sterven. Dan kunnen de zijnen in de ure des doods niet eens voor hem
bidden. Waaraan is hij gestorven?
--Hij is vermoord geworden!
--Verschrikkelijk! Hebt gij zijn lijk gezien?
--Neen, Heer!
--Dus heeft men u alleen verteld dat hij dood is?
--Zoo is het!
--En wie heeft hem vermoord?
--Dat weet men niet. Hij lag midden in het bosch, tusschen hier
en Ostromdscha.
--Ik ben door dat bosch gekomen. Hoe komt het dat ik dan niets van
dien moord heb vernomen? Heeft men hem willen berooven?
--Neen, het moet uit wraak zijn gebeurd!
--Misschien een bloedwraak?
--Een andere. Deze onvoorzichtige man heeft in Ostromdscha een
formeelen opstand in het leven geroepen, de menschen tegen elkander
opgestookt en 's nachts zelfs de hut van een vromen man in brand
gestoken.
--Dat is zeer zeker een misdaad, die Allah nooit zal vergeven!
--O, die man gelooft niet aan Allah. Het was een Giaur, een Christen
die varkensvleesch eet.
--Dan wacht hem de hel.
--Uit wraak heeft men op hem geloerd en hem vermoord.
--Was hij alleen?
--Neen, er waren er nog drie bij hem.
--En waar zijn die dan gebleven?
--Verdwenen! Men vermoedt dat zij eveneens zijn vermoord.
--En waar heeft men zijn lijk gelaten?
--Dat weet ik niet!
--Zonderling, en op dien ongelukkige gelijk ik?
--Gij lijkt sprekend op hem, zoowel wat de houding als gezicht betreft,
alleen is uw haar en baard veel korter en lichter!
--Dus bestaat er tusschen hem, den Giaur, en mij, den Scheriff,
althans een onderscheid waarover ik mij van harte verheug. Maar wie
zijt gij eindelijk?
--Een Bokadschi uit Ostromdscha!
--Gij moet dus alles vrij nauwkeurig weten. Maar--hm, ik hoorde
vandaag onderweg, dat er twee Skipetaren zijn, die berucht zijn in
den omtrek. Hebt ge daar wel eens van gehoord?
--Ja, want wij boden hooren van alles!
--En kent gij ze?
--Neen, Heer! Hoe kan een eerlijk man roovers kennen? Wat is er met
hem aan de hand?
--Zij zijn van morgen gezien geworden in de nabijheid van Ostromdscha!
--Dan zij Allah deze streek genadig!
--Er was ook een Bokadschi bij hen. Ik meen dat hij Toma heet.
De bode sidderde van schrik; ik vroeg echter kalm:
--Kent gij dien misschien?
--Zeer goed. Hij is,--een kameraad van mij!
--Dan moogt ge hem wel waarschuwen, als gij hem ontmoet, want de
politie zoekt dien man.
--Allah, w' Allah! en waarom dat?
--Omdat hij medeplichtig is aan den moord, want hij heeft dien Christen
verraden--aan de beide Aladschy's, de moordenaars. Hij heeft hun den
tijd gezegd, waarop de vreemdelingen Ostromdscha wilden verlaten.
--Is----is dat waar? stotterde hij
--De vermoorde heeft het zelf gezegd.
--Kan een doode dan spreken?
--Hij is niet dood, hij is niet vermoord. Niemand weet zelfs dat hij
vermoord zou worden, dan gij alleen, Toma!
De bode sprong van schrik op.
--Gij kent mij dus?--riep hij ontsteld.
--Ja, wel zeker, en die dáár kennen u ook!
Ik zette den tulband en den bril af, en wees naar de deur waardoor
Osko, Omar en Halef juist binnen kwamen. De man stond een oogenblik
als versteend van schrik, want nu herkende hij mij.
--Ik moet weg! Spoedig weg. Ik heb nog zeer dringende zaken te doen.
Hij sprong naar de deur, maar Halef had hem al bij den kraag gepakt.
--Waarom wilt gij ons zoo spoedig verlaten, waarde vriend?--vroeg
hij op vriendelijken toon.
--Omdat ik nog zooveel te doen heb!
--Ik dacht dat gij alleen boodschappen meenaamt naar hier. Dus gij
belast u ook met opdrachten van hier naar Ostromdscha?
