Hij pakte mij bij mijn borst, met het voornemen mij eens flink door

elkaar te schudden. Tegenweer paste niet in mijn rol van Scheriff, maar

't was toch ook niet naar mijn smaak om mij als een kleinen jongen

door elkaar te laten schudden. Ik pakte hem dus ook bij zijn borst,

trok hem eerst naar mij toe, en stootte hem toen op armslengte van

mij af, zoodat hij mij los moest laten. Toen bukte ik mij een weinig,

hief den kerel in de hoogte en wierp hem op den grond.

Een seconde bleef hij liggen van louter verbazing, toen sprong hij

op en balde beide vuisten tegen mij.

--Nog eens?--vroeg ik hem terwijl ik een stap achteruit deed.

Ik was boos geworden en misschien hadden mijn oogen nu ook een andere

uitdrukking dan wel paste voor een Scheriff, want de Aladschy deed

een stap achteruit, staarde mij aan en riep uit:

--Mensch, gij zijt een reus!

Ik boog deemoedig het hoofd en zeide:

--Dat staat dan zeker wel in het boek des levens geschreven.

Beiden barstten in lachen uit.

--Zeg eens Bibar, de kerel weet zelf niet hoe sterk hij is,--zeide

Sandar.

Deze keek mij echter wantrouwend van het hoofd tot de voeten aan

en hernam:

--Dat is niet alleen reuzenkracht, maar ook oefening. Deze greep doet

men hem slechts na langdurige oefening na. Scheriff, waar hebt gij

dien geleerd?

--Bij de huilende Derwischen in Stamboel. In onzen vrijen tijd

worstelden wij wel.

--Zoo, zoo! Ik dacht al dat gij een heel ander persoon waart dan

gij voorgeeft te zijn. Dat is je geluk, want als gij getracht hadt,

ons om den tuin te leiden, gaf ik niet veel meer voor je leven. Nu

moet ge echter niet meer naast, maar tusschen ons zitten. Wij moeten

voorzichtig met je zijn.

Wij gingen weer naar onze vorige plaats terug en ze namen mij in

hun midden. Hun wantrouwen was wakker gemaakt. Mijn toestand was er

niet beter op geworden, maar toch was ik niet bevreesd daar ik met

de revolvers hen in elk geval toch nog de baas was.

Er werd in het geheel niet meer gesproken. De twee deugnieten schenen

van meening te zijn, dat in de gegeven omstandigheden zwijgen het

raadzaamste was. Mij was het ook zeer welkom. Wanneer ik ook al

eenige vrees koesterde, dan was dat niet voor mij maar voor mijn

vrienden. Misschien hadden zij mijn briefje niet gezien of was dit op

de een of andere manier verloren gegaan. Mij bleef niet veel anders

over dan geduldig af te wachten. Wij hadden reeds geruimen tijd zoo

gezeten en ik begon al vrijwel mijn geduld te verliezen, toen wij

aan den rechterkant eenig geruisch vernamen.

--Luister, daar komt iemand,--zei Sandar, en greep naar zijn

bijl. Misschien zijn zij het wel!

--Neen,--antwoordde zijn broeder. Het is maar een enkele ruiter. Kijk,

daar komt hij den hoek om.

Ik keek om en zag mijn vriend Omar aankomen en wel geheel alleen. Zij

hadden mijn briefje dus gezien en gelezen. Hij naderde zeer langzaam,

het hoofd voorover, als in gedachten verzonken. Hij keek nog rechts

noch links.

--Zullen wij?--vroeg Bibar, terwijl hij naar zijn geweer wees.

--Neen,--antwoordde Sandar. Die kerel heeft niets, dat kan men zoo

wel zien.

Zij geneerden zich volstrekt niet meer om in mijn tegenwoordigheid

over hun eigenlijk handwerk te spreken.

Omar reed voorbij zonder op te kijken, hij had begrepen dat dit het

allerbeste was.

Na verloop van eenigen tijd zei Sandar:

--Daar komt er weer een.

--Alweer zoo'n kale jakhals!

--Maar moeten wij ze allemaal maar voorbij laten rijden?

--Ja, want ge moet bedenken dat onze schoten gehoord kunnen worden.

