--Dan hebt gij misschien ook de vier vreemdelingen gezien, die dat

alles hebben veroorzaakt?

--Ik heb zelfs met hen in dezelfde herberg vertoefd en geslapen.

--Werkelijk? En hebt gij misschien ook wel met hen gesproken?

--Met alle vier.

--Zoudt gij hen weder herkennen, als gij hen ontmoetet?

--Op staanden voet!

--Dat is goed, zeer goed! Wij wachten namelijk op hen, en moeten

het een en ander met hen bespreken. Daar wij hen echter nog niet

hebben gezien, zouden wij ons licht kunnen vergissen. Wilt gij ons

dan waarschuwen, wanneer zij komen?

--Zeer gaarne, wanneer ik ten minste niet te lang behoef te wachten.

--Gij hebt toch den tijd?

--Neen, want ik moet overmorgen in Skopia zijn.

--Gij behoeft nog maar ongeveer drie uur te wachten.

--Dat is mij veel te lang.

--Wij zullen er u voor betalen.

--Betalen! Ja, ziet ge, dat verandert de zaak. En hoeveel wilt gij

wel uitleggen.

--Vijf piasters, totdat zij komen.

--Wanneer zij tenminste maar niet zóó laat komen dat ik niet verder

meer kan rijden, omdat het donker is.

--Dan betalen wij ook uw logies en uw eten.

--Dan blijf ik, maar de vijf piasters moet gij mij onmiddellijk

uitbetalen.

--Scheriff, denkt gij misschien dat wij geen geld hebben!

--Neen, maar ik weet dat ik het niet heb, en graag iets op zak

zou hebben.

Nu, die kleinigheid kunnen wij u wel uitbetalen.

Hij wierp mij tien piasters toe, en toen ik hem verbaasd aankeek,

zeide hij:

--Nu, strijk maar op. Wij zijn rijk genoeg!

Zij waren in elk geval goed bij kas, want hun geldtasch was groot en

daarin was goudklank. Nu werd ik over mijzelf ondervraagd. Ik moest

een nauwkeurige beschrijving geven van mijn persoon en van mijn

reisgenooten, en toen ook vertellen of ik had gezien dat de kogels

ons niet hadden getroffen.

Ik deelde alles mede wat was gebeurd, waarna de Skipetaar vroeg:

--En hebt gij niet gehoord, wanneer deze vier mannen wilden opbreken?

--Ik was er bij, toen een hunner het voornemen te kennen gaf om tegen

den middag weer op weg te gaan.

--Dat hebben wij ook gehoord, maar wij vermoeden dat zij niet zullen

komen.

--Waarom niet?

--Omdat zij bang zullen zijn.

--Die vreemdelingen zien er anders niet naar uit of zij bang zijn. En

voor wie zouden zij dan moeten vreezen?

--Voor de Skipetaren.

--Dat geloof ik niet! Want ik ben zelfs niet bang voor hen. En dan

die vier! Ge moet de wapens van den een maar eens zien.

--Daar heb ik van gehoord. Men moet hem toch verteld hebben, dat hij

door de Skipetaren zal worden opgewacht.

--Daar weet ik niets van. Wel heb ik van de twee roovers hooren

spreken.

--Dus toch! En wat was daarmede aan de hand?

--De oude Mubarek heeft twee roovers omgekocht, om de vier

vreemdelingen onder weg te vermoorden!

--Hoe wist men dat?

--Uit een gesprek, dat werd afgeluisterd.

--Drommels, hoe onvoorzichtig! En wist men de namen der roovers?

--Neen, ik geloof niet dat men die weet.

--En wat zeiden de vier vreemdelingen daar wel van?

--Zij lachten!

--Allah w' Allah! Zij lachten!--stoof hij op.--Zij lachten om degenen

door wie zij zouden worden overvallen.

--Ja, over wie anders!

--Nu, ik geloof dat, als er inderdaad sprake is van echte Skipetaren,

het lachen die heeren wel zal vergaan.

--Dat geloof ik niet.

--Wat? Gelooft gij dat niet? Meent gij dan dat de Skipetaren kwajongens

zijn?

--Zij mogen zoo sterk zijn als zij willen. Tegen deze vier mannen

vermogen zij niets, omdat die kogelvrij zijn!

