Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
DR. KARL MAY'S REISAVONTUREN
DOOR HET LAND DER SKIPETAREN
VAN
DR. KARL MAY
Naar het 47ste duizendtal der Duitsche uitgave
Met 8 Platen naar Teekeningen van Jan Sluyters
TWEEDE DRUK
AMSTERDAM
H. J. W. BECHT
Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen.
EERSTE HOOFDSTUK.
ONTMASKERD.
De Turksche rechtpleging, heeft, zooals bekend is, haar
eigenaardigheden, men zou zelfs kunnen zeggen haar schaduwzijden,
die te meer uitkomen naarmate de streek waarvan sprake is, meer
afgelegen is.
Onder de heerschende omstandigheden is het dus niet te verwonderen
dat daar, waar de verschillende bandelooze stammen der Arnauten, die
voortdurend met elkaar in oorlog leven, gevestigd zijn, van "recht"
eigenlijk geen sprake wezen kan.
Bij Ostromdscha begint het gebied der Skipetaren, die maar één wet
kennen, nl. dat de zwakkere voor den sterkere moet wijken. Toen dan
ook ons optreden tegenover den Mubarek, [1] ons met het "gerecht" in
aanraking bracht, begrepen wij, dat, wilden wij niet aan het kortste
eind trekken, ook wij die wet moesten toepassen. Wij hadden dit reeds
in den namiddag gedaan, en wel met goed gevolg, en waren van plan,
op de zitting waar wij thans werden gewacht, eveneens op krachtige
wijze op te treden.
Toen wij ons naar het "gerechtsgebouw" begaven, begon de avond
reeds te vallen. Wij zagen onderweg verscheidene menschen die op de
binnenplaats geen plekje meer hadden kunnen vinden en zich nu langs
den weg hadden opgesteld, om ons ten minste te zien voorbijkomen.
Nadat wij op de binnenplaats waren aangekomen, werd de poort achter
ons gesloten, wat voor ons geen goed teeken was. De Mubarek had al
zijn invloed doen gelden, en naar het scheen met goed gevolg.
Wij baanden ons een weg door de menschen, tot aan de plek waar het
verhoor zou plaats vinden. Behalve een stoel stond er een lange bank
en waren alle benoodigdheden voor de bastonnade voorhanden.
Men had olie in de bakken gedaan en het werk aangestoken, wat over
den geheelen omtrek een fantastisch licht verspreidde.
De heeren van het gerecht waren in het huis. Men verwittigde hen
van onze komst. De Khawassen stelden zich rondom ons op, zoodat de
weg naar de poort voor ons was afgesneden. Daar deze gesloten was,
scheen ons het optreden van de politiemannen dubbel bedenkelijk.
Doodsche stilte heerschte rondom. Nu verschenen de vijf heeren en de
Khawassen presenteerden de blanke sabel.
--O, Allah!--zeide Halef spottend. Wat zal ons gebeuren, Sihdi! Ik
sidder van angst.
--Ik ook!
--Zal ik die domme menschen, die zich verbeelden dat zij ons met hun
sabels vrees kunnen aanjagen, eens kennis laten maken met mijn zweep?
--Geen dwaasheden! Gij hebt vandaag reeds eenmaal ondoordacht gehandeld
en zijt daardoor grootendeels schuld dat wij ons hier bevinden.
De vijf rechters hadden plaats genomen.
De Kodscha Bascha op den stoel, de anderen op de bank. Een vrouw drong
door de menigte heen en nam plaats achter den plaatsvervanger. Ik
herkende dadelijk Nohuda, die haar schoonheid door 't gebruik van
oker trachtte te verbergen. De plaatsvervanger scheen dus wel haar
gelukkige echtgenoot te zijn. Hij had een onbeduidend gelaat.
Naast den Kodscha Bascha zat de Mubarek. Hij had een papier op
de knieën, terwijl tusschen hem en zijn buurman een klein potje
stond. Daar er een veerenpen in stak, vermoedde ik dat het inkt
bevatte.
De Kodscha Bascha schudde het hoofd en schraapte zich de keel. Dat was
het teeken dat de zitting een aanvang nemen zou. Met kraaiende stem,
die tot op grooten afstand verstaanbaar was, begon hij:
--In den naam van den Profeet, en in naam van den Padischa, wien
Allah een lang leven schenke, wij hebben deze Kasa bijeengeroepen
om te oordeelen over twee misdaden, die heden in onze stad en in de
nabijheid daarvan, hebben plaats gevonden. Selim kom naar voren. Gij
zijt de aanklager. Vertel nu, wat er met u is gebeurd.
