--Hoe komt gij aan dat alkali?--vroeg ik.

--Ik kocht eens eenige fleschjes van een reiziger, die bij mij

kwam. Hij kwam uit Praga, de hoofdstad van Fransa.

--Gij vergist u. Praag is de hoofdstad van Bohemen. De hoofdstad van

Fransa heet Parijs.

--Effendi, hoe weet gij dat alles?

Zijn vrouw viel hem nu heftig in de rede:

--Sus,--zwijg! Dat wist ik al lang, maar gij zijt een domkop, in

plaats van dokter en apotheker. Heer, wat verlangt gij nog meer?

--Hebt gij kwikzilver?

--Ja, dat hebben wij noodig voor het vullen van de barometers en

thermometers die wij maken!

--Hé, maakt gij die zelf?

--Ja, vertrouwt gij ons dat niet toe?

--O zeker; die in de medicijnen heeft gestudeerd kan alles!

--Niet waar? Gij zijt een verstandig en hoogst beschaafd man. Wij

hebben juist nieuwen voorraad uit Saloniki ontvangen. Maar wanneer

wij soms geen kwikzilver hebben, doen wij geitenmelk in de buizen; die

ziet ook wit en geeft het weder nog nauwkeuriger aan dan kwikzilver!

--Is u dat ernst?

--Zeker, dat wist gij toch zeker ook wel?

--Neen, mijn waarde!

--Daar hebt gij nu het bewijs, dat wij hier veel verstandiger zijn dan

in de westersche landen. De geiten weten zeer nauwkeurig welk weder

het worden zal. Wanneer het zal regenen, maken zij dat zij naar den

stal komen. Dus moet de melk wel een goed vulsel voor de buizen zijn!

--Gij zijt een verstandige vrouw, dat heb ik wel dadelijk opgemerkt.

--En hoeveel kwikzilver verlangt gij, Effendi?

--Ongeveer 500 gram. Hebt gij zooveel?

--O, nog wel meer!

--Wacht dan nog even. Ik moet eerst weten of gij nog een andere stof

hebt, die ik daarbij noodig heb.

--Wat meent gij?

--Kül kurschuni! (bismuth). Dat is een zeer zeldzaam artikel. Zoudt

gij dat hebben?

--Kül kurschuni hebben wij niet, wel Kül kalaji (ook bismuth) dat

wij gebruiken om er mooie witte zalf uit te bereiden.

--Dat kan ook. Wanneer gij mij daarvan één vikiey kunt geven moet ik

twee vikiey kwikzilver hebben.

--Zal ik dat ook maar in het zakje doen?

--Neen, zeker niet, want het kwikzilver zou dadelijk wegloopen!

--Daar hebt gij gelijk in, evenals de liefde van de mannen dadelijk

verdwijnt, wanneer.... wanneer....

--Men die in zulk een zakje doet?

--Ja, maar het zakje is het hart, dat niet in staat is, de liefde

te bewaren. O die liefde, die liefde! Die heeft al menige vrouw

ongelukkig gemaakt.

Zij wierp daarbij een woedenden blik op haar echtvriend, rukte hem

de muts van het hoofd en zette die zelf op, zeggende:

--Mensch, hoe kunt gij u met een Zinet müenneslükün (sieraad der

vrouwen) tooien! Wilt gij de ziel uwer vrouw ontheiligen?

Hij greep met beide handen naar zijn kalen bol, en riep:

--Vrouw! gij vergrijpt u aan de waardigheid des mans! Weet gij niet,

dat het ons verboden is met ongedekten hoofde te gaan?

Maar de slimme echtgenoote wist raad.

--Bunda, jokary kaldyr hasz kutuju.--Daar, zet dan dien meelzak op! En

tegelijkertijd greep zij naar een zak, waarin nog een restantje

meel was, en keerde dien, zonder op het meel te letten, op het

hoofd van haar echtvriend om. Zijn geheele gezicht was gepoederd

maar hij waagde het toch niet een woord tegen te spreken, en hield

de cotillonmuts bedaard op. Als een streng muzelman, die zijn hoofd

niet mag ontblooten, was hij al heel blij, weer een hoofddeksel te

hebben. Welken indruk dat tooisel op mij maakte, scheen hem totaal

onverschillig te zijn. Hij knielde op den grond en scharrelde in alle

potjes en pannetjes.

