kleeren aan, om door die menschen, die ik gevangen nemen wil,
niet dadelijk te worden herkend! Gij schijnt echter geen aangename
ervaringen van den Mubarek te hebben opgedaan.
De zoon tot wien deze vraag was gericht, antwoordde, maar zich tot
zijn vader wendende:
--Ja, dat is zoo, maar niet alleen ik, ook mijn zwager. Hebt gij hun
paarden gezien?
--Hoe kon ik dat? Ik sliep nog, want 't was nog niet eens dag! De
hut was nog geheel in ochtendnevelen gehuld. Wat is er echter met
mijn schoonzoon gebeurd?
--Ze hebben hem bestolen!
--Allah, die arme stakker! Die bovendien nog pas kort geleden zijn
vrouw, uw zuster en mijn dochter, heeft verloren. Wat hebben ze
hem ontstolen?
--Het beste van zijn twee paarden!
--O hemel, ze hadden wel een rijker man zijn paard kunnen afnemen,
dat zou Allah welgevalliger zijn geweest. En was er de Mubarek
bij? Sedert wanneer zijn heiligen paardendieven geworden?
--Er zijn geen heiligen meer, zooals vroeger. Het is alles list en
bedrog! Ik vertrouw niemand meer! Zelfs den vroomsten marabout of
den voornaamsten Scheriff niet!
Bij het woord Scheriff wierp hij op mij een onderzoekenden
wantrouwenden blik. Ik wist nu wat hij had ondervonden, en kon zoo
denken wat er gesproken was geworden. Daarom zei ik tot hem:
--Gij hebt gelijk, er is veel list en bedrog in de wereld. Ik zal
echter eerlijk en oprecht met u zijn. Ik ben geen Skipetaar en ook
geen Scheriff, maar een Frank, die volstrekt geen recht heeft den
tulband te dragen. Zie maar!
Ik nam den tulband af en liet hun mijn haar zien.
--Maar Heer!--riep hij verschrikt uit,--wat zijt gij onvoorzichtig. Gij
waagt immers uw leven!
--O, zoo erg is het niet! In Mekka zou het gevaarlijker zijn dan hier,
waar zooveel Christenen zijn!
--Gij zijt dus in het geheel geen Muzelman maar een Christen?
--Ik ben een Christen!
--En gij draagt het Hamaïl om den hals, dat men alleen in Mekka
kan krijgen?
--Daar heb ik het ook vandaan!
--En toch zijt ge een Christen; dat kan ik haast niet gelooven!
--En toch zal ik het u dadelijk bewijzen, door u te zeggen dat uw
Mohammed ver beneden onzen Christus, den Zoon van God, staat en
knielen moet om dien te aanbidden. Zou een Muzelman zoo iets zeggen?
--Neen, nooit! Want gij hebt ons geloof aangetast, maar daarmede
bewezen dat gij een Christen, een Frank zijt. Misschien zijt gij het
wel die Manach el Barsha in den arm heeft geschoten!
--Wanneer moet dat gebeurd zijn?
--Gisteren avond bij de hut van den Mubarek!
--Daar ben ik ten minste geweest. Dus dezen man heb ik getroffen? Het
was donker en ik kon de personen niet onderscheiden. Dus ook daarvan
zijt ge op de hoogte?
--Zij spraken er voortdurend over! Gij zijt dus waarschijnlijk de
vreemdelingen die den Mubarek en die drie anderen hebben gevangen
genomen!
--Ja, dat zijn wij!
--Heer, neem mij dan niet kwalijk dat ik u beleedigde. Ik heb wel
is waar niets dan kwaad over u hooren spreken, maar het kwaad dat
slechte menschen over anderen spreken, zet zich gewoonlijk om in
alles goeds. Gij zijt de vijanden van die dieven en bedriegers,
en daarom zijt ge goede menschen.
--En stelt gij nu vertrouwen in ons?
--Ja, Heer!
--Vertel ons dan eens, hoe gij met die menschen in aanraking zijt
gekomen.
--Gaarne, Heer. Stijg af en zet u neer op die bank. Vader zal wel
plaats voor u maken en ik zal u vertellen.
--Dank u! Laat hem maar stil blijven zitten. Zijn haar is grijs en
ik ben nog jong. Ook heb ik een pijnlijken voet, zoodat ik liever in
den zadel blijf zitten. Vertel nu maar!