--Kogelvrij! Wel vervloekt! Ik heb daar nooit aan geloofd en het

altijd voor een sprookje gehouden, dat iemand zich kogelvrij kon

maken. Hebt gij het goed gezien?

--Zeer goed, want ik stond er vlak bij.

--En de kogels troffen niet? En die man ving ze zelfs op in zijn hand?

--Met zijn hand! En wanneer dan ten tweede male met denzelfden kogel

werd geschoten, doorboorde die de plank.

--Het is bijna niet te gelooven.

--Er waren echter meer dan vijfhonderd menschen bij, die het geweer

en de kogels betast hebben.

--Dan moet men het toch wel voor waar aannemen. Als ik dat kunstje

ook kon leeren, wilde ik wel iederen dag een geheelen Koran opeten.

--Dat zal het wel niet alleen zijn, maar ik vermoed dat er nog wel

meer geheimen aan zijn verbonden.

--Ja, dat zal wel waar zijn. Het zou mij heel wat waard zijn om dat

geheim te weten te komen.

--Dat zal natuurlijk niemand verraden.

--Nu misschien toch wel!

--Dat geloof ik niet.

--En toch weet ik twee menschen, die het misschien te weten kunnen

komen.

--En dat zijn?

--De twee roovers, die op hen loeren!

--Die natuurlijk het allerminst.

--Dat begrijpt gij zoo niet, ofschoon gij een Scheriff zijt. Ik wil

aannemen dat de Skipetaren die vreemdelingen het leven sparen, maar

alleen onder voorwaarde dat zij hun het geheim mededeelen.

--Maar dan vergeet gij toch de hoofdzaak!--merkte ik op.

--En dat is?--vroeg hij haastig.

--Dat die mannen de Skipetaren niet behoeven te vreezen, daar zij

kogelvrij zijn, wat gij nu toch zelf voor waar hebt moeten aannemen.

--Dat hebben wij moeten aannemen, want wij hadden dat ook reeds

vroeger uit vertrouwbare bron vernomen. Maar zijn zij ook bestand

tegen mes en dolksteken?

--Hm! dat weet ik niet.

--Dat zal wel niet zoo wezen, want dan hadden zij zich ook daar wel

op beroemd. Men kan hen dus in ieder geval toch nog te lijf gaan, of

meent gij soms, dat als wij de Skipetaren waren, wij bang voor die

mannen zouden zijn, of voor dien vreemdeling die op een Arabischen

hengst rijdt?

--Bij het worstelen geenszins!

--Dus zijn zij nog zoo veilig niet. Maar ik ben overtuigd dat hun

niets zal overkomen daar wij hen zullen bijstaan.

--Zoudt gij dat werkelijk doen?--vroeg ik.

--Waarom twijfelt gij daaraan? Wij zijn hen van Radowitsch af tegemoet

gereden en zullen hen ontvangen en verrassen. Zij zullen namelijk

bij ons een onderkomen vinden. Wij zullen hun gastheeren zijn, en

wee degeen die hen een haar durft krenken.

--Hm! dat geloof ik wel, maar zij zouden kunnen worden overvallen,

voor zij hier zijn.

--O neen, daarvoor is geen enkele geschikte plaats!

--Weet gij dat zoo precies?--vroeg ik terwijl ik zoo onnoozel mogelijk

trachtte te kijken.

--Ja, want ik ben soldaat geweest. Verderop naar Radowitsch is een

geschikte plaats, daar waar de weg door het bosch voert. Daar zijn

geweldige rotsblokken aan weerszijden van den weg, terwijl het

kreupelhout er zoo dicht is, dat men naar links noch naar rechts

vluchten kan. Wanneer zij dáár worden aangevallen zijn zij reddeloos

verloren.

Gedurende eenige oogenblikken heerschte er een diep stilzwijgen, en

terwijl hij nadenkend voor zich keek, hoorde ik een klagelijk gesteun,

dat uit het huis tot ons doordrong. Ik had dat reeds vroeger, hoewel

niet zoo duidelijk vernomen. Het scheen een kinderstem te zijn. Die

zaak kwam mij eerst bedenkelijk voor, maar toch scheen het mij vrij

wel onmogelijk dat de Skipetaren hier een misdaad zouden hebben gedaan

en dan zoo rustig zouden zijn blijven zitten.