--Wat zoekt gij toch?--vroeg zijn schoone wederhelft.

--Een flesch om het kwikzilver voor den Effendi in te doen. Hier is

er een!

Hij stond op en reikte zijne vrouw de flesch toe. Die was zóó groot,

dat die zijn geheelen voorraad kwikzilver wel had kunnen bevatten,

en misschien nog veel meer.

De vrouw hield haar tegen het licht en bekeek den inhoud.

--Daar is nog oude vernis in.

--Nu, wat hindert dat!

--Zeer veel! Neem water en spoel de flesch uit.

Hij ging zeer gehoorzaam en gedwee met de flesch heen.

Na een poosje, waarin ik met de geleerde vrouw een gesprek had gevoerd,

kwam hij terug, zijn gezicht rood en warm van inspanning en zeide op

wanhopigen toon:

--Ik kan de flesch niet schoon krijgen! Probeer het zelf!

--Gij zijt een uilskuiken!--hernam zij. Gij mannen zijt verbazend

onhandig.

Zij ging met de flesch heen en ik liet haar begaan zonder een woord

te spreken.

Hij vertelde mij in dien tijd staaltjes van zijn echtelijk geluk

totdat zij eindelijk terug kwam, nog rooder dan haar echtvriend eenige

oogenblikken van te voren!

--Effendi!--klaagde zij. De flesch is betooverd! Het vernis wil er

niet uit.

--Dat wist ik!

--Hoe zoo? Inderdaad?

--Ja dat gaat niet met water, maar moet met terpentijn

geschieden. Vernis neemt geen water aan.

--Dat hadt gij ons toch wel kunnen zeggen!

--Neen, zeker niet, dan zou ik u hebben beleedigd.

--Waarom?

--Een apotheker moet dat weten. En buitendien weet iedereen dat ook,

al heeft men nu niet juist chemie gestudeerd. Wanneer ik u dus daarop

opmerkzaam had gemaakt, zou dat zeer onbeleefd zijn geweest en den

schijn hebben gehad dat ik niet geloofde dat gij in de medicijnen

hadt gestudeerd.

--Gij hebt gelijk. Gij zijt een beleefd en wel opgevoed mensch. Daarom

krijgt gij nu het vernis voor niets. Ik zal er het kwikzilver op

gieten. Waar is de schaal, man?

--Buiten. Ik heb er gisteren het konijntje op gewogen, dat wij vandaag

zouden eten.

O wee! Een apothekers weegschaal, waarop het gewicht van een geslacht

konijn kon worden bepaald. Toen het ding te voorschijn kwam, zag

ik dat hij die zelf in elkaar had gemaakt en uit hout gesneden. De

tong was een stuk ijzerdraad, dat zich tusschen de twee tanden van

een vork bewoog. De schalen bestonden uit een houten doos en het

deksel daarvan. Toch was het wonderlijke instrument nog vrij goed in

evenwicht gebracht.

Met deze weegschaal werd het verlangde nu voor mij afgewogen, en ik

was zeer tevreden met den prijs, die de apothekeres er voor bedong,

te meer daar de kwaliteit van het bismuth niets te wenschen overliet.

Nadat ik ook nog lood had gekocht, verliet ik den vreemdsoortigen

winkel, en kreeg de beste wenschen mede voor mijn spoedig herstel en

verder welzijn.

ZESDE HOOFDSTUK.

KOGELVRIJ!

Van de Apotheek ging ik naar de goede Nebatja, die ook reeds op was en

mij met de grootste vreugde ontving. Zij liet mij haar distelkoning

zien, dien ik nu bij daglicht nader bekeek, en wilde mij dien ten

geschenke geven, maar ik nam hem niet aan. Natuurlijk bedankte

ik haar voor haar waarschuwing en vertelde haar hoe gewichtig die

voor mij was. Toen ik haar zeide dat zij daardoor mijn leven redde,

was zij buiten zichzelve van vreugde. De brave vrouw boezemde mij de

levendigste belangstelling in. Reeds gisteren had ik er over gedacht,

hoe gemakkelijk ik haar toekomst minder duister maken kon, en nu

voerde ik maar dadelijk dat voornemen uit.

