minste weer zoo verlicht, dat men de menschen kon onderscheiden.
De rechter trad nu naar voren, en begon zijn toespraak, waarbij hij
de schuld van den Kodscha Bascha duidelijk in het licht stelde, maar
toch eindigde met de woorden:--En nu vraag ik u, Effendi! hoeveel
gij voor het scheuren van den kaftan betalen wilt?
--Allah Akbar!--God is groot! riep Halef, die naast mij stond uit.
Ik was niet minder verbaasd, want ik had, als natuurlijk gevolg van
zijn betoog, verwacht dat de Kodscha Bascha gevangen zou zijn genomen,
en in plaats daarvan werd van mij geëischt dat ik den kaftan zou
vergoeden. Ik antwoordde luid, zoodat iedereen mij kon verstaan:
--Tot mijn groote vreugde hoor ik, o Kasa Mufti, dat uw
rechtvaardigheid even groot is als uw scherpzinnigheid, en daarom
vraag ik u, wie eigenlijk den kaftan heeft gescheurd?
Het duurde geruimen tijd eer hij zich liet overtuigen dat niet ik
doch alleen de Kodscha Bascha zelf daaraan schuld was, daar ik hem
alleen vastgehouden, doch hij zich losgerukt en daardoor den kaftan
gescheurd had.
Eindelijk keek hij nadenkend naar den grond en riep luide uit:
--Luistert, inwoners van Ostromdscha! Gij zult ondervinden, welk een
rechtvaardig man uw rechter is.
--Ik oordeel volgens de wet, die in den Koran is vervat, dat de kaftan
van het stuk losgerukt is geworden. Zijt gij dit met mij eens?
Een veelstemmig "ja" was daarop het antwoord.
--En nu moet gij, Effendi, mij nog één vraag beantwoorden. Gij
hadt den kaftan moeten betalen, omdat wij meenden, dat gij hem had
gescheurd. Zijt gij niet van oordeel, dat degeen die hem scheurde,
hem betalen moet?
--Zeer zeker,--antwoordde ik, verheugd over die plotselinge wending
der zaak, want ik begreep waar hij heen wilde.
--Wie heeft hem nu gescheurd?
--De Kodscha Bascha.
--Dus dan moet die hem betalen; en daar ik hem buitendien er een
ernstig verwijt van maak, dat hij, die zulk een hoog en waardig
ambt bekleedt, zulk een oud, vies, vuil kleedingstuk durft dragen,
veroordeel ik hem tot betaling van een nieuwen in den prijs van
vijfhonderd piasters. Wanneer hij zooveel geld niet daar heeft liggen,
zal ik het hem op zijn eigendommen voorschieten en van zijn traktement
afhouden. Zoo luidt mijn oordeel, dat berust op den heiligen Koran,
die het richtsnoer is van ons denken en handelen. En nu moeten ook de
Kodscha Bascha en zijn beide bedienden gevangen genomen worden. Zij
zullen de wet in al haar strengheid gevoelen!
De Kodscha Bascha had daartegen zeer veel in te brengen, maar ik
had er nu meer dan genoeg van en wilde van de zaak liefst niets meer
hooren. Ik ging dus met Halef heen, gevolgd door de beide broeders,
de herbergiers. Buiten bij de poort stond een vrouw, die zoodra zij
mij gewaar werd, naar mij toekwam. Het was Nebatja.
--Heer,--zeide zij, ik heb op u gewacht, want ik was zeer angstig!
--Waarvoor, vreesdet gij voor mij?
--O neen, ik geloof niet dat u iets slechts kan wedervaren, maar ik
was bang voor de heeren van het gerecht. Hebt gij verteld dat ik u
van alles op de hoogte had gebracht?
--Neen, geen woord!
--Ik dank u. Nu kan ik gerust wezen?
--Zoo gerust mogelijk, en ik zal ook nog op andere wijze aan uw
moeilijkheden een einde maken. Zoodra de dag is aangebroken, kom ik
u bezoeken.
--Effendi, gij zult mij welkom wezen, want uw verschijnen is voor
mij het opgaan der zon geweest. Allah schenke u een rustigen slaap
en aangename droomen.
