andere kogels gaf, en Halef, Osko en Omar zich beurtelings voor de
plank posteerden.
Misschien hadden die drie de zaak eerst nog niet best vertrouwd maar
toen ik niet gedeerd was geworden, lieten zij ook zonder eenige vrees
op zich schieten. Alleen het opvangen van de kogels werd achterwege
gelaten, daar dit hun misschien niet zou zijn gelukt. Dat wilde ik
liever zelf doen. Ik ging dus naast hen staan en ving zoogenaamd
den kogel op, waarmede dan in de plank geschoten werd. Toen nu ook
mijn metgezellen hadden bewezen dat zij kogelvrij waren, ging er een
gejuich op, waaraan geen eind scheen te komen en dat alle beschrijving
te boven ging.
De menschen kwamen naar ons toe om ons te bekijken, te betasten en
allerlei vragen te doen. Het zou ons dagen hebben gekost als wij alle
inlichtingen, die ons werden gevraagd, hadden willen beantwoorden. Om
ons aan een en ander te onttrekken, gingen wij naar onze kamer en
sloegen van daaruit den bode gade. Toma was volkomen van zijn ongeloof
genezen; dat was duidelijk merkbaar aan de zeer levendige gebaren
waarmede hij anderen, die veraf hadden gestaan, trachtte duidelijk
te maken wat er gebeurd was. Ik wenkte den Hadschi, wees hem den bode
en zeide:
--Verlies hem niet uit het oog, en wanneer hij weggaat volg hem dan
om te weten waarheen hij zich begeeft!
--Waarom, Sihdi?
--Omdat ik hem verdenk door de Aladschy's belast te zijn om ons gade
te slaan.
--Daarom bekeekt gij hem zoo aandachtig. Ik merkte dadelijk dat gij
hem niet vertrouwdet. Maar wat kan hij ons voor kwaad doen?
--Hij zal den beiden Skipetaren gaan vertellen, dat wij tegen den
middag vertrekken.
--Hij zeide toch, dat hij niet vertrok.
--Hij heeft gelogen, daar kunt gij zeker van zijn; wanneer hij nu
naar huis gaat, dan gaat gij buiten de stad en verstopt u hier of
aan den weg die naar Radowitsch voert. En wanneer hij voorbij komt,
deelt gij mij dat mede.
--En als hij niet komt?
--Dan komt gij over een uur of twee terug; men kan dan aannemen dat
hij inderdaad niet weggaat.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
DE TWEE ALADSCHY'S.
Mijn eerste werk was nu, een adres te vragen van een kapper- en
barbierswinkel, en toen ging ik daarheen om mij haar en baard te
laten knippen. De eigenaar van den winkel was mede getuige geweest
van onze vertooning. In het oosten zijn de salons van de barbiers
de geliefkoosde verzamelplaats voor alle nieuwtjesjagers, en daarom
verbaasde het mij geenszins die vol menschen te vinden.
Deze goede luidjes sloegen al mijn bewegingen gade en hielden zich,
zoolang de barbier met mij bezig was, zeer rustig.
Een hunner, die achter mij zat, bukte telkens om een der lokken die op
den grond vielen, op te rapen, totdat de barbier, die dit met woedende
blikken had aangezien, hem een vrij krachtigen trap gaf en uitriep:
--Dief! Wat hier afvalt, is mijn eigendom. Besteel mij niet!
Op den terugweg ging ik een kousenwinkel binnen en ook bij een
brillenkoopman. Bij den eerste kocht ik een paar lange kousen die
tot boven de knie reikten, bij den laatste een bril met blauwe glazen.
In een derden winkel kocht ik een groenen tulbanddoek, zooals alleen
de afstammelingen van den profeet die mogen dragen, en daarmeê had
ik alles wat ik noodig had. Ik was ongeveer een uur weg geweest en
toen ik terug kwam, was Halef reeds weder thuis.
--Sihdi!--deelde hij mij mede.--Gij hadt gelijk, de kerel is weg!
--Wanneer gegaan?
--Slechts eenige oogenblikken nadat hij thuis was gekomen.
--Dus had hij zich vooruit reeds reisvaardig gemaakt?
--Ja natuurlijk, want anders had hij toch eerst de dieren nog moeten
zadelen!