De Khawas trad nader en begon zijn verhaal. Wat wij te hooren
kregen was inderdaad belachelijk. Hij was ingespannen bezig met
ambtelijk werk, toen hij door ons, met moorddadige bedoelingen, werd
overvallen. Alleen door zijn tegenwoordigheid van geest en zijn dapper
verweer, was hij er in geslaagd zijn leven te redden.
Toen hij uitgesproken had, vroeg de Kodscha:
--En wie heeft u geslagen?
--Deze!--antwoordde hij op Halef wijzende.
--Wij weten nu, wie het is en wat hij heeft misdreven, en zullen dus
beraadslagen wat ons in deze te doen staat.
Hij fluisterde een poos met zijn mederechters en zeide toen met
luider stemme:
--De Kasa heeft besloten, dat den misdadiger op iedere voetzool veertig
zweepslagen zullen worden toegediend, waarna hij veertig dagen zal
worden gevangen gezet. Aldus geschiede in naam van den Padischa,
wien Allah zegene!
Halef greep naar zijn zweep, en ik had groote moeite om niet in lachen
uit te barsten.
--En nu is het tweede vergrijp aan de orde!--verkondigde de
ambtenaar.--Manuwadschi kom naar voren en spreek!
De man deed wat hem gezegd werd. Hij scheen angstiger te zijn dan
ik. Maar toen hij zijn verhaal wilde beginnen, wendde ik mij op zeer
beleefden toon tot den Kodscha Bascha, met de woorden:
--Zoudt gij zoo beleefd willen zijn om op te staan! Hij rees, niets
vermoedende, van zijn zitplaats op, waarna ik hem op zij schoof en
zelf zitten ging.
--Ik dank u!--zeide ik.--Het past den mindere den meerdere eer te
bewijzen. Gij hebt u zeer goed gedragen.
Het is dood jammer, dat het niet mogelijk is een juiste beschrijving
te geven van zijn gezicht. Hij begon vervaarlijk te knikkebollen,
wilde spreken, maar kon van louter schrik geen woord over de
lippen krijgen. Om nu ten minste toch uitdrukking te geven aan zijn
ontsteltenis, al was het dan ook alleen door gebaren, strekte hij
zijn armen uit en sloeg de handen boven zijn knikkend hoofd ineen.
Niemand sprak een woord. Geen Khawas verroerde zich. Men wachtte
blijkbaar op een uitbarsting van woede van den gebieder. Deze kwam
eindelijk weer eenigermate tot zichzelf, deed allerlei uitroepen en
schreeuwde mij ten slotte toe:
--Wat verzint gij? Hoe kunt gij zoo ontzettend onbeschaamd zijn, en--
--Hadschi Halef Omar! viel ik hem op luiden toon in de rede. Neem uw
zweep en den eerste den beste die het waagt mij nog één onvertogen,
onbeleefd woord toe te voegen, geeft gij een pak slaag dat de stukken
er af vliegen, onverschillig wie het zijn moge!
De kleine Hadschi stond dadelijk klaar met zijn zweep.
--Emir, ik gehoorzaam!--zeide hij op vasten toon. Gij hebt mij maar
een wenk te geven.
Het was jammer dat de verlichting veel te wenschen overliet, anders
had men heel wat verbaasde gezichten kunnen zien. De Kodscha Bascha
was blijkbaar met zijn houding verlegen. Toen fluisterde de Mubarek
hem een paar woorden in het oor, waarna hij de Khawassen beval:
--Neemt hem gevangen en sluit hem in den kelder!
Hij wees daarbij naar mij.
De politiedienaren traden nader, met de blanke sabel in de hand.
--Terug!--riep ik hun toe.--Wie 't waagt mij aan te raken, schiet
ik neer.
Ik hield hun de beide revolvers voor, en in het volgende oogenblik
zag ik geen Khawas meer. Zij waren onder de menigte verdwenen.
--Wat is de aanleiding tot uw toorn?--vroeg ik den Kodscha. Waarom
staat gij? Laat den Mubarek opstaan en zet gij u op zijn plaats.
Nu ging er een luid gemompel door de menigte. Dat ik den Kodscha durfde
beleedigen, was nog denkbaar, maar dat ik nu ook den Heilige aanviel,
dat werd hun toch wat te erg. Men begon te morren.
Dat gaf den Kodscha moed. Hij riep mij toornig toe:
--Mensch, gij moogt zijn wie gij wilt, maar voor zooveel
onbeschaamdheid zal ik u ten strengste straffen. De Mubarek is een
Heilige, een uitverkorene van Allah, een wonderdoener. Wanneer hij wil,
kan hij het vuur uit den Hemel op uw hoofd doen nederdalen!
--Zwijg, Kodscha Bascha! En als gij spreken wilt, spreek dan
verstandig. De Mubarek is geen Heilige en evenmin een wonderdoener. Hij
is een misdadiger, een woekeraar, een booswicht!
