hen had overwonnen!

--En gij vermoeddet dus niet dat de Scheriff de aanvoerder was dergenen

die zij wilden opwachten?

--Die gedachte is niet in mij opgekomen. Maar later, toen zij wat

kalmer waren geworden en bij de Raki zaten, haalde de een een briefje

voor den dag, dat zij lazen. Ik hoorde dat gij dat aan een boom hadt

gestoken. Zij konden er echter niet uit wijs worden en wisten alleen

dat er drie ruiters voorbij waren gekomen, die zich precies aan dit

briefje hadden gehouden.

--En hielden zij die voor de verwachten?

--Neen, want de hoofdpersoon ontbrak immers. Zij meenden dat gij nog

voorbij moest komen. Ofschoon de bode hun had meegedeeld, dat gij

gewaarschuwd waart geworden, wilden zij het toch met u opnemen. Zij

waren zoo ontzettend woedend, dat zij al hun kalmte verloren hadden

en ook niet meer nadachten. Hun geweren waren gebroken. Zij hadden

de stukken bij zich. Ik heb die alle op mijn rug gevoeld. De kinderen

begonnen daarover te huilen en kregen ook schoppen en slagen. De een

kon niet rechtop staan, dien hadt gij tegen een boomstam gegooid. Hij

kleedde zich uit en ik moest hem zeker wel een paar uur den rug

wrijven met raki en boter. De andere bloedde voortdurend. Gij hadt

hem van onderenop een por gegeven en daarbij zijn bovenlip verwond,

naar hij zeide met de duimen van uw vuist. Zijn neus was bont en

blauw en dik en gezwollen. Hij wreef dien met raki. Later toen de

twee anderen kwamen, knipte een hunner hem den baard af en ging in

het naburige bosch hars halen, en maakte daarvan, met boter, een

pleister die op de lip werd gelegd.

--De twee anderen kwamen? Wie waren dat?

--O, dat waren eerst een paar echte galgentronies. Die moest gij

eens gezien hebben. Zij hadden den vorigen nacht bij Ibarek in Dabila

geslapen, en--

--O, die ken ik. Het waren broeders. Hebt gij dat niet gemerkt?

--Ja, ik hoorde al heel gauw dat zij, evenals de Aladschy's, broeders

waren. Zij kenden dezen en ook u!

--En wisten zij dat zij de Aladschy's zouden aantreffen?

--Neen, de twee paren broeders waren zeer verwonderd over deze

toevallige ontmoeting, maar hun vreugde was toch nog grooter dan hun

verbazing, toen zij hoorden dat hetzelfde doel hen had hiergebracht,

nl. wraak te nemen op u!

--Dat geloof ik, dan zullen ze elkaar heel wat te vertellen hebben

gehad!

--Veel, zeer veel, van Edreneh en Menelik, waar gij zoo vlug waart

ontkomen, ofschoon gij reeds dáár onschadelijk hadt moeten worden

gemaakt. Gij waart hen daarom dubbel gevaarlijk omdat gij van uit

het duivenslag [7] het geheele gesprek hadt afgeluisterd. Want toen

wist gij dat degenen, die u vervolgden, in de ruïne van Ostromdscha

waren te vinden. En nog gevaarlijker was het, dat de broeder van den

waard Ismilan u voor de rechtmatige bezitters der Koptscha gehouden

en daarom gezegd had dat gij naar Sbiganzy gaan moest.

--Ja, dat is zeker heel dom van hem geweest. Maar het zal ons nu wel

zeer moeilijk vallen, zoo al niet onmogelijk zijn, om van dit voordeel

gebruik te maken.

--Dat is waar. Toen de Aladschy's hoorden dat gij van de Derekulibe

bij Sbiganzy afwist, waren zij buiten zichzelf en zeiden dat dit,

't kostte wat 't wilde, moest worden voorkomen, en besloten zij u

hier op de openbaren weg aan te vallen!

--Ze waren dus nog steeds van meening, dat wij nog niet voorbij

gekomen waren.