--Welke dieren had hij bij zich?
--Hij reed op een muildier en voerde nog vier beladen ezels mede
waarvan de tweede aan den staart van den eerste en zoo vervolgens,
was gebonden, terwijl de eerste aan den staart van het muildier
gebonden was.
--Reed hij langzaam?
--Neen, het had er alles van of hij groote haast had.
--Hij wil zich zeker gaarne zoo gauw mogelijk van zijn boodschap
kwijten. Nu, dat hindert niet. Ik rijd nu verder en gij anderen
verlaat Ostromdscha tegen den middag?
--En blijft het dan bij hetgeen gij gisteren, voor het slapen-gaan
hebt gezegd?
--Natuurlijk!
--En ik rijd Rih?
--Ja, en ik neem uw paard. Zadel dat en ga dan weer de stad in,
maar neem uw gebedspantoffels mede.
--Waarom, Sihdi?
--Die moet gij mij leenen, omdat ik mijn hooge laarzen moet
achterlaten.
--Moet ik die soms aantrekken?
--Neen kleintje, want daar zoudt gij geheel in verdwijnen. Nu zal ik
u eerst alles geven wat gij te bewaren hebt; vooral de geweren. En
dan ga ik afscheid nemen.
Dit laatste werd mij moeilijker gemaakt dan ik gedacht had. De
herbergier Ibarek, die nu ook naar huis wilde terugkeeren, beloofde
mij den beiden broeders, die zich bij hem hadden genesteld, een
behoorlijk pak slaag te zullen geven, maar ik geloof nooit dat de
man er den moed toe heeft gehad.
Eindelijk, eindelijk kon ik dan te paard stijgen.
De beide herbergiers waren zeer verbaasd dat ik den hengst niet bereed,
maar ik vond het voorzichtiger hun mijn beweegreden daartoe niet mede
te deelen.
Even buiten de stad stond Halef en naast hem--Nebatja.
--Heer!--zeide zij,--ik hoorde dat gij ons gaat verlaten en daarom
ben ik gekomen om u nog eenmaal de hand te drukken, hier waar niemand
het kan zien. Ik zal steeds aan u denken en u nooit vergeten.
Ik drukte haar de hand en reed toen spoedig door. Ik kon haar vochtige
oogen niet best zien.
Halef volgde mij nog een eindje tot wij aan een boschje kwamen. Daar
steeg ik af en ging de struiken in.
De kleine Hadschi had den pot mede moeten nemen waarin de Sadar-absud
was gekookt. Met behulp van een lapje, dat ik tot dit doel had
meegenomen, moest hij voorzichtig met dit vocht over mijn haar en
baard strijken.
--Sihdi, waarom laat gij u het hoofd met dat kooksel bevochtigen.
--Dat zult gij gauw genoeg zien!
--Zou uw haar er inderdaad door veranderen?
--Ik denk dat gij over de uitwerking verbaasd zult staan.
--Ik ben er zeer nieuwsgierig naar! Maar wat hebt gij daar voor eeuwig
lange kousen. Gaat gij die misschien aantrekken?
--Ja, en dan gaan de gebedspantoffels er over heen.
De kleine Hadschi had dit schoeisel altijd bij zich, om het steeds
bij de hand te hebben als hij een moskee bezocht, daar hij dan
zijn gewone schoenen moest uittrekken. Toen hij met de "zalving"
van mijn hoofd gereed was, trok hij mij de rijlaarzen uit, en deed
ik in plaats daarvan de kousen aan. Die pantoffels waren mij iets te
klein, maar het ging toch. Toen hij daarna weer naar mijn hoofd keek,
sloeg hij verbaasd de handen inéén en riep uit:
--O, Allah! wat een wonder! Uw haar begint inderdaad lichtblond
te worden.
--Werkelijk? begint het kookseltje reeds te werken?
--Op sommige plaatsen ten minste.
--Dan moeten wij de donkere plaatsen bijwerken. Hier hebt gij een
kam om het vocht te verdeelen!
Hij zette zijn aangevangen werk voort, en toen ik mij eenige
oogenblikken later in een zakspiegeltje bekeek, was ik inderdaad
hoogblond. Toen zette ik de fez op en Halef moest het tulbandddoek
er om winden, zóó dat aan den rechterkant de franje afhing.
