Mubarek is immers bij hen!
Ik ging nu naar de hut en rukte een der dakstangen, die brandend
naar beneden hing, geheel los. Daar het hout zeer harsachtig was,
brandde die als een fakkel. Hiermede volgde ik de richting, die de
vluchtelingen schenen te hebben ingeslagen.
Mijn drie metgezellen sloten zich bij mij aan, terwijl zij hun geweren
gereed hielden om te schieten.
Het knetteren van het vuur had mij toch op een dwaalspoor gebracht. De
breedte van den boschrand was hier niet zoo groot als ik gedacht
had. Al zeer spoedig hadden wij den uitersten rand bereikt en zagen
nu duidelijk de plaats waar de vluchtelingen zich een weg hadden
gebaand. Wij volgden niet, en stonden een oogenblik later weder op
de vlakte, toen mijn fakkel uitdoofde. Toen hoorden wij onder ons
een paard hinneken, en dadelijk daarop weerklonk paardengetrappel
door de nachtelijke stilte.
--Odschurola, chowardalar! Vaarwel schurken! riep men ons met luider
stem toe.--Kyzartfiz jarijn dejil o bir gun dschehennemde!--Overmorgen
braadt gij in de hel!
Dat was duidelijk genoeg. En wanneer ik nog niet geweten had dat men
voornemens was ons op te wachten, dan had ik het nu gemakkelijk kunnen
raden. Zoo heel slim was dat volkje dus nog niet.
--Nu zijn zij weg! Wat nu te doen?
--Op het oogenblik niets. Wij zijn nu weer juist evenver als voor
onze aankomst hier in Ostromdscha. Onze vijanden zijn ons voor. Zij
zijn vrij en zelfs nog één man sterker. Nu kan de jacht weer op nieuw
beginnen, en wie weet of wij ooit weer zulk een goede gelegenheid
zullen hebben om hen te vangen als hier!
--Zeg dat wel, Sihdi. Die Kodscha Bascha moest gehangen worden.
--Hij heeft hen niet alleen vrij gelaten, maar hun ook hun paarden
teruggegeven.
--Gelooft gij dat?
--Natuurlijk. Gij hebt immers gehoord, dat zij paarden hadden. Die
hebben voor hen gereed gestaan.
--Dat zal hij natuurlijk ontkennen.
--Zijn leugens helpen hem niets. Ik heb een stuk uit zijn kaftan
gescheurd, dat ik in mijn zak gestoken heb.
--Maar hoe wilt gij het met hem aanleggen! Hebt gij eenige macht
over hem?
--Helaas, neen!
--Dan zal ik de zaak terhand nemen.
--Wat wilt gij doen!
--Dat komt vanzelf!
--Geen nieuwe dwaasheid, Halef!
--Wees maar niet bang, Sihdi. Ik zal niet overijld handelen maar de
zaak met de grootste kalmte en het meeste overleg behandelen. Moeten
wij niet eerst weer naar de hut terug gaan?
--Ja. Misschien valt er nog iets te redden.
Wij vonden, in weerwil van de duisternis gemakkelijk den weg terug,
dien wij nu kenden. De woning van den Mubarek scheen veel brandbare
stoffen te hebben bevat, want nog altijd sloegen de vlammen hoog op. De
brand, die van verre zichtbaar was had inmiddels vele menschen naar
boven gelokt.
Juist toen wij van onder de boomen te voorschijn traden, kwam de
Kodscha Bascha aanloopen, die, toen hij ons gewaar werd, met de armen
in de lucht zwaaiende op ons wees en riep:
--Grijpt hen! Vat hen! Pakt hen! Zij zijn de brandstichters!
Ik was over zooveel brutaliteit meer verbaasd dan vertoornd. Die man
bezat een groote dosis onbeschaamdheid. De aanwezigen, die allen wisten
hoe ik hem dien dag reeds had behandeld, haastten zich natuurlijk
niet om zijn bevel ten uitvoer te brengen.
Nu gebeurde er echter iets, waarop hij zeer zeker niet had gerekend.
De kleine Halef trad namelijk op hem toe en vroeg:
--Ne mi iz sewgülüm--Wat zijn wij, lieveling?
--Harakadschilarfiz! Brandstichters, zijt gij!--antwoordde hij.