Toen ging zij heen. Ik dacht aan iets, wat mij daarboven op den berg,
in de gedachte was gekomen. Ik riep haar terug en vroeg:
--Kent gij die plant, die Hadat (boksdistel) wordt genoemd?
--O, zeer goed. Het is een doornige plant met bittere bessen, die er
als pepertjes uitzien.
--Groeit die hier?
--Niet hier in den omtrek, maar in de buurt van Banja.
--Dat is jammer, want ik heb de bladeren van deze plant noodig.
--Die kunt gij wel krijgen.
--Waar dan?
--Bij den Apotheker, voor wien ik boksdistel heb moeten zoeken.
--Tegen welke kwalen wordt die alzoo gebruikt?
--O, tegen velerlei.
--Dank u, ik zal me er wat van halen.
--Zal ik het u brengen, Effendi?
--Neen, dat zal ik zelf doen!
De plant had een eigenaardige uitwerking, waarvan ik gebruik wenschte
te maken. Ik was alleen niet zeker of men daarop staat kon maken.
Wij keerden nu naar huis terug en in de herberg aangekomen begaven
Halef en ik ons dadelijk naar ons kamertje, maar het was ons niet
mogelijk onmiddellijk in te slapen. De dag die achter ons lag was
zóó rijk aan gebeurtenissen geweest, dat wij moeilijk tot rust
konden komen.
Nog geruimen tijd praatte ik met Halef en deelde hem mede wat ik van
den Kasa Mufti omtrent de Aladschy's had vernomen. Ook vertelde ik
hem dat de bijgeloovige man zich had laten wijs maken, dat hij niet
door kogels was te dooden.
--Sihdi!--merkte hij op,--dat kan gevaarlijk voor mij worden.
--O neen!
--Zeker! want verbeeld u, dat die man mij bij wijze van proef een
kogel door den kop jaagt!
--Dat zal hij wel laten, want hij is veel te bang voor uw mes.
--Dat is waar! En bovendien zullen wij hier wel niet zoo heel lang
meer blijven, terwijl ik mij zooveel mogelijk in acht zal nemen. Maar
ik zou het toch wel eens grappig vinden, als wij hem eens voor den
gek konden houden.
--Daar heb ik ook al aan gedacht. Dit zou ons bovendien van groot
voordeel kunnen wezen.
--Gelooft gij dat?
--Ja, onze vijanden zullen ons wel laten gadeslaan en het zou dan
van groot gewicht voor ons wezen als ten minste twee of drie van ons
werden beschouwd als zijnde onkwetsbaar door middel van kogels.
--Is daar iets op te vinden, Effendi?
Die gedachte had mijn goeden Hadschi dermate geëlectriseerd dat hij
opeens recht overeind in zijn bed zat.
--Hm! Misschien!--antwoordde ik.
--Zeg nu maar niet "misschien", want ik ken u. Wanneer gij op dien toon
spreekt, hebt gij reeds lang een vast plan in het hoofd, en reeds een
besluit genomen. Is hier niet een goocheltoer in toepassing te brengen?
--O, verscheidene zelfs!
--Vertel mij die eens.
--Men zou bijvoorbeeld het geweer kunnen laden met speciaal daarvoor
vervaardigde patronen, maar dat deugt niet, want dat zou achterdocht
opwekken.
--Nu verder!
--Men laadt het geweer en laat eerst den kogel kijken. Terwijl men dien
inwikkelt, laat men den kogel in de mouw glijden en stopt alleen het
vetlapje in den loop. Maar de kogel kan al heel licht op zij vallen
en dan komt het bedrog aan het licht.
--Dat gaat dus ook niet. Degeen die op zich laat schieten mag niet
zelf laden. De ongeloovige moet laden. Hij en alle anderen moeten
overtuigd zijn, dat er werkelijk een kogel in den loop wordt gedaan
en die moet daar ook inderdaad in zijn.
--Misschien!
--Men zou een pantser moeten hebben!
--Dan zou de klank dat verraden. En dan moest zulk een pantser eens
niet goed zijn gemaakt!
--O, Allah! dan was het met uw armen goeden Halef gedaan, Sihdi!
--Ja, en natuurlijk dat mag niet.
--En toch weet ik dat gij nog een ander kunstje kent. Ik zie het aan
uw gezicht!