Kreten van afkeuring gingen nu uit de menigte op, maar boven alles
uit, klonk de stem van den Mubarek. Hij was opgestaan en strekte de
hand naar mij uit.
--Hij is een Giaur, een ongeloovige hond. Ik vervloek hem. Moge de
hel zich voor hem openen en hem verslinden. De booze geesten zullen...
Verder kwam hij niet, want mijn kleine Hadschi had hem zulk een
zweepslag toegediend, dat de oude zondaar in zijn woorden bleef steken
en een geweldigen luchtsprong maakte.
Dat was een waagstuk, zooals dan trouwens ook al heel spoedig bleek. Na
een oogenblik van volkomen stilte, vernam men aan alle kanten dreigende
kreten uit de menigte. Er ontstond gedrang. Ik ging vlug naast den
Mubarek staan.
--Rahat-Süküt! Weest rustig en stil! Ik zal u bewijzen dat ik gelijk
heb. Halef, breng het licht eens naderbij.--En nu, menschen, ziet,
wie de Mubarek is en hoe hij u bedriegt. Ziet gij deze krukken? Ik
pakte den schurk met de rechterhand in den nek, en kneep zijn mageren
hals haast fijn. Met de linkerhand rukte ik zijn kaftan open. Juist,
aan iedren kant hing een kruk. Beide waren van scharnieren voorzien
en konden dubbel geslagen worden.
Bij die gelegenheid zag ik dat de binnenkant van zijn kaftan anders
was gekleurd dan de buitenkant. Er waren verscheidene zakken in het
kleedingstuk. Ik tastte in den eerste den beste en haalde een harig
voorwerp te voorschijn. Het was een pruik, juist het vale verwarde
haar, dat ik bij den bedelaar had opgemerkt.
De kerel was zoo verschrikt, dat hij vergat eenigen tegenstand
te bieden. Nu echter schreeuwde hij om hulp en sloeg de armen om
zich heen.
--Osko, Omar! houdt hem vast. En stevig! Of het hem pijn doet,
hindert niets!
De beide aangesprokenen grepen hem, zoodat ik nu mijn handen vrij
had. Daar Halef een der olievaten weer in de nabijheid had gezet,
werd de groep helder verlicht en konden de aanwezigen duidelijk alles
zien. Zij bleven rustig.
--Deze man,--ging ik voort,--dien gij allen voor een heilige houdt, is
een bondgenoot van den duivel, of misschien wel de duivel zelf. Zijn
woning is een verblijfplaats van dieven en moordenaars, zooals ik u
later zal bewijzen. In allerlei vermommingen trekt hij het land door,
om gelegenheden tot misdaden op te zoeken. Hij en de bedelaar Sakat,
zijn een en dezelfde persoon. Hier onder de oksels bindt hij de
krukken. En daar zij onder het loopen tegen elkander slaan, hebt gij
dat gehouden voor het rammelen van zijn knokken. Hier is de pruik,
die hij als kreupele draagt!
Ik leegde zijn zakken een voor één, bekeek de voorwerpen en verklaarde
hun doel en gebruik.
--Hier is een busje met meel, dat dienen moet om hem een andere
gelaatskleur te geven. Daar is de lap waarmee hij het weer gauw
kan afvegen. Hier is een fleschje water, wat zeker dienen moest om
zich behoorlijk te kunnen afwasschen op plaatsen waar geen water bij
de hand was. En wat ziet gij hier? Ja, wat zou dat wel wezen? Twee
gummi balletjes, die hij gebruikte om zich wangen te maken als hij
den bedelaar wilde voorstellen. Zijn gelaat was dan voller. Ziet gij
de verschillende kleuren van den kaftan. Als bedelaar keerde hij den
donkeren kant naar buiten en bond zich dien om het middel vast. Dan
zag het kleed er oud en afgedragen uit. Hebt gij ooit den bedelaar
en den Mubarek tegelijk gezien? Zeker niet, want dat was ook niet
mogelijk, daar het een en dezelfde persoon was. En heeft de Mubarek
zich niet het eerst vertoond, toen ook de bedelaar in den omtrek kwam?
Deze laatste argumenten schenen wel het meest overtuigend te zijn,
want van alle kanten hoorde men goedkeurende en toestemmende uitroepen.
Nu nam ik een klein pakje uit een der zakken. Ik wikkelde de lompen,
waarin het gewikkeld was, los en haalde een armband van oude
Venetiaansche goudstukken te voorschijn. Bij eenige munten was de
stempel nog zeer duidelijk zichtbaar. Bij het licht der vlammen zag ik,
op een der keerzijden, duidelijk het beeld van den heiligen Markus,
die den Doge het kruisvaandel overreikt, en aan de andere zijde het
beeld van een anderen mij onbekenden heilige, omgeven door sterren
en de woorden: Sit tibi, Christe, datus, quem tu regis, iste ducatus.