--Het was van morgen nog zeer vroeg, ik was juist opgestaan om mijn
dagwerk te beginnen. De nevel hing nog dik en zwaar zoodat men nog
bijna geen hand voor oogen zien kon. Daar hoorde ik ruiters aankomen,
die voor mijn hut stil hielden en mij riepen.
--Kenden zij u dan?
--De Mubarek kende mij. Toen ik buiten kwam, zag ik vier ruiters die
een met pakken beladen paard bij zich hadden. De een was de Mubarek en
in een der anderen herkende ik, toen het wat lichter was geworden en
wij reeds op weg waren, Manach el Barscha, de vroegere ontvanger der
belastingen te Uskub. Zij wilden naar Taschköj en vroegen mij of ik den
weg daarheen kende. Ik antwoordde toestemmend, en nu verzochten zij
mij hen daarheen te brengen en beloofden mij een goede belooning van
tenminste 30 piasters. Heer, ik ben een arm man en verdien anders nog
geen 30 piasters in een heele maand. Ook kende ik den ouden Mubarek
en hield hem voor een heilige. Daarom was ik gaarne bereid hen tot
gids te dienen.
--Zeiden zij niet waarom zij naar Taschköj wilden?
--Neen, maar zij zeiden dat zij door vier Skipetaren werden
achtervolgd, die natuurlijk niet mochten weten waarheen ik hen had
gebracht.
--Dat was een leugen!
--Dat heb ik later ook gemerkt.
--En waar ligt dat Taschköj?
De naam beduidt rots- of steendorp, en daarom vermoedde ik dat dit
plaatsje wel boven in de bergen zou liggen. De mandenmaker antwoordde:
--Het ligt bijna juist ten noorden van hier. Er is zelfs geen weg
van Radowitsch daarheen, en men moet al heel goed bekend zijn in het
bosch en in de bergen, om niet te verdwalen. Het dorp is klein en arm,
en ligt ongeveer in de richting van Sbiganzy.
Sbiganzy! Dat was immers de plaats die ik noordwaarts van Radowitsch
nog wilde bezoeken, om bij den vleeschhouwer Tschurak naar Derekuliba
te vragen en nog iets naders omtrent den Shoet [5] te vernemen. Zou
de Mubarek daar wellicht ook heen willen? Misschien vonden wij daar
het geheele nobele gezelschap bij elkaar!
--En hebben zij, voor ge hier vandaan gingt, u niet gezegd dat gij
hen niet mocht verraden?
--Ja, de Mubarek vertelde mij dat hij onderweg door vier Skipetaren
was overvallen, maar dat hij hun had weten te ontkomen. Zij hadden
een bloedwraak tegenover hem en zijn begeleiders, en zouden hem
waarschijnlijk wel volgen. Hij moest naar het Noorden, maar niet over
Radowitsch, omdat hij daar niet wilde gezien worden daar de Skipetaren
daar dan inlichtingen zouden kunnen inwinnen omtrent de richting
waarin hij zijn weg had voortgezet. Hij beschreef u zeer nauwkeurig,
zooals ik nu zie, ofschoon gij andere kleederen aan hebt en ook den
hengst niet rijdt; wanneer gij hier langs mocht komen en naar hen
vragen, moesten wij u geen aanwijzingen doen. Voor dit stilzwijgen
gaf hij ons zijn zegen. Daarna braken wij op. Toen het wat lichter
was geworden, zag ik dat het met pakken beladen paard, het paard van
mijn zwager was, maar ik kon me vergissen en daarom zeide ik niets!
--Zagen de paarden van die menschen er niet ontzettend afgemat uit?
--Of ze! Toen zij hier voor de deur stil hielden, zweetten zij en
stond hun het schuim op den bek!
--Dat kan ik denken, wanneer zij hier reeds zoo vroeg zijn aangekomen,
moeten zij hard hebben gereden, wat bij nacht en langs een weg als
dezen, vrij wat inspanning vordert! Maar ga verder!