--Sihdi! daarmede bega ik een groote zonde!--zeide hij verlegen. Alleen
de rechte afstammelingen van den Profeet mogen deze onderscheiding
dragen. Maar gij zijt nu eenmaal geen aanhanger van den Koran maar
van den Kitab el mukaddas (het heilige boek, den bijbel). Zal ik deze
ontwijding kunnen verantwoorden, wanneer ik eenmaal over de smalle
brug des doods moet gaan?
--Zeker!
--Maar ik twijfel er aan.
--Wees onbezorgd! Een mohammedaan zou daarmede zondigen tegen de
nakomelingschap van den Profeet, wanneer hij diens onderscheiding
droeg. Maar een christen heeft zich daaraan niet te storen. Een
aanhanger van den Bijbel kan zich kleeden zooals hij verkiest.
--Dan hebt gij het aangenamer en gemakkelijker dan wij. Maar een
zonde bega ik, dat is zeker. Wanneer gij zelf het doek er om legt,
behoeft gij uw geweten niet bezwaard te gevoelen, maar als ik het doe,
een geloovig zoon van den Profeet, dan zal ik wel strafbaar zijn.
--Wees onbezorgd! Ik zal die zonde wel op mijn geweten nemen.
--En in mijn plaats branden in de hel?
--Ja.
--Neen, Sihdi, dat wil ik niet, daarvoor heb ik u te lief. Dan brand
ik toch maar liever zelf, want ik geloof dat ik er beter tegen kan
dan gij.
--Schrijft gij uzelf meer kracht toe dan mij?
--Neen maar ik ben veel kleiner dan gij en kan misschien wel een
plaatsje vinden om mij tusschen de vlammen in te vlijen dat zij mij
geen pijn doen!
De schalk meende het met zijn bezwaren lang zoo ernstig niet, want
ik wist heel goed dat hij in zijn hart reeds lang een christen was
geworden. Om de vermomming te voltooien, zette ik nu den bril op,
en sloeg de reisdeken om de schouders, zoo ongeveer als een Mexicaan
zijn Serape draagt.
--Müdschüzat allahi! Wonder Gods!--riep Halef uit.--Sihdi, gij zijt
geheel en al veranderd!
--Inderdaad?
--Ja, ik weet niet of ik u herkennen zou, wanneer gij mij
voorbijreedt. Ik geloof dat ik het alleen aan uw houding zou zien,
dat gij het waart.
--O, maar die wordt ook anders. Maar dat is feitelijk niet eens
noodig, want de Aladschy's hebben mij nog nooit gezien. Zij kennen
mij alleen door de beschrijvingen, en dus is het gemakkelijk genoeg
hen te misleiden.
--Maar de bode kent u!
--Dien zal ik wel niet meer aantreffen!
--Ik denk toch, dat hij wel bij hen wezen zal.
--Dat is moeilijk aan te nemen. Zij willen ons tusschen hier en
Radowitsch opwachten, en hij heeft de ezels bij zich met de goederen
die hij daarginds moet afleveren. Hij was van plan om naar Radowitsch
te rijden. Het is dus aan te nemen, dat hij hun bericht zal brengen
en dan verder gaan.
--En gelooft gij werkelijk, dat gij het alleen met hen zult
klaarspelen?
--Ja zeker!
--Maar de Aladschy's zijn berucht. Misschien was het beter als ik
met u medeging. Ik ben immers uw vriend en beschermer?
--Maar nu moet gij Osko en Omar beschermen. Deze beiden vertrouw ik
aan uw zorgen toe.
Dat troostte hem en deed hem goed. Hij hernam dan ook dadelijk:
--Gij hebt volkomen gelijk, Sihdi! Wat zouden die twee moeten
beginnen zonder uw kleinen dapperen Hadschi Halef Omar? Niets--totaal
niets! Overigens heb ik ook nog voor Rih te zorgen! Gij vertrouwt
mij zeer veel toe, Sihdi!
--Maak u dat vertrouwen waardig. Weet gij nog alles, wat wij hebben
afgesproken?
--Alles. Mijn geheugen is als de muil van een leeuw, die alles
vasthoudt wat eenmaal daar binnen is.