--Gij vergist u, Kodscha Bascha. Wij zijn heel wat anders. Leerlooiers
zijn wij, en om u dat eens duidelijk te maken, zullen wij uw vel eens
in behandeling nemen. Niet uw geheele huid, want daarvoor hebben
wij geen tijd, maar alleen het deel dat wel goed stevig wezen mag,
daar gij er op zitten moet! Osko en Omar helpt eens een handje!
Dat lieten die beiden zich geen tweemaal zeggen, en tot groote
voldoening van de meesten der aanwezigen, kreeg de schurk een pak
zooals nog nimmer aan eenig overheidspersoon was uitgedeeld.
Toen Halef eindelijk zijn zweep weer in den gordel stak, gaf hij den
afgestrafte den volgenden goeden raad:
--En nu geef ik u in overweging, in de eerste dagen niet op iets hards
te gaan zitten, want dat zou u wel eens minder goed kunnen bekomen
en afbreuk doen aan de schoonheid van uw aangezicht en de harmonie
uwer gelaatstrekken. Gij moet onze edele daad geheel laten uitwerken,
en tot in lengte van dagen zult gij de vreemdelingen zegenen wier
komst voor u zoo heilzaam is geweest. Wij hopen dat gij ieder jaar
dezen dag feestelijk zult herdenken en ons in vriendelijk aandenken
houden. Sta nu op en betuig mij, met een kus uw hartelijken dank,
zooals het betaamt!
Een luid gelach volgde op deze, op plechtigen toon uitgesproken rede.
De Kodscha Bascha, wien Omar en Osko nu losgelaten hadden stond
langzaam op, en legde zijn beide handen op de door Halef reeds nader
beschreven plaats. Toen de kleine man in zijn nabijheid kwam, riep
hij hem woedend toe:
--Schurk! Hondsvot! Wat hebt gij gedaan! Het lichaam van een
overheidspersoon ontheiligd. Ik zal u en uw genooten in de boeien
laten sluiten!
--Houd u bedaard! viel Halef hem in de rede. Indien gij het een
ontheiliging noemt, dat gij maar twintig zweepslagen hebt ontvangen,
dan zijn wij gaarne bereid die fout onmiddellijk te herstellen. Leg
hem maar weer in positie!
--Neen! neen!--schreeuwde de oude schavuit angstig. Ik ga al! Ik ga al!
Hij wilde zich haastig verwijderen, doch ik greep hem bij den arm
en ondervroeg hem op barschen toon, wat hij met de gevangenen had
uitgevoerd. Hardnekkig bleef hij ontkennen, dat hij hun de vrijheid
gegeven en daarvoor van den Mubarek een ruime belooning ontvangen
zou hebben. Toen ik hem dit laatste voor de voeten wierp sloeg hij
de handen in elkaar en riep uit:
--Wat zegt gij! Waarvan durft gij mij beschuldigen! Wie zijt gij,
dat gij het durft wagen een Kodscha Bascha voor een misdadiger uit
te maken! Geld zou ik hebben ontvangen! De gevangenen vrij hebben
gelaten? Ik zal u gevangen laten nemen en de wet in al haar strengheid
op u toepassen----neen, neen, ga heen, laat mij voorbij!
De laatste woorden golden Halef, die hem bij den arm greep, de zweep
ophief en dreigend uitriep:
--Moet ik ook nog andere plaatsen raken? Weet gij nu nog niet dat
dit geen manier is om ons te behandelen. Wanneer gij het waagt nog
één onaangenaam woord te zeggen, zult ge andermaal kennis maken met
mijn zweep.
Ik wendde mij nu tot de omstanders en deelde hun mede wat ik van
Nebatja had vernomen; echter zonder haar naam te noemen. Ik voegde er
bij, dat wij toen den Kodscha Bascha hadden ontmoet, die de misdadigers
had gewaarschuwd.
Toen trad een hunner naar voren, in wien ik onmiddellijk een der
bijzittende rechters herkende.