--Zij reden allen. Ik alleen was te voet. Toch bleef ik hun altijd
voor. Ik hoorde een groot gedeelte van het gesprek, dat zij op
fluisterenden toon voerden. Eerst vernam ik dat zij slechts vier
paarden hadden gehad. Ieder had een pak bij zich genomen. Toen zij
echter waren aangeland bij de plek waar de weg over den brug gaat,
zooals gij weet, hadden zij twee ruiters ontmoet, die hadden hun
verteld dat mijn zwager twee paarden achter zijn huis had staan en
onder den luifel voor het huis een pakzadel hing.
Ik begon te vermoeden, wie die zwager was en zeide:
--Ik ben daar ook langs gekomen en heb daar maar één huis met een
luifel gezien. Als ik mij nog goed herinner, hing daaronder een
rijzadel. Het was een soort herberg en lag rechts van de brug.
--Dat is het! Dat is 't!
--Dus die waard is uw zwager.
--Ja, het is de man van mijn zuster, die kort geleden gestorven is.
--Dan ben ik bij hem geweest.
--Gij hebt hem dus gezien en gesproken!
--En dien armen man hebben zij bestolen? Toen ik er was stond er,
voor zoover ik zien kon, maar één paard achter het huis.
--Dat is het andere. Hij had er twee. Ook had hij twee zadels een rij-
en een pakzadel.
--Hebben zij niets van de twee ruiters gezegd, die zij ontmoet hadden?
--Ja, maar daar kon ik niet uit wijs worden. Zij spraken altijd van
twee beesten! En dat zijn toch geen menschen, maar paarden.
--In dit geval waren èn menschen èn paarden bedoeld!
--Die beesten zouden iemand overvallen en dooden!
--Namelijk ons!
--U Heer, en waarom?
--Uit wraak! Die twee zijn namelijk beruchte Skipetaren, die alleen
van roof leven!
--Zoo, zoo! En die Skipetaren hebben op u geloerd!
--Ja zeker!
--En toch zijt gij hier! Hoe zijt gij hun ontkomen?
--Door list. Doordien ik mij namelijk verkleed had. Ik ontmoette hen
bij uw broeder en ben een paar uur met hen samen geweest. Nu echter
zullen zij wel al weten, dat wij hen voor den gek hebben gehouden,
en naar ons zoeken.
--Misschien komen zij ook hierheen!
--Best mogelijk!
--En als zij naar u vragen, wat moet ik hun dan antwoorden?
--Ik wil u niet tot leugen verleiden. Als zij hier komen, zeg hun
dan dat wij hier zijn geweest en naar Radowitsch zijn gereden. Maar
van alles wat wij nu bespreken, behoeft gij hun niets te zeggen.
--Neen Heer, daarvan vertel ik hun geen woord!
--Ga nu verder!
--Ik hoorde dus, dat zij mijn broer het paard en zadel afgenomen hadden
en daarop hun bagage geladen hadden. Bijzonderheden verstond ik niet,
daarvoor spraken zij te zacht, en er waren zelfs oogenblikken dat
ik in het geheel niets kon verstaan. Maar toch hoorde ik genoeg om
daaruit te besluiten dat de Mubarek een groote dief en roover moet
zijn geweest. Het beste van hetgeen hij door roof had bemachtigd,
was op het paard geladen, alles wat minder waarde had en veel plaats
innam, had hij met zijn hut verbrand. Het meest verheugden zij er
zich echter over, dat zij die beide andere schurken zoo te juister
tijd hadden ontmoet. Zij beschouwen hun vervolgers, dus u, zooals ik
nu weet verloren!
--Dan vergissen zij zich gelukkig geducht! Zij zullen ons niet
ontkomen, want wij volgen hen op de hielen!
--O, als u dat eens mocht gelukken!
--Waarom?--vroeg ik.
--Omdat zij mijn broeder bestolen en mij mijn fooi hebben onthouden!
--Dat is sterk! Zijt gij tot Taschköj met hen medegegaan?
--O, nog een heel eind verder.
--Hoe ver is het daarheen?
--Wij hebben er vijf volle uren over gedaan!
--En waar zijn zij toen heengegaan?
--Zij wilden naar het dal der Bregalnitza, verder heb ik niet vernomen.
--Dan kan ik me voorstellen, waarheen zij wilden gaan! En hebt gij
er niet op aangedrongen om uw loon te ontvangen?