--Dan zullen wij nu afscheid nemen. Vaarwel en doe geen dwaasheden!
--Sihdi, krenk mij niet met dergelijke vermaningen. Ik ben een man,
een held, en weet wat ik te doen heb.
Hij wierp den pot, dien wij nu niet meer noodig hadden, tusschen de
struiken, hing mijn hooge laarzen over zijn schouder en ging naar de
stad terug. Ik echter reed naar het Noordwesten, een gevaarvolle en
misschien noodlottige samenkomst tegemoet.
Ik had echter voorloopig geen gevaar te duchten, wanneer de Aladschy's
mij kenden en gewaar werden, zou allicht een kogel uit een hinderlaag
mij hebben kunnen treffen. Maar zooals de zaken stonden, had ik
hoogstens een openlijken aanval van roovers te wachten waaraan ook
iedere andere reiziger bloot staat. En daarbij kwam nog dat ik er op
het oogenblik geenszins aanlokkend uitzag.
Ik had in mijn uiterlijk alles van een armen afstammeling van
Mohammed, bij wien niet veel was te halen, en al had ik ook mijn
geweren achtergelaten, mijn revolvers had ik bij mij en deze waren
ruim voldoende om mij ook nog meer dan twee aanranders van het lijf te
houden. Dezen konden alleen mijn mes zien en moesten dus wel aannemen,
dat ik verder ongewapend was. Dat zou hen in ieder geval hebben
verleid tot een zorgeloosheid die gevaarlijk voor hen kon worden.
Op mijn weg ontmoette ik niemand, en eerst na verloop van een uur
kwam ik een Bulgaar tegen, die bleef staan en boog, om mij eerbiedig
te laten voorbij gaan. Ook de rijkste moslem eert den armsten en
meest armoedigen Scheriff. Hij vereert in hem den afstammeling van
den Profeet, wien het gedurende zijn leven vergund was een blik in
Allah's hemel te slaan.
Ik hield mijn paard in, beantwoordde zijn eerbiedigen groet en zeide:
--Allah zegene uw reis, broeder! Van waar komt gij?
--Ik kom van Radowitsch!
--En waar gaat gij heen?
--Naar Ostromdscha, waar ik gelukkig zal aankomen, wanneer uw zegen
op mij rust.
--Die begeleide u op uw wegen! Zijt gij geen andere reizigers tegen
gekomen?
--Neen, de weg was zoo eenzaam en verlaten, dat ik rustig heb kunnen
nadenken over Allah's zegeningen.
--Hebt gij dus niemand gezien?
--Op den straatweg slechts één mensch, namelijk den bode Toma uit
Ostromdscha.
--Kent gij dien man?
--Iedereen in Radowitsch kent hem, daar hij boodschappen doet tusschen
deze beide plaatsen.
--Hebt gij hem gesproken!
--Ik wisselde enkele woorden met hem. Hij was in het kleine gehucht,
dat gij spoedig zien zult, dáár waar uw weg over de rivier leidt.
--Hebt gij daar ook vertoefd?
--Daar had ik geen tijd voor.
--Weet gij misschien ook waar de bode verblijft, wanneer hij naar
Radowitsch gaat?
--Wenscht gij hem te treffen?
--Misschien.
--Hij vertoeft, zooals gij wel denken kunt, nooit in een herberg,
maar bij vrienden en verwanten. Al zeide ik u hun namen ook, toch
zoudt gij hen zonder hulp niet kunnen vinden, daar ik u de straten
niet zoo nauwkeurig beschrijven kan. Daarom zou ik u aanraden in
Radowitsch nog maar eens na te vragen.
--Ik dank u. Allah zij met u!
--En u opene hij zijn hemel!
Hij ging verder, en ook ik vervolgde mijn weg even kalm als te voren.
Nu kon ik mij voorstellen hoe de zaken stonden. In Radowitsch hielden
de beide Aladschy's zich niet op, daar dit gevaarlijk voor hen zou zijn
geweest. Zij hadden dus den bode in het gehucht opgewacht, en wat zij
verder zouden doen, hing af van hetgeen hij hun zou mededeelen. Zij
schenen in elk geval geen lust te hebben in een openlijken aanval,
en dat zij mij onverhoeds met kogels zouden begroeten, was niet wel
aan te nemen daar zij ons voor kogelvrij hielden.