--Ja, ze waren zoo gaan zitten, dat er niemand voorbij kon komen,

zonder door hen te worden gezien. De beide anderen zouden hen daarbij

behulpzaam zijn. Ze waren nu vier tegen vier, en de beide Aladschy's

verklaarden nu, zoo moedig te zijn, dat zij 't tegen een geheel leger

durfden opnemen. Dat duurde echter slechts zoo lang tot Toma, de bode,

uit Radowitsch terug kwam.

--Die heeft hen dus van de staar gelicht!

--Zij riepen hem binnen. Toen hij hen zag, schreeuwde hij moord

en brand over het uitzicht van den een. Zij zeiden hem, dat de

vier personen nog niet waren voorbij gekomen; maar hij antwoordde,

dat hij u reeds te Radowitsch had gezien en de noodige zweepslagen

had ontvangen. Groot was nu hun verbazing. Zij begrepen hem en hij

begreep hen niet. Eindelijk vroeg hij, of zij dan geen Scheriff hadden

gezien, die eveneens paard reed. Dat waart gij geweest, want ge hadt

u verkleed.

--Jammer dat ik daar niet bij geweest ben. Ik had die gezichten wel

eens willen zien!

--Ja Effendi, het was grappig, maar toch ook verschrikkelijk. Zulk

vloeken en razen had ik nog van mijn leven niet gehoord. Alles wat niet

spijkervast was in de kamer, werd stuk geslagen. Ze gingen te keer als

van den duivel bezetenen; zooiets was hun nog nooit overkomen. Zij

hadden den Scheriff een poets willen bakken en nu waren zij door

hem bij den neus genomen. Zij konden bijna niet tot bedaren komen en

leken wel woedende stieren, voor wie niets helpt dan de vlucht.

--Dat geloof ik graag. En wat deed de bode?

--Hij was doodsbenauwd. Hij zelf had u verteld dat gij vermoord

waart geworden, en zich daardoor verraden. Buitendien wist gij toch

reeds dat hij met de Aladschy's heulde, en vreesde nu dat gij naar

Ostromdscha zoudt terugkeeren en hem bij het gerecht aanklagen.

--Wat dat betreft, kan hij gerust zijn. Ik zal hem aan zijn eigen

kwaad geweten overlaten.

--O, dat kwelt hem niet erg. Het veroorzaakt hem in ieder geval minder

pijn dan de zweepslagen die hij heeft ontvangen.

--Vertelde hij dat?

--Ja, en hij was woedend over den kleinen Hadschi. Het ergerde hem

bijzonder dat hij voor zich de dertig slagen had moeten kiezen,

want ze waren even goed aangekomen als anders honderd. Zijn kleeren

kleefden op zijn gewonden rug, en hij smeekte de Aladschy's u toch

te dooden, eendeels uit wraak en anderdeels opdat gij hem niet zoudt

kunnen aanklagen.

--En beloofden zij hem dat?

--Zij zwoeren 't hem, en wilden dadelijk weg gaan naar Radowitsch,

maar hij zeide hun, dat gij voornemens waart daar te overnachten zoodat

zij den tijd hadden tot den volgenden morgen. Zij konden dus slapen

en uitrusten, om 's morgens weer frisch te zijn. Daarbij maakte hij

hen opmerkzaam, dat zij bij mijn broer misschien wel meer te weten

zouden kunnen komen, want hij had toevallig te Radowitsch gehoord dat

hij de vier vreemdelingen naar de Locanda babi hamajuni had gebracht.

--Aan dit voorstel gaven zij natuurlijk gevolg?

--Ja. Ik vond dat vrij onaangenaam, want ik vond het vooruitzicht

alles behalve plezierig, dat zij bij mij zouden overnachten en ik

zoolang een gevangene zou zijn in mijn eigen huis. Zij vertrouwden mij

niet en ik mocht niet eens aan de deur komen. De Aladschy's hadden

den laatsten nacht niet geslapen en zouden nu uitrusten, terwijl de

beide anderen om beurten de wacht zouden houden!

--En Toma de bode?