--Natuurlijk! Zij waren zoo slim geweest om mij verder dan Taschköj
mee te nemen. Dáár zou ik wel hulp hebben gevonden en hen hebben
gedwongen mij te betalen. Maar ze hielden midden in het bosch stil,
om mij te vertellen dat zij mij niet meer noodig hadden. Ik vroeg
hen om mijn loon, maar zij lachten mij uit. Ik werd boos en vroeg
het paard van mijn broeder terug. Toen sprongen zij van hun paarden,
twee wierpen zich op mij en hielden mij vast, en de derde sloeg mij
met zijn zweep. Ik moest het dulden, want ik kon tegen die drie niet
op. Heer, nog nooit had iemand mij geslagen! Nu heb ik twaalf uur
ingespannen geloopen. Mijn rug is stuk van de slagen. Ik heb een
geheelen dag arbeid verzuimd, mijn tong kleeft aan mijn verhemelte
van den dorst, ik heb ergen honger. In plaats van dertig piasters meê
naar huis te brengen, heb ik geen duit meer. Wat moet ik eten en wat
moet ik vader en de kinderen geven, als ik niets heb! Was ik thuis
gebleven, dan had ik naar Radowitsch kunnen gaan om een paar manden
te verkoopen. Daarvan hadden we dan tenminste voedsel kunnen koopen!
--Troost u!--zeide zijn vader.--Ik heb van dezen Scheriff, die helaas
geen Scheriff is, vijf piasters gekregen. Gij kunt naar Radowitsch
gaan, en brood koopen.
--Heer, ik dank u!--zei de mandenmaker.--Ik heb u voor een slecht
mensch gehouden, maar gij doet ons niets dan goed. Ik zou u gaarne
een dienst bewijzen!
Voor ik nog iets kon antwoorden, nam Halef het woord. Hij had zich
in den zadel omgedraaid en was nu bezig aan mijn hooge laarzen die
er zoo glad en rond uitzagen, alsof mijn beenen er in zaten.
Onder ons gesprek waren de kinderen van den mandenmaker terug gekomen,
beladen met de teenen die zij hadden gesneden.
--Hebt gij honger, klein volkje?--vroeg hij.
De grooteren knikten, de kleinste begon echter te schreien. Dat gaat
in Turkije al precies als bij ons. Wanneer men zoo'n kindje van twee
jaar naar zijn eetlust vraagt, komen er dadelijk waterlanders.
--Nu, haal dan maar eens een mand!--beval de kleine Hadschi aan den
vader van deze hongerige schaar.--Maar hij moet niet al te klein zijn!
--Waarvoor?--vroeg de man.
--Ik wil deze laarzen gaarne uitschudden.
De mandenmaker haalde een mand waaraan hij bezig was, en die reeds het
een en ander kon bevatten. Hij hield dien in de hoogte. Nu schudde de
Hadschi uit een der laarzen vruchten, vleesch en gebak in den korf,
zoodat deze nagenoeg geheel gevuld was.
--Zoo!--zeide hij.--Geef nu uw kinderen te eten en dat Allah u zegene!
--Maar Heer!--riep de man uit, terwijl hij hem de hand kuste.--Is
dat alles voor ons?
--Ja, zeker!
--Maar daar kunnen wij wel meer dan een week van eten!
--Nu, niemand zegt immers dat ge dat niet doen moogt. Bewaar het maar
goed en eet, als 't je blieft, de mand niet mee op.
--Heer, ik dank u! Uw hart is vol goedertierenheid en uw mond vloeit
over van lieflijkheid.
--Dat wil ik nu niet bepaald zeggen. Al te vroolijk ben ik
niet gestemd, maar mijn hart bloedt, als ik deze ledige laarzen
aanschouw. In ieder daarvan was een gebraden hoen, zóó bruin en
malsch als ze slechts in het Paradijs worden gebraden. Mijn geheele
ziel hangt aan zulke hoenders, en dat ik van hen moet scheiden,
vervult mijn ziel met treurigheid en mijn oogen met tranen. Daar deze
hoenders nu toch eenmaal hun leven hebben moeten laten om opgegeten te
worden, is het op stuk van zaken toch volkomen gelijk in wiens maag
zij terecht komen. Proef ze dus met aandacht en eet ze met smaak,
en bewaar de beentjes tot ik weer terug kom.
Hij sprak zoo ernstig en vol waardigheid dat wij in lachen uitbarstten.