--Hier is een Bilezik van twaalf gouden munten, in een lap
gewikkeld,--ging ik voort,--wie weet waar hij die gestolen
heeft! Wanneer gij navraagt, zal de eigenares vermoedelijk wel te
vinden zijn.
--On iki zikkeler, twaalf muntstukken!--riep een vrouwenstem achter
mij.--Laat eens zien! De vorige week is mij zulk een armband ontstolen.
Het was Nohuda, de Erwt; zij kwam nu naderbij, nam mij den armband
uit de hand, bekeek dien en riep uit:
--Allah! het is de mijne. Het is een erfstuk van een mijner vrouwelijke
voorouders. Bekijk hem en overtuig u dat hij inderdaad mij toebehoort.
Zij reikte hem haar man.
--Bij Allah, het is de uwe!--erkende hij.
--Bedenk u dus eens, Nohuda, of de Mubarek omstreeks dien tijd bij
u is geweest,--zeide ik.
--De Mubarek niet, maar de kreupele. Hij werd binnengeroepen om wat
eten in ontvangst te nemen. Ik had mijn sierraden op de tafel liggen
en bergde die in een kastje weg. Dat heeft hij gezien. En toen ik
een paar dagen later er naar keek, was de armband verdwenen.
--Nu, nu kent gij den dief!
--Ja hij is het! Hij had hem! Het is bewezen. O schavuit, die gij
zijt! Ik zal u de oogen uitkrabben. Ik zal------
--Zwijg nu!--viel ik haar in de rede, bevreesd dat als de stroom harer
welbespraaktheid eenmaal was losgebroken, die niet zoo spoedig weer
tot staan zou zijn gebracht.
--Neem den armband terug en laat den dief straffen. Gij ziet nu eens,
welk een mensch gij allen hebt vereerd. En die roover is nog wel tot
Basch Kiatib benoemd en heeft over anderen recht gesproken. Mij heeft
hij reeds naar de hel gevloekt, en het heeft niet veel gescheeld of
hij had de hier verzamelde menigte tegen mij in het harnas gejaagd. Ik
eisch dat hij op een veilige plaats wordt opgesloten, vanwaar ontkomen
niet mogelijk is, en dat de Makredsch van Saloniki onmiddellijk met
het gebeurde in kennis wordt gesteld.
Men was het niet alleen volkomen met mij eens, maar riep van alle
kanten:
--Laat hem eerst afranselen! Geef hem een bastonnade! Slaat hem de
voetzolen stuk!
--Sapijtijn iz ona bojunu!--Draait hem den hals om!--krijschte Nohuda,
die woedend was over den gepleegden diefstal.
De Mubarek had tot nu toe gezwegen. Maar nu schreeuwde hij:
--Gelooft hem niet! Hij is een Giaur. Hij is de dief en heeft mij
den armband eerst zooeven in mijn zak gestopt. Hij--Aï, Aï!--
Hij viel zichzelf met dien uitroep van pijn in de rede, omdat Halefs
zweep onzacht op zijn rug neerkwam.
--Wacht schurk! riep de Hadschi.--Ik zal op uw rug schrijven dat wij
eerst heden hier in de buurt zijn gekomen. Hoe kan de Emir dan den
armband hebben gestolen? En buitendien, zulk een beroemde Effendi is
geen dief. Daar hebt gij uw loon!
Hij diende hem nog een paar zweepslagen toe, waardoor de oude schavuit
brulde van pijn.
--Aferim! Aferim! Bravo! Bravo! riepen de lieden die een oogenblik
van te voren ons gevaarlijk dreigden te worden. De Kodscha Bascha
wist niet wat hij doen of zeggen moest. Hij liet mij mijn gang gaan,
maar had toch gauw van de gelegenheid gebruik gemaakt om weder
op zijn stoel te gaan zitten. Zoo was dan toch tenminste zijn eer
gered. Zijn medeaanzittenden zwegen. Zij schenen het ietwat benauwd te
hebben. De Khawassen bemerkende dat mijn papieren begonnen te stijgen,
en aannemende dat ik daardoor goed gehumeurd en niet meer gevaarlijk
voor hen wezen zou, kwamen, de een vóór, de ander na, weer naderbij.
--Bindt den kerel!--riep ik hun toe. Boeit hem!
Zij gehoorzaamden onmiddellijk, en geen der aanwezige rechterlijke
ambtenaren verzette zich tegen mijn eigenmachtig optreden.