--Hij reed naar huis, maar is voornemens reeds morgen vroeg weer naar

Radowitsch te gaan, om te hooren of zij u hebben ingehaald en vermoord!

--En waar en bij wien, wil hij dat te weten komen?

--Dat weet ik niet. Zij noemden den naam, terwijl zij de hoofden bij

elkaar staken, zoo zachtjes dat ik dien niet kon verstaan. Toen de

bode weg was kochten de Aladschy's den anderen hun geweren en munitie

af. Gij hadt de hunne gebroken en ook hun kruit meegenomen. Maar hoe

woedend ze ook op u waren, moesten ze er toch om lachen, dat gij hen

hun geld had laten behouden.

--Ik ben te eerlijk geweest, maar als ze weer in mijn handen vallen,

dan zal ik mij niet voor de tweede maal laten uitlachen. Maar wat

wilden de beide anderen doen. Die zijn vandaag toch niet mee gereden?

--Die gaan naar Menelik terug en hebben hun opdracht aan de Aladschy's

overgedragen. Zij moeten namelijk aan een zekeren Barud el--el--el,

och hoe heet hij nu ook weer!

--Barud el Amasat!

--Ja, ja, zoo is 't! Dezen moeten ze dan mededeelen dat zijn zoon

gestorven is: verder dat gij de Koptscha bij u hebt, en eindelijk dat

het zeer wel mogelijk is, dat gij bij een vleeschhouwer in Sbiganzy

inlichtingen omtrent de Derekulibe gaat inwinnen.

--Nu, misschien lukt het ons den bode voor te zijn.

--Effendi! Wees voorzichtig. Zij rijden ook naar Sbiganzy en kennen

den mooisten weg daarheen over Taschköj zeer goed. Wanneer gij hen

voor wilt komen, moet gij ook dezen weg inslaan en in het bosch om

hen heen rijden. Gij weet echter niet waar zij zijn. Integendeel,

zij zullen op u loeren en u overvallen.

--Daar zijn wij op voorbereid. Wanneer men het gevaar kent is het

niet half zoo groot. Wanneer ik mijn voet niet had verwond, zou ik

ook dien weg inslaan. Ik zou hun spoor volgen en steeds nauwkeurig

weten waar ik aan toe was. Maar daarom is het noodig dat ik af en toe

afstijg en dat kan ik nu niet. Om diezelfde reden mag ik het ook niet

op een strijd laten aankomen. In het bosch vecht men niet te paard,

en te voet zou ik een allertreurigst figuur maken. Wij moeten dus

een anderen weg kiezen.

--Die echter ook veel langer is.

--Dat doet er niet toe.

--Gij zult hen niet vooruit komen, Effendi!

--Misschien toch wel. Wij zullen van hier naar Karbinzy rijden en

van daar misschien direct, misschien ook over Warzy, naar Sbiganzy,

al naar omstandigheden.

--Dat is echter een moeilijke weg, Heer!

--Eigenlijk niet. Wanneer wij van hier naar Istib en vandaar over

Karaorman naar Warzy rijden, hebben wij steeds een straatweg;

maar daar moeten wij een hoek maken, die tijd kost. Liever rijd ik

dadelijk naar Karbinzy, ofschoon dat een moeielijke rit zal wezen,

want ik geloof niet dat dit een gebaande weg is.

--Neen, alleen zoo af en toe,--bevestigde de mandenmaker,--maar als

ik u tot gids mag strekken, beloof ik u, u den weg zoo gemakkelijk

mogelijk te maken.

--Kent gij den omtrek hier?

--Zeer nauwkeurig. Ik zal u nu toch tot gids dienen, en dan is het

mij volkomen hetzelfde of wij naar Taschköj of naar Karbinzy gaan. De

afstand is vrijwel dezelfde. Ik kan het wel zoo inrichten dat wij

den ongebaanden weg kunnen mijden en meest over open vlakten gaan. 't

Zal echter wel voortdurend bergop, bergaf gaan.

--Nu, dat is wel te doen!

--Wanneer wenscht gij te vertrekken, Effendi? Kan ik eerst nog weer

naar huis gaan?