Ik bezat het geld dat bij hun gevangenneming op Manach el Barscha en

Barud el Amasat was gevonden. Eigenlijk moest ik dat weer afgeven! Maar

aan wien? Aan de eerlijke overheidspersonen van Ostromdscha? Pah! Aan

de hoogere regeering? Dat kon ik persoonlijk niet doen, daar mij

daartoe de tijd ontbrak. En een bode zenden? De man zou wel in zijn

vuistje hebben gelachen! Buitendien waren de drie mannen, wien wij

het hadden afgenomen gevlucht. En hun het geld terug te geven, zou

krankzinnig zijn geweest. Ik kon daarom niets beters doen, dan het

gebruiken voor arme behoeftige menschen. En daartoe behoorde Nebatja

in de eerste plaats.

Maar ik moest haar niet vertellen hoe ik er aan kwam, want dan zou zij

maar bang zijn geweest. De geheele som wilde ik haar ook niet geven,

want ik kon er zeker van zijn, dat ik nog wel meer armen en behoeftigen

zou ontmoeten en ik wist dat het deel dat ik voor haar had bestemd,

voldoende wezen zou om haar voor kommer en nood te bewaren.

Zij was stom van vroolijke verbazing, toen ik haar onder vier oogen

het geld ter hand stelde. Zij kon maar niet gelooven, dat die som,

die in haar oogen een schat was, nu werkelijk haar toebehoorde. De

tranen rolden haar over de wangen.

Het meest verheugde het haar nog, dat zij nu een werkelijken dokter bij

haar jongen nemen kon. Met geweld moest ik mij aan haar dankbetuigingen

onttrekken.

Halef had inmiddels met ongeduld op mij gewacht. Hij stond bij de

poort en riep mij reeds van verre toe:

--Eindelijk, eindelijk, Sihdi! Wij hebben het zoo druk en nu blijft

gij zoo lang weg. Hoe staat het met het kunststuk?

--Zeer goed! Is de waard reeds op?

--Allen zijn reeds bij de hand!

--Dan ga ik naar den haard, want ik moet koken en smelten.

--Ik moet er bij zijn, en gij moet mij alles uitleggen, zoodat ik

het kan nadoen!

--Neen, van nadoen komt niets in. Er behoort eenige kennis toe,

die gij niet bezit, en zelfs hij, met wien dit wel het geval is,

kan door een kleine onoplettendheid een fout maken, die hem of een

ander het leven kan kosten. Daarom zal ik nooit aan iemand alle

vier de bestanddeelen noemen of hem zeggen hoe zij moeten worden

vermengd. Osko moet mij zijn kogelvorm even brengen, want die is van

het kaliber der hier in gebruik zijnde geweren.

Onze voorbereidingen namen ons langer dan een half uur in beslag. De

sadarbladeren werden in verdund Eau de Javelle gekookt, en het

aftreksel door een linnen lapje gegoten. Uit den voorraad metaal konden

acht kogels worden gemaakt, die er volkomen als looden kogels uitzagen.

Buitendien werden nog eenige echte kogels gegoten, die wij met de punt

van een mes teekenden. Toen ging ik met Osko's geweer achter het huis,

waarbij niemand mij mocht vergezellen. Ik laadde het geweer met een

kwikzilverkogel, hield den mond op een afstand van anderhalven voet

voor een plank en haalde over. Het schot kraakte als gewoonlijk,

maar de plank was volkomen ongeschonden. Ook op den grond was geen

spoor van den uiteengespatten kogel te zien.

Deze proef was noodzakelijk geweest, want nu wist ik zeker dat er

geen ongelukken konden gebeuren. Verraad had ik niet te vreezen daar

alleen Halef, Osko en Omar waren ingewijd, en van de stilzwijgendheid

van deze drie was ik voldoende overtuigd.

Alles was juist op tijd geschied, want toen ik terugkeerde, kwamen

de Kasa Mufti met den Naïb en den Ajak-naïb aan. Er waren ook nog

anderen bij. Toen de eerste mij bemerkte, kwam hij naar mij toe,

trok mij op zij en zeide:

--Effendi, gij begrijpt wel waarom ik ben gekomen?

--Gij wilt mij zeker mededeelen, hoe het met den Kodscha Bascha

gesteld is.

--O neen, neen! Ik wilde u vragen, of gij van uw kleinen Hadschi

reeds verlof gekregen hebt om hem, door den een of ander, een kogel

door den kop te laten schieten.

