Nu moest het vertrek worden schoongemaakt. De stijve kaftan werd over

een paar stoelen gehangen en de instrumenten bij elkaar gezocht. Toen

werd mijn kamer voor mij gereed gemaakt. Osko had mij reeds lang weer

water gebracht, en ik bemerkte tot mijn groote vreugde dat de zwelling

minderde. Pijn had ik in 't geheel niet meer. Later liet ik mij naar

mijn kamer dragen en neerleggen op het bed dat inmiddels voor mij in

gereedheid was gebracht. Ik maakte telkens frissche omslagen en was

voornemens tegen den avond een verband te leggen. Daarvoor moesten

watten, gaas en een nieuwe voorraad gips worden gehaald.

Toen ik ongeveer drie uur had gelegen, hoorde ik de stem van den

dokter aan de deur.

--Waar is de Effendi?

--Daar in die kleine kamer!--was Halefs antwoord.

--Dien me aan.

Halef deed de deur open en de dokter stapte naar binnen. Maar hoe!

Hij was gekleed als een bruidegom! Een blauw-zijden kaftan hing neer

tot op zijn voeten, die hij in fijne safraan lederen pantoffels had

gestoken, en op het hoofd droeg hij een blauw en wit gestreepten

tulband waaraan een granaten agraffe glinsterde. Hij zag er inderdaad

feestelijk uit en had iets plechtigs over zich. Bij de deur bleef

hij staan, kruiste de armen over de borst, maakte een diepe buiging

en zeide:

--Effendim, japarim ziaret schúkúrüm ittibarún, mijn geëerde Effendi,

ik kom u mijn dank betuigen en de verzekering geven van mijn

hoogachting! Girisch bana ruchsat wer! Veroorloof mij binnen te komen.

Ik boog plechtig het hoofd en antwoordde:

--Jaklaschdyr, chosch sen.--Treed nader, gij zijt welkom!

Hij deed drie stappen, kuchte en begon:

--Effendim, uw hoofd is de bakermat van het verstand der menschen en uw

hersenen bevatten de kennis en wetenschap van alle volkeren. Uw geest

is scherp als de scherpte van een scheermes, uw oordeel is puntig

als de naald waarmede men booze zweren open maakt. Daarom is het uw

kismet geweest, de groote vraag tot oplossing te brengen, hoe men

breuken, verstuiking, verrekkingen en kneuzingen behandelen moet. Uw

genie heeft alle sferen der wetenschap doorloopen, heeft gevorscht op

elk gebied, totdat gij terecht zijt gekomen bij de zwavelzure kalk,

die de onwetende Barbaren met den naam gips bestempelen. Daar hebt

gij water bij gedaan en het daarna omgeroerd, waardoor men het op

linnen kan uitstrijken, waarmede men dan de gewrichten, botten en

pijpen omwikkelt, om dezen de stevigheid te geven die zij noodig

hebben. Daardoor zult gij in den loop der tijden millioenen armen en

beenen voor verkromming en vergroeiïng bewaren, en de professoren

der toekomst zullen inzamelingen houden om voor u een monument

op te richten, waarop uw hoofd in steen zal zijn uitgehouwen op

uw gestalte. Op den steen zal uw naam in gouden letters worden

gegraveerd. Tot zoolang zal ik hem in mijn notitieboekje opschrijven,

en ik verzoek u mij dien naam te noemen.

Hij had deze woorden op plechtigen toon gesproken, alsof hij sprak

uit naam eener deputatie, die echter alleen uit zijn persoon bestond.

--Ik dank u!--antwoordde ik,--de waarheid echter gebiedt mij te

bekennen, dat ik het niet geweest ben, die deze groote uitvinding heb

gedaan. In mijn vaderland is zij overbekend, zoowel bij doktoren als

bij leeken.

Wanneer gij echter den naam van den uitvinder wilt weten, zal ik u dien

noemen. De geleerde man, aan wien zoovele menschen hun rechte ledematen

te danken hebben, heet Mathijsen en was een beroemd heelkundige in het

land dat Holland wordt genoemd. Ik heb uw dank niet verdiend, maar

het verheugt mij zeer, dat de uitvinding uw goedkeuring wegdraagt,

en ik hoop dat gij die veelvuldig in praktijk zult brengen!