--Ja maar binnen een half uur moet gij weer hier zijn. Kunt gij

misschien niet een paard leenen?

--O, de waard hier zal daartoe wel dadelijk bereid zijn!

--Nu, spreek dan maar met hem af. Ik betaal het.

--Gij kunt ook het mijne krijgen dat buiten staat,--zeide zijn broeder.

--Neen, dat hebt gij zelf noodig, want 't is een heel eind van hier

naar uw huis.

--Ja, en ik weet ook niet of dat wel vlug zou gaan, want 't is een

oud beest. Maar die schoften hebben mij mijn goed paard afgenomen. Ik

zal dat wel nooit meer zien, en ik heb ook geen geld genoeg om een

ander te koopen, ofschoon ik het hard noodig heb.

--Hoeveel was het waard? vroeg ik hem.

--Onder broeders, honderdvijftig piasters.

--Dan zal ik het van u koopen!

--Van mij koopen?--vroeg hij verwonderd. Effendi is dat u ernst?

--Waarom dan niet?

--Omdat ik het paard niet heb!

--Dat doet er niet toe! Ik zal het zelf wel halen!

--Waar dan?

--Bij de dieven. Wanneer ik hen achterhaal, zal ik hun meteen uw

paard afnemen.

--Maar als dat u nu eens niet gelukt!

--Dat is mijn zaak. Kort en goed, ik koop het van je, wanneer gij

tenminste bereid zijt den koop te sluiten.

--Met groot genoegen, want ik zal het dier toch nooit terug

krijgen. Maar Effendi, neem mij niet kwalijk, gij betaalt toch zeker

eerst, als gij het paard in uw bezit hebt.

--O neen! Wie weet hoe lang ik die schurken nog moet nazitten en waar

ik hen dan zal vinden. Hoe moest ik u dan het geld doen toekomen? Ik

zal u die tweehonderd piasters dadelijk geven.

--Honderd vijftig heb ik gezegd.

--Neen, tweehonderd!

--Dan hebt gij mij verkeerd verstaan!

--Dat is mijn schuld! Ik heb gemeend twee honderd piasters en heb

verklaard dat ik het daarvoor kocht. Wilt ge?

--En voor uw kinderen geef ik dan nog een fooi van vijftig

piasters. Hier hebt gij dus twee honderd vijftig piasters.

Dat was dus nauwelijks dertig gulden voor het beste paard van dien

man. Maar in gindsche streken betaalt men voor een gewoon slag paarden

heel andere prijzen als bij ons. Buiten heeft zelfs iedere arme man

een paard, want goedkoope, soms zelfs kostelooze weiden vindt men

overal. Dat de mandenmaker geen paard had, was wel een bewijs dat

hij zeer, zeer arm was.

In weerwil van de kleine som, bereidde ik daarmede den man groote

vreugde. Het verlies dat de brave man geleden had, was daarmede

ruimschoots vergoed en mij maakte het niet armer, want ik betaalde

met het geld dergenen die het paard hadden gestolen. Nu speet het mij,

dat ik ook het geld der beide Aladschy's niet bij mij had gestoken. Ik

had daarmede brave en eerlijke menschen kunnen weldoen.

Wij ontbeten, en maakten ons toen gereed om te vertrekken. Daarbij

bracht mijn voet mij in groote verlegenheid. Wat zou ik aantrekken?

Juist toen ik hierover nadacht kwam de dokter binnen.

--Effendi!--zei hij,--ik kom u mijn morgenbezoek brengen en u vragen

hoe gij hebt gerust!

Hij was geheel gekleed, zooals den vorigen avond, en had een pakje

in de hand.

--Ik dank u!--antwoordde ik. Ik heb heerlijk gerust en ik hoop dat

dit ook met u het geval zal zijn geweest.