--Zijt gij daar zóó bijzonder op gesteld?

--Ja, want dat is zeer wonderlijk. Heeft hij vandaag zijn Koranbladen

reeds opgegeten?

--Vraag het hem zelf!

--Dat doe ik liever niet, want hij moest het mij eens kwalijk nemen. En

gij weet----zijn mes----! Hij kan ook al zoo goed met de zweep omgaan!

--Ja, hij is een dappere kleine kerel!

--Dus, vertel eens! Hebt gij het hem gevraagd?

--Ja, nog vóór wij gingen slapen!

--En wat heeft hij u geantwoord!

--Nu, hij scheen er wel ooren naar te hebben!

--Dat zou prachtig zijn! En wanneer kan de geschiedenis nu beginnen?

--Geduld! Dat gaat maar niet zoo gauw, als gij wel zoudt wenschen. Mijn

beschermer heeft zijn eigenaardigheden. Overigens heb ik u gisteren

nog niet alles gezegd.--Wij allen namelijk, mijn drie reisgezellen

en ik, hebben allen dezelfde eigenschappen. Niemand onzer heeft voor

een kogel te vreezen!

--Wat?--Gij ook al?

--Zooals ik u zeg!

--Gij eet dus ook koranbladen?

--Gij moet niet te veel vragen, want dergelijke geheimen verraadt

men natuurlijk zeer ongaarne!

--Wij kunnen dus naar hartelust op u schieten.

--Ja, wanneer gij tenminste zelf uw leven moede zijt.

--Hoezoo? Ik begrijp daar niets van.

--Wel, gij moet oppassen; want men schiet maar niet op een onzer,

zonder vooraf vergunning te hebben gevraagd.

--Waarom niet, Effendi?

--Wanneer wij er verlof toe geven, kan het zonder eenig gevaar

geschieden. Wie het echter tersluiks doet, wordt zelf door den kogel

getroffen en wel juist dáár, waar hij bij ons op heeft gemikt.

--Wanneer ik dus mik op het hoofd van den Hadschi of op het uwe,

zou het mijne getroffen worden?

--Zeer zeker! Wilt gij het soms eens probeeren?

--Neen, Effendi, dank u. Maar waarom hebt gij dat zóó en niet anders

ingericht?

--Dat kan uw eigen verstand u wel zeggen. Natuurlijk met het oog

op mogelijke vijanden, en om die te straffen is het natuurlijk niet

voldoende dat de kogels geen doel treffen, maar moeten zij zelf met

evenveel juistheid worden getroffen als zij op ons hebben gemikt. Dat

is de oude wet van gerechte en juiste wedervergelding!

--Ewwet, göz itchün göz, asch itschün asch. Ja, oog om oog en tand om

tand! Ik zou liever niet uw vijand zijn. Wanneer vertrekt gij weder

van hier?

--Gij verheugt u zeker zeer op ons vertrek?

--Neen, ik zou liever willen dat gij maar altijd hier bleeft. Gij

hebt hier groote veranderingen teweeg gebracht.

--Maar dan toch ten goede!

--Ja, en daarom zijn wij u dankbaar, ofschoon men de zaken toch liever

moet laten zooals Allah die heeft geregeld.

--Zou het dan de wil van Allah zijn geweest, dat de Mubarek u bedroog

en de Kodscha Bascha de gevangenen bevrijdde?

--Neen, dat nu wel niet!

--Hoe gaat het met den Kodscha Bascha.

--Hij is opgesloten!

--Gij zult natuurlijk niets ondernemen, waardoor hij aan zijn gerechte

straf ontkomen kan?

--Wat denkt gij wel van mij! Ik ben een rechtvaardig dienaar van den

Padischa en doe stevig mijn plicht. Maar daarvoor kunt gij mij nu

wel een genoegen doen, en mijn voorspraak bij den Hadschi zijn.

--Goed, ik zal er hem nog eens over spreken!

--En mag ik er dan nog wat menschen bij halen?

--Daar heb ik niets tegen.

--Goed, ik kom spoedig terug. Ik moet dat aan den goeden Toma

vertellen, die het gaarne zou bijwonen.

--Wie is die Toma?