--Dat ik vast besloten ben, die geneeswijze toe te passen, zal ik u

bewijzen. Maar den dank moogt gij niet afwijzen. Al zijt gij dan ook

de uitvinder niet, gij hebt die weldaad dan toch hier ingevoerd. Ik

zal den dag van heden niet vergeten, en heb tot mijn groote vreugde

gezien dat mijn kaftan nog in wezen is. Die zal nu mijn uithangbord

wezen. Ik zal die voor de deur van mijn huis ophangen, zoodat een

ieder die het een of ander lichaamsdeel heeft gebroken, zien kan,

dat ik hem in zwavelzure kalk wikkel. Ik heb reeds geprobeerd hoe die

moet worden gemaakt, en verzoek u vriendelijk mijn werk in oogenschouw

te nemen, en mij uw oordeel te zeggen. Wilt gij dat?

--Zeer gaarne!--antwoordde ik.

Hij ging naar het venster en klapte in de handen. De deur die naar

de groote kamer leidde, werd opengedaan en ik hoorde zware voetstappen.

--Hierheen!--beval hij.

Dadelijk daarop verschenen twee mannen die een groote tobbe droegen,

die tot aan den rand met vloeibare gips was gevuld. De een droeg

buitendien een voorraad watten, voldoende om tien personen in te

wikkelen, terwijl de andere een pak katoen in de hand hield. Zij

zetten hun last neer en gingen heen.

Toen er daardoor wat plaats was gekomen, kwamen twee mannen binnen

die een baar droegen. Daarop lag een man met grooten baard, die tot

aan den hals was toegedekt. Zij zetten de baar neer en gingen toen

weder de kamer uit.

--Hier zult gij nu het eerste verband zien, dat door mij werd

aangelegd!--begon de dokter. Ik heb me de noodige grondstoffen

aangeschaft en dezen arbeider laten komen om mij als model te

dienen. Hij krijgt iederen dag tien piasters en den kost. Veroorloof

mij dat ik het laken wegneem en u den patiënt toon.

Hij nam het laken weg, en toen ik het model zag, moest ik mij geweld

aandoen, om niet in lachen uit te barsten. De dikke had allerlei

breuken en kneuzingen bedacht en den armen man dienovereenkomstig

met gips verbonden. Maar hoe!

De schouders, de boven- en onderarmen, zelfs de heupen waren in

gips-zwachtels gewikkeld, die alle wel een handbreed dik waren. Ook

de borstkas was van zulk een pantser voorzien, zoodat een kogel er

zeker niet zou zijn doorgedrongen.

De man leek inderdaad een werkelijke patiënt, die den dood nabij

was. Hij kon zich niet bewegen, ja zelfs nauwelijks ademhalen. En

dat alles voor een gulden twintig per dag. Per dag! Dat was het

vermakelijkste van de geschiedenis. Hij moest dus dagenlang in die

verbanden liggen en waarvoor?

--Hoe lang wilt gij die proef dan laten duren?--vroeg ik.

--Zoolang als hij het kan uithouden. Ik wil de uitwerking bestudeeren

die de zwavelzure kalk op de verschillende lichaamsdeelen heeft.

--Op een gezonde? De eenige uitwerking die 't op hem zal hebben, is

dat hij het niet meer kan uithouden. Wat is er met zijn borst gebeurd?

--Hij heeft vijf ribben gebroken, twee rechts en drie links.

--En met de schouders?

--De beide sleutelbeenderen zijn gebroken.

--En hoe staat het met de heupgewrichten?

--Die zijn beide uit de kom geschoten. Maar nu heeft hij nog iets:

de onderkaak is ontwricht en nu heeft hij de klem gekregen. Hoe men

dát nu met gips moet verbinden, is mij niet recht duidelijk en ik

zou gaarne hebben dat gij mij dit eens vóórdeelt!

--Maar Hekim, dat wordt immers nooit verbonden.

--Niet?... en waarom niet?

--Wanneer men de onderkaak weer op zijn plaats brengt, wijkt de klem

van zelf en is daar geen gipsverband meer bij noodig.