--Effendi, wat gij ons hier mededeelt, doet me verbaasd staan. Wij
hebben u veel te danken, want gij hebt een der grootste misdadigers
ontmaskerd, dien wij ooit hebben ontmoet. Indien hij en zijn
spitsbroeders werkelijk zijn ontvlucht, moet degeen die hen daarbij
behulpzaam geweest is, ten strengste worden gestraft. Ik heb u heden
gezien en gehoord, en geloof niet dat gij iets zult zeggen zonder
zeker te zijn van uw zaak. Gij moet dus wel geldige redenen hebben
om den Kodscha Bascha hier aan te klagen, en daar ik nu in rang op
hem volg, ben ik verplicht in zijn plaats op te treden, wanneer het
blijkt dat hij niet waardig is zijn ambt te bekleeden. Gij hebt u dus,
van nu af aan, tot mij te wenden.
De man was in elk geval eerlijk, al scheen het mij ook toe dat hij
niet zeer beslist zou durven optreden.
Zonder mij lang te bedenken antwoordde ik hem:
--Het verheugt mij in u een man te leeren kennen, wien het wel en wee
der burgers ter harte gaat, en ik hoop dat gij onpartijdig en zonder
vrees zult kunnen en durven optreden.
--Dat zal ik doen, maar dan moet gij mij van de waarheid uwer
beweringen overtuigen.
--Natuurlijk!
--Gij zult mij dus dienen te zeggen, hoe gij weet, dat Kodscha Bascha
hier boven is geweest en van den Mubarek geld ontvangen heeft.
--Neen, dat zeg ik niet!
--Waarom niet!
--Omdat ik de persoon, die mij een en ander heeft medegedeeld, niet
in moeilijkheden brengen wil.
--Dat zal niet gebeuren!
--Veroorloof mij, daaraan te twijfelen. Gij zijt een braaf man wat
echter niet van alle beambten kan worden gezegd. Ik ken u voldoende
om te weten dat, wanneer ik weg ben, de Kodscha Bascha weer zal doen
en laten wat hem goeddunkt, en de persoon van wien ik alles vernomen
heb, zou het dan hard hebben te verantwoorden. Het is dus beter dat
ik geen namen noem.
--Maar hoe kunt gij dan de bewijzen leveren?
--O, dat gaat wel. Het geld dat de Kodscha Bascha ontvangen heeft
moet òf in zijn zakken òf in zijn huis zijn, en dat hij hier boven
was en zich van mij heeft losgerukt, is eveneens zeer gemakkelijk te
bewijzen want ik hield een stuk van zijn kaftan in de hand.
--Dat is niet waar,--riep de beklaagde. Kijk maar of hier een stuk
uit is!
Hij wees met zijn beide handen naar de plaats, waar ik hem had
vastgegrepen. De kaftan was ongeschonden.
--Gij moet u vergist hebben!--zeide de plaatsvervangende rechter.
--En gij schertst!--hernam ik lachend.
--Hoezoo? vroeg hij verbaasd.
--Wanneer ik u aanzie, lijkt gij mij verstandig en slim genoeg, om
te hebben opgemerkt dat de Kodscha Bascha, zich reeds heeft verraden.
--Verraden?
--Ja, hebt gij niet gezien, waar hij heen wees, toen hij onze aandacht
op zijn kaftan vestigde?
--Ja zeker!
--Nu, waarheen dan?
--Boven aan de borst, links.
--Heb ik u echter verteld, waar ik het stuk heb uitgescheurd?
--Neen, Effendi.
--Nu, precies op dezelfde plaats die hij heeft aangewezen. Hoe weet
hij dat?
De man keek mij verbaasd aan, en vroeg:
--Effendi, zijt gij misschien een hoofd van de politie?
--Waarom vraagt gij dat?
--Omdat alleen zulk een hooggeplaatst beambte zulke scherpzinnige
gedachten hebben kan.
--Gij vergist u. Ik woon niet in het land van den Padischah, maar
in Nemtsche memlekedi, waar de burgers zoo volkomen volgens de wet
handelen, dat ieder kind de onvoorzichtigheid van den Kodscha Bascha
zou hebben opgemerkt en begrepen.
--Dan heeft Allah uw land met meer verstand gezegend dan het onze.
--Maar gij ziet toch wel in, dat ik gelijk heb?
--Ja, ja, wanneer hij naar die plek wijst, moet hij weten dat de kaftan
daar is gescheurd. Wat hebt gij daartegen in te brengen Kodscha Bascha?
--Ik zeg niets!--antwoordde de aangesprokene. Ik ben te trotsch om
langer met een Nemtsche te verkeeren.