--Hij is iemand die boodschappen doet, zooveel als bode tusschen hier

en Radowitsch.

--Een brave man?

--Zeer braaf. Toen gij gisteren weg waart, prees hij u zeer. Ik

vertelde hem, dat uw Hadschi koranbladen eet en daardoor kogelvrij

is. Hij wilde dat ook gaarne zien en verheugt zich in het welzijn

van u en uw vriend. Mag ik hem halen?

--Zeker, breng hem maar mede!

En haastig ging hij heen.

Deze menschen waren toch zoo gemakkelijk te doorzien! Ik vermoedde

dat aan dezen Toma door de beide Aladschy's was opgedragen ons gade

te slaan en hun zijn ervaringen mede te deelen.--Weldra bemerkten wij

de gevolgen van de verhalen van den Kasa Mufti. Er kwamen verscheiden

menschen, en ik onttrok mij aan hun nieuwsgierige blikken, door binnen

te gaan in de kamer waar de "rechter" mij kwam opzoeken.

Hij was vergezeld van een man met kromme beenen, dien hij aan mij

voorstelde met de woorden:

--Effendi, dat is nu de bode over wien ik u heb gesproken.

Ik keek den man doordringend aan en zeide:

--Gij gaat dus heen en weer tusschen hier en Radowitsch?

--Ja, Heer, maar ik loop niet, ik rijd.

--En wanneer gaat gij nu de eerstvolgende maal.

--Overmorgen!

--Eerder niet?

Hij antwoordde ontkennend, waarop ik hernam:--Dat is gelukkig voor u!

--Waarom?

--Omdat die weg vandaag gevaarlijk voor u zijn kon.

--En op welken grond, Effendi?

--Dat doet minder ter zake. Maar indien gij vandaag vertrokken waart,

had ik u willen waarschuwen!

--En gij vertrekt zelf toch?

Zoo eerlijk en oprecht als hij mij tot nu toe had aangekeken, zoo

doordringend en onderzoekend was thans zijn blik op mij gericht.

--Zeer zeker!--antwoordde ik onbevangen.

--En wanneer, Effendi?

--Tegen den middag.

--Dat is geen goede tijd, men moet zoo ongeveer opbreken tegen den

tijd van het middaggebed, twee uur voor zonsondergang.

--Dat doet men in de woestijn. Maar hier rijdt men niet graag bij

nacht door onbekende bosschen, en vooral niet als de Aladschy's in

de nabijheid zijn!

--Die?--vroeg hij met goed geveinsde verbazing.

--Kent gij hen?--hernam ik.

Hij ontkende kortweg.

--Maar gij hebt toch wel eens van hen gehoord?--vroeg ik verder.

--Slechts weinig. De Kasa Mufti vertelde mij, dat zij u wilden

overvallen.

--Dat heb ik vernomen.

--Van wien?

--Van een goed vriend. Maar als zij verstandig zijn, laten zij mij

met rust, want ik laat niet met mij dollen!

--Dat heb ik gehoord!--hernam hij, veelbeteekenend glimlachende. U

en de uwen kan geen kogel treffen.

--Dat is nog niet alles.

--Ja, en de kogels kaatsten terug op dengene die ze heeft afgeschoten.

Daarbij keek hij mij aan met een blik alsof hij wilde zeggen: Ik ben

ook niet van vandaag of gisteren, evenmin als gij, dus mij zult gij

niet voor den gek houden. Hij was in elk geval slimmer dan de rechter

van dezen Kasa. Deze laatste scheen den glimlach te hebben gezien en

de bedoeling begrepen, althans hij zeide:

--En dat wilt gij niet gelooven, Toma?

--Ja, wanneer de Effendi het zelf zegt, dan moet men toch wel aannemen

dat het waar is.

--Dat zou ik u raden. Indien gij het tegendeel deedt, zou dat een

beleediging wezen, en gij hebt steeds bekend gestaan als een beleefd

man.

--Ja, daarvan is Allah getuige. Maar ik denk, dat deze Effendi wel

zoo vriendelijk zal zijn om ons te overtuigen dat hij kogelvrij is.