--Natuurlijk door de Skipetaren die hier verborgen zijn,--merkte ik

onnoozel op. Die merken dan dat wij hier zijn en van plan om hen in

de uitoefening van hun bedrijf te storen.

--Domkop,--grijnsde Sandar mij aan.

Nu naderde Osko. Ook hij nam het air aan van een zorgloos onbevangen

mensch.

Hij zag er niet uit als een rijkaard, en hij kwam ook zonder ongelukken

voorbij.

Nu moest Halef komen. Voor hem had ik alle reden tot bezorgdheid. Het

was zeer wel mogelijk, dat zij zouden trachten hem uit den zadel

te schieten om zich van het prachtige paard meester te Diaken. Wel

is waar, zou ik het daartoe niet hebben laten komen en had ik hun

beiden dan liever een kogel gegeven, maar het was toch beter dit te

vermijden. Daarom moest ik trachten hun aandacht af te leiden. Ik keek

tersluiks doch scherp naar den hoek vanwaar hij komen moest. Nu kwam

hij in 't zicht. De twee schelmen bemerkten hem nog niet--ik stond op.

--Waar gaat ge heen? vroeg Sandar ruw.

--Naar mijn paard, hoort gij niet dat het weer onrustig wordt?

--Loop naar den duivel met je paard. Je blijft hier!

--Ge hebt mij niets te bevelen,--antwoordde ik barsch en deed alsof

ik weg wilde gaan. Toen sprong hij op en greep mij bij den arm.

--Blijf of ik geef je....

Een uitroep van Bybar deed hem verstommen. Deze had eerst naar ons

gekeken, doch werd nu Halef gewaar.

--Stil, een vierde ruiter!--riep bij uit.

Sandar keek naar den straatweg,

--Júk gúrúltú--Duizend donders!--riep hij uit. Wat een prachtig

paard! Dat is de vreemdeling, dat moet hij zijn!

--Neen, de ruiter is te klein!

--Maar het paard is een volbloed Arabier. Echt onvervalscht ras. O

Allah! Hij vliegt als de wind.

Hij had woordelijk gelijk. De naam van mijn paard was Rih, en dit

woord beteekent wind. Honderden malen had ik op zijn rug een wedstrijd

gehouden met den wind, maar nooit gezien welk een prachtig gezicht

het was, hem zoo in vollen ren gade te slaan.

Zijn lichaam raakte den grond bijna niet. Men zag geen beenen. De

manen vlogen den ruiter om het gelaat, en zijn staart lag als een

roer lang en recht achteruit. En toch zag ik dat dit voor Rih nog

maar spel was. Wanneer ik in den zadel had gezeten, zou hij nog wel

anders hebben gerend, wanneer ik namelijk had gebruik gemaakt van

zijn geheim om hem tot uitersten spoed aan te zetten.

Mijn kleine dappere stond in de stijgbeugels geheel voorover. Zijn

geweer en ook mijn beide vuurwapenen hingen hem over den

schouder. Achter het zadel had hij den kaftan en mijn beide hooge

rijlaarzen gebonden. Zijn eigen kaftan woei achter hem aan, gedragen

door den luchtstroom die door de buitengewone snelheid van het paard

ontstond. Hij reed prachtig, onberispelijk. De met groote en kleine

steenen bezaaide weg leverde voor zulk een woesten rit tallooze

moeilijkheden op. Een enkele misstap, en ruiter en paard braken den

hals. Maar mijn Rih had nog nooit zulk een misstap gemaakt. Zijn

scherpe blik, zijn elasticiteit, zijn buitengewone lenigheid kwamen

ook nu weer op het voordeeligst uit. Wanneer de directeur van een

vorstelijke stoeterij aanwezig was geweest, wie weet welk een hooge

som hij mij voor den onberispelijken hengst had geboden.

En hoe lang duurde het, voor het paard met den berijder, van den hoek

tot bij ons, waren gekomen? Het ging zoo verbazend snel dat men bijna

geen tijd had om aan oogenblikken of seconden te denken. Nauwelijks

had ik Halef gezien en die weinige woorden met Sandar gewisseld,

of hij was al bij ons en vloog, als een pijl, door den hollen weg.

--Houdt hem! Schiet hem van zijn paard! Gauw, gauw!--riep Sander,

terwijl bij naar zijn geweer greep.