--Jawel! Maar houdt me nu niet langer op!
--Ge zoudt ook wel iets voor mij kunnen meenemen!
--Naar wien?
--Dat zal ik wel voor je opschrijven.
--Wat is het?
--Een groet, alleen een groet!
--Daarmede zal ik me gaarne belasten, maar laat me dan nu heengaan!
--Maar dat gaat niet. Ge moet toch wachten tot ik den groet heb
opgeschreven en het adres daaraan heb toegevoegd.
--Duurt het lang?
--Volstrekt niet. Ik maak bij zulke vriendschaps-betuigingen nooit
heel veel complimenten. Ik heb ook geen papier of inkt noodig, want
ik schrijf op onbereid perkament. Het bodenloon voeg ik er dadelijk
bij. Het potlood heb ik in den stal. Dus zult gij de moeite moeten
nemen om met mij daarheen te gaan, mijn waarde Toma. Kom!
De bode keek den kleinen man onderzoekend aan. Hij vertrouwde hem
blijkbaar niet best, maar Halef sprak zoo buitengewoon vriendelijk! Hij
volgde hem dus naar buiten, en Omar en Osko gingen glimlachend met
hen mede.
Ik kon van mijn plaats, door het open venster waarin geen ruiten waren,
nagenoeg de geheele binnenplaats overzien. Ik zag hen met hun vieren
daarover heen gaan, en achter een deur, waarschijnlijk de staldeur,
verdwijnen, die daarna werd gesloten.
Na eenige oogenblikken hoorde ik in de verte de geluiden, die men
heden ten dage alleen nog in China en Turkije te hooren krijgt, die
onbeschrijfelijke tonen, die worden voortgebracht, wanneer een zweep
in aanraking komt met de menschelijke huid.
Toen ging de deur weer open en de bode trad naar buiten. Zijn houding
was niet zeer imponeerend, zijn gang leek op dien van een oerang
oetang, die zonder stok op de beenen moet blijven, de knieën naar
voren gebogen, de borst kromgedrukt en het hoofd daarover heen hangend.
Hij was blijkbaar niet erg nieuwsgierig, welken indruk deze dramatische
uittocht maakte, want hij keek in 't geheel niet om, maar ging stil
zijns weegs.
De drie wrekers kwamen dadelijk weer bij mij.
--Het noodlot heeft hem hierheen gevoerd!--zei Halef, terwijl hij zich
over zijn baard streek en tevreden glimlachte.--Wat zei de kerel wel,
Sihdi, toen hij u zag?
Ik vertelde het.
--Zoó'n brutale kerel! Nu mag hij de dertig groetenissen, die ik hem
heb opgedragen mee te nemen naar Ostromdscha, daar uitdeelen aan wien
hij wil.
--Verweerde hij zich niet?
--Hij had daar wel eenigen lust in, maar ik zeide hem heel vriendelijk
en deelnemend, dat hij, wanneer hij tegenspartelde, er vijftig
kreeg; ging hij gewillig op den grond liggen, dan kreeg hij er maar
dertig. Hij was zoo wijs het laatste te kiezen. Maar ik heb er voor
gezorgd dat die dertig groetenissen minstens evengoed in zijn geheugen
zullen zijn geprent als vijftig. Zijt gij 't met mij eens, Effendi?
--Ditmaal, ja!
--Ik wilde dat het noodlot mij eens meer zoo gunstig was, als het
zulke schelmen betreft. Er zijn er nog verscheidene anderen, die
ik ook nog wel gaarne eens de keus tusschen dertig of vijftig zou
willen laten. Ik wil hopen, dat ik te gelegener tijd nog eens den
een of ander ontmoet. Maar hoe is het met uw voet, Sihdi?
--Niet al te best. Omar moet maar eens gaan zien of hier ergens in
de stad ook gips te krijgen is en dan ongeveer vijf liter daarvan
meebrengen. Haal gij in dien tijd een emmer met water waar ik mijn
voet in kan zetten, en trek dan mijn buis uit.
Nu kwam de mandenmaker terug, die mij mededeelde dat hij lang had
moeten zoeken vóór hij dokter "Martelsteen" had gevonden. Dit heerschap
had het erg druk, maar zou dadelijk komen.