--Goed, dan zullen we aannemen dat zijn mond weer geheel in orde is.

--Maar wees nu zoo goed en maak ook zijn ribben vrij. De man snakt

naar lucht!

--Zooals ge wilt. Ik zal gereedschap gaan vragen bij den waard.

Ik was zeer benieuwd wat hij zou meebrengen. Bij zijn binnentreden

was ik juist bezig een verschen omslag om mijn voet te doen en ik

keek eerst op, toen ik hamerslagen hoorde.

--Om Godswil! Wat doet ge daar? Wat hebt ge daar in uw handen?

Ik kon dat namelijk niet zien, omdat hij met den rug naar mij toestond.

--Tshekidsch ile kalemkiarlyk! hamer en beitel!--antwoordde hij

doodbedaard.

--Dan zult ge hem de ribben inderdaad nog stuk slaan of hem den beitel

in de borst stooten.

--Ja, maar hoe moet men dan doen?

--Met een schaar, een mes, of een daartoe geschikte zaag, al naar de

plaats, waar het verband is aangebracht, en de dikte er van.

--Een beenderenzaag is in mijn mand, ik zal die gaan halen.

--Breng dan meteen mijn kleinen reisgenoot mede, die kan u helpen,

want ik ben er niet toe in staat!

Toen Halef binnenkwam, gaf ik hem eenige wenken en hij begon

het gipsverband los te maken, hoezeer de dokter daar ook tegen

protesteerde. Het was zwaar werk en het duurde geruimen tijd voor

en aleer het model van al zijn verbanden was bevrijd. Er moest licht

bij worden aangestoken, want de avond was inmiddels gevallen.

De arme kerel, bij wien, behalve de leelijke beenbreuken en kneuzingen,

de dokter ook nog mondklem had willen constateeren, had geen enkel

woord gesproken. Maar toen hij van het laatste verband was bevrijd,

zeide hij tot mij:

--Ik dank u, Heer!

Met één sprong was hij buiten.

--Halt!--riep de dikke hem na. Ik heb je nog noodig, want nu beginnen

wij weer van voren af aan!

Maar al zijn roepen was tevergeefs.

--Daar loopt hij me weg! Wat moet ik nu beginnen met al mijn mooie

gips, watten en zwachtels?

--Laat hem loopen!--antwoordde ik. Wat hadt gij dan gedacht? Met dien

voorraad gips kunt gij wel twee huizen bedekken. Ik kan er wel wat van

gebruiken, want ik geloof dat het nu tijd wordt om mij te verbinden!

--Uitstekend, Effendi! Uitstekend! Ik zal dadelijk beginnen!

--Langzaam, langzaam! En doe nu precies wat ik u zal zeggen.

De man was geheel in vuur en deed mij onder het aanleggen van het

verband, allerlei verhalen van kunststukken, die hij reeds had

verricht. Toen wij gereed waren, zeide hij:

--Ja, dat is heel wat anders. Ik zal meteen mijn proef-patiënt weer

laten komen, en hem morgen weer hier heen laten brengen!

--En wanneer wilt ge hem dan verbinden?

--Van avond nog!

--Allah! dan moet hij dus tot morgen zóó blijven liggen! Gij zult hem

nog vermoorden. Wanneer ge u op hem wilt oefenen, moogt gij niet al

zijn ledematen tegelijkertijd verbinden, maar slechts een tegelijk,

en ook moet ge ieder verband dadelijk weer afnemen wanneer het stijf

geworden is. Dan moet ge ook onthouden, dat men in de verbanden

openingen kan snijden om zich van den toestand van bijzondere plekken

op de hoogte te stellen. Gij hebt niemand die u daarin kan onderrichten

en ook geen boek om in te studeeren. Gij moet dus zelf nadenken en

proeven nemen!

--Effendi! Blijf toch hier en onderricht mij. Alle Hekims uit den

omtrek zullen gaarne uw lessen volgen!

--Ja, en dan moesten wij als modellen dienen!--voegde Halef er aan

toe. Dat ontbreekt er nog aan! Gij hebt nu van middag genoeg geleerd,

en moet nu maar zien, u zelf verder te helpen!