Ook Bybar richtte het zijne, trachtte althans het te doen, want de

snelheid waarmee het paard voorbij reed, liet er hem geen tijd toe. Ik

had ook geen gelegenheid om het schieten te voorkomen. Er werd gevuurd

voor ik het kon verhinderen, maar de kogels kwamen, wie weet hoever,

achter Halef terecht.

--Hem achterna!--riep Sandar, die buiten zichzelf was bij de gedachte

dat het kostbare beest hem zou ontgaan.--Daar ginds houdt het bosch

op, en kunnen wij beter mikken!

Hij sprong van de steilte naar beneden en zijn broeder volgde hem, even

opgewonden als hij; aan mij dachten zij niet meer. Nu zou ik tijd en

gelegenheid hebben gehad om mij uit de voeten te maken. Maar dat mocht

niet. Over Halef maakte ik mij niet bevreesd en toch ook wel weer over

hem. Ik kon wel denken dat die drie op ongeveer tweeduizend pas niet

zouden stilhouden maar in draf verder zouden rijden, en dan konden

de Skipetaren hen ongemerkt inhalen en van hun paarden schieten. Wel

is waar hadden de struikroovers geen schot meer op hun geweer, maar

zij konden snel weer laden. Dus het eenige wat mij te doen stond was,

hen te beletten weg te rijden.

Met één flinken sprong was ik bij hun paarden, en in minder dan geen

tijd had ik deze losgebonden. Ik nam de zweep uit mijn gordel en

sloeg naar hen. Eerst steigerden zij, en renden toen in volle vaart

het bosch in, waar zij echter niet verder konden komen daar zij aan

hun teugels moesten blijven hangen.

Nu kwam ik weer te voorschijn en riep den beiden Skipetaren toe:

Sandar, Bybar, halt! De paarden hebben zich losgerukt!

Dat hielp, zij bleven staan. Zij wilden hun voortreffelijke paarden

niet in den steek laten.

--Bindt ze dan weer vast!--riep Sandar terug.

--Maar ze zijn weggeloopen!

--Hel en duivel, waarheen dan?

--Weet ik het, vraag het ze zelf!

--O jou domkop!

Zij renden terug. In hun plaats had ik zulk een haast niet gemaakt,

maar mij toch van het paard meester gemaakt.

Zij gingen het boschje in, op mij razend en scheldend. Sandar kwam

het eerste boven. Met een enkelen blik overtuigde hij zich dat de

paarden inderdaad weg waren. Toen viel hij tegen mij uit en brulde:

--Hond, waarom heb je ze niet vastgehouden?

--Ik heb, evenals gij, niet naar de paarden, maar naar den ruiter

gekeken!

--Je hadt toch wel beter kunnen oppassen!

--Ze zijn door uw schoten verschrikt geworden. Waarom schiet gij ook

op menschen die u geen stroobreed in den weg leggen! En bovendien,

't waren niet mijn, maar 't waren uw paarden. Ik ben uw knecht niet

en behoef er niet op te passen!

--Durft ge dat te zeggen! Daar, dat hebt ge ervoor!

Hij had zijn geweer in de rechterhand genomen en de linker tot een

vuist gebald, waarmede hij mij dreigde te slaan. Ik hief den arm op

om te pareeren, maar had een steen die achter mij lag niet gemerkt

en viel daardoor op den grond.

Nu hief hij de kolf van zijn geweer op en gaf mij een stoot op de borst

dien ik slechts half kon afweren. Die stoot benam mij den adem; maar

in het volgend oogenblik sprong ik op, pakte hem met beide handen in

den gordel, hief hem in de hoogte en smakte hem tegen den stam van een

boom, die op grooten afstand stond, waar hij bewusteloos bleef liggen.

Toen werd ik van achteren beetgepakt.

--Schoft! daar zult ge voor boeten!--riep Sandar die intusschen

naderbij gekomen was. Hij had mij om het middel gepakt en wilde me

optillen. Dat was nog nooit iemand gelukt. Ik zette mijn beenen ver

van elkaar, trok de schouders in en haalde diep adem om me zwaar

te maken. Ik voelde echter in het gewricht van mijn linkervoet een

stekende pijn. De voet weigerde mij den dienst--ik had dien bij mijn

val zeker bezeerd.