--Ja, dat is ook zoo, maar ik geloof niet dat ik hier zal kunnen
krijgen wat ik er voor noodig heb.
--Wat is dat dan?
--Er bestaan twee metalen die, wanneer zij in de juiste hoeveelheid
worden vermengd, een vasten harden kogel opleveren die er volkomen
als een looden kogel uitziet en ook ongeveer even zwaar is. Bij het
schieten echter spat het mengsel, ongeveer twee voet voor de monding
van het geweer, uiteen en wel in onzichtbare deeltjes.
--En welke metalen zijn dat?
--Kwikzilver en bismuth. Dit laatste kent gij niet? Het is zeer duur
en zal hier wel niet te krijgen zijn.
--En waar moet men dat halen?
--In een apotheek. Zoodra wij morgen wakker zijn, zal ik er eens
heengaan.
--En zijt gij er heel zeker van, dat de kogel uit elkander vliegt? Want
anders was het toch met uw armen Hadschi gedaan!
--Wees maar niet bang, want ik zou toch eerst een proef nemen. Ik
heb het kunststuk in een tooverboek gelezen en het toen dadelijk
geprobeerd. Het gelukt uitstekend!
--Maar zijn dan de stukjes metaal niet te zien?
--Neen. Het metaal vervliegt in zeer kleine, nagenoeg onzichtbare
deeltjes. Het kunststuk zou nog meer effect maken, wanneer gij een
werkelijken looden kogel in de hand hieldt. Bij het afgaan van het
schot zou men dan moeten doen, alsof men den kogel uit de monding wilde
opvangen en inplaats daarvan toont men dan natuurlijk den anderen,
dien men op den grond werpt.
--Dat zullen wij doen, Sihdi!
--Ja, wanneer ik ten minste bismuth kan krijgen; anders is het
natuurlijk onmogelijk.
--Denkt gij dat de Skipetaren het te weten zullen komen, dat kogels
mij niet kunnen treffen?
--Ik geloof dat zij hier bepaald iemand hebben die hen van een en
ander op de hoogte houdt.
--Dan zou het goed zijn, indien zij dachten dat ook gij tegen kogels
bestand waart.
--Dat kon waar zijn!
--Laat dus ook eens op u schieten!
--Dat zal er van afhangen hoeveel munitie wij kunnen krijgen. Overigens
moeten wij tegenover die listige menschen bijzonder op onze hoede
zijn. Ik zal hen morgen, wat mij betreft, op een dwaalspoor brengen.
--Hoe zoo, Sihdi?
--Morgen zal ik een blonden baard en blond haar hebben.
--Hoe zult ge dat aanleggen?
--Er bestaat een plant die, in loog gekookt, aan het donkerste haar
een tijd lang een lichte kleur geeft. De bladeren zijn in de apotheek
hier te krijgen.
--O, dat is dus de plant waarover gij met Nebatja hebt gesproken!
--Juist, en zoo zullen wij hen op een dwaalspoor brengen. Buitendien
zal ik vooruitrijden om den weg te verkennen.
--Maar zij zullen u toch herkennen, want men zal hun wel vertellen
dat gij rijdt op een echten Arabischen hengst met roode neusgaten!
--Maar ik zal hem niet berijden!
--Hoe zoo?
--Omdat ik uw paard neem, en gij den hengst berijden zult.
Nauwelijks had ik die woorden gezegd of Halef was met éen sprong zijn
bed uit en zat op den rand van het mijne, terwijl hij buiten zichzelf
was van vreugde over het feit dat ik eenigen tijd het mooie edele
dier aan zijn zorgen toevertrouwde. Als hij had kunnen vermoeden dat
ik plan had om, bij onze scheiding, hem het paard ten geschenke te
geven, zou hij zeker nog opgewondener zijn geworden.
Na eenige oogenblikken keerde hij weer naar zijn eigen slaapplaats
terug en ging op den rand van zijn bed zitten.
--Maar waarom moet ik zóo lang op den hengst rijden. Zult gij dan
niet bij ons zijn?
--Op die vraag kan ik u nu nog geen antwoord geven, omdat ik zelf nog
niet weet wat er gebeuren zal. Ik zal mijn best doen, mijn uiterlijk
zooveel mogelijk te veranderen en dan....