--Uw houding is echter geenszins waardig. Waarom houdt ge uw handen
zoo voortdurend achter u? vroeg ik lachend.
--Zwijg!--riep hij toornig uit. Gij zult nog wel worden gestraft voor
uw onbeschaamdheid. Ziet gij dan niet, dat mijn kaftan in het geheel
niet gescheurd is.
--Zeker zie ik dat, maar ik zie ook dat dit een andere kaftan
is. Degeen die gij van morgen aanhadt, was ouder dan deze!
--Ik bezit er slechts één.
--Dat zullen wij zien!
--Ja, de Kodscha Bascha bezit slechts dezen éénen kaftan!--bevestigde
de knecht.
--Gij hebt slechts te spreken als u iets wordt gevraagd,--voegde ik
hem toe, en mij daarna tot den plaatsvervangenden rechter wendende
vroeg ik dezen:
--Weet gij ook hoeveel kaftans de Kodscha Bascha heeft?
--Neen, Effendi! Wat raken mij de kleederen van een ander!
--Maar gij weet mij wel te vertellen, waar hij de paarden der
misdadigers heeft gelaten!
--Ja, in zijn stal.
--Heeft hijzelf ook paarden?
--Ja!
--Hoeveel?
--Vier!
--Welke kleur hebben die?
--Die zijn zwart. Hij heeft een voorliefde voor donkere beesten,
niet waar Bascha?
--Wat kunnen mij de paarden van die menschen schelen?--antwoordde de
gevraagde. En aangezien met hem niets was aan te vangen, de verbrande
hut van den Mubarek geen verdere bewijsstukken kon opleveren en wij
hier niets meer vonden wat ons op den weg kon helpen de vluchtelingen
te vinden, of de schuld van den Kodscha Bascha te bewijzen, stelde
ik voor naar het gerechtsgebouw te gaan, om ons te overtuigen dat de
gevangenen werkelijk waren ontvlucht.
Juist toen wij op het punt stonden aan dit voornemen gevolg te geven,
zag ik den Hadschi haastig op zijde springen en even daarop klonk
het dreigend uit zijn mond:
--Halt! Gij blijft hier, of ik steek u mijn mes tusschen de ribben!
--Laat me los!--riep een andere stem. Ik heb niets met u te maken!
--Maar ik des te meer met u. Gij zijt gevangen!
--Oho!
--Ja, en als ge niet heel gauw goedschiks medegaat, dan heb ik hier
een zweep waarmede dan de knecht ook eens kennis kan maken, nadat ik
er zijn meester mede heb geliefkoosd!
De knecht had zich willen haasten om voor ons de woning van den
Kodscha Bascha te bereiken en zijn familie te waarschuwen. Hij werd
nu met zijn meester in het midden genomen.
VIERDE HOOFDSTUK.
HET ONDERZOEK.
En ten tweedemale ging een zonderlinge stoet bergaf. Eenige mannen
droegen fakkels om den weg te verlichten. Alle bewoners van de plaats
waren gealarmeerd en toen wij de binnenplaats bereikten, was het even
vol als des avonds.
De gevangenis was natuurlijk ledig. De paarden der boeven stonden in de
oude bouwvallige stal, maar die van den Kodscha Bascha waren verdwenen.
De beide knechts beweerden, dat die op een even onverklaarbare wijze
als de vier dieven, waren verdwenen.
--Nu zullen wij eens zien of wij het geld en den kaftan van den
Kodscha Bascha ook kunnen vinden!--zeide ik tot den rechter.
--Waar wilt gij dat zoeken?
--Bij zijn vrouw.
--Die zal ontkennen en liegen.
--Dat zullen wij afwachten. Het komt zeer veel aan op den toon,
waarop men spreekt. Ga maar mede naar binnen.
Wij traden nu het huis binnen, waartoe wij niemand anders verlof
gaven, den eigenaar natuurlijk het allerminst. De rechter was met de
plaatselijke inrichting bekend.
Hij ging in het donker vooruit en deed toen een deur open. Deze kwam
uit in een kleine kamer waar een tafel en een paar houten stoelen
stonden; langs den muur lag een lang kussen dat dienen moest voor
personen die op oostersche wijze wenschten plaats te nemen.
Op de tafel stond een steenen lamp en daarbij zat een oude vrouw.
--Dat is de vrouw!--zeide mijn metgezel.