--Wie kreunt daar zoo?--vroeg ik.

--Dat weten wij niet.

--Is dit huis een logement?

--Alleen een kleine herberg.

--Waar is de waard?

--Daar in de kamer!

--Dan zal ik eens gaan kijken!--zeide ik, opstaande, en ging naar

de deur.

--Halt!--waar gaat ge heen? vroeg de een.

--Naar binnen, naar den waard.

--Ga dan naar het raam.

Ik begreep dadelijk dat hij mij niet alleen met den waard wilde

laten spreken. Hij kende hen en zij waren bevreesd dat hij hen zou

verraden. Ik hinkte dus naar het open venster, stak het hoofd naar

binnen en riep:

--Konakdschy ... waard!

--Hier!--antwoordde een mannelijke stem.

--Wie kreunt daar binnen zoo?

--Mijn dochtertje.

--Waarom?

--Zij heeft kiespijn.

--Hoe oud is zij?

--Twaalf jaar.

--Zijt gij al eens met haar naar den dokter geweest?

--Neen daar ben ik te arm voor.

--Dan zal ik haar helpen. Ik kom binnen!

De beide Aladschy's hadden ieder woord verstaan, en toen ik mij nu

gereed maakte om binnen te gaan, stonden zij op en volgden mij.

De kamer zag er, zelfs volgens de daar heerschende begrippen, zeer

armoedig uit. Er was niemand dan de waard en de kleine patiënte die

maar steeds doorkreunde.

De man zat op een bankje, de ellebogen op de knieën en het hoofd in

de handen gesteund, en keek ons in 't geheel niet aan.

--Dus zijt gij de waard?--vroeg ik hem.--En waar is de waardin?

--Dood,--antwoordde hij zonder op te kijken.

--Dan zijt gij wel te beklagen. Hebt gij nog andere kinderen?

--Ja, nog drie kleinere.

--Waar zijn die?

--Buiten aan de rivier.

--Hoe onvoorzichtig! Men moet kinderen niet zonder toezicht bij

water laten!

Nu hief hij het hoofd op en keek mij verwonderd aan. Het scheen dat

hij zooveel deelname niet had verwacht.

--Waarom haalt gij hen niet hierheen?--vroeg ik verder.

--Ik kan niet.

--Waarom niet?

--Ik mag niet naar buiten!

--Wie zal u dat beletten?

Hij wierp een somberen blik op de Aladschy's, en dadelijk bemerkte ik

dat een hunner hem met den vinger dreigde. Ik deed alsof ik het niet

had gezien en ging naar den hoek, zeide eenige vriendelijke woorden

tot de kleine en nam haar mede naar het open raam.

--Kom eens hier!--zei ik vriendelijk om haar vertrouwen te winnen.--Ik

zal die pijn dadelijk wegnemen. Doe den mond maar eens open en laat

mij den tand maar eens zien.

Zij voldeed zonder aarzelen aan mijn verlangen. Aan den tand was niets

te zien en het leek mij dat het een rheumatische aandoening was. Daar

was geen middel tegen te vinden. Maar ik wist uit ervaring van hoeveel

invloed, vooral bij kinderen, de verbeelding is. Voor alles moest er

een eind komen aan het schreien.

--Doe nu den mond maar weer dicht, en antwoord me maar met

knikjes,--zeide ik.

--Hebt gij nog pijn?

Zij knikte toestemmend.

--Let dan goed op. Ik zal mijn hand een poosje tegen uw wang leggen

en dan is de pijn weg.

Ik trok het hoofdje van de kleine patiënte naar mij toe en legde

den binnenkant van mijn hand tegen de bewuste wang, en wreef die

zachtkens. Van magnetisme heb ik weliswaar in het geheel geen verstand,

maar ik vertrouwde op de verbeelding van het kind en op het weldadige

gevoel, wanneer een vriendelijke warme hand een pijnlijke plaats

zachtkens streelt.

--En nu is de pijn weg?--vroeg ik na eenige oogenblikken.

Wederom knikte ze toestemmend.

--Heelemaal weg?

--Ja, heelemaal!--antwoordde ze blij glimlachend en mij vriendelijk

dankbaar aankijkende.