--O, men zal u toch wel herkennen.
--Dat betwijfel ik, want de Aladschy's hebben mij nog nooit gezien
en kennen mij alleen uit de beschrijving.
--Dan is het mogelijk dat gij er in slaagt hen te misleiden, maar
zouden zij niet zelf naar Ostromdscha komen?
--Dat is niet waarschijnlijk.
--Waarom niet? Denkt gij dat hun veiligheid hier gevaar loopt?
--Dat niet. Zooals men hen mij beschreven heeft, zouden zij eerder in
staat zijn de heele laffe bevolking hier vrees in te boezemen. Maar
zij durven zich hier niet aan mij vertoonen en zullen ons daarom langs
den weg opwachten. Dat is zeker! Ik neem zelfs mijn geweren niet mede
en laat die bij u achter. Ik rijd geheel alleen, en doe alsof ik een
inwoner van dit land ben. In ieder geval krijg ik hen te zien.
--En wanneer zij zich verborgen hebben?
--Ook dan. Wanneer ik aan een plaats kom, die mij geschikt lijkt voor
een overval, dan zal ik naar sporen zoeken en hen zeker vinden. En
wat dan gebeuren zal, kan ik nu inderdaad nog niet zeggen.
--Maar wij moeten toch weten, wat wij doen moeten.
--Natuurlijk. Gij rijdt doodkalm en in matigen draf den weg naar
Radowitsch langs. Na twee uur gaans, moet gij de rivier over, en dan
nog hoogstens drie uur en gij zijt te Radowitsch. Is er onder weg
niets gebeurd en hebt gij niets bijzonders gezien, dan neemt gij uw
intrek in de eerste herberg, aan uw rechterhand. Er kunnen zich drie
gevallen voordoen. Ten eerste ben ik er misschien nog.
--Dan is alles in orde, Sihdi!
--Misschien ben ik reeds weer weg.
--En dan hebt gij een boodschap voor ons achter gelaten.
--Of ik ben er nog niet en dan wacht gij op mij.
--Maar wanneer gij nu niet komt?
--Ik kom zeker.
--Gij zijt een mensch en kunt u vergissen. Er kan u iets overkomen,
waardoor gij onze hulp zoudt behoeven!
--Dan rijdt gij terug, maar gij alleen én eerst den volgenden dag,
doch niet vóór den middag en niet op den hengst. Deze moet dan in de
herberg blijven bij Osko en Omar. Hen wil ik niet aan eenig gevaar
blootstellen. Op dien terugweg zult gij wel eenig teeken van mij
vinden. Dat is hetgeen, wat wij vooruit moeten afspreken. Iets naders
valt echter niet vast te stellen. Maar nu zullen wij ons gesprek
eindigen, want wij hebben rust noodig en zullen trachten ons door
den slaap te verkwikken.
--Maar ik kan niet slapen. Ik zal te veel denken aan de vertooning
met de kogels en het feit dat ik den hengst berijden mag. Goeden
nacht, Sihdi!
--Goeden nacht!
Ik geloof gaarne dat de goede kerel niet slapen zou, want hij was
uitermate opgewonden. Er waren drie schepsels in de wereld aan wie
hij met zijn geheele hart hing, en dat ik daarin de eerste plaats
bekleedde, wist ik wel zeker. Dan kwam Hanneh "het sieraad aller
vrouwen en meisjes" en eindelijk Rih, de hengst. Dat hij dien zou
berijden, was voor hem zulk een groote vreugde, dat ik overtuigd was
dat hij den slaap niet zou kunnen vatten.
Ook ik lag nog geruimen tijd wakker, peinzend over den zonderlingen
samenloop der omstandigheden, tot dat ik eindelijk insluimerde.
VIJFDE HOOFDSTUK.
IN DE APOTHEEK.
Toen ik den volgenden morgen wakker werd en de luiken open deed was het
reeds helder dag. Mijn horloge zeide mij dat ik twee en een half uur
had geslapen. Halef was reeds opgestaan. Ik vond hem beneden in den
stal, waar hij bezig was den hengst te poetsen en te borstelen. Hij
was daarmee zoo druk bezig, dat hij mijn komst niet bemerkte. Toen
hij mij eindelijk gewaar werd, zeide hij:
--Zoo, ook reeds op! In huis is alles nog in diepe rust. Maar het is
goed dat gij vroeg bij de hand zijt, want er is veel te doen.