Zij keek ons angstig aan. Ik stapte op haar toe, liet de kolf van
mijn geweer dreunend op den grond neerkomen en zeide op mijn meest
barschen toon:
--Jaschly kaftani senin kodschanun werde?--Waar is de oude kaftan
van uw man?
Indien zij van plan was geweest te liegen, werd zij door mijn toon
zoo overbluft dat zij antwoordde, terwijl zij op een tweede deur wees:
--Sandykda!--In de kist!
--Onu getir!--Haal dien.
Zij ging de deur uit. Ik hoorde een houten deksel openen en
weer dicht doen, waarna zij met het verlangde kleedingstuk terug
keerde. Ik nam het haar uit de hand en vouwde het open. Een deel van
den linkerborstkant ontbrak, en toen ik het afgescheurde stuk uit
mijn zak te voorschijn haalde en in het gat paste, kwam dat precies
uit. De vrouw sloeg angstig al onze bewegingen gade. Zij was zeker
volkomen van alles op de hoogte.
--Getir Aktsheji.--Breng het geld,--beval ik haar op denzelfden
barschen toon.
--Ne asl aktscha, welk geld?--vroeg zij aarzelend.
--Dat wat uw man van den Mubarek heeft gekregen. Waar is het? Gauw
wat!--hernam de rechter.
Hij deed daarbij moeite, om een even barschen toon, als ik aan te
slaan. Zij werd inderdaad zoo verlegen dat zij bevende bekende:
--Ook in de kist!
--Voor den dag er mede!
Zij ging weder in de donkere kamer, maar ditmaal duurde het wat langer
voor zij terug kwam. Het geld was zeker onder in de kist gestopt. Men
had het in een ouden, versleten tulband gewikkeld. De rechter telde
het, en het kwam volkomen overeen met de som die de kruidenzoekster
mij had genoemd.
--Wat moet daarmee gebeuren?--vroeg hij mij.
--Dat moet gij weten!--luidde mijn antwoord.
--Dan wordt het verbeurd verklaard.
--Natuurlijk. Gij moet het aan den opperrechter inzenden.
--Natuurlijk, en dat zal gebeuren zoodra de dag is aangebroken. Gaan
wij nu weer heen?
--Neen, ik heb eerst nog een paar woorden met deze vrouw te spreken, en
het zal haar danig berouwen, als zij mij niet geheel naar waarheid
antwoordt. Voor een vrouw van haar leeftijd is de bastonnade
levensgevaarlijk.
Toen viel zij op de knieën en hief smeekend de handen op.
--Geen bastonnade, geen bastonnade, groote beroemde, genadige
Effendi! Ik bemerk zeer goed dat alles is verraden en ik zal geen
enkele onwaarheid zeggen.
--Sta dan op. Gij moogt alleen voor Allah knielen. Uw man heeft de
vier mannen laten ontvluchten, niet waar?
--Zoo is het!
--En toen heeft hij hun vier paarden gegeven.
--Ja, alle vier.
--En waar zijn zij heengegaan?
--Naar----naar----Radowitsch.
Daar zij aarzelde, vermoedde ik dat zij nu slechts gedeeltelijk de
waarheid zeide. Daarom gelaste ik haar:
--Zeg alles! Waarom verzwijgt gij de andere plaatsen? Wanneer gij
niet oprecht zijt, zal ik genoodzaakt wezen om u naar de bank te
laten brengen en door meisjes te laten geeselen!
--Heer, ik zal het zeggen. Zij zijn naar Radowitsch gegaan en wilden
dan verder trekken naar Sbiganzy.
--Waarschijnlijk naar den slager Tschurak, die daar woont?
--Juist!
--En dan naar de hut in de rotskloof?
--Heer, hoe weet gij dat?
--Antwoordt!
--Ja, daar wilden zij heengaan.
--En dan verder?
--Dat weet ik niet.
--Wat willen zij daar uitvoeren?
--Dat heb ik niet gehoord; mijn man vertelt mij zulke dingen niet.
--Maar hij kent den Shoet?
--Misschien wel, dat weet ik niet.
--Hij heeft ook allerlei geheimzinnigs met den Mubarek gehad?
--Wat zij met elkander verhandeld hebben, weet ik niet; maar hij is
dikwijls naar boven op den berg bij den Mubarek geweest en die kwam
des nachts vaak bij ons.