--Praat dan niet, en haal een poosje door je neus adem, dan komt de

pijn niet terug.

Dat was alles zoo doodeenvoudig, zooals van zelf sprekend, en toch

trad, toen ik weer naar buiten wilde gaan, de man op mij toe, vatte

mijn hand en zei:

--Heer, zij heeft al van gisteren af, voortdurend geschreid;

het was niet om uit te houden en daarom heb ik de andere kinderen

weggestuurd. Gij kunt wonderen doen!

--Neen, 't is volstrekt geen wonder. Het is een zeer eenvoudig middel,

dat ik heb aangewend en het zal zeker helpen wanneer gij uw dochtertje

vandaag nog in de kamer houdt. Uw andere kinderen zal ik gaan halen.

--Gij, Heer, gij?--vroeg hij.

--Natuurlijk, want gij kunt het niet doen!

De beide Aladschy's wierpen hem woedende blikken toe. Hij bukte zich

echter, alsof hij iets wilde oprapen, kwam daardoor wat dichter bij

mij en fluisterde mij, terwijl hij zich weder oprichtte, toe:

--Neem u in acht, het zijn de Aladschy's.

--Wat was dat daar?--schreeuwde een hunner, die wellicht het gefluister

had vernomen.--Wat hebt ge daar gezegd?

--Ik? Niets!--antwoordde de man zoo onbevangen mogelijk.

--Ik heb het toch gehoord!

--Dan vergist ge u!

--Hond, lieg niet of ik sla je dood!

De Skipetaar hief de vuist op maar ik pakte zijn arm beet en zeide:

--Vriend! wat doet ge? Weet ge dan niet dat de Profeet den geloovige

verboden heeft zich door drift te laten medeslepen?

--Wat gaat mij uw profeet aan!

--Ik begrijp u niet. Gij stelt u aan als een woesteling, en ge wilt

de vriend zijn van die vier vreemden, die geen worm leed doen!

Hij liet den arm zinken, keek den waard dreigend aan en antwoordde mij:

--Ge hebt gelijk, Scheriff. Maar ik heb de waarheid lief en haat den

leugen. Daarom werd ik zoo boos. Kom weer buiten!

Ik volgde hem, en buiten deed ik alsof het van zelf sprak dat ik

mij vrij bewoog, en hinkte naar de rivier. Er viel niet aan te

twijfelen of de Aladschy's beschouwden mij zoo half en half als hun

gevangene. Achter zich konden ze mij niet laten, en ook niet vooruit

laten gaan, omdat ik hen dan licht zou kunnen verraden, zelfs al

kende ik hen in 't geheel niet en al lag geenerlei verraad in mijn

bedoeling. Daarom moesten ze mij in het oog houden. Een eind verder

dicht bij het water, zaten drie kinderen, welke ik voor die van den

waard hield. Ik zei hun dat ze weer bij hun vader konden komen,

daar hun zusje weer geheel beter was. Juichend sprongen ze op,

klauterden tegen den kant naar boven en liepen het huis in. Toen

ik nu weer aan de tafel ging zitten, zag ik het de Aladschy's aan,

dat zij een besluit hadden genomen.

Hier waren ze niet geheel veilig voor gevaarlijke ontmoetingen en

ook naderde de tijd waarop wij hier verwacht konden worden. Daarom

vermoedde ik, dat zij waren overeen gekomen om op te breken. En

inderdaad al heel gauw begon degeen die het meeste had gesproken:

--Ik heb u reeds meegedeeld, dat er maar één enkele plaats is waar

die vreemdelingen kunnen worden overvallen. Zeg ons nu eens eerlijk

en oprecht, hoe gij hun gezind zijt! Vijandig?

--Waarom zou ik vijandig tegenover die menschen staan! Ze hebben mij

immers niets gedaan!

--Dus vriendschappelijk?

--Ja.

--Dat doet me genoegen, want nu kunt ge ons behulpzaam zijn in het

zorgen voor hun veiligheid en tegelijkertijd die van u zelf in het

oog houden.

--Dat zal me aangenaam zijn, ofschoon ik niet zou weten, wie de moeite

nemen zou mijn veiligheid te bedreigen. Zeg me maar wat ik doen moet.