Halef had hem en mij gadegeslagen. Het was zijn gewoonte om, wanneer

wij vreemde menschen ontmoetten, op mijn gezicht te lezen wat ik over

hen dacht. In ieder geval scheen hij aan mij te merken dat ik dezen

bode geenszins vriendschappelijk gezind was, want hij legde de hand

op het handvat van zijn zweep en zeide:

--Man, wilt gij onzen Effendi soms beleefdheid leeren? Wanneer gij

den moed hebt dat te doen, dan ben ik bereid om u alle lessen van

de beleefdheidsleer met mijn zweep op uw rug te schrijven. Door een

kikvorsch als gij, laten wij ons niet aankwaken.

Hij was opgestaan en trad in dreigende houding naar den man toe. Deze

trok zich snel naar de deur terug en riep:

--O Hadschi, blijf staan! blijf staan! Ik heb er zelfs niet aan gedacht

u iets voor te schrijven. Laat uw zweep maar in den gordel. Ik gevoel

niet den minsten lust daarmede kennis te maken!

--Gedraag u dan zoo, dat wij vrede met u kunnen hebben. Wij zijn de

kinderen van den eenigen Profeet, en zonen van den Padischa, en laten

ons maar niet alles welgevallen van een man die Toma heet. Want zoo

kan alleen een ongeloovige heeten, die van de water-meloenen van den

Moslem alleen de schillen eten mag. Verder zullen wij u bewijzen, dat

wij u geen leugen hebben verteld, maar wij zullen teekenen en wonderen

doen, waarvan gij verbaasd zult staan. Effendi, zullen wij het doen?

--Ja Halef, wanneer gij wilt?

--Ik wil wel. Laten wij dus naar buiten gaan!

Degenen die wij voorbij kwamen, staarden ons met groote oogen aan,

en die het verst af stonden, rekten hun halzen uit om ieder onzer

bewegingen te kunnen volgen.

De kleine Hadschi nam zijn zweep en baande zich, rechts en links

daarmede slaande, een weg naar het kleine pleintje.

--Sihdi, geeft gij mij de kogels?--vroeg hij.

--Neen, ik wil geheel zeker zijn van de zaak, om ongelukken te

voorkomen. Eerst zullen wij een echten looden kogel nemen. Spreek

gij de menschen toe, uw redenaarstalent is grooter dan het mijne.

Hij was door dien lof zeer gestreeld. Hij rekte zich en weldra klonk

het uit zijn mond:

--Gij, mannen en vrouwen van Ostromdscha, zult het onverdiende geluk

hebben vier dappere mannen te zien, op wier lichaam geen kogel vat

heeft. Opent uw oogen en scherpt uw verstand, opdat niets van het

wonder aan uw aandacht ontsnappe en gij er van kunt verhalen aan uw

kindskinderen, achterkleinkinderen en alle nakomelingen in het verste

geslacht, wanneer gij ten minste zoolang in het leven blijft. Maakt

geen leven, maar houdt u rustig en zendt mij nu den man, die bij u

bekend staat als de beste schutter, met een geweer!

Er ontstond een gemompel. Men zocht een man, en eindelijk trad er

een naar voren met het geweer in de hand.

--Is uw geweer geladen?--vroeg ik hem hard op.

--Ja, Effendi!--antwoordde hij.

--Hebt gij nog meer kogels bij u?

--Neen, Heer!

--Dat doet er niet toe. Ik zal u dan de mijne geven. Maar eerst moet

gij ons bewijzen, dat gij een goed schutter zijt. Ziet gij die nieuwe

plank daar in het schuurtje? Daar is een kwast in. Tracht dien eens

te raken!

De man ging een paar pas achteruit, mikte en schoot. Alle aanwezigen

kwamen naderbij en zagen dat hij het doel had gemist, en ongeveer

anderhalven duim er naast getroffen had.

--Dat is niet best gelukt!--zeide ik. Probeer het nog eens.

Ik gaf hem een der pas gegoten looden kogels, dien Osko aangaf. Het

tweede schot gelukte beter. De man had nu beter aangelegd. Ik gaf

hem drie andere kogels, maar nam tevens een looden kogel in de hand

en zeide:

--Probeer nu eens of gij kunt schieten in het gat, dat gij daar even

in de plank geschoten hebt. Maar laat de menschen eerst de kogels

zien ter overtuiging dat uw geweer goed geladen is.

De kogels gingen van hand tot hand, wat eenigen tijd in beslag nam,

daar iedereen ze wilde zien en betasten. Toen hij ze terug gekregen

had, laadde hij zijn geweer.