De Mubarek bemerkte zeer goed, dat het voor hem het verstandigste was
zich in zijn lot te schikken. Hij liet zich binden zonder den minsten
tegenstand te bieden en ging toen weer op zijn plaats zitten, waar hij
ineen zonk. De anderen stonden onmiddellijk op. Zij wilden de bank
niet met een misdadiger deelen.--En nu zullen wij op de rechtspraak
terug komen!--zei ik tegen den Kodscha Bascha.
--Kent gij de wetten van uw land?
--Natuurlijk moet ik die kennen!--antwoordde hij--ik heb immers aan
de hoogeschool gestudeerd.
--Dat geloof ik niet!
--Waarom niet?--vroeg hij beleedigd.--Ik ken het geheele geestelijk
recht dat op den Koran berust, op de Sunna en de uitspraken van de
eerste vier Khalifen.
--Kent gij dan ook het Mülteka el buher, wat uw burgerlijk en
strafrechterlijk wetboek is?
--Ook dat ken ik. Scheik Ibrahim Halebi heeft het vervaardigd.
--Wanneer gij die bepalingen inderdaad kent, waarom handelt gij dan
niet dienovereenkomstig.
--Ik heb mij steeds en ook heden stipt daaraan gehouden.
--Dat is niet waar. Er staat geschreven, dat de rechter ook zelfs den
grootsten misdadiger, alvorens hem te veroordeelen, gelegenheid geven
moet tot verdediging. Gij hebt nu mijn vriend en metgezel veroordeeld,
zonder hem ook maar een enkel oogenblik aan het woord te laten. Uw
vonnis is dus niet rechtmatig. Ook moeten bij de behandeling alle
aangeklaagden en alle getuigen tegenwoordig zijn, en dat was hier
niet het geval.
--Ze zijn er immers allen!
--Neen. Ibarek de herbergier ontbreekt. Waar is hij?
De rechter schudde verlegen met het hoofd, stond op en antwoordde:--Ik
zal hem laten halen!
Hij wilde weggaan, maar ik vermoedde wat met Ibarek was gebeurd,
en hield den Kodscha Bascha tegen, terwijl ik de Khawassen gelastte:
--Ga Ibarek halen, maar gij brengt hem hier, precies in denzelfden
toestand waarin gij hem vindt!
Twee hunner gingen heen en keerden weldra met den waard terug. Men
had hem de handen op den rug gebonden.
--Wat is dat? Wat heeft de man gedaan dat men hem heeft
gebonden?--vroeg ik.--Wie heeft daartoe het bevel gegeven?
--De Bascha schudde vervaarlijk met het hoofd en zeide:
--De Mubarek wilde het zóó!
--Dus moet de Kodscha Bascha doen, wat de Basch Kiatib beveelt? En gij
zegt nog wel, dat gij de wetten hebt bestudeerd! Dan is het inderdaad
geen wonder, dat in uw gebied een spitsboef voor een Heilige wordt
gehouden.
--Ik was in mijn recht!--verdedigde hij flauwtjes.
--Dat kunt gij mij niet bewijzen!
--O zeker! Ik heb u niet laten gevangen nemen, omdat gij vreemdeling
zijt. De herbergier echter is een inwoner des lands en staat onder
mijn macht!
--En gij meent dat gij die macht moogt misbruiken! Daar staan nog
eenige honderden uwer ondergeschikten. Meent gij, dat gij maar met
hen doen kunt wat u goeddunkt! Misschien hebt gij dat tot nu toe wel
gedaan, maar zij zullen, wat heden is voorgevallen, wel ter harte nemen
en voortaan gerechtigheid verlangen. Ibarek is bestolen geworden. Hij
kwam tot u om hulp en inplaats daarvan hebt gij hem laten boeien
en opsluiten. Hoe zult gij die onrechtvaardigheid verantwoorden? Ik
verlang dat gij hem onmiddellijk losbindt!
--Dat moeten de Khawassen doen!
--Neen, gij zelf zult het doen, tot boete voor uw groote
onrechtvaardigheid.
Dat was hem toch te veel. Toornig sprong hij op.
--Wie zijt gij eigenlijk, dat gij hier een toon aanslaat als waart
gij de Makredsch of Bilad i Kamse Mollatari in persoon.
--Hier zijn mijn papieren!
Ik gaf hem mijn drie passen. Toen hij het Teskereh, het Buyuruldi
en zelfs den Ferman zag, kneep hij verschrikt zijn kleine waterige
oogen dicht en zijn hoofd knikte heen en weer als het Metronoom van
den beroemden Regensburger Johann Nepomuk Mälyz.
--Heer, gij staat onder bescherming van den Grooten Heer! riep hij uit.