Ik dankte hem voor zijn moeite, gaf hem nog wat tabak en liet hem
toen naar huis gaan.
Halef bracht me het water. Toen ik nu den gezwollen voet onderzocht,
bemerkte ik dat ik dien, hoewel gelukkig niet ernstig, had
verstuikt. Ik had het gewricht wel weer zelf op de rechte plaats kunnen
brengen, maar wilde er toch maar liever een dokter bij hebben. Een
kleine misgreep kon me misschien noodzaken langeren tijd hier te
blijven. Ik zette intusschen mijn voet in het koude water.
Eindelijk kwam de dokter. Maar ik had hem eerder voor een Chineeschen
brievenbesteller dan voor een Europeesch geneesheer gehouden.
Hij was klein van gestalte en tamelijk dik. Hij had wangen blozend
als appeltjes, zijn kleine eenigszins scheef liggende oogen, wezen
er op, dat de bakermat van zijn geslacht had gehangen aan den stang
van een Mongoolsche tent. Op zijn glad geschoren hoofd droeg hij, ver
naar achteren geschoven, zoodat zijn geheele voorhoofd bloot kwam,
een oude versleten Fez, die in plaats van een kwast met een bundel
roode, blauwe en gele sigarenbandjes was versierd. Zijn korte kaftan
reikte hem slechts tot aan de knieën en scheen uit één grooten zak te
bestaan, want hij stond naar alle kanten, van boven en van onderen,
links en rechts, van voren en van achteren, wijd uit. Deze bevatte
de wandelende apotheek van den dokter.
Ten overvloede hing een tamelijk groote verbandmand aan riemen over
zijn schouder en bevatte zijn kostbare instrumenten.
Hij droeg dikke wollen kousen, met dubbele vilten zolen, en
daaroverheen pantoffels, die men veilig de zevenmijls pantoffels had
kunnen noemen.
Toen hij binnen kwam, deed hij deze laatste uit en trad op zijn kousen
op mij toe.
Daar ik met mijn voet in 't water zat, begreep hij natuurlijk dadelijk
dat ik degeen was die zijn hulp behoefde. Hij maakte een buiging
en ik beantwoordde zijn groet, zoo goed en kwaad als dat ging. Hij
maakte de mand los, zette die op den grond en vroeg:
--Spreekt gij gaarne veel?
--Neen!--antwoordde ik kortaf.
--Ik ook niet! Dus korte vragen en korte antwoorden. Dan zijn we
spoedig klaar!
Zooveel energie had ik bij den kleinen dikkert niet gezocht. Hij keek
me van onder tot boven aan, en begon toen:
--Gij zijt toch den man niet met een voet?
--Neen, met twee voeten.
--Wat! Alle twee gebroken?
Hij had mijn grap niet begrepen.
--Neen, een, den linker.
--Dubbel gebroken?
O wee! Hij sprak van een saamgestelde breuk! Waarom niet een
tiendeelige! Dat was echter zijn zaak. Hij kon moeilijk van mij
verlangen dat ik op de hoogte der verwonding wezen zou.
--Alleen verstuiking,--antwoordde ik.
--Steek uw tong uit!
Dat was nu nog mooier! Maar ik deed wat hij vroeg en stak mijn tong
uit. Hij bekeek en betastte dien, schoof hem naar links en naar rechts,
en merkte toen hoofschuddend op:
--Een gevaarlijke verstuiking!
--Neen, slechts een lichte!
--Stil! Ik zie het aan de tong. Wanneer is het gebeurd?
--Drie, hoogstens vier uur geleden!
--Dat is al veel te lang geleden! Daar kan heel licht bloedvergiftiging
bij komen!
Ik had hem bijna in zijn gezicht uitgelachen, maar ik bedwong me
en verwonderde er mij alleen over, dat het woord bloedvergiftiging,
ook al in het Turksch, burgerrecht verkregen had.
--Hebt gij pijn?--vroeg hij.
--O, dat is wel uit te houden.
--En eetlust?
--Een uitstekende, dat verzeker ik u.
--Goed, goed. Dan komt gij het wel te boven, maar laat nu uw voet zien.
Hij ging op zijn hurken zitten, maar daar hem dit niet heel gemakkelijk
viel, zette hij zich naast den emmer op den grond, en ik legde heel
vertrouwelijk mijn voet in zijn schoot.