--Wanneer gij er geen tijd voor hebt, moet ik van zelf wel van dat

onderwijs afzien. Het is waar, ik heb van middag veel geleerd en weet

eigenlijk niet hoe ik u mijn dankbaarheid zal toonen. Geld zoudt gij

toch niet aannemen. En daarom zal ik een aandenken geven, Effendi,

dat u inderdaad genoegen zal doen!

--En dat is?

--Verscheidene flesschen met spiritus en verschillende soorten lint-

en dauwwormen, waaraan ik zeer veel aardigheid heb. Maar ik gun ze

u van harte!

--Ik moet u daarvoor danken, want die flesschen zouden mij op reis

veel te lastig zijn.

--Dat spijt me, maar ik wil u toch toonen dat ik niet ondankbaar

ben. Ik zal u het liefste geven, wat ik bezit: een skelet. Ik heb de

beenderen zelf afgeschrapt, gekookt, gespoeld en gebleekt.

--Ook daarvoor moet ik u danken.

--Wilt gij mij beleedigen?

--Volstrekt niet, maar ge begrijpt toch wel dat ik op mijn paard geen

skelet kan meenemen.

--Dat is waar! Maar veroorloof me dan tenminste dat ik u hartelijk

de hand druk.

De Hekim was, als de meeste dikke menschen, in den grond een zeer

goedig manneke. Hij was zeer leergierig en dankbaar, en was sedert

den namiddag zeer veel veranderd. Hij was overgelukkig toen ik hem

uitnoodigde deel te nemen aan ons avondmaal, en toen hij daarna

afscheid van ons nam, scheidden wij als goede oude vrienden.

Zijn dragers hadden zoo lang moeten wachten, en sleepten nu hun lasten

weer mee. In plaats van het model lag nu de mand met instrumenten en

de stijve kaftan, die als uithangbord dienst moest doen, op de baar.

Het overige gedeelte van den avond brachten wij door, met te overleggen

wat wij den volgenden dag zouden beginnen. Ik was vast besloten om,

in weerwil van mijn voet, de reis voort te zetten want wij mochten den

vier mannen die wij vervolgden, niet zulk een belangrijken voorsprong

geven dat wij hun spoor konden verliezen.

Op het briefje, dat Hamb el Amasat had geschreven en dat mij te

Edreneh in handen gekomen was, stond te lezen:

--In pripeh beste la karanorman chan ali sa panajir menelikde--zeer

spoedig bericht in Karanorman-khan, maar na de jaarmarkt te

Menelik. [6]

Menelik lag nu achter ons en wij waren den broeder van Hamb el Amasat

tot hiertoe gevolgd, zonder ook maar een flauw vermoeden te hebben

waar dit Karanorman eigenlijk lag. In ieder geval was deze plaats het

doel van zijn tocht en zouden wij hoogst waarschijnlijk beiden daar

aantreffen. Zij hadden iets zeer slechts in den zin, wat wij wilden

voorkomen. Daarom hadden wij dezen tocht ondernomen en wanneer wij

hun een grooteren voorsprong gaven, was het zeer waarschijnlijk dat

wij ons doel niet zouden bereiken. Daarom moesten wij beslist den

volgenden dag verder gaan.

Halef beschouwde mij als patiënt en verlangde dat ik me zou

ontzien. Osko en Omar waren het echter volkomen met mij eens. De

laatste liet zelfs de spreuk der wrake der woestijn hooren:

--Ed dem b'ed dem! Bloed voor Bloed! Ik heb gezworen den dood mijns

vaders te wreken, en ik moet mijn woord houden. Wanneer gij morgen

niet meegaat, dan vertrek ik alleen. Ik heb geen rust voor ik den

moordenaar mijn mes in het hart heb gestooten!

Dat klonk woest en onmenschelijk. Als Christen hing ik aan de leer

"Hebt uwe vijanden lief!" maar toen ik mij het oogenblik herinnerde

dat zijn vader, onze gids, zoo jammerlijk was omgekomen, gevoelde

ik toch dat die dood moest worden gewroken. Of dit nu juist moest

geschieden op de wijze die Omar voorstelde, daarover was ik het op

dat oogenblik nog niet met mijzelf eens. In ieder geval was ik vast

besloten, geen doodgewonen barbaarschen moord te dulden.