--Allah heeft dezen uw wensch niet vervuld, want ik heb den geheelen

nacht geen oogenblik geslapen. Ik had het hoofd zóó vol van zwavelzure

kalk, dat het mij onmogelijk was een oog dicht te doen en toen ik

eindelijk in slaap viel, droomde ik dat de zee van kalk en water was

en de hemel van katoen, en onophoudelijk in de zee werd gedoopt en

dan om mij heen geslagen. Dit vreeselijke verband begon mij eindelijk

zoo te drukken, dat ik geen adem meer kon halen. Ik gilde van angst

en.... toen werd ik wakker. Maar ik had mij zoo verzet tegen het

verband leggen, dat ik uit mijn bed tot midden op den vloer was gerold!

--Dan kunt ge u nu zoo 'n klein beetje voorstellen hoe het uw "model",

gisteren te moede moest zijn geweest.

--Heel aangenaam zal hij het wel niet hebben gevonden, maar toch ligt

hij alweer een uur bij mij. Hij heeft den linkerenkel en twee vingers

van de rechterhand gebroken. Hij is prachtig verbonden en rookt tabak

en drinkt daarbij limonade en eet sinaasappels.

--En is hij geheel vrijwillig gekomen?

--Neen, ik heb hem zelf moeten halen!

--En hoe staat het met uw gipskaftan?

--Die hangt reeds, aan een ijzeren stang, voor mijn deur, en een massa

menschen staan er naar te kijken! Ik heb er een jongen bijgezet,

die aan het publiek moet uitleggen, wat die kaftan beduidt en dan

mag iedereen vrij binnen komen om het vinger- en enkelverband van

mijn model te bekijken. Het zal niet lang meer duren of ik ben een

beroemd man, en dat heb ik aan u te danken. Hoe gaat het met uw voet?

--Zeer goed.

--Dan beveel ik u, als lijfarts, de grootste, meest volkomen rust

voor dit lichaamsdeel aan. Men is buiten bezig paarden te zadelen! Gij

zijt toch niet voornemens te vertrekken?

--Dat ben ik van plan.

--Hm! dat is onvoorzichtig!

--Ik weet dat ik het kan wagen.

--Ja, gij waart reeds gisteren avond van plan, om heden uw reis voort

te zetten. Maar wat zult gij gedurende de reis om uw voet doen?

--Daar heb ik ook al over gedacht.

--En ik heb er den geheelen nacht over gedacht, en toen is mij iets

goeds ingevallen. Ik heb op het land een rijken patiënt, die door

jicht wordt geplaagd. Zijn voeten zijn gezwollen, en het steekt

en trekt hem in al zijn teenen. Ik heb hem, hier in de stad, een

paar mooie zachte jichtlaarzen laten maken, die ik aan hem wilde

sturen. Ik kan gemakkelijk voor hem een paar andere bestellen. Gij

hebt de lintwormen en het skelet niet van mij willen aannemen, en ik

hoop dat gij mij nu niet met beschaamde kaken zult laten staan, maar

mij zult veroorloven, u deze laarzen als bewijs van mijn hoogachting

en dankbaarheid aan te bieden.

Hij maakte nu het pak open, en haalde de laarzen tevoorschijn,

zij waren uit stevige stof gemaakt, met flinke zolen en rondom met

leer bezet.

--Doe mij het genoegen, Effendi, en pas de linkerlaars eens aan!--vroeg

hij.

Ik voldeed gaarne aan zijn verzoek. De laarzen pasten en ik zeide

hem, dat ik het geschenk gaarne zou aanvaarden. Hij was daarover zeer

verheugd, en bedankte mij recht hartelijk. Toen ik hem duidelijk wilde

maken dat ik hem, niet hij mij dank verschuldigd was, liep hij de deur

uit, en wenschte mij, vóór hij die sloot, een recht gelukkige reis.

Toen de mandenmaker weer terug kwam, zouden we opbreken, en ik vroeg

den waard naar het bedrag onzer rekening.

--Gij zijt mij niets meer schuldig, Effendi!--antwoordde hij.

--Maar wij moeten u toch betalen!

--Er is reeds betaald.

--Door wien?

--Door den Hekim. Gij hebt hem iets geleerd, waarmede hij zeer veel

geld zal verdienen. Hij laat u nogmaals alleronderdanigst groeten en

wenscht u gelukkige aankomst in uw vaderland!