Het was nog geen middag, en ik vermoedde dus dat ik hen nog wel in
het gehuchtje zou aantreffen. De bode had hun zeker medegedeeld,
dat wij eerst tegen dien tijd zouden opbreken. En dus hadden zij
nog tijd genoeg om een schuilhoek op te zoeken. Ik verheugde er mij
natuurlijk op, hen snip te doen vangen en voorbij te komen, zonder
door hen te worden lastig gevallen.
Ongeveer na verloop van een half uur bereikte ik het gehucht dat
slechts uit enkele huizen bestond. De weg maakte hier een rechten hoek
naar de brug toe, en ik kreeg daardoor vrij uitzicht op den achterkant
van een huis dat in de onmiddellijke nabijheid van de brug stond. Daar
weidden twee koeien, eenige schapen en ook drie paarden waarvan twee
gezadeld waren en---wit en donkerbruin gevlekt.
Ik zag dadelijk dat de dieren halfbloed waren en waarschijnlijk
afkomstig uit een Mescherdi-stoeterij.
Zouden dat de twee paarden der Aladschy's zijn; en zouden die twee
zich ophouden in het huis, dat ik wel voorbij moest.
Het was voor mij van veel belang met hen te spreken, maar dat moest
zooveel mogelijk gebeuren zonder dat het opviel en daardoor hun
argwaan werd opgewekt.
Toen ik de kromming voorbij was, kon ik ook den voorkant van het huis
zien. Daar was een afdak dat op vier houten palen rustte en waaronder
ruw houten tafels en banken stonden. Die waren leeg op één na, waarop
twee mannen zaten. Zij zagen mij aankomen. Zij schenen zorgvuldig en
oplettend naar alle kanten te hebben rondgekeken, want menschen van
hun slag moeten steeds op hun hoede zijn.
Ik zag met welke wantrouwende en scherpe blikken zij mij gadesloegen
en deed alsof ik voorbij wilde rijden. Toen stonden zij op en bleven
een paar pas voor mij staan.
--Dür--halt!--begon de een, terwijl hij gebiedend de hand ophief. Wilt
gij niet een glaasje Raki met ons drinken?
Ik was overtuigd dat ik de gezochten voor mij had. Zij moesten bepaald
broers zijn en leken op elkaar als twee druppels water. Beiden waren
flink en breed gebouwd, en langer en sterker dan ik. Hun dichte
lange baarden en door weer en wind gebruinde gezichten gaven aan
hun uiterlijk iets zeer krijgshaftigs. Hun geweren stonden tegen
de tafel. In hun gordels glinsterden messen en pistolen en aan den
linkerkant had ieder hunner, bij wijze van sabel, een hakbijl hangen.
Ik zette mijn bril recht op den neus en keek hen aan als een
schoolmeester een ondeugenden brutalen jongen, en vroeg:
--Wie zijt gij eigenlijk, dat gij het durft wagen een nakomeling van
den Profeet in zijn vrome overpeinzingen te storen?
--Wij zijn even als gij vrome zonen van den Profeet en wilden u eer
bewijzen door u een verfrissching aan te bieden.
--Raki! Noemt gij dat een verfrissching? Kent gij dan het woord van
den Koran niet, dat het gebruik van Raki verbiedt.
--Daar weet ik niets van!
--Ga dan naar een uitlegger der heilige boeken en laat hij u
onderwijzen.
--Daar hebben wij geen tijd voor. Maar wilt gij het niet liever
zelf doen?
--Wanneer gij het verlangt, ben ik er gaarne toe bereid, want de
Profeet zegt: wie een ziel verlost uit de hel, komt bij zijn dood
dadelijk in den derden Hemel, maar wie twee zielen redt, krijgt
dadelijk een plaats in den vijfden.
--Verdien dan uw plaats in den vijfden. Wij zijn bereid u er in
te helpen. Stijg dus af, o heilige man, en maak ons even vroom als
gij zijt!
Hij hield mij den stijgbeugel vast, en de ander pakte mij bij den arm
en trok mij naar beneden om verdere weigering te voorkomen. Toen ik
uit den zadel was, hinkte ik plechtstatig naar de tafel waaraan zij
hadden gezeten en ook nu weder plaats namen.