--Maar Halef, hoe kwaamt ge er toch bij, zóóveel proviand mee te
nemen en mijn laarzen voor voorraadschuur te gebruiken?
--Ik ben niet zelf op die kostelijke gedachte gekomen. Toen ik den
waard wilde betalen, zooals gij mij hadt opgedragen, zeide hij dat
hij ons schuldig was en wij niet hem. Voor den dienst namelijk dien
wij zijn broeder Ibarek hadden bewezen. Hier blijkt alweer dat Allah
iedere goede daad dubbel beloont, want ook bij Ibarek hebben wij
niets mogen betalen!
--Ga verder!
--Ja, verder! Voorzichtigheidshalve had ik me zoo laten ontvallen
dat gebraden hoenders mijn lievelingskostje waren....
--O jou ondeugd!
--Neem mij niet kwalijk, Sihdi! Men heeft den mond niet gekregen om
te zwijgen maar om te spreken. De waard had een open oor gehad en het
gebraden hoen in zijn gedachte opgeschreven. Toen ik nu ons goed bij
elkaar pakte, bracht hij de beide hoenders met den wensch dat ik ze in
welstand zou nuttigen. Toen zeide ik hem dat het iemand nog veel beter
zou bekomen, wanneer hij bij het hoen nog andere spijzen gebruikte.
--Maar Halef, als dat toch waar is, verdient ge een pak slaag!
--Ik verdien uw dank, Sihdi, verder niets. Wanneer gij mij dien
geeft, ben ik even tevreden, als ik het was toen de waard mij al de
toespijzen bracht, die gij hier in dezen mand, in roerende eendracht,
ziet bijeengevoegd.
--Gij hadt niets mogen aannemen!
--Neem mij niet kwalijk, Sihdi! maar als ik niets had aangenomen,
hadden wij nu ook niets kunnen geven.
--Wij hadden toch wel wat kunnen geven!
--Maar niet iets wat den honger van deze kleinen dadelijk stillen
kan. Overigens heb ik geweigerd, totdat ik er bijna mijn leven bij
inschoot. Ik zeide hem dat ik daartoe uw vergunning noodig had en
niets kon aannemen, omdat gij er niet meer waart. Ik maakte alle
tegenwerpingen, die alle kaliffen bij elkaar maar kunnen uitdenken,
maar de waard wilde zijn wil doordrijven. Hij verklaarde dat hij 't
niet mij, maar u ten geschenke gaf. Dat roerde mijn gevoelig hart,
en ik gaf toe. Maar om me er nu volkomen buiten te houden, ging ik een
eind weg. De goede gaven waren voor u bestemd, en daar de waard ze u
niet zelf kon overhandigen, stelde ik hem, als uw plaatsvervanger en
vertegenwoordiger uw laarzen ter hand en ging heen. Toen ik ze daarna
tot mijn vreugde weer zag, waren ze dik en vet geworden, door allerlei
heerlijke voortbrengselen uit de dieren- en plantenwereld. Ik betuigde
den waard namens u, mijn dank in een welsprekende rede, stopte de
laarzen van boven dicht en bond ze achter aan het zadel. Wanneer ik
kwaad gedaan heb, verzoek ik u mij dit genadiglijk te willen vergeven!
Men kon niet boos worden op den goeden kleine. Ik was overtuigd, dat
hij door geen enkel woord den waard tot het schenken van dit alles
had bewogen, daartoe was Halef niet in staat, en daarvoor was zijn
eergevoel te sterk ontwikkeld. Maar hij kibbelde graag een beetje
met mij, en als ik daarop, inging, deed ik hem bijzonder veel genoegen.
--Ik zal je later wel zeggen, welke straf ik je er voor heb
toegedacht,--dreigde ik hem. Ge zult u tenminste langen tijd moeten
spenen van je lievelingsgerecht, want om uwentwil zal voorloopig geen
hen van haar lieve kiekens worden van daan gehaald.
--O, ik wil ook wel met jonge haantjes tevreden zijn, Sihdi, en die
zullen mij even goed smaken als dezen kleinen de appels!