--Hebt gij de gevangenen vandaag gadegeslagen?
--Ik heb hen gezien.
--Kent gij hen?
--Slechts een hunner, die vroeger wel af en toe hier kwam.
--Welken? Wellicht Manach el Barscha.
--Ik weet zijn naam niet. Hij is ontvanger van de Charadsch-belasting
in Usküb geweest.
--Dan was hij het! En wat weet gij nu nog meer van deze zaak?
--Niets, totaal niets, Effendi! Ik heb u alles gezegd wat ik zelf weet.
--Ik zie aan u dat gij de waarheid spreekt, en daarom zal ik u niet
langer kwellen. Maar misschien hebt gij den naam Aladschy wel eens
gehoord?
--Ook niet!
--Effendi!--vroeg de rechter--wat is daar mede aan de hand?
--Kent gij die?
--Neen, maar ik hoorde wel over die twee spreken.
--Het zijn er dus twee? Wat weet gij van hen?
--Het zijn de verschrikkelijkste Skipetaren, die er bestaan. Twee
broeders van reusachtige gestalte, wier kogels nooit missen en wier
messen steeds de plaats treffen waarvoor zij bestemd zijn. Hun bijlen
moeten eveneens zeer te vreezen wapens zijn. Zij slingeren die zoo
ver als een kogel vliegt, en treffen daarmede vast en zeker den nek
van dengeen op wien zij het gemunt hebben. Ook in het gebruik van
den slinger kennen zij hun weerga niet.
--Waar houden zij zich op?
--Overal waar een moord of ander misdrijf valt te begaan.
--Zijn zij ook al eens hier geweest?
--In Ostromdscha zelf nog niet, maar wel in den omtrek. Eerst kort
geleden zijn zij in de buurt van Kodschana gezien.
--Dat is niet ver hier vandaan. Ik geloof dat men dat plaatsje te
paard in ongeveer vijf uur kan bereiken.
--Het schijnt dat gij hier den omtrek goed kent!
--Och neen, ik schat zoo maar ongeveer. Gij weet niet, waar die beide
broeders vandaan komen?
--Men zegt dat zij van boven uit Kakandelen afkomstig zijn, uit de
bergen van de Schar Dogh, waar de oorspronkelijke Skipetaren wonen.
--En waarom worden zij dan de Aladschy genoemd?
--Omdat zij rijden op twee paarden, die evenals hun meester den
duivel in hun lijf schijnen te hebben. Zij moeten geboren zijn op
den dertienden van de maand Moharram, dat is de dag waarop de duivel
uit den hemel is verstooten. Hun meesters geven hun iederen dag een
volgeschreven blad uit den Koran te eten. Daarom zijn zij onkwetsbaar,
zoo vlug als de bliksem, gewaarborgd tegen iedere ziekte, en stappen
nooit mis.
--O wee! dan is het slecht met mij gesteld!
--Waarom?
--Mubarek heeft deze Aladschy's te hulp geroepen om op mij te loeren
en mij te dooden.
--Hoe weet gij dat?
--Van denzelfden persoon, die boven bij de hut alles heeft afgeluisterd
en ook dit heeft vernomen!
--En gelooft gij het?
--Volkomen!
--Het kan waar zijn, daar de beide booswichten hier in den omtrek
gezien zijn geworden. Effendi, neem u in acht. Dertig mannen als gij
zijt, vermogen niets tegen twee van zulke Skipetaren. Wanneer zij u
te pakken krijgen, zijt gij verloren. Ik meen het goed met u.
--Ik ben u dankbaar voor uw goede zorgen en bedoelingen, maar ik
vrees hen niet!
--Heer, overschat uw krachten niet!
--Neen, dat doe ik zeker niet, maar ik heb een beschermer bij mij,
op wien ik mij kan verlaten!
--En dat is?
--De kleine Hadschi, dien gij gezien hebt.
De man trok een lang gezicht, fronste de wenkbrauwen en zeide:
--Die! Die dwerg?
--Ja, maar gij kent hem niet.
--Met de zweep kan hij goed omgaan, dat is zeker, maar wat doet men
met een karwats tegenover zulke groote helden!
--O, ik maak mij daarover niet bevreesd. Want gij moet weten dat de
Hadschi dagelijks niet alleen een blad, maar een heele Sure uit den
Koran opeet. En daarom hebben zelfs de kanonskogels geen vat op hem!