De Skipetaar, die achter mij stond, spande al zijn krachten in om mij

op te tillen. Hij hijgde van woede en opgewondenheid. Zijn broeder

lag bewusteloos onder den boom. Wellicht meende hij dat hij dood was

en had het daarom op mijn leven gemunt. Ik voelde dat ik niet langer,

door louter volhardingsvermogen, weerstand bieden kon. Het was dus

noodzakelijk mij uit zijn greep te bevrijden. Daarom trok ik een mes

en gaf mijn tegenstander een steek in de hand.

Hij liet los, brulde van woede en pijn, en gilde knarsetandend:

--Zoo, steek je, dan zal ik schieten!

Natuurlijk had ik mij gauw omgedraaid. Ik zag dat hij de pistolen uit

zijn gordel nam. Beide hanen werden overgetrokken. Nog kon ik hem met

den revolver voorkomen, maar ik wilde hem immers niet dooden. Hij hief

het wapen op. Ik sloeg er tegen, juist toen hij op het punt stond te

vuren. Het schot miste. Bliksemsnel gaf ik hem een tweeden vuistslag

en wel precies op zijn neus, zoodat zijn hoofd achterover vloog. Met

één greep had ik me meester gemaakt van het pistool, dat ik wegwierp.

Hij hield een oogenblik zijn handen voor zijn mond en zijn neus,

die beide verwond waren. Toen uitte hij een schellen kreet en wilde

op mij toespringen. Maar ik bukte me en pakte hem bij zijn dijbeenen,

zoo stevig dat ik geloof dat mijn nagels hem in het vleesch drongen,

en wierp hem achter mij neer. Ik keerde mij snel om en gaf hem nog een

flinken slag tegen den slaap, zoodat hij met een langen, wegstervenden

zucht het bewustzijn verloor.

Ik had inderdaad niet gedacht dat ik de beide Aladschy's de baas zou

blijven. Toen ik die reuzenlichamen daar voor mij zag uitgestrekt,

kon ik mijn eigen oogen haast niet gelooven. Want zij waren vrij

zeker beiden sterker dan ik, maar ik was vlugger geweest dan zij--ik

was zeker van mijn greep, dien ik heusch niet bij de Derwischen

had geleerd.

Ik onderzocht beiden. Dood waren ze niet--ze zouden weldra weer

tot bewustzijn komen, en daarom was het raadzaam, te maken dat ik

wegkwam. Om hen echter nog voor eenigen tijd onschadelijk te maken,

nam ik hun de kruittasch af, die zij aan hun gordel hadden hangen,

en sloeg hun geweren stuk.

Bij die gelegenheid gevoelde ik duidelijk, dat ik mijn voet had

bezeerd. Had ik mij eerst mank gehouden, nu moest ik werkelijk hinkend

naar mijn paard loopen, nadat ik eerst de gebedspantoffels van den

kleinen Hadschi, die mij van de voeten waren gegleden, had opgeraapt

en weer aangetrokken. Ik maakte het paard los, en bracht het naar een

plek, waar ik gemakkelijk kon opstijgen. De pijn was door het loopen

aanmerkelijk verergerd.

Nu mijn paard zich in beweging zette, haalde ik verruimd adem. Ik was

met mijn reisgenooten aan een groot gevaar ontkomen en dankte dat

de goede Nebatja. Wanneer ik haar een vertrouwden bode had kunnen

zenden, dan had ik zeer zeker den Aladschy het haar afgestolen

geld afgenomen en het aan haar teruggezonden. Nu moest ik het hun

wel laten. Er bestond geen andere meer rechtmatige bezitter. En het

aan de overheid overgeven? Daarvan had ik te Ostromdscha geen al te

aangename ervaringen opgedaan. Met een zeker genoegen dacht ik er aan,

wat de Skipetaren wel zouden zeggen, wanneer zij te weten kwamen,

wie eigenlijk de domme Scheriff was geweest.

Nadat ik een poosje had gereden, hield het bosch op. De weg liep nu

langs de bedding der rivier, deze laatste links latende liggen. Op

niet al te grooten afstand zag ik Halef, Osko en Omar stil houden. Zij

hadden mij dadelijk herkend en uitten luide vreugdekreten. Ik gaf mijn

paard niet de sporen maar de pantoffels, en galoppeerde naar hen toe.