--Zoo? Wat dan?--vroeg ik, ofschoon ik zeer goed begreep wat hij
bedoelde.
--Gij moet naar de apotheek.
--Dat heeft den tijd nog.
--Neen, Sihdi. Want het duurt geruimen tijd voordat zulke kogels
gereed zijn.
--Hoe weet ge dat?
--O, ik ben niet zoo dom als gij wel denkt, Sihdi!
--Nu, misschien hebt gij wel gelijk, daar ik de bladeren ook nog moet
koken, maar ik weet in het geheel niet waar de apotheek is en in de
geheele stad zal nog wel niemand op zijn, die mij het huis kan wijzen.
--Maar iemand als gij, kan toch de apotheek wel vinden!
--Ik zal het beproeven!
En daarna deed ik de poort open en ging naar buiten. Ik had reeds bij
mij zelf overlegd, dat de apotheek natuurlijk niet in een achterbuurt
maar in een hoofdstraat, in het hart van het plaatsje moest zijn te
vinden, en daar was ik.
Toen ik de huizen stuk voor stuk eens goed opnam, viel mijn oog
op een oud, bouwvallig krot, dat den naam van huis nagenoeg niet
meer verdiende. Aan twee, ook al niet zeer stevig bevestigde haken,
wiegelde een houten bord heen en weer, waarop gelukkig nog vrij
duidelijk te lezen stond.
"Hadschi Omrak Doktor hakemi we bazar bahari."
Dit was met witte letters op groenen achtergrond geschilderd en
beteekent zooveel als: "De Mekka pelgrim Omrak, doktor in de medicijnen
en handel in geneesmiddelen." Deze Hadschi was dus een arts, die zich
den doctorstitel aanmatigde of daarop misschien inderdaad recht had.
De deur was gesloten maar met een stevigen duw verschafte ik mij
toegang. Een bel was nergens te zien, maar aan de beide uiteinden van
een touw waren twee planken bevestigd, juist zoo hoog dat een volwassen
persoon er bij kon. In de veronderstelling dat dit als klopper moest
dienst doen, sloeg ik de plankjes op elkaar, wat een geluid maakte,
wel in staat om slapenden te doen ontwaken.
Ik moest dit echter verscheiden malen herhalen voor ik gehoor kreeg,
maar eindelijk verscheen eerst een kale knikker, waskleurig met een
uit louter rimpels bestaand voorhoofd, twee kleine slaperig knippende
oogjes, een neus die veel overeenkomst had met de tuit van een grooten
bruinen aarden koffiepot, zooals men ze nog wel in de dorpen aantreft,
een breede mond met dunne kleurlooze lippen, een gebogen kin, lang
zoo breed niet als de neus, en eindelijk klonk het:
--Krui dir?--Wie is daar?
--Een patiënt,--antwoordde ik.
--Waaraan lijdt gij?
--Ik heb mijn maag gebroken,--antwoordde ik zonder aarzelen.
--Schimdi, tez!--Dadelijk, dadelijk!--schreeuwde de "dokter" met een
stem, die mij deed vermoeden dat zulk een interessant geval nog nimmer
bij hem voorgekomen was.
Het hoofd verdween en eenige oogenblikken later vernam ik, van achter
een deur, een lawaai alsof een aardbeving in aantocht was. Eenige
katten miauwden, een hond blafte, vaatwerk werd omvergeworpen en
toen vloog iets, misschien wel de dokter in hoogst eigen persoon,
tegen de deur, die open ging, waarna de geleerde heer met een diepe,
zeer diepe buiging nader kwam.
Wat een rare persoonlijkheid vertoonde zich daar aan mijn oog. Hij
zou inderdaad als vogelverschrikker een uitstekend figuur hebben
gemaakt en alle velden en boomgaarden uitstekend voor ongewenschte
gasten hebben gevrijwaard.