--Gij gelooft misschien ook wel dat die vreemdelingen zullen worden

overvallen?

--Ik heb het althans voor zeker hooren vertellen!

--Dan kunnen de Skipetaren zich alleen schuil houden op de plaats

die ik op het oog had. Mijn broeder meent, en ik ben het volkomen

met hem eens, dat het zeer goed zou wezen, wanneer wij ons daar ook

verborgen. Dan kunnen wij de aangevallenen ter hulp komen. Zijt gij

daartoe bereid?

--Hm! Ik heb eigenlijk met de geheele zaak niets te maken.

--Wel zeker! Wanneer de Skipetaren daar op den loer liggen, zullen ze

ook u aanvallen, zoodra gij verder rijdt. Bovendien willen we u eens

een echt Skipetarenstukje laten zien, waarvan ge dan kunt verhalen,

als ge te Skopia komt.

--Ge maakt me inderdaad nieuwsgierig, ik rijd mee!

--Stijg dan op!

--Hebt ge den Raki betaald?

--Neen, dien heeft de waard ons voor niets gegeven!

Voor niets moeten geven! Dát was de waarheid. Ik ging naar het venster

en wierp mijn weinige piasters naar binnen. Natuurlijk werd ik door

beiden uitgelachen. De een ging achter het huis, om de paarden te halen

en de ander bleef bij mij, opdat ik hun niet zou ontsnappen. Toen

we over de brug reden, keek ik nog eens om en zag den waard in de

deur staan, die waarschuwend de hand ophief. Ik dacht niet dat ik

hem zou weerzien.

Aan gene zijde van de brug, voerde de weg eerst midden door velden,

daarna kwamen weiden, vervolgens kreupelhout en eindelijk reden wij

een dicht bosch in.

Er werd geen woord gesproken.

De Skipetaren hielden mij klaarblijkelijk voor een weinig ontwikkeld

persoon met zeer weinig oordeel en opmerkingsgave, want alles wat ze

deden en zeiden was voortdurend met elkaar in tegenspraak, wat zelfs

den meest eenvoudigen mensch moest opvallen.

Indien werkelijk vijanden in het bosch waren verborgen, was het toch

een groote domheid geweest, dat wij de bedreigden wilden redden door

ons zelf eveneens te verstoppen, om eerst op het oogenblik dat de

strijd begon, te voorschijn te komen. We zouden dan natuurlijk beter

hebben gedaan, de roovers in hun schuilplaats te overvallen en zoo de

bedreigden te redden. Misschien was het hun dan mogelijk geweest de

gevaarlijke plek te mijden, en indien dit door de dichtheid van het

bosch al ondoenlijk mocht zijn, konden wij te voet er vereenigd de

Skipetaren in den rug aanvallen en een machtige nederlaag doen lijden.

Midden in het bosch liep de weg naar beneden en maakte tevens een

scherpe bocht. Rechts en links waren rotsblokken, waar achter men

zich kon verbergen en dan van boven af den hollen weg beschieten. Dat

was een plekje als geschapen voor een overval, en beiden hielden hier

dan ook werkelijk halt.

--Hier is 't!--zeide de een.--Hier moeten we ons verbergen. Laten we

links rijden in de richting van dat boschje!

Hij sprak zachtjes om mij te doen gelooven, dat hij werkelijk meende,

dat hier ergens Skipetaren waren verborgen. Dan moesten zij ons immers

hooren en zien, en niet wij hen. Ik kwam tot de overtuiging dat moeder

Natuur mij met geen bijzonder snugger gezicht had begiftigd, want in

de kunst van veinzen, had ik het niet zoover gebracht dat ik mij zoo

van den domme kon houden, en dom moest men zijn, om die mannen niet

onmiddellijk te doorzien.

Daar boven aan den rand van den weg stonden op deze plaats de boomen

minder dicht op elkaar, zoodat wij nog een eindje konden rijden;

toen moesten we de paarden echter bij den teugel leiden.