--Heer, ik begrijp er werkelijk niets van, maar de Profeet is in den
zevenden Hemel en bij hem is alles mogelijk. Ik zal dien wonder-Hadschi
toch eens wat nauwkeuriger opnemen.
--Doe dat. Ik ben overtuigd dat hij zelfs niet bang is voor honderd
Skipetaren.
--Mag ik het eens probeeren?
--Wat wilt gij doen?
--Zachtjes van achter hem komen aanloopen en trachten om hem, met
mijn pistool, stilletjes een kogel in zijn hoofd te schieten.
--Ga uw gang!--antwoordde ik even ernstig als hij zijn vraag had
gemeend.
--En denkt gij, dat hij het in het geheel niet zal merken?
--Neen, merken zal hij het wel, want zoo stilletjes gaat dat nu niet
in zijn werk. Wanneer de kogel ook al tegen het hoofd afstuit, voelt
hij het daarom toch wel, zooals gij wel kunt begrijpen.
--Ja zeker!
--En dan ben ik bang, dat het u niet goed zou bekomen!
--Hoe zoo?
--Wel de teruggekaatste kogel zou waarschijnlijk u verwonden.
--Ja, dat zou mogelijk zijn.
--En zelfs indien dit niet het geval mocht wezen, kunt gij er bijna
zeker van zijn, dat de vertoornde Hadschi u ergens, waar gij het niet
te best hebben kunt, zijn mes in het lichaam stoot.
--Waar zou hij dan zoo boos om worden?
--Over uw ongeloof. Hij heeft buitendien niet gaarne dat men zonder
zijn bepaalde vergunning dergelijke proeven met hem neemt.
--Zou ik hem dan liever permissie vragen?
--Doe dat!
--En gelooft gij dat hij mij zijn toestemming zal geven?
--Ten minste als ik een goed woordje voor u doe!
--Doe dat dan!
--Ik beloof het u. Maar voor het oogenblik hebben wij gewichtiger
dingen te behandelen. Zijt gij nu van de schuld van den Kodscha
Bascha overtuigd?
--Volkomen!
--Dan laat ik hem aan u over. Ook zijn beide bedienden moet gij
gevangen nemen, want zij hebben hem geholpen. Wat mij betreft, ik
wil liever met de geheele zaak niets meer te maken hebben.
--Heer, hoe zal ik het zonder u klaar spelen!
--Dat moet gij zelf weten. Gij zijt toch Kasa Mufti. Toen de
Padischa u dat gewichtig ambt opdroeg, deed hij dat toch zeker in
het vertrouwen dat gij daartoe de noodige bekwaamheid zoudt bezitten,
en ik veronderstel dat gij dat vertrouwen niet zult willen beschamen!
--O, neen, zeker niet. Ik zal een streng en rechtvaardig rechter
zijn. Zou ik zijn vrouw ook arresteeren?
--Neen. Zij heeft haar man moeten gehoorzamen.
Wij gingen nu weer naar buiten, waar wij door de anderen, waaronder
ook Halef, werden opgewacht.
De Kasa Mufti stootte mij aan en vroeg:
--Effendi is het nu niet een geschikt oogenblik.
--Waarvoor?
--Om een goed woordje voor mij bij den Hadschi te doen. Of zijt gij
niet voornemens uw belofte na te komen?
Zou ik lachen of boos worden? De goede "rechter" interesseerde zich
meer voor de onkwetsbaarheid van den Hadschi dan voor de aan hem
toevertrouwde rechtszaak.
--Morgen als wij eerst geslapen hebben!--antwoordde ik hem. Nu niet! Nu
moet gij uw plicht doen!
--Hoe zoo?
--Daar staat de Kodscha Bascha, en over uw arm hebt gij den kaftan.
--Moet ik hem dien laten kijken?
--Natuurlijk! En ook het geld hebt gij. Deze menschen verwachten
allen dat hij door u overtuigd zal worden en zijn schuld bekennen,
en nog aarzelt gij! Het schijnt mij toe dat het u weinig toelacht,
uw plicht te doen!
--O zeker, Effendi! Gij zult dadelijk ondervinden welk een ernstig
en streng rechter ik ben.
--Ik hoop het.