Van dichtbij bekeken, was zijn gezicht nog leelijker. Het was vol naden
en rimpels, er was geen glad plekje te bekennen. Zijn morgentoilet
bestond uit een kleedingstuk dat veel overeenkomst had met een
hemd. Het reikte wel is waar van den hals tot aan de enkels maar zat
vol scheuren en gaten. Aan den eenen voet droeg hij een platgetrapte
rood lederen pantoffel, en aan den anderen een reislaars van zwart
vilt. Maar ook deze vertoonden luchtgaatjes en de teenen staken er
door. Op zijn kalen schedel droeg hij een vrouwen-nachtmuts, die
tengevolge van de haast, waarmede hij mij en mijn gebroken maag te
hulp wilde komen, het achterste vóór op zijn hoofd terecht was gekomen.
--Heer, treed nader! Mijn geheele armzalige apotheek is tot uw dienst!
Hij boog zóó diep, dat hij met zijn hoofd bijna op den grond terecht
kwam en trad in die houding eenige passen achteruit.
--O jazik--o wee! Kojun, basar sen nassirlarmüz üzeri--Schaapskop,
ge trapt op mijn eksteroogen!
Hij ging op zij, en nu kreeg ik het beminnelijke wezen te zien,
dat deze vriendelijke woorden had gelispeld.
Dit schepsel scheen te bestaan uit een hoofd, een stuk oud tapijt
en twee bloote, ontzettend vuile voeten. Toch waren die voeten nog
te verkiezen boven het gezicht. De eigenaar van de apotheek was een
nog veel aantrekkelijker persoonlijkheid dan zijn vrouwtje. Liefst
zwijg ik maar over haar bekoorlijkheden.
Zij kwam naderbij en boog even diep als haar heer gemaal.
--Chosch geldiniz Sultanum!--Wees gegroet, edele heer!--aldus begroette
zij mij.--Wij zijn gelukkig uw aangezicht te aanschouwen. De stroomen
onzer gehoorzaamheid zullen voor u vloeien!
--Sen güzel tscha ilahessi bunum hejranli tschaghlagnün!--En gij zijt
de schoonste nymph dezer wateren!--antwoordde ik beleefd terwijl ik
mij ook voor haar boog.
Zij liet een goedkeurend gemompel hooren, knikte heur heer gemaal toe,
hief vermanend de rechterhand op en zeide, terwijl zij hem met den
wijsvinger op het voorhoofd tikte:
--Luister eens! Hij noemt mij schoon! Zijn smaak is beter dan de uwe!
En zich daarna weder tot mij wendende zeide zij, op haar
vriendelijksten en meest onderdanigen toon:
--Uw mond kan aangename dingen zeggen, én gij zijt niet blind voor
de bekoorlijkheden uwer medemenschen. Dat kon ik van u ook wel denken!
--Hoe zoo? Kent gij mij dan?
--Zeer goed. Gij hebt gesproken met Nohuda, mijn boezemvriendin en
met Nebatja, die ons kruiden brengt, en zij hebben ons veel van u
verteld. Daarna hebben wij u bij den Bascha gezien. De wereld is vol
van uw lof en ons hart slaat u tegen. Wij weenen bittere tranen, dat
ziekte u tot ons voert, maar wij hebben alle iki bin bir iladschlar,
(alle tienduizend en één artsenijen) bestudeerd en zullen u van uw
lijden verlossen. Er is nog niemand van hier gegaan, zonder hulp
of genezing te hebben gevonden. Daarom kunt gij u gerust aan ons
toevertrouwen!
Dat beloofde veel. Zij zag er juist uit, alsof zij de tienduizend en
één artsenijen niet alleen bestudeerd maar ook ingenomen had en nog
aan de werking daarvan leed. En aan die beide menschen had ik mij nu
ingeval van ziekte moeten toevertrouwen!
Daarom zeide ik:
--Vergeef mij, O Gunesch esche schifa (Zon der geneeskunst) wanneer
ik van uw vriendelijke hulp geen gebruik maak. Ik ben zelf een
Hekim Bascha (een eerste dokter) in mijn vaderland, en ik ken mijn
lichaam. Daarvoor zijn andere middelen noodig dan voor de inwoners
dezer landen. Ik ben alleen gekomen om de middelen te halen, die ik
voor mijn genezing noodig heb.