--O, Sihdi! wat hebben we om u in angst gezeten!--riep Halef mij al

uit de verte toe.--Waar hebt ge toch gezeten?

--Daar ginder in het bosch, zooals ge nu hebt kunnen zien, want ik

kom er uit.

--Dat dachten wij al dadelijk toen wij uw briefje lazen.

--Gij hebt dat toch weggenomen?

--Ja, maar ook weer op z'n plaats gestoken!

--Waarom?

--Uit plaagzucht! Wij dachten, of liever ik dacht, dat de schurken zich

zouden ergeren als zij later bemerkten hoe wij het hadden aangelegd

om hun een kool te stoven. Had ik daar geen gelijk in?

--Een fout is het niet, in elk geval vinden zij het briefje en zullen

zich duchtig ergeren, te meer wanneer zij uit den inhoud opmaken,

dat ik, op wien het eigenlijk gemunt was, gedurende verscheidene uren

bij hen was.

--Wat! Zijt gij bij hen geweest!

--Ik heb met hen gesproken, gedronken en zelfs gevochten! En nu liggen

zij bewusteloos in het bosch.

--Sihdi, dan moeten we toch heel gauw weer naar hen toegaan opdat ik

ook een woordje met hen spreken kan.

--Dat is niet noodig, ze hebben van mij al meer dan genoeg gehoord. Ik

heb door mijn vuist met hen gesproken!

--Toe, vertel ons dat dan toch!

--Ja, dadelijk, maar we kunnen inmiddels wel doorrijden.

--Kom, rijdt gij dan nu verder Rih!

--Neen, ik blijf in den zadel. En gij zult Rih berijden tot Radowitsch,

als belooning dat gij hem zoo prachtig gereden hebt!

--Hebt gij mij dan gezien?

--Zeer goed zelfs! Gij zijt dicht langs ons heen gereden!

--En zat ik goed in den zadel?

--Prachtig, nog beter dan ik!

--Neen Sihdi, dat is spotternij! Gij moogt mij niet voor den gek

houden!

--Nu dan zal ik alleen maar zeggen, dat ik u met groot genoegen heb

gadegeslagen. Maar hebt gij ook gehoord dat men op u heeft geschoten?

--Neen, daarvan had ik geen flauw vermoeden.

--Alleen de vlugheid van uw paard heeft u gered. De beide Aladschy's

hebben op u geschoten. Zij wilden u van het paard schieten om dit te

kunnen bemachtigen!

Hij hield zijn paard in en riep:

--Maar dan moeten wij noodzakelijk naar het bosch terugkeeren, opdat

ik die twee schavuiten voor hun kogels kan bedanken. Maar ik zal hen

met mijn zweep zoo toetakelen, dat zij er uitzien als een paar oude

vaandels, die honderd veldslagen hebben meegemaakt.

--Bah! kom, kleintje! Die Aladschy's zijn geen personen om mee te

spotten. 't Zijn ware reuzen en kunnen je met twee vingers wurgen.

--Dat zou ik dan toch wel eens willen zien! Maar wanneer gij denkt

dat het beter is hen niet op te zoeken, dan gehoorzaam ik u. Misschien

ontmoet ik hen nog wel eens op mijn weg, en dan zal ik hun eens toonen

hoe wij met dergelijke lui omspringen.

Terwijl wij verder reden, vertelde ik mijn reisgenooten mijn ontmoeting

met de Skipetaren. Zij luisterden natuurlijk aandachtig toe. Toen ik

zweeg, zeide Halef:

--En gelooft ge, Heer, dat die lieve beste Bakadschi Toma zich nog

daarginds te Radowitsch bevindt.

--Natuurlijk, anders waren wij hem stellig tegengekomen.

--Zullen wij hem niet eens opzoeken? Ik zou hem zoo gaarne mijn dank

betuigen voor zijn gedrag. Men moet toch niet van mij kunnen zeggen,

dat ik niet weet, hoe het hoort!

--Dat verwijt zal u niet treffen. Ik kan u de verzekering geven

dat gij in veel andere gevallen, zeer beleefd zijt geweest, onder

andere tegenover de Khawassen te Selim en tegen den Kodscha Bascha

te Ostromdscha, die op zeer aangename manier kennis hebben gemaakt

met uw zweep!