--Zorg dan, dat ik een deel dier bescherming over u kan uitstrekken.
--Ik zal doen wat gij verlangt.
Hij trad op Ibarek toe en maakte hem de banden los.
--Zijt gij nu tevreden? vroeg hij.
--Ten deele. Er wordt nog meer van u verlangd. Uw Khawas Selim heeft
een valsche getuigenis afgelegd. De zaak heeft zich heel anders
toegedragen, dan hij heeft verteld. De Mubarek zal hem wel hebben
voorgezegd, wat hij zeggen moest om ons het meeste kwaad te doen.
--Dat geloof ik niet!
--Maar ik geloof het wel, want hij heeft ook den overman verleid om
omtrent mij een onware getuigenis af te leggen.
--Is dat waar?
Deze vraag was gericht tot den overman, die nu van meening was,
dat de Mubarek hem geen kwaad meer kon doen en dus vrijuit vertelde,
dat deze hem de les had voorgezegd.
--Gij ziet,--aldus wendde ik mij tot den Bascha,--dat ik dezen man
geenszins naar het leven heb gestaan. Ik bemerkte dat hij de compagnon
van dien oude was, en nam hem met mij mede om daarvan wat naders te
weten te komen. Dat is alles, en indien gij mij daarvoor wilt straffen,
ben ik bereid mij te verdedigen!
--Heer, er kan geen sprake zijn van u te bestraffen, want gij hebt
geen kwaad gedaan!
--Dan kan ook mijn metgezel niet worden gestraft wegens zijn optreden
tegenover den Khawas, want niet hij, maar heel iemand anders is daar
de schuld van!
--En wie is die andere?
--Gij zelf!
--Ik?--Hoezoo?
--Toen Ibarek bestolen was geworden, kwam hij tot u om 't aan te
geven. En wat hebt gij gedaan om uw plicht te vervullen?
--Alles wat ik kon!
--Zoo! En dat was?
--Ik heb Selim opgedragen om na te denken over hetgeen in deze kon
worden gedaan!
--En de andere Khawassen hadt gij daarmede niet belast!
--Neen, dat was niet noodig, die hadden toch niets gevonden!
--Dan moeten uw politiedienaren wel zeer groote domkoppen zijn, als
gij reeds vooruit weet dat zij geen succes zullen hebben. De misdaad
heeft hier plaats gehad. En waarom dan de zaak juist opgedragen aan
Selim, die eerst sedert kort hier is gevestigd?
--Omdat hij de knapste is!
--Ik vermoed, dat gij daarvoor een heel andere reden hadt.
--Heer, welke reden zou ik daarvoor hebben?
--Een goed ambtenaar spant alle krachten in om de bedrijvers van
dergelijke misdaden te vinden. Maar gij hebt gezwegen en den eene
wien gij er mede in kennis steldet, een geheele week tijd gegeven om
over de zaak na te denken. Het had er alles van, alsof gij de dieven
gelegenheid wildet geven om weg te komen.
--Effendi, wat denkt gij wel van mij!
--Mijn oordeel over u is het gevolg van uw manier van handelen. Niets
lag meer voor de hand, dan dat gij hier in Ostromdscha naar de
misdadigers liet zoeken.
--Zij zijn immers naar Doiran gereden!
--Om dát te gelooven, moet men al heel onnoozel zijn. Geen dief zal
ooit zeggen, waar hij van plan is heen te gaan. Dat moest gij als
oud jurist toch weten. En wat nu, als ik tot de ontdekking kom dat
gij een vriend van die misdadigers zijt?
Hij begon van louter schrik weer met het hoofd te knikken.
--Ik weet niet wat ik daarop moet antwoorden, riep hij uit.
--Zeg maar liever niets, want mijn meening blijft toch
dezelfde. Wanneer gij u in deze zaak hadt gedragen, zooals uw plicht
u dat gebood, waren de dieven al lang ontdekt!
--Gelooft gij dan dat zij vrijwillig bij mij zouden zijn gekomen om
zich aan te geven?
--Neen, maar ik geloof dat zij hier in Ostromdscha zijn!
--Onmogelijk; in geen enkelen Konak zijn die reizigers afgestegen.
--Dat zullen zij wel laten. Zoo dicht bij de plaats van de misdaad
zullen zij zich niet openlijk vertoonen. Zij hebben zich verborgen.
--En moet ik dan weten bij wien?
--Waarom niet? Ik ben een vreemde en weet het toch!
--Wat? Weet gij het?
--Ja, en heel nauwkeurig zelfs!
--Dan moet gij alwetend zijn!
--Neen, maar ik heb geleerd na te denken. Zulke schurken verbergen
zich natuurlijk alleen bij iemand, die even slecht is als zij. Wie
is nu het slechtste schepsel in Ostromdscha?