Toen werd halt gehouden. De paarden zouden bij elkander worden

vastgebonden. Dit beviel me niet, want het lag in mijn voornemen om

mij later ongemerkt te verwijderen. Daarom moest mijn paard een eind

van de anderen afstaan, zoodat de Skipetaren het niet konden zien. Ik

had een grooten, en aan de eene zijde tamelijk spitsen boordenknoop

in mijn zak. Dezen haalde ik ongemerkt te voorschijn. Toen deed ik

alsof ik den zadelriem van mijn paard, dat bij de hunne aan een boom

stond vastgebonden, wat losser wilde maken om het paard wat meer op

zijn gemak te brengen, doch haalde dien integendeel zoo stevig aan

als ik maar kon, nadat ik er den knoop tusschen had gelegd, zoodat

de spitse zijde tegen het lichaam van het paard drukte. Die knoop

moest het dier pijn doen en het overige moest ik nu afwachten.

Intusschen hadden de Aladschy's een geschikt plekje opgezocht,

van waar zij een deel van den straatweg, die achter ons lag, konden

overzien, zonder zelf gezien te worden. Hun geweren lagen naast hen

en ze gespten nu ook hun werpbijlen los.

Ik begreep wat zij van plan waren. Zij meenden dat zij ons met hun

kogels niet zouden kunnen treffen en wilden ons nu met hun bijlen

dooden.

Deze menschen zijn bijzonder handig in het werpen met deze wapens,

en toch geloofde ik, ofschoon ik er nog nooit een in handen had gehad,

het hen dadelijk te kunnen nadoen, daar ik een tamelijke vaardigheid

bezat in het werpen met den tomahawk.

Ik ging bij hen zitten en het gesprek werd nu op gedempten toon

gevoerd. Zij hielden zich, alsof zij bereid waren den strijd

te aanvaarden om de vreemdelingen, dus ons, van de Skipetaren te

bevrijden. Het Skipetarenstukje dat zij mij wilden laten zien, bestond

natuurlijk alleen daarin dat zij zich van mijn medewerking hadden

verzekerd, ofschoon zij zelf de moordenaars waren. Op het oogenblik

dat de overval plaats greep, moest ik daarover zeer ontsteld zijn,

en kon daarvan dan verhalen en mij om mijn domheid laten uitlachen.

Mijn knoop had reeds lang gewerkt. Het paard van Halef begon onrustig

te worden, het snoof en sloeg om zich heen.

--Wat heeft uw paard?--vroegen ze mij.

--O niets!--antwoordde ik kalm.

--Noemt ge dat niets! Het zou ons kunnen verraden!

--Hoezoo?

--Wanneer het voort gaat te doen zooals nu, dan kunt ge bijna zeker

zijn dat de hier verborgen Skipetaren het leven hooren, en dan zijn

wij verloren.

Hij meende echter, dat de vreemdelingen die zij verwachtten het

leven hooren en daardoor tot voorzichtigheid zouden kunnen worden

aangespoord.

--O, dat zal nog wel erger worden!--zeide ik.

--Waarom?

--Mijn paard kan er niet tegen, om vlak bij andere paarden vastgebonden

te staan. Dat is een kuur, die ik het maar niet kan afleeren. Ik moet

hem altijd een heel eind uit de buurt van andere zetten!

--Breng hem dan weg!

Ik stond op.

--Halt! wacht wat! laat uw mantel, uw lange mes en uw tulband hier!

--Waarom?

--Opdat wij er zeker van zouden zijn, dat gij terugkomt. Zet uw

tulband af!

Dat zou wat moois zijn geweest! Dan zouden zij hebben gezien dat

ik al mijn haar had en dus geen goed muzelman, nog veel minder een

Scheriff wezen kon. Daarom antwoordde ik met voorgewende kalmte:

--Hoe komt ge er bij! Kan een Scheriff ooit het hoofd ontblooten. Ik

ken de Mukteka el Ebhur en de Mischkat al Masabih [3] en de beroemde

Fetavi van Alem Gtoiri en van Hamadan [4] op mijn duimpje. Ik weet

heel goed wat den geloovigen verboden is, en nu zal ik mijn ziel

overgeven aan het spel der winden, zoodat de storm haar zou verdrijven?

--Laat 't dan blijven bij den mantel en het mes! Ga nu!