--Dus gaan wij hem niet opzoeken, Sihdi?

--Neen, maar wanneer wij hem toevallig tegen komen, doen wij juist

alsof we hem niet kennen.

--Sihdi, dat strijdt eigenlijk tegen mijn gemoed. Zeg me tenminste,

hoe lang wij te Radowitsch zullen blijven!

--Dat weet ik helaas nog niet precies! 't Was in ieder geval het

allerbeste dat wij, zonder er ons op te houden door het stadje konden

rijden, maar ik moet eerst mijn voet onderzoeken. Misschien moet die

worden behandeld en moet ik daarvoor blijven. Ik denk dat ik hem bij

mijn val heb verstuikt en dat hij zal moeten worden verbonden.

--Als dat zoo is, Sihdi, moet die beste brave kerel maken dat hij

niet onder mijn handen komt, want anders leg ik hem een verband om

zijn rug, dat hem zijn leven lang zal heugen. Trouwens er waren daar

in Ostromdscha wel al menschen, die ik graag zoo iets had toegediend!

--Wie waren dat dan?

--De beide broeders die ons vervolgden en onze aankomst boven bij de

ruïne zouden melden!

--Die bij den herbergier Ibarek waren ingekwartierd?

--Ja. Zij moeten echter hun roes eerder hebben uitgeslapen dan wij

dachten, want gij waart nauwelijks weg toen zij kwamen.

--Waar hebt gij hen gezien?

--Daar in denzelfden Konak waar wij zijn gebleven. Zij hadden geen

flauw vermoeden van hetgeen er gebeurd was en zijn dadelijk naar

boven gereden. Nadat zij daar niets dan puinhoopen hadden gevonden,

kwamen zij in den Konak terug om berichten in te winnen. Gij kunt u

voorstellen welke gezichten zij trokken, toen zij vernamen, wat er

was geschied?

--Hebt gij met hen gesproken?

--Neen, zij hadden hun paarden in den stal gezet en waren toen

verdwenen. Ze kwamen ook niet, voor ons vertrek, terug!

--Hm! Zij zullen inlichtingen hebben ingewonnen, misschien zien wij

hen weer terug!

ACHTSTE HOOFDSTUK.

EEN HEKIM.

De voet, dien ik in den strijd met de Aladschy's had bezeerd, begon mij

pijn te doen. Het was zeer noodzakelijk dien te onderzoeken. Daarom

liet ik de paarden in galop zetten, om zoo spoedig mogelijk het doel

van de reis te bereiken. Toen wij dicht bij Radowitsch weer vlak

langs de rivier reden, zag ik een klein onooglijk huisje, en daarvoor

zat een oude man die ons op opvallende wijze aankeek. Hij had iets

aarzelends in zijn manier van doen.

Zonder er eigenlijk een bepaalde reden voor te hebben, hield ik

mijn paard in en groette hem. Hij stond op en dankte mij eerbiedig,

vermoedelijk ter wille van mijn groenen tulband.

--Kent gij ons misschien, vadertje?--vroeg ik hem.

--O neen, ik heb u nog nooit gezien!--antwoordde hij.

--Gij kijkt ons zoo vreemd aan! Hebt ge daar wellicht reden voor?

--Ik hield u voor booze, slechte Skipetaren.

--Zien wij er dan als Skipetaren uit?

--Zeker niet! Maar dat zwarte paard heeft mij in de war

gebracht. Wanneer de ruiter die het berijdt, wat grooter van gestalte

was, zou ik, ofschoon hij niet zoo gekleed is, toch denken dat ik de

Skipetaren voor mij had.

--Welke meent gij dan?

--Och Heer, neem mij niet kwalijk, maar daar mag ik niet over spreken.

--Zoo, zoo! Maar ik verzeker je dat het geen enkel braaf mensch zal

schaden als gij het ons zegt.

--Misschien toch wel! Want wanneer gij het verder vertelt, zou het den

Skipetaren ter oore kunnen komen, en zouden deze die brave menschen

nog maar vervolgen!

--Ik zal het aan niemand zeggen! Halef, geef dien ouden man een

Bakschisch.

De Hadschi haalde de beurs te voorschijn en wierp den ouden man wat

in den schoot.