--Meent gij den Mubarek?
--Geraden!
--En bij hem zouden zij zijn?
--Precies!
--Gij vergist u.
--Ik vergis me zoo weinig, dat ik bereid ben met u een weddenschap
aan te gaan. Wanneer gij de dieven gevangen wilt nemen hebt gij maar
naar boven op den berg te gaan.
Hij keek den Mubarek aan, en deze beantwoordde dien blik. Het scheen
mij alsof die twee het met elkander eens waren.
--Die tocht zou tevergeefs zijn, Heer!--zeide hij.
--Ik ben van het tegendeel overtuigd, en ik zeg u dat wij niet alleen
de dieven maar ook de gestolen voorwerpen zouden vinden. En daarom
gelast ik u mij met de Khawassen te volgen!
--Gij schertst toch zeker!
--Neen, het is mij volle ernst!
--In deze duisternis?
--Zijt gij bang?
--Neen, maar zulke menschen zijn gevaarlijk. Indien zij inderdaad
daarboven zijn, zullen zij zich verdedigen. Wacht liever tot morgen
als de dag is aangebroken.
--Vóór dien tijd zouden zij kunnen ontsnappen. Het heeft er trouwens
wel iets van of hier menschen zijn, die de dieven zouden waarschuwen.
--Dat zal niemand doen. Ik zelf zou er voor zorgen, dat niemand naar
de ruïne kon gaan.
--Zorg liever dat wij spoedig kunnen opbreken, en gelast dat er
lantaarns worden mede genomen!
--Maar, Heer, laat dat voornemen toch varen!
--Neen, wanneer gij uw plicht niet wilt doen, kunt gij thuis
blijven. Ik zal wel menschen vinden, die het ambt van Kodscha Bascha
meer waard zijn dan gij!
Dát hielp. Hij schudde nog wel hoogst bedenkelijk met het hoofd,
maar zeide toch:
--Gij moet mijn bedoeling niet miskennen. Ik ben slechts op uw eigen
welzijn bedacht, en verlang niet dat gij u in gevaar begeeft!
--Bekommer u daar maar niet over. Ik zal wel voor mijzelf zorgen.
--Gaat de Mubarek meê?
--Ja, hij moet ons den weg wijzen!
--Dan zal ik voor verlichting en voor wapens zorgen!--zeide hij,
en ging in huis om, zooals ik vermoedde, een en ander in orde te maken.
TWEEDE HOOFDSTUK.
EEN NACHTELIJKE TOCHT.
De Kodscha Bascha keerde weldra terug met eenige oude lantarens,
fakkels en een aantal spanen, waarna wij ons op weg begaven waarbij
velen der omstanders zich bij ons aansloten.
Een nachtelijke tocht naar de ruïne om dieven op te vangen, dát was
nog nooit alhier vertoond en was een heel vermaak voor de bevolking;
daarom gingen ook nagenoeg alle bewoners van de plaats met ons mede.
Voorop gingen eenige Khawassen, dan volgde de Bascha met de overige
rechters, daar achter de Mubarek tusschen Osko en Omar, wie ik zijn
bewaking had opgedragen; vervolgens kwam ik met Halef en de beide
zwagers, de herbergiers, terwijl daar achter alle bewoners van
Ostromdscha, mannen en vrouwen, oud en jong volgden.
Luid pratende, werd de tocht begonnen, maar hoe dichter wij bij de
ruïne kwamen, hoe stiller de menschen werden. Zij begonnen in te zien,
dat men voorzichtig zijn moet om dieven te vangen.
Eindelijk bij den rand van het bosch, bleven velen achter. Dat waren de
vreesachtigen. Zij bezwoeren bij hoog en laag, dat zij hier alleen post
vatten, opdat de dieven langs dezen weg niet zouden kunnen ontkomen.
Toen wij eindelijk op de open plek waren aangekomen, heerschte daar een
stilte als van het graf. De helden kregen het benauwd. De spitsboeven
konden ieder oogenblik te voorschijn komen, of zich achter een boom
hebben verborgen. Men ging zoo zachtjes voorwaarts, om hen niet op te
jagen, en om geen kans te loopen dat deze of gene met hen handgemeen
werd, want er waren vrouwen ook bij.
De Mubarek stond met Osko en Omar voor de deur van de ruïne. Hij
verlangde dat wij hem zouden binnen laten. Daar hij zich met chemie
bezighield en allerlei zoogenaamde tooverkunsten kende, vertrouwde ik
hem niet best. Hij kon wel het een of ander hebben in orde gemaakt,
voor het geval van een plotselinge gevangenneming.