Ik maakte het paard los en voerde het een eind weg. Ik bond het

eerst losjes vast, en rende toen in groote haast weg, door struiken

en langs boomen, half springend half kruipend, tot ik de kromming

van den weg had bereikt waar we langs waren gereden en waar ik nu op

den straatweg kon gaan zonder door de roovers te worden gezien. Daar

scheurde ik een blad uit mijn notitieboekje en schreef daarop:

--Ajry ajry harzyrlamyn. Osko, Omar jawaschly, Halef böjück dört nal

gitir, ileri icki bin ademler tahminen--Rijdt een voor een voorbij,

Osko en Omar langzaam. Halef in gestrekten draf ongeveer duizend

pas ver.

Dit briefje bevestigde ik met een houten klammer, dien ik sneed, aan

den tak van een dicht aan den weg staanden boom, zoodat het bepaald

gezien moest worden. Er konden wel is waar ook nog andere menschen

langs den weg komen, doch daaraan was niets te doen, misschien lieten

zij het briefje wel hangen, en daarenboven kon Halefs komst ieder

oogenblik worden tegemoet gezien.

Dat had nauwelijks twee minuten geduurd, en ik rende weer even

spoedig naar mijn paard terug om het wat steviger vast te binden en

van den knoop te bevrijden. Ik was daarmede nog niet geheel gereed,

toen ik reeds voetstappen hoorde. Het was een der Skipetaren die mij

kwam zoeken.

--Waar blijft ge zoo lang?--vroeg hij op barschen toon.

--Hier bij het paard!--antwoordde ik terwijl ik hem uiterst verbaasd

aankeek.

--Dat zie ik, maar moet dat zoo lang duren!

--Wel, ben ik dan niet mijn eigen baas!

--Neen, niet meer! Ge behoort nu bij ons en hebt u naar ons te

schikken!

--Hebt ge mij dan soms gezegd, hoe lang ik mocht wegblijven?

--Doe toch niet zulke dwaze vragen, ezel! Vooruit, maakt dat ge komt,

waar wij zitten.

--Als ik er zin in heb!--hernam ik, want in weerwil van mijn rol als

Scheriff, begon zijn manier van doen me toch zeer te vervelen.

--Ge behoeft nergens zin in te hebben, begrepen? Wanneer ge niet

oogenblikkelijk maakt dat ge weg komt, zal ik je een handje helpen!

Ik trad op hem toe, en zeide:

--Hoor eens, nu maakt ge het toch wat al te bont; gij noemt mij een

ezel! Wanneer gij geen eerbied hebt voor de afkomst van een Scheriff,

dan verlang ik dien toch tenminste voor mijn persoon. Wanneer gij

mij dien weigert, dat zal ik mij dien wel weten te verschaffen.

Dat had hij niet van mij verwacht.

--Welk een brutaliteit!--riep hij uit.--Mensch, wat verbeeldt ge je

wel. Ik heb maar naar je te wijzen en je valt om van den schrik.

Hij pakte mij bij mijn linkerarm en drukte dien met zooveel kracht,

dat een minder flink persoon dan ik, het zou hebben uitgeschreeuwd van

de pijn. Ik lachte hem echter in zijn gezicht uit en antwoordde!--Gij

moet mij anders beet pakken, zoo. Ik legde mijn hand zoo op zijn

linkerschouder dat de duim op het sleutelbeen terecht kwam, terwijl ik

met de vier andere vingers dat deel van het schouderblad beet pakte,

dat met den bovenarm in verbinding staat. Wie dien greep kent en hem

weet toe te passen, kan den sterksten man met één hand op den grond

drukken. Ik drukte mijn hand flink samen. Hij gilde het uit van de pijn

en wilde zich los rukken, maar kon niet. Hij voelde de pijn door zijn

geheele lichaam, zoodat hij zich machteloos op den grond het vallen.

Op dien schreeuw kwam zijn broer naar ons toe.

--Wat is er gebeurd, Sandar?

--Taury hakky--Bij God, dat begrijp ik niet!--antwoordde hij terwijl

hij opstond. Die man heeft mij met één hand op den grond geworpen. Ik

geloof waarachtig dat ik mijn schouder heb gebroken.

--Heb jelui dan gevochten en waarom dat?

--Omdat ik hem een standje maakte wegens zijn lang wegblijven.

--Alle duivels, kerel, wat denkt ge wel! Zal ik je eens fijn knijpen?

Door het land der Skipetaren · 第 6 / 34 段