--Kom nader!--zeide ik, terwijl ik hem dichter naar zijn doelwit

duwde. Nu kunt gij schieten.

Bij deze woorden ging ik bij de plank staan. Hij liet het geweer

weder zakken.

--Heer, zoo kan ik immers de plank niet raken!

--Waarom niet?

--Gij staat mij in den weg.

--Dat hindert niet!

--Gij hebt juist uw borst op de plaats waar ik mikken moet!

--Dan schiet gij daar maar doorheen!

--Maar Effendi, dan zijt gij dood!

--Neen, ik wilde u immers laten zien dat een kogel mij niet kan

treffen.

Hij greep met de hand naar zijn hoofd en krabde zich achter het oor.

--Ja, dat is het juist!--zeide hij. Dan is de zaak gevaarlijk voor mij.

--Hoe zoo?

--Omdat de kogel op u afstuit en mij in de borst dringen zal.

--Wees maar niet bang. Ik zal dien met de hand opvangen en vast houden.

Een gemompel van verbazing ging door de omstanders.

--Is dat werkelijk waar, Effendi? Want ik ben de kostwinner van een

huisgezin. En als ik sterf, kan alleen Allah voor hen zorgen.

--Gij zult niet sterven, dat beloof ik u bij den baard van den Profeet!

--Dan zal ik doen wat gij zegt en het beproeven, Effendi!

--O, schiet gerust!

Ik sloeg Toma den bode oplettend gade. Hij kwam nu dichter bij en had

geen oog van mij af. De schutter legde op mij aan. Hij stond slechts

op tien of elf pas afstand. Maar hij liet het geweer nogmaals zakken

en zeide:

--Ik heb nog nooit op een mensch gemikt. Gij vergeeft het mij toch wel,

wanneer ik u tref?

--Ik zal u niets te vergeven hebben, want gij treft mij niet!

--Maar als het nu toch eens gebeurde?

--Dan hebt gij u niets te verwijten, want ik heb het u immers bevolen.

Ik hief de rechterhand op en liet daarbij den looden kogel in mijn

mouw rollen, toonde toen mijn ledige hand, en zeide:

--Met deze hand zal ik den kogel opvangen. Ik tel dus. Bij drie kunt

gij vuren.

Ik liet mijn arm weer zakken en ving daarbij den kogel weer in het

holle van de hand op. Er was geen oog, dat niet op mij gevestigd was.

--Een--twee--drie!

Het schot kraakte. Ik greep met mijn hand naar voren, in de richting

der geweermonding, alsof ik den kogel wilde opvangen, en nam een

looden kogel tusschen duim en wijsvinger.--Hier hebt gij hem. Bekijk

hem maar goed, Toma, en zie maar of het niet dezelfde is die in den

loop gestoken werd.

Natuurlijk zag hij er volkomen gelijk uit. De bode stond er met open

mond bij en staarde mij aan alsof ik een spook was. De uitwerking, die

het op de andere menschen had, was niet zoo sterk. Men had wel tot op

het laatste oogenblik getwijfeld, maar nu het vermeende wonder dan toch

met eigen oogen gezien. De kogel werd rond gegeven. Toen de schutter

hem terug kreeg, zeide ik, laad nu nog eens en mik op de plank.

Hij deed het en schoot. De kogel sloeg natuurlijk een gat in het hout.

--Ziet ge? En juist zulk een gat zou ik nu in mijn borst hebben als

ik niet kogelvrij was. Nu moogt gij tevens op mijn drie metgezellen

schieten.

Dat de kogel de tweede maal de gewone uitwerking had gehad, terwijl ik

daarvóór niet getroffen was geworden maar hem opgevangen had, bracht

die eenvoudige menschen totaal in de war. Zij kwamen dichterbij om

mijn handen te bekijken, en konden geen woorden genoeg vinden om hun

verbazing lucht te geven dat ik niet het minste letsel bekomen had.

--Allah onun ile! Allah is met hem!--hoorde ik eenigen zeggen.

--Sheitan sahibi! Hij heult met den duivel,--was de meening van

anderen.

--Hoe kan de duivel met hem zijn, daar hij den Koran opeet? Neen,

Allah is groot!

Door het land der Skipetaren · 第 4 / 34 段