Wanneer ik niet gewekt geworden was, had ik zeer zeker een gat in

den dag geslapen. De mandenmaker stond buiten en wenschte mij te

spreken. Ik ontving hem, vrijwel ontstemd door de stoornis, maar toen

ik achter hem zijn zwager, den waard zag binnenkomen, begreep ik dat

er gewichtige redenen voor moesten bestaan om mij uit den slaap te

halen en zette ik een vriendschappelijker gezicht.

--Heer,--zeide de waard. Ik dacht niet dat ik u zoo spoedig zou

weerzien. Neem mij niet kwalijk, dat wij u in uw rust komen storen,

maar er staat veel op het spel. Het geldt uw leven!

--Alweer! Maar we willen hopen dat het niet zoo ernstig is als gij

u voorstelt.

--Het zou zeer ernstig zijn, wanneer ik u niet had kunnen

waarschuwen. De beide Aladschy's zijn hier bij mijn broeder geweest!

--Ah! wanneer?

--Bij het aanbreken van den dag!--antwoordde de mandenmaker tot

wien ik deze laatste vraag had gericht. Wij waren al vroeg wakker,

want de vreugde over uw geschenken hield ons uit den slaap. Zelfs de

kinderen waren reeds opgestaan. Ik was naar de rivier gegaan, om naar

de netten te zien, die ik gisteren avond nog had uitgezet. Toen ik

terugkwam, hielden juist twee ruiters voor de deur stil, waar zij met

de kinderen spraken. Vader lag nog te bed. Toen zij mij zagen aankomen,

vroegen zij of hier gisteren niet vier ruiters waren voorbij gekomen,

waarvan een, een Scherif-tulband droeg, en een gekleurden bril op

had. Een der paarden was een zwarte Arabische hengst.

--En wat hebt gij geantwoord?--vroeg ik in spanning.

--Wel, ik dacht dadelijk dat dit wel de Aladschy's zouden zijn waarover

gij ons hadt gesproken, en verzweeg de waarheid.

--Hm! dat zal je wel slecht zijn bekomen.

--Begrijpt gij dat al?

--Uw kinderen hadden het zeker reeds verraden!

--Zoo is het. Zij sloegen mij met hun zweepen en dreigden mij te

dooden, als ik hun niet de waarheid zeide.

--Het is heel goed, dat gij hun de waarheid hebt verteld.

--Weet ge dan, dat ik dat heb gedaan?

--Ik merk het aan uw schuwen blik. Gij vreest dat ge iets verkeerds

hebt gedaan en hebt daardoor geen rustig geweten.

--Effendi, gij hebt het bij het rechte eind. Ik had me wel uit de

voeten kunnen maken, maar dan hadden zij dat zeer zeker op mijn

vader en de kinderen gewroken. En daar deze laatsten toch al hadden

gebabbeld, zei ik dat gij inderdaad voorbij waart gereden.

--Maar toch verder niets?

--Ik wilde dat alleen zeggen, maar zij hadden de kinderen reeds

volkomen uitgehoord en van hen vernomen dat gij uw laarzen geledigd

en aan vader geld gegeven had en dat ik u vandaag naar Taschköj zou

brengen, waar ik ook reeds met de booze mannen was geweest.

--Dan hebt gij 't wel moeten bekennen!

--Ja, ik kon niet anders, en ik hoop dat u er niet boos om zult wezen.

--Ik kan er u niet om beknorren. Ik had voorzichtiger moeten zijn

en er niet over spreken in tegenwoordigheid der kinderen. Hadden de

roovers geweren?

--Ja, en zij zagen er uit alsof zij 't hard hadden te verantwoorden

gehad. De een had een pleister op de bovenlip, en zijn neus had de

kleur van een blauwe pruim.

--Dat is Bybar geweest, dien ik met een houw de bovenlip had

opgescheurd. Maar hij droeg toch een baard?

--Dan heeft hij dien afgeknipt om een pleister op de scheur te

kunnen leggen; mijn broer zal dat wel weten. Hij sprak in het geheel

niet. Zijn broer deed het woord. Deze zat zoo slecht in den zadel

alsof hij zijn ribben had gebroken.