--Jazyk adschynadschak.--Dat is jammer, zeer jammer!--riep zij
uit.--Wij zouden de wond in uw maag nauwkeurig hebben onderzocht en
opgemeten. Wij bezitten een Mide-melhemi (maagpleister), die wij voor
u op een stuk doek van een tulband zouden hebben uitgestreken. Indien
gij er die dan op had gelegd, zou de wond in een paar uren geheeld
zijn geweest.
--Misschien is uw pleister wel volkomen gelijk aan de mijne, want
die werkt even snel. Maar veroorloof mij die zelf gereed te maken.
--Uw wil is de onze. Kom dus binnen, ga in de kamer der wonderzalven
en zoek uit wat uw hart begeert.
Zij deed een zijdeur open en ging mij voor. Ik volgde haar en achter
mij kwam de gelukkige eigenaar der apotheek en de benijdenswaardige
echtgenoot der schoone nymph.
Wat ik zag, deed mij de gewaarwording gevoelen, die men gewoonlijk
bestempelt met den naam van onpasselijk.
Ik bevond me in een vertrek dat beter voor hoenderstal dan voor
apotheek kon dienen. Ik stootte mijn hoofd aan de zoldering,
en de bodem bestond uit lieve moeder aarde, terwijl de wanden
waren saamgesteld uit planken, die men niet eens van de schors
had ontdaan. Aan spijkers hingen een aantal kleine linnen zakjes,
en in het midden van het vertrek hing aan een touw een reusachtige
klisteerspuit. Op een blad lagen verschillende scharen van de meest
wonderlijke vormen, gereedschap om koppen te zetten, barbiers bekkens,
en tangen, lomp en grof voor het trekken van tanden. Op den grond
stonden allerlei potjes en pannetjes, meest geschonden en gebroken,
terwijl het geheele vertrek vervuld was van een onbeschrijfelijken
geur.
--Hier--zei zij,--is onze patiëntenkeuken. Zeg ons nu maar, uit
welke middelen de pleister voor uw maag moet worden samengesteld. De
apotheker kwam dicht bij mij staan en keek mij vol verwachting en
nieuwsgierigheid aan. Hij verheugde er zich blijkbaar op, het recept
af te luisteren.
--Hebt gij daar ook Sadar in een van die zakjes?--vroeg ik.
--Daar is Sadar!--antwoordde de schoone, naar een zakje aan den
muur wijzende.
--Sadar?--merkte haar man op.--Ilmm lotos komar, de wetenschap noemt
het lotos.
Deze dokter en Hekim wilde mij eens toonen, dat hij den latijnschen
naam van de plant kende. Deze was echter verouderd en daarom hernam ik:
--Tanam ilm celtis australis komar,--de werkelijke wetenschap noemt
het celtis australis.
Hij spreidde den mond open en keek mij aan.
--Zijn er dan nog verschillende soorten van wetenschap?
--O, meer dan honderd!
--Allah! en ik ken er maar één. En hoeveel Sadar verlangt gij, Heer?
--Een groote handvol!
--Goed, ik zal het in een zakje doen. Wat wenscht gij nog meer?
Op den grond lag een papier, en ik had er wel vijfhonderd piasters
onder willen verwedden dat dit van de straat was opgeraapt. Zij nam
het op, draaide het in elkaar, ging met haar tong langs den rand om
het op elkaar te plakken en deed er een hand-vol celtis australis
in. Daar ik het middel alleen uitwendig wilde aanwenden, maakte ik
geen aanmerking op de handelwijze der apothekeres.
--Hebt gij ook alkali?--vroeg ik.
Zij keek mij verbaasd aan, ofschoon het woord zuiver Arabisch is. Hij
vertrok zijn mond tot een breeden zelfbewusten glimlach en vroeg
mij gewichtig:
--Welke wenscht gij?
--Dat is mij hetzelfde.
--Heer, ik heb vernomen, dat uw vaderland in het westen ligt. Ik
bezit zeer goede alkali dat vandaar komt. Die kunt gij dus krijgen,
indien gij verkiest.
--Hoe noemt gij die?
--Schawell, suju.
--Laat eens kijken!
Hij bracht nu werkelijk, evenals ik vermoedde, een fleschje te
voorschijn, waarop te lezen stond, "Eau de Javelle, fabrique de
Charles Gautier, Paris."