De kinderen waren rondom de mand gaan zitten en hadden het allereerst
naar de appels gegrepen. Het was een lust om te zien met welk een
graagte zij toetastten. Den ouden man stonden van louter vreugde de
tranen in de oogen. Zijn zoon had hem een stuk vleesch in de hand
gedrukt, maar hij at niet. Hij vergat zichzelf uit louter vreugde
dat zijn kleinkinderen zoo smulden, en zich te goed deden.
De mandenmaker gaf ons ieder de hand en zeide:
--Heer ik herhaal het, dat het mij hoogst aangenaam wezen zou, als
ik u een dienst bewijzen kon. Is dat niet mogelijk?
--Ja, ik zou u zelfs wel gaarne om een dienst willen verzoeken.
--En dat is?
--Mij naar Taschköj te brengen!
--Gaarne! zeer gaarne! Wanneer, Heer?
--Dat weet ik nog niet. Kom morgen vroeg naar Radowitsch, dáár zal ik
't u zeggen!
--Waar kan ik u vinden?
--Och, dat weet ik nog niet. Kunt gij mij geen konak zeggen waar men
goed verblijven kan?
--Het beste zult u terecht kunnen komen in de herberg, "de Hooge
poort". Ik ken den waard en zal er u heenbrengen.
--Dat mag ik niet toestaan. Gij zijt vermoeid.
--O naar Radowitsch kan ik nog gemakkelijk gaan. In een kwartiertje
zijn we er. Ik moet u bij den waard aanbevelen. Ik werk er soms en
hij houdt van mij, ofschoon ik maar een arm man ben. Morgen vroeg zal
ik dan bij u komen om te vernemen, wanneer gij naar Taschköj wilt gaan.
--Dat zal van mijn voet afhangen, dien ik bezeerd heb. Is er in de
stad niet een goede dokter, dien men vertrouwen kan?
--Wanneer gij een chirurgijn meent, dan is er een die wijd en zijd
beroemd is en alle verwondingen van menschen en dieren heelt. Hij
kent zelfs het inenten tegen de pokken, wat verder niemand kent.
--Dat is zeer zeker een wonderdokter! Maar nu moeten wij nog afspreken,
hoeveel gij verdienen moet.
--Waarmede, Heer?
--Met ons naar Taschköj te brengen.
--Heer, daarvoor wil ik niets hebben!
--En ik wil het niet voor niets hebben.
--Gij hebt mij reeds zooveel gegeven!
--Dat was een geschenk. Maar het andere moet gij verdienen. Ge moet
het een niet met het ander verwisselen.
--Maar ik kan toch geen geld van u vragen! Ik zou mij dood schamen.
--Nu goed, dan zal 't geen loon, maar alleen een fooi zijn. Ik zal
het aan uw vader geven.--Ik wenkte Halef mij mijn brieventasch en mijn
beurs te geven, en verzocht den ouden man naderbij te komen. Toen hij
vijftig piasters in zijn gekromde vingers zag, was hij buiten zichzelf
van vreugde, en wilde mij het grootste deel van 't geld terug geven.
--Ik wil geen piaster terug hebben!--zeide ik beslist.
--Dan weet ik niet, hoe ik u danken zal!--antwoordde hij. Moge het
den dokter gelukken, uw voet spoedig te genezen!
--Dat willen we hopen! Maar zeg eens, Küfedschi, hoe heet die beroemde
dokter?
--Zijn naam is Tschefatasch.
--O hemel, wanneer zijn kennis verband houdt met zijn naam, dan dank
ik voor zijn hulp!
Tschefatasch beduidt namelijk, Steen der martelaren!
--Gij behoeft niet bevreesd te zijn!--troostte mij de mandenmaker. Hij
zal u namelijk toch niet zijn naam, maar wel een pleister op den voet
leggen. En die kunst verstaat hij bij uitstek.
--Kom, wanneer gij dan met ons mee wilt gaan, laten we dan op weg gaan!
Hij stak wat eten bij zich om dat onderweg te verorberen, en wij braken
op. In een kwartier hadden wij de stad bereikt en onze gids bracht
ons in een eenvoudige maar zindelijke herberg, waarvan de eigenaar
mij met veel verontschuldigingen en plichtplegingen mededeelde,
dat hij maar één klein vertrekje, dat aan de gelagkamer grensde,
te mijner beschikking had. Het kwam in deze streken, maar zoo hoogst
zelden voor, dat een reiziger een afzonderlijk vertrek verlangde. Men
kon dat in de geheele stad niet vinden, en ook zijn kamertje moest
eerst schoongemaakt en opgeknapt worden, waarom hij mij verzocht in
de gelagkamer te willen blijven.