--Uw eene been sleept achter u aan!--merkte de een op.--Hebt gij
u bezeerd?
--Neen! Het is mijn kismet!--antwoordde ik kortaf.
--Dus gij zijt lam geboren. Dan heeft Allah het goed met u voor gehad,
want wie hij liefheeft bezoekt hij. Wilt gij ons onwaardige zondaars
ook uw heiligen naam zeggen?
--Wanneer gij de tabellen der Nakyb-el-Eschraf, die in iedere stad
worden bijgehouden, naslaat, zult gij hem daarin vinden.
--Dat willen wij gaarne gelooven, maar daar wij die tabellen hier niet
hebben, zult gij zeker wel zoo goed willen zijn ons uw naam te zeggen.
--Jawel. Ik ben Scheriff Hadschi Schehab Eddin Abd el Khadar Ben
Hadschi Gazali al Farabi Hu Tabit Mereman Abel Achmed Abu Baschar
Chatid esch Schonahar!
De beide spitsboeven hielden zich de handen voor de ooren en barstten
in een luid gelach uit. Zij schenen niet den minsten zin te hebben
zich ook maar eenigermate door mijn waardigheid van Scheriff te laten
imponeeren. Indien zij Grieksch-katholieke Skipetaren geweest waren,
had mij dit in het minst niet verwonderd maar daar ik uit hun kleeding
moest opmaken dat zij Mohammedanen waren, was het vrij wel aan te
nemen, dat zij zich om de leer en de voorschriften van den Profeet
al heel weinig bekommerden.
--Waar komt gij dan wel van daan met uw ellenlangen naam, dien niemand
kan onthouden?--vroeg de een verder.
Ik keek hem over mijn bril heen, lang en ernstig, zelfs eenigszins
verwijtend aan en antwoordde:
--Dien niemand onthouden kan?!--Heb ik u dan zooeven mijn naam niet
genoemd?
--Zeker!
--Dus moet ik hem toch weten en kunnen onthouden.
Beiden begonnen weer te lachen.
--Ja gij! Het zou toch ook al te gek zijn, als gij uw eigen naam niet
meer wist. Maar gij zult ook wel de eenige zijn, die hem kan onthouden.
--Hij kan nooit worden vergeten, daar hij is ingeschreven in het boek
des levens!
--Ah zoo! Gij zijt Scheriff en geen uwer komt ooit in de hel
terecht. Maar daar wildet gij ons ook voor behoeden, en ons uitleggen
dat de Raki verboden is.
--Dat is ook zoo, en zelfs streng verboden!
--En dat staat in den Koran?
--Wis en zeker!
--Bestond er dan reeds Raki, toen de Profeet zijn voorschriften gaf
en openbaringen deed?
--Neen, daarvan staat in geen enkele natuur- of wereldgeschiedenis
iets te lezen!
--En dus kan die ook niet verboden zijn!
--O zeker wel! Het bewuste woord luidt: Kullu muskürüm haram!--alles
wat dronken maakt is verboden, is vervloekt! En dus is ook de Raki
vervloekt.
--Maar die maakt ons niet dronken!
--Nu, dan is die u ook niet verboden!
--En ook wijn is voor ons niet gevaarlijk!
--Geniet dien dan met verstand en met mate!
--Dat is goed! Zoo mag ik het hooren. Gij lijkt mij geen kwaad
uitlegger, wordt gij dan dronken van Raki?
--Wanneer ik hier slechts weinig van drink, niet!
--En wat noemt gij weinig?
--Een vingerhoed vol, verdund met zulk een flesch water,--antwoordde ik
naar de groote dikke borrelflesch wijzende die vóór hen op tafel stond.
--Ja, dan kunt gij in ieder geval niet beschonken worden. Ik zal
water halen, dan kunt gij tenminste met ons meêdrinken, zonder u aan
de voorschriften van den Koran te bezondigen. Allah zegene uw leven!
Hij zette nu de flesch aan den mond en nam er een lange teug uit,
waarna hij haar aan zijn broeder toereikte, die zich op dezelfde
wijze bediende. Ik raakte het glas even met mijn lippen aan.
Terwijl de een zwijgend bleef toekijken, nam de ander telkens het
woord en vroeg al heel spoedig:
--Dus, waar komt gij vandaan?