--Ik smakte hem tegen een boom en daarvan zal hij de gevolgen nog

voelen. Wat deden zij toen?

--Zij gaven mij nog een paar stompen, en reden toen in de richting

van Radowitsch weg.

--Dat geloof ik niet. Ik denk dat zij naar het bosch zijn gereden,

waar gij ons doorheen moet brengen. Zij zullen ons dáár willen

overvallen. Zij kennen ongetwijfeld den omtrek!

--Gij hebt goed geraden, Effendi. Ik dacht hetzelfde en ben hen daarom

achterna geslopen. Al heel gauw sloegen zij rechts af, de bergen in.

--En nu hebben zij zich daar verborgen en wachten ons op. Voor alles

moet ik weten, hoeveel en wat gij hun hebt verteld. Gij hebt dus bekend

dat ik te Radowitsch ben. Gij hebt misschien ook wel gesproken over

mijn gewonden voet die me waarschijnlijk zal noodzaken te Radowitsch

te blijven?

--Neen, geen woord!

--Dan verwachten zij ons heden. Hebben zij niet gevraagd, wanneer

wij voornemens waren te vertrekken?

--Ja, en ik zeide dat ik dat nog moest vernemen. Toen zwoeren zij,

mij te vermoorden en mijn hut af te branden, wanneer ik hen zou

verraden. Daarbij vertelden zij mij dat zij de Aladschy's waren,

van wie ik zeker wel zou hebben gehoord en die hun bedreiging altijd

uitvoerden.

--En toch komt gij het mij vertellen!

--Dat is mijn plicht en ook de dankbaarheid gebiedt het mij. Misschien

kunt gij het wel zoo inrichten, dat ik toch heb gezwegen!

--Dat gaat misschien gemakkelijk genoeg. Natuurlijk ben ik u dankbaar

voor uw waarschuwing, zonder welke 't mij slecht had kunnen vergaan.

--Ja, Heer, gij zoudt verloren zijn geweest!--viel zijn broer hem in

de rede. Ik heb het met mijn eigen ooren gehoord.

--Ze zijn dus weer naar u toegekomen?

--Natuurlijk. Maar ik was er geenszins mede in mijn schik, want ik

had genoeg aan hun eerste bezoek.

--Dat was gisteren namiddag! Of hebt gij hen reeds vroeger gezien?

--Gehoord had ik wel van hen, maar ik had ze nog nooit gezien. Zij

kwamen 's morgens bij mij en vroegen Raki, en gingen aan de tafel voor

het huis zitten, nadat zij de paarden naar achteren hadden gebracht.

--En vermoeddet gij wie zij waren?

--Ja hun paarden en hun reuzen-gestalten pasten volkomen bij de

beschrijving die men van hen had gegeven. Ik was zeer op hen gebeten,

omdat ik hen hield voor de dieven van mijn paard en mijn pakzadel.

--Gij weet dus reeds dat beide verdwenen waren?

--Natuurlijk, dat zag ik zoodra ik was opgestaan.

--En was het dan niet mogelijk dat uw paard was weggeloopen?

--O, dat was nog nooit gebeurd en dan had het zadel er toch moeten

wezen.

--Dat is volkomen waar, het zadel loopt niet met het paard weg.

--Ik vertelde hun van den diefstal, en zij schenen te merken dat ik

er hen van verdacht, want ze werden boos tegen mij en dwongen mij

eindelijk in de kamer te blijven.

--En liet gij u dat maar welgevallen?

--Wat kon ik er tegen doen?

--De hulp van uw buren inroepen.

--Ik kon toch niet weg om die te halen, en zelfs indien dit mogelijk

was geweest, had ik het toch niet gedaan. Wanneer de Aladschy's bij

iemand komen, doet men maar het beste hun te gehoorzamen, want wanneer

men ook al eenig oogenblikkelijk voordeel op hen behaalde, zouden zij

dit later toch wreken. Ik bleef dus rustig in de kamer. Ik mocht niet

eens de kinderen halen, wat gij later toch hebt gedaan, Effendi!

--Kwam er in dien tijd niemand bij u binnen?