De oude streek zich nadenkend over het gelaat en zeide toen beslist:

--Heer, gij zijt een afstammeling van den Profeet; ik zou u gaarne

van dienst zijn, maar ik mag niet. Mijn geweten verbiedt het mij,

want ik heb beloofd te zwijgen. Neem uw geld weer terug.

--Gij kunt dat gerust behouden, want ik zie dat gij arm zijt. Gij

hebt naar het schijnt Skipetaren verwacht, die hier langs zouden komen?

--Zoo is het, Heer!

--En hoeveel Skipetaren zouden er komen?

--Vier. Een hunner die hooge laarzen draagt en een grooten zwarten

baard heeft, zou op een Arabisch paard rijden. Is deze hengst ook

niet een Arabier?

--Jawel!

--Dat dacht ik al, en daarom heb ik u voor die moordenaars aangezien!

--Maar wie heeft u dan gezegd, dat die Skipetaren zouden komen?

--Hm! dat mag ik niet verraden!

--Gij zijt een zeer stilzwijgend mensch!

--Ik zou misschien niet zwijgen, maar gij hebt iets bij u, wat mij

zeer verdacht voorkomt.

--Zoo, en wat is dat dan?

--Die beide hooge laarzen, die daar achter aan den zadel zijn

gebonden. Het paard is er en de laarzen zie ik ook. Nu ontbreekt alleen

degeen die de laarzen dragen en het paard berijden zou. Wanneer gij

geen gezegende afstammeling van den Profeet waart, dan----O, daar

komt hij weer!

Een jonge man kwam aan en trad op het huisje toe.

--Wie is dat? vroeg ik.

--Mijn zoon, die den gids----O, maar daarover zou ik niet spreken!

Ik begon langzamerhand te begrijpen wat er aan de hand was.

In ieder geval had de Mubarek met zijn drie metgezellen hier halt

gehouden, om den jongen man mee te nemen als gids, naar een plaats

waarheen zij den weg niet nauwkeurig kenden. Daar zij meenden te

mogen aannemen dat wij hier langs zouden komen en inlichtingen zouden

inwinnen, wanneer het ons gelukte aan de Aladschy's te ontkomen,

hadden zij èn vader èn zoon wat wijs gemaakt, en ons waarschijnlijk

als Skipetaren aangeduid. Ik hoopte dat de zoon wat spraakzamer zou

zijn dan de vader.

Toen hij dichter bij kwam, zag ik dat hij een zeer verdrietig gezicht

trok. Hij groette nauwelijks en wilde de hut binnengaan. De oude

greep hem bij zijn kleeren en zeide:

--Waarom zegt ge niets? Hebt ge geen goede fooi gekregen?

--Wat fooi! Ik heb heel wat anders gekregen, maar geen

fooi,--antwoordde de zoon die zeer ontstemd scheen. De menschen worden

hoe langer hoe slechter! Zelfs heiligen kan men niet meer vertrouwen!

--Gij meent waarschijnlijk den ouden Mubarek?--vroeg ik hem.

--Hoe komt gij daarbij! Zijt gij misschien een goede kennis van hem?

--O neen, het tegendeel! Wij zijn de Skipetaren, voor wie hij u

heeft gewaarschuwd.

--Allah, Allah,--riep de oude verschrikt uit. Dan was mijn vermoeden

toch juist! Heer, ik hoop dat gij ons zult sparen, wij zijn doodarme

menschen. Mijn zoon is mandenmaker, hij vlecht het riet, dat mijn

kleinzoons daarginds aan de rivier snijden. Ik ben echter nergens

meer toe nut, ik kan niet eens de teenen schillen, want zooals gij

zien kunt, mijn handen zijn krom van de jicht.

Hij toonde mij zijn handen.

--Wees maar gerust!--antwoordde ik. Hebt gij ooit Skipetaren gezien,

die den tulband van den Profeet dragen?

--Neen, nooit!

--Onder de Skipetaren is geen enkele, die van den Profeet afstamt,

en ik kan dus geen roover zijn!

--Maar gij zeidet daareven toch, dat gij een der Skipetaren waart

waarvoor men ons heeft gewaarschuwd.

--Dat zijn we, maar dat we Skipetaren zijn, is een grove leugen!

--Waar is dan de ruiter die op het paard hoort?

Door het land der Skipetaren · 第 7 / 34 段