Ik was daarmede zeer tevreden en steeg af. O wee! mijn voet was
opgezwollen. Ik kon er niet zonder hevige pijn op staan en moest me
stevig aan Osko vasthouden.
Toen wij de gelagkamer binnentraden was daar niemand. Ik zette
mij achterin in een hoek, dicht bij de deur die naar het voor mij
bestemde vertrekje leidde. Halef, Osko en Omar gingen naar buiten,
om voor de paarden te zorgen. Ik had er onderweg niet aan gedacht
mijn vermomming af te leggen. Bij een fanatieke bevolking zou dat zeer
gevaarlijk zijn geweest, hier echter had het niet veel te beduiden.
De mandenmaker bood aan, den dokter te gaan halen, wat ik gaarne
aannam. Hij was juist de deur uitgegaan toen een gast binnentrad.
Ik zat met den rug naar de deur en keerde mij half om, om naar den
man te zien. Het was niemand anders dan.... de Bokadschi Toma, de
boodschapper die ons aan de beide schavuiten had verraden.
--Nu, pas maar op dat de Hadschi je niet te zien krijgt, dacht ik en
keerde mij weer om, daar ik niets met hem te maken wilde hebben. Hij
dacht er echter niet zoo over. Misschien had hij zin in een praatje. Ik
was de eenige dien hij vond, en daarom bleef hij na eenig aarzelen
op zij van mij staan en vroeg:
--Zijt gij hier vreemd?
Ik deed alsof ik de vraag niet had gehoord.
--Zijt gij hier vreemd?--herhaalde hij luider.
--Ja,--antwoordde ik nu.
--Slaapt gij hier?
--Dat weet ik nog niet!
--Waar komt gij vandaan?
--Uit Stamboel!
--O, uit de hoofdstad, het afschijnsel van alle heerlijkheden der
aarde! Gij zijt wel een gelukkig mensch, zoo in de nabijheid van den
Padischa te wonen.
--Zijn nabijheid maakte alleen goede menschen gelukkig.
--Meent gij dat daarginds veel slechte menschen zijn?
--Evenals overal!
--Wat zijt gij dan?
--Een schrijver!
--Dus een geleerde. Met zulke menschen spreek ik gaarne!
--Maar ik niet met anderen.
--Allah! wat zijt gij terugstootend. Ik wilde u al vragen of het
vergund was bij u te gaan zitten!
--Vergund is het wel, maar het zal u niet aangenaam zijn.
--Waarom niet?
--Mijn gezicht bevalt niet aan iedereen.
--Dan zal ik eens zien of het mij bevalt.
Hij zette zich aan de tafel op de bank tegenover mij.
Het gezicht dat hij trok is niet te beschrijven. Ik had den tulband nog
op het hoofd en den bril nog op den neus; dat bracht hem in de war,
ofschoon mijn gezicht in het geheel niet veranderd was. Hij sperde
zijn mond open, trok de wenkbrauwen saam en zijn oogen rustten op
mij met een uitdrukking, zoo allervermakelijkst, dat ik moeite had
om niet in lachen uit te barsten.
--Heer,--Effendi,--wie--zijt gij?--vroeg hij.
--Dat heb ik u reeds gezegd.
--Hebt gij de waarheid gezegd?
--Durft gij mij van liegen te verdenken?
--Neen, om Allah's wil, neen, want ik weet dat--dat gij--Hij kon niet
verder komen van angst en twijfel.
--Wat is er dan? Wat weet gij van mij?
--Niets, niets! Heelemaal niets, dan dat gij een schrijver zijt en
in Stamboel woont.
--Wat praat ge dan voor dwaasheid?
--Dwaasheid? Ach Heer, maar dat is toch heelemaal geen wonder, want
gij schijnt degeen te zijn, waarvan ik denk dat hij degeen is, van
wien--O Allah, gij hebt groot gelijk. Ik ben heelemaal in de war,
maar die gelijkenis is dan ook al te groot.
--Op wien gelijk ik dan zoo?
--Op een dooden Effendi!
--Zoo, en wanneer is die gestorven?
--Vandaag... onderweg.