--Wat moet gij daar binnen doen?--vroeg ik. Hij antwoordde niet. De
goede man scheen niets meer van mij te willen weten.
--Wanneer gij geen antwoord geeft, kunt gij ook niet verwachten,
dat aan uw verzoek wordt voldaan.
Nu antwoordde hij.
--Ik heb daar dieren, die gevoederd moeten worden.
--Dat zal ik zelf morgen wel doen. Uw tehuis is voortaan de gevangenis,
maar toch zal ik doen wat gij verlangt, indien gij mij naar waarheid
antwoordt op eenige vragen die ik u zal stellen.
--Vraag maar op!
--Hebt gij bezoek?
--Neen.
--Er woont dus niemand in uw hut dan gij alleen, en gij weet ook niet
of het mogelijk is dat een ander zich in de hut ophoudt.
--Er is niemand, anders moest ik het weten.
--Kent gij ook twee personen, met name Manach el Barscha en Barud
el Amasat?
--Ik ken noch den een noch den ander.
--En toch beweren zij, u zeer goed te kennen.
--Dat is niet waar.
--Zij zeggen ook, dat gij hen heden met mijn komst in kennis hebt
gesteld.
--Dat is niet waar!
--En dat gij er voor zorgen zoudt, dat ik in de gevangenis werd gezet,
waarna gij zoudt komen en mij vermoorden!
Hij antwoordde niet dadelijk. 't Kwam hem ongehoord voor, dat ik
alles weten zou.
Eindelijk antwoordde hij.
--Heer, ik begrijp niet waarover gij spreekt en ken geen der mannen
wier namen gij hebt genoemd!
--Gij zijt zóó onwetend dat ik inderdaad medelijden met u heb, en uit
medelijden zal ik u nu eens laten zien, welke gevaarlijke menschen
hier in de nabijheid zijn!
Met deze woorden pakte ik hem bij den arm en nam hem mede. Halef ging
met een fakkel vooruit, de heeren van het gerecht, Osko en Omar,
benevens de beide herbergiers volgden, terwijl de anderen achter
moesten blijven, omdat het binnenste gedeelte der ruïne geen ruimte
bood voor zoovele personen.--Toen Halef de klimop op zijde schoof,
hoorde ik dat de oude een vloek uitstiet.
--Wat? Paarden? vroeg de Kodscha Bascha, toen wij in de afdeeling
kwamen die voor stal werd gebruikt.
--Waar paarden zijn, moeten ook menschen wezen, wie zij
toebehooren!--merkte Halef op. Laten wij eens verder kijken!
De drie schelmen die Halef en ik, bij ons vorig bezoek aan de hut,
hadden geboeid, [2] lagen nog juist zooals wij hen hadden verlaten.
Niemand sprak een woord. Met Halef's hulp maakte ik hun touwen en
banden los, althans voor zoover dit noodig was om hun gelegenheid te
geven om op te staan en hun voeten te gebruiken.
--Manach el Barscha, kent gij dezen man?--vroeg ik, naar den Mubarek
wijzende.
--Allah vervloeke u!--antwoordde hij.
--Barud el Amasat, kent gij hem?
--Stort van de brug des Doods in de eeuwige verdoemenis!--riep hij.
Nu wendde ik mij tot den opzichter der gevangenis.
--Uw eenige misdaad is, dat gij den gevangene hebt bevrijd. Deze
beiden zullen streng worden gestraft, doch uw straf zal lichter
uitvallen, wanneer gij toont geen halsstarrig zondaar te zijn. Zeg
de waarheid! Kent gij dezen man?
--Ja,--antwoordde hij, na zich een oogenblik te hebben bedacht.
--Wie is hij?
--De oude Mubarek!
--Kent gij ook zijn werkelijken naam?
--Neen!
--Hij en uw beide kameraden kennen elkander ook?
--Ja, Manach el Barscha is zeer dikwijls bij hem geweest.
--En ik zou te Menlik vermoord worden?
--Ja!--
--En vandaag werd dat plan wederom opgevat. Men wilde mij nu in de
gevangenis dooden.
--Zoo is het!
--En nu nog iets. Terwijl gij met Ibarek en zijn vrienden kaart
speeldet, hebben de beide anderen hem bestolen.
--Dat heb niet ik, maar dat hebben zij gedaan!
--Nu, het is wel. Ge zijt er dan toch bij betrokken, en hebt met uw
kunstgrepen den diefstal mogelijk gemaakt. Ik heb genoeg gehoord!--En
mij tot den Kodscha Bascha wendende ging ik voort:
--Nu, heb ik gelijk gehad? Zijn de dieven niet in de ruïne!
--Gij had hen reeds gevonden, toen gij mij over hen spraakt.
--Juist, maar dat ik hen