--Gij dacht dat de komst van een gast hen misschien zou hebben

verjaagd!

--Zijn zij dan bij uw komst vertrokken?

--Neen, daar hebt gij gelijk in!

--Er ging niemand voorbij, er kwam slechts een persoon en dat was----

--De Bakadschi Toma van Ostromdscha!--viel ik hem in de rede. Die

wist dat de Aladschy's op hem wachtten. Buitendien waren zij den

vorigen nacht in de nabijheid geweest en wisten ook dat gij twee

paarden bezat. Zij zijn de eigenlijke oorzaak van den diefstal!

--Dat heb ik nu van mijn broeder gehoord.

--En bleef die Toma maar kort bij u?

--O neen, hij steeg van zijn muildier, ging bij hen zitten en vertoefde

wel een uur bij hen.

--En kondet gij niet hooren wat zij zeiden?

--Van de kamer uit niet, ik hield hen echter voor de dieven van mijn

paarden, en daar ik vermoedde dat zij erger in den zin hadden omdat ik

de kamer niet mocht verlaten, nam ik mij voor te luisteren. Gij zult

wel hebben gezien dat in mijn kamer een ladder staat, waarmede men op

den zolder kan komen waar het stroo ligt. Ik klom naar boven en vandaar

uit kon ik zachtjes door het luik op het uitstek komen. Ik hoorde ieder

woord en vernam wat in Ostromdscha was geschied. De bode vertelde dat

uitvoerig, en zeide dat gij tegen den middag zoudt opbreken en dus

ongeveer twee uur later langs mijn huis zoudt komen. Verder hoorde ik,

dat hij reeds den vorigen avond met hen had gesproken.

--Aha!--riep ik uit--nu begrijp ik hoe het mogelijk was, dat de

Mubarek de Aladschy's zoo gauw vinden en tegen mij opzetten kon.

--Het schijnt dat hij hen reeds vóór uw aankomst had besteld om den

een of anderen gemeenen streek uit te voeren. Gij hebt hem daarin

gestoord, en daarom heeft hij van bun aanwezigheid gebruik willen

maken om zich op u te wreken.

--Wat hoordet gij nog meer?

--Dat de Mubarek met nog drie anderen was ontkomen, en dat gij

sterven moest. Hij duidde zelfs de plaats aan, waar gij zoudt worden

overvallen, namelijk niet ver van de scherpe bocht die de weg in het

bosch maakt.

--Daar heeft in elk geval de strijd tusschen hen en mij plaats gehad!

--En gij hebt hen overwonnen, zooals mijn broer mij heeft

verteld. Effendi, Allah is met u geweest, anders hadt gij het onderspit

moeten delven.

--Zeer zeker! Maar ga voort.

--De bode zeide hun, dat zij niet op hun geweren en pistolen moesten

rekenen, want dat gij kogelvrij waart. Toen lachten zij hem in zijn

gezicht uit. Toen hij hun echter precies vertelde wat er gebeurd

was, werden zij bedaarder en geloofden eindelijk dat gij inderdaad

kogelvrij zijt!

--Nu, en wat denkt gij daarvan? vroeg ik.

--Effendi, er bestaat tweeërlei tooverij. Bij de een is de hulp van

Allah noodig, en bij de andere de hulp van den duivel. Gij hebt ook

tooveren geleerd, maar Allah helpt u.

Ik antwoordde hem:

--Meent gij inderdaad dat de Almachtige door enkele woorden, teekenen

of ceremonieën van een zijner zwakke schepsels, gedwongen zou kunnen

worden, hem ter wille te zijn?

--Hm! Neen, want dan was die mensch nog machtiger dan Allah zelf. Maar

gij doet mij schrikken! Toovert gij dan met behulp van den duivel?

--O neen, wij tooveren in het geheel niet, en kunnen niet meer dan

andere menschen.

--Maar gij zijt toch kogelvrij!

--Wij zouden wat blij zijn, als dat inderdaad het geval was. Maar

jammer genoeg, zou een kogel in onze huid, een even groot gat maken,

als in die van ieder mensch.

--Dat kan ik niet gelooven. Gij hebt immers de kogels met de hand

opgevangen.

Door het land der Skipetaren · 第 10 / 34 段