Hij betastte dien eerst zacht, daarna al harder en harder met de
vingertoppen, knikte en vroeg mij:
--Schreeuwt gij gauw?
--Neen.
--Des te beter.
Een vlugge greep, een krachtige ruk, een licht knersen der botten--toen
keek hij mij glimlachend aan en vroeg:
--Nu, hoe was dat?
--Heerlijk.
--Nu, dan zijn wij klaar!
--Heelemaal?
--Neen, nu nog verbinden.
Als chirurg was hij zeer zeker een flink kereltje. Wie weet hoe een
ander mij zou hebben geplaagd en gemarteld, alleen om de zaak ernstiger
te doen schijnen en daardoor een grooter honorarium te kunnen bedingen.
--Waarmee verbinden?
--Met planken. Waar is hout?
--Daar houd ik niet van.
--Waarom niet?
--Dat deugt niet.
--Wat deugt niet, wilt ge soms planken met goud en briljanten?
--Neen, ik wil een gipsverband.
--Gips, gips. Ben je nu heelemaal gek, gips smeert men op muren,
maar niet op een been.
Dit was zijn zwakke zijde, maar ik was in Turkije.
--En met gips maakt men ook prachtige verbanden.
--Dat zou ik wel eens willen zien.
--Dat kan gebeuren, ik heb gips laten halen.
--En hoe zult gij dat aanleggen?
--Heb nu maar geduld, dan kunt gij het zien.
--En als ge nu geen gips kunt krijgen?
--Dan maak ik een verband uit klei.
--Klei!--riep hij uit. Nu wilt ge mij toch wat wijs maken.
--Volstrekt niet.
--Denk ook maar niet, dat dit u mogelijk zou zijn.
--Als ik maar wilde!--riep ik lachend uit.
--Wat denkt ge wel, ik ben een geleerde.
--Ik ook.
--Waarin hebt gij gestudeerd?
--In alles,--antwoordde ik kortaf.
--En ik zeker nog driemaal meer, ik ken het geheele Dispensatorium
van Sabur Ibu Saheli.
--En ik ken het geheele geneeskundige boek van Abd al Meschid uit
het hoofd.
--Ik ken het niet alleen uit het hoofd, maar het zit mij in vleesch
en bloed. Een verband van gips of klei! Gips is meel en klei is week
en vloeibaar. Een verband moet vast en stevig zijn.
--Maar gips en klei worden vast en stevig. Gij zult er verbaasd over
staan; trouwens een verband mag nog niet worden aangelegd, eerst moet
ik natte omslagen hebben, totdat de zwelling heeft opgehouden en de
pijn minder is geworden. Begrijpt gij?
--Allah, gij spreekt als een geneesheer!
--Dat weet ik wel, ik versta de kunst ook.
--Breng dan uw voet zelf weer in orde, als gij dien hebt
verstuikt. Waarom hebt gij mij dan laten roepen?
--Om u mijn tong te laten zien.
--Dan is een rundertong nog wel zoo groot en belangrijk. Maar bedenk
wel, dat mijn bezoek tien piasters kost. Gij zijt een vreemdeling en
betaalt dus dubbel. Begrepen?
--Hier hebt gij twintig piasters, maar doe mij nu het genoegen en
kom niet weer terug.
--Ik denk er niet aan. Ik heb aan deze eene keer meer dan genoeg!
Hij wierp het geld in een sleuf van zijn kaftan, hing de mand weer
over den schouder en ging naar de deur. Daar deed hij zijn pantoffels
weer aan, en wilde juist heengaan zonder groeten, toen Omar binnenkwam
met een emmer in de hand.
De dokter bleef stilstaan, keek naar den inhoud van den emmer en vroeg:
--Wat hebt gij daar?
--Altschy--gips.
--Dat is dus de gips, waarvan de planken gemaakt moeten worden? Wat
een dwaasheid, wat een onzin! Dat is toch de grootste nonsens, die
men bedenken kan! Zoo iets kan alleen in het brein van een gek opkomen!
Nog hield Omar de deur, in wier opening hij stond, open. Nu deed hij
die achter zich dicht, zoodat de dokter er niet uit kon, zette den
emmer neer en pakte den geneesheer bij de armen zeggende:
--Wel dikkert, wie zijt gij nu eigenlijk?