--Sihdi!--fluisterde Halef mij toe--verzet u er niet tegen, maar

neem het aan. Die Hekim is een verstandiger en netter mensch dan ik

dacht. Hij weet de gastvrijheid op prijs te stellen, en in het boek

des levens, zal hem daarvoor een zachten dood worden toegedacht.

Met groote moeite kwam ik op de binnenplaats en werd daar te paard

geholpen. Eenmaal in den zadel gezeten, ging alles goed. Wij reden weg,

andermaal, zonder betaald te hebben.

In een nauwe straat, waar wij doorreden, zag ik een menigte

menschen staan. Uit het huis, waarvoor zij stilstonden, hing een

wit voorwerp. Toen wij dichterbij kwamen, herkende ik den kaftan,

en daarboven de fez met de sigarenlintjes. De Hekim had het dus

niet alleen voor de grap gezegd. Daar hing de kaftan inderdaad,

een prachtig voorbeeld van Turksche reclame.

Mij kwam een en ander volstrekt niet belachelijk voor, en ook de

menschen die zich er omheen verdrongen, keken hoogst ernstig. Ik hield

stil en stuurde den mandenmaker naar binnen om te vragen of de heer des

huizes thuis was. Hij kwam met een ontkennend antwoord terug. De vrouw

van den dokter konden wij toch onmogelijk een afscheidsbezoek brengen.

Toen wij de nauwe straten met de talrijke kleine winkeltjes achter

ons hadden, sloegen wij de straat in, die naar Skopia voert. De

afstand daarheen is nagenoeg even groot als van Ostromdscha naar

Radowitsch. Wij volgden die straat echter maar voor een klein

gedeelte. Zoolang wij op den straatweg waren, ging het in galop. Toen

sloeg onze gids rechts af, tusschen twee met boomen begroeide hoogten

die een dal vormden, waardoor een beekje stroomde.

Dit dal liep al heel gauw tamelijk steil naar boven, en toen zagen

wij al heel gauw een kalen bergrug waar geen boom te bekennen was en

die zich naar het noorden uitstrekte. Dien reden wij in draf langs.

Wat zal ik van die streek zeggen? Men herinnert zich natuurlijk die

plekjes het best, waar men iets heeft ondervonden of beleefd, en dat

was hier niet het geval. De mandenmaker voerde ons door onbegroeide

streken, die niet de minste landelijke bekoorlijkheid hadden.

In Karbinzy, een dorp op den linkeroever der Bregalnitza, hielden

wij halt, en namen afscheid van hem. Hij kreeg een extra belooning,

waarmede hij zeer in zijn schik was. Daarna reden wij de rivier over,

om te Warzy te komen, dat op den rechteroever ligt. Door dit dorp

loopt een reeds oudtijds bekende en druk gebruikte rijweg, die de

zuidelijk van Istib gelegen hoofdplaatsen, met Karatowa Kostendil,

Dubnitza, Radomir en eindelijk met Sophia verbindt. Wij trokken nog

over de kleine Sletowska, en bevonden ons toen in het dorp Sbiganzy,

voor het oogenblik het doel van onzen rit.

Ongeveer 's morgens om negen uur, naar onzen tijd gerekend, hadden

wij Radowitsch verlaten en te drie uur kwamen wij aan. Wanneer wij

met gewone snelheid hadden gereden, zouden wij het dorp niet voor

den nacht hebben bereikt.

NEGENDE HOOFDSTUK.

IN DE ROTSHOLTE.

Het dorp Sbiganzy is geen onaanzienlijke plaats; het verdient

echter meer een marktvlek te heeten, omdat er een bazar is. Midden

tusschen de Bregalnitza en de Sletowska gelegen, is het land zeer

waterrijk en vruchtbaar. En van andere plaatsen, waar wij door waren

gekomen, onderscheidde zich Sbiganzy, door den bouw der huizen,

die welvarendheid der inwoners verried.

Door het land der Skipetaren · 第 11 / 34 段