--Eigenlijk van Avret Hissar.
--En waar wilt gij heen?
--Naar Skopia, om de geloovigen dáár te onderrichten in de wetten en
regels van den Koran.
--In Skopia? Daar zult ge niet veel vreugde van beleven!
--Waarom?--vroeg ik in onnoozele verbazing.
--Weet gij dan niet, dat men dáár met alle vroomheid den draak steekt.
--Ik heb dat vernomen en juist daarom wil ik er heen gaan.
--Dan kunt gij uw longen stuk praten en u de tering op den hals halen,
maar iemand bekeeren, dat niet!
--Wat geschieden moet, zal geschieden. Het is in het boek des levens
opgeteekend.
--Gij schijnt dit boek zeer nauwkeurig te kennen.
--Allah alleen kent het en leest het. Ik hoop, dat ik daarin ook
eenige bewoners van Skopia vind opgeteekend.
--Dat betwijfel ik zeer. Er moeten daar vele Skipetaren wonen en die
deugen niet.
--Dat heb ik helaas ook gehoord!
--Dat de Skipetaren niet deugen?
--Ja!
--Hoe zoo?
--De duivel is vaardig over hen. Ik ken hen niet, maar zij moeten
dieven, roovers en moordenaars zijn. De hel moet zelfs nog te goed
voor hen wezen.
--Hebt gij dan nog nooit een der Skipetaren gezien?
--Ik heb nog nooit het ongeluk gehad een dergelijk zondaar te
ontmoeten,--antwoordde ik met een zucht en zette daarbij het
onnoozelste gezicht der wereld. Zij stootten elkander onder de tafel
met den voet aan, en schenen zich bijzonder met mijn dwaasheid te
vermaken.
--Maar zijt gij dan niet bang voor hen?--vroeg hij verder.
--Waarom zou ik bang voor hen zijn? Zouden zij mij iets anders kunnen
doen, dat wat over mij beslist geworden is.
--Hm! Gij reist naar het land der Skipetaren; indien gij nu onderweg
eens door een dier roovers werd overvallen?
--Dat zou jammer zijn van zijn moeite, want dit is mijn heele vermogen!
Ik wierp zes piasters op de tafel, en had daarmede ook waarheid
gesproken, daar ik al mijn geld aan den kleinen Halef te bewaren
had gegeven.
--Dan valt er voor hen bij u niet veel te halen. Maar gij moet toch
reisgeld hebben?
--Geld? Waarvoor?
--Wel om te kunnen leven.
--Daarvoor heb ik niets noodig! Heeft de Profeet niet geboden gastvrij
te zijn?
--Dus gij bedelt!
--Bedelen, wilt gij een Scheriff beleedigen? Eten, drinken en een
nachtverblijf krijg ik overal.
--Waar hebt gij dan den laatsten nacht geslapen?
--In Ostromdscha!
--O daar! Daar stellen wij zeer veel belang in.
Beiden wisselden een blik van verstandhouding en meenden dat ik dien
niet bemerkte.
--Waarom? Hoort gij daar soms thuis?
--Dat niet, maar wij hoorden dat daar den vorigen nacht zulk een
hevige brand heeft gewoed.
--Hevig? Volstrekt niet.
--De halve stad moet afgebrand zijn.
--Die u dat verteld heeft, is een groote leugenaar. Er is brand
geweest, dat is waar, maar volstrekt niet hevig en niet in de stad.
--Waar dan?
--Boven op den berg.
--Maar daar staat toch geen huis?
--Neen, wel een hut.
--Misschien die van den ouden Mubarek?
--Juist.
--Kent men den brandstichter?
--Dat is de Mubarek zelf geweest.
--Dat geloof ik niet; zulk een vroom man kan geen brandstichter wezen.
--Maar hij was ook volstrekt zoo vroom niet als hij zich voordeed!
--Dus was het toch waar, wat wij gehoord hebben!
--Wat hebt gij dan gehoord?
--Dat hij een groote deugniet, niet veel beter dan een misdadiger was.
--Dan heeft men u, wat dát betreft, de waarheid gezegd.
--Weet gij dat zeker?
--Ja want ik was er bij toen hij gevangen werd genomen. Ik was ook
bij den brand en overal.