--Ik ben de dokter! Begrepen?
--Nu, ge zijt misschien een zeer bekwame kwakzalver. Maar wat hadt ge
nu eigenlijk te vertellen van dwaasheid, onzin en nonsens? Onze Effendi
verlangde die gips, en weet altijd opperbest wat hij doet. Duizend
van die kwasten als gij zijt, hebben niet zooveel verstand, in al hun
leege hoofden samen, als hij in één enkel haar! Wanneer gij hem zulke
woorden durft toevoegen, zoudt gij nog wel terecht kunnen komen, waar
gij liever niet wilt wezen! Men ziet dadelijk dat ge o, zoo dom zijt!
Dat werd den man der wetenschap toch te veel. Hij rukte zich los van
Omar, deed een paar passen achteruit, haalde diep adem, en barstte los,
alsof zijn longen met kruit waren geladen:
--Wat--, wat--moet ik je doen, met mijn muts je den mond stoppen?--Daar
dan, zoon van een aap, kleinkind en achterkleinkind van een baviaan!
Hij rukte zich de muts van het hoofd en wierp dien Omar in het
gelaat. Deze raapte hem op, greep met de andere hand den emmer en
vulde de muts met aangemengd gips.
--Daar heb je het bedeksel van je ongelukkige verstand weer terug!
En hij wierp hem het met gips gevulde hoofddeksel in het aangezicht,
dat rood was van toorn. De gips vloog uit de Fez, en in het volgend
oogenblik zag de dokter er uit, als een uit peperkoek gekneed
kerstmannetje. De gips was ook op zijn oogen terecht gekomen. Hij
veegde en veegde, stampte met de voeten, verloor zijn pantoffels
en schreeuwde of hij vermoord werd, trok, toen hij eindelijk weer
kon zien, de riemen van zijn mand en wilde Omar daarmede naar het
hoofd gooien. Deze was daarop echter voorbereid en ving de mand
op. Daarbij ging het deksel open en de geheele inhoud: tangen, scharen,
pincetten, zwachtels, doozen en allerlei voorwerpen, rolden op den
grond, natuurlijk ook het voornaamste instrument dat een oostersch
geneesheer gebruikt, de klisteerspuit niet te vergeten.
De vlugge Arabier bukte handig en begon den dokter met al deze
voorwerpen te bombardeeren. Deze wist in zijn woede niet anders te
doen dan de wet der wedervergelding in praktijk te brengen. Hij nam
eenige dezer voorwerpen, die tegen zijn lichaam terecht waren gekomen,
weer op en wierp ze met geweld naar Omar terug, onder het uiten van
allerlei vloeken en scheldwoorden, waarin hij het bijzonder ver scheen
te hebben gebracht, maar die nagenoeg niet zijn weer te geven.
Gips droogt, zooals bekend is, zeer snel. Reeds na verloop van een
paar minuten was het een steenharde massa. Hier ging dit natuurlijk
nog eens zoo gauw, daar al het vocht in zijn kleeren trok. Toen zijn
bovenkleeren geheel wit waren geworden, staakte Omar het bombardement.
--Zie zoo! nu hebt ge genoeg gehad. Raap nu je rommeltje maar netjes
bij elkaar. De kuur is geëindigd. Sta maar op!
De dikke wilde van den stoel opstaan, maar zijn kleederen die geheel
stijf geworden waren, belemmerden hem daarbij. Dat was ook de reden
waarom ik niet tusschenbeiden was gekomen. De mogelijkheid om van
gips een verband te maken, was hem nu proefondervindelijk bewezen.
--Ik kan niet opstaan! Ik kan niet opstaan!--riep hij uit, zijn
tien vingers, wijd uitgespreidende.--Mijn kaftan is van glas! Mijn
kaftan breekt!
Halef nam de fez bij de sigarenlintjes beet, en hield hem die voor.
--Kijk eens hoe mooi je hoofddeksel is geworden! Wat zegt ge daar
nu van!
De Fez was bikkelhard geworden; 't was grappig om te zien!
--Mijn muts! mijn muts!--schreeuwde de dikke. Ik heb die van jongs
af gedragen en nu wordt hij door zoo'n ongeluk van een mensch
ontheiligd! Geef hier!
Hij wilde er naar grijpen, maar toen hij zijn arm ophief brak de gips.
--Hebt gij 't gezien? Hebt gij 't gehoord. Mijn lichaam brokkelt
af. Ik voel dat ik ook innerlijk in stukken breek. Gij hebt mij tot
een voorwerp van afschuw en spot gemaakt. Ik ben een verloren man
en gij kunt me wel dadelijk laten brengen naar het kerkhof waar de
cypressen over mij zullen treuren! O Allah, Allah, Allah!
Zijn toorn was in weemoed overgegaan. Het verlies zijner sierlijkheid
en lenigheid van gestalte ging hem zeer ter harte. Reeds stonden
allen op 't punt zijn weemoedige ontboezeming met een hartelijk
gelach te beantwoorden, toen ik met een handbeweging stilte gebood
en hem antwoordde:
--Jammer en treur niet, Hekim. Uw verdriet zal zich omzetten in
vreugde, wanneer gij beseft welk een gewichtige ontdekking gij hebt
gedaan en welke nuttige ondervinding gij hebt opgedaan!
--Ja, ik heb wel ondervinding opgedaan, maar voor mij van weinig
gewicht. Ik heb geleerd, dat men zich niet moet afgeven met menschen
zonder eenige beschaving!
--Meent gij dan misschien, Hekim, dat men die bij u vinden kan?
--Ja, want ik ben de man die kranken geneest en vermoeiden weer doet
opstaan. Dat is de ware beschaving.
--Gij zijt de man die van een patiënt durft zeggen, dat zijn tong niet
zoo groot en niet zoo belangrijk is als een rundertong. Wanneer gij u
verbeeldt, dat dit van beschaving getuigt, dan hebt gij 't nog niet
ver gebracht. Hoe ge overigens uit mijn tong wilt zien, hoe 't met
de verstuiking van mijn voet is gesteld, is en blijft me een raadsel.
--Dat zal u in uw leven wel meer zijn voorgekomen, dat gij iets niet
kondet begrijpen. Dat kan men wel aan u zien. Gij begrijpt natuurlijk
ook niet, dat gij mij in een toestand hebt gebracht die mijn eer en
goeden naam benadeelt.
--Neen, dat begrijp ik zeer zeker niet!
--Dan gaat uw wijsheid niet heel ver!
--En toch trekt gij den neus voor mij op en kijkt me aan met een
gezicht, en spreekt woorden, alsof gij de meest geleerde professor
ter wereld zijt.
--Tegenover u ben ik ook professor geweest, want ik heb u practisch
onderricht in de verbandleer gegeven.
--Daar heb ik geen woord van gehoord!
--Ik sprak ook van practisch onderricht, en daar behoeft niet bij
gesproken te worden. Wat gij nu hebt geleerd, kan u maken tot den
meest beroemden van alle doktoren, die wonen in de landen die onder
het beheer van den Padischa staan!
--Wilt gij mij nu nog bespotten ook? Wanneer gij inderdaad zoo knap
zijt als gij beweert, geef mij dan liever goeden raad hoe ik weer
uit die huid van gips moet komen!
--Daarover zullen wij het later wel hebben. Gij hebt mij uitgelachen
en beweerd dat uit gips geen verband te maken was, en toch is dit het
allerbeste wat er bestaat. Gij liet mij niet aan het woord komen, en
daarom hebt gij nu uit ervaring moeten leeren. Pak uw kaftan beet. Die
was eerst zacht, en is nu zoo hard als een steen, zoo hard als een
verband moet wezen om aan een lichaamsdeel stevigheid te geven. Merkt
gij nog niets?
Hij trok de wenkbrauwen samen en keek mij nadenkend aan.
Ik ging voort:
--Wanneer gij een gebroken been tusschen planken bindt, dan zullen deze
voor dat lichaamsdeel zeer lastig zijn, omdat zij niet den vorm van het
been aannemen, zich niet daar naar voegen. Zulk een verband deugt niet.
--Maar er bestaat geen ander verband. De grootste en voornaamste
doctoren in het land hebben zich er tevergeefs het hoofd over gebroken,
om een verband uit te denken dat stevig is en zich voegt naar den
vorm van het lichaam. Ik zelf heb een boek waarvan de titel is:
Schifa kernik kyryklarin. (Over de genezing van beenbreuken). Daarin
staat te lezen dat men breuken met planken kan behandelen.
--En wie heeft dat boek geschreven?
--De beroemde dokter Kari, Asfar Zulaphar!
--Nu, die heeft ongeveer twee honderd jaar geleden geleefd. 't Is best
mogelijk dat men toen niet beter wist, maar nu zou men je uitlachen.
--Ja, maar ik lach er niet om!
--Daarom passen zijn redeneeringen en beschouwingen alleen voor
dien tijd en niet voor den tegenwoordigen. Er zijn nog meer andere
verbanden. Hebt gij de fez wel eens goed bekeken, die gij op uw hoofd
hebt gehad?
--Hoe zou ik die niet hebben bekeken! Die kleine padde heeft hem mij
bitterlijk onder den neus geduwd.
--Vertel me dan eens, welken vorm hij heeft aangenomen?
--Dien van mijn hoofd!
--En wel volkomen; juist zoo gaat het met ieder ander
lichaamsdeel. Wanneer ik een arm, heb gebroken, laat ik dien eerst in
't lid zetten, en wikkel hem dan in dunne zwachtels. Deze bevochtig
ik dan met gips, dat ik in water heb opgelost, en zwachtel verder,
telkens de verbandstof in het gips doopende wanneer dit droog en
hard is geworden. Zoo krijg ik een stevig verband dat volkomen op
den arm past!
--Ah--Oh--Aah!--riep hij uit en keek daarbij eerst mij en daarna Halef
aan, terwijl hij dezen toeriep:--Geef mij eens gauw mijn muts aan!
De Hadschi deed wat hij hem vroeg, en hield die voor hem, terwijl
hij ze naar alle kanten ronddraaide.
--Nog beter is het,--ging ik voort,--wanneer men de stof eerst in
het vochtige gips drenkt, en daarna om het lichaamsdeel windt. En
opdat het, droog geworden, het zieke lid geen pijn zou veroorzaken,
legt men daar eerst een laag watten op. Dan rust het lichaamsdeel in
een zacht maar stevig en nauwsluitend verband.
Hij keek me weer aan en riep toen plotseling uit:
--Allah! Allah! Nazich idschad bulma, azametti
keschf! Allah! Allah! Welk een heerlijke ontdekking, welk een prachtige
uitvinding! Ik haast me, ik wil het opschrijven!
Zonder zich te bekommeren om de stijfheid van zijn kaftan sprong hij
op en ging haastig naar de deur.
--Wacht eventjes! Neem meteen uw mand met instrumenten mee!--riep
Halef. En zet eerst je muts weer op.
De dokter bleef stilstaan. 't Was kluchtig om hem te zien. De gips
brak aan alle kanten en brokkelde af. De kaftan bleef in de vouwen
en plooien en ook in den stand, waarin hij gebogen was bij het zitten
van den geneesheer. Het onderste achterdeel stak vooruit en hinderde
hem in het loopen. Toen keerde de kleine dikke man den Hadschi zijn
rug toe, stak zijn armen achteruit en zeide:
--Trek aan de mouwen! ik moet er uit!
Halef pakte hem beet en hield hem vast. De Aesculaap trok en trok,
en wrong zich eindelijk met zooveel geweld uit zijn gips-omhulsel los,
dat hij tegen de deur aan vloog; en daar hij die reeds had opengedaan,
zoodat zij alleen maar aan stond, kwam hij op de binnenplaats te recht.
--Tekrar gelirim, tekrar gelirim, schimdi tekrar gelirim! Ik kom
terug, ik kom terug, ik kom dadelijk terug!--riep hij terwijl hij
haastig opstond en wegliep.
Hij was van het verband in vuur geraakt en moest naar huis, om op te
schrijven wat ik hem had gezegd. Dat hij zijn pantoffels, zijn kaftan,
de fez en de mand met instrumenten had achtergelaten en nu blootshoofds
over straat liep, daarvan scheen hij zich niet veel aan te trekken. Hij
was met hart en ziel bij zijn beroep, maar had jammer genoeg, niet
meer geleerd dan wat anderen hem konden leeren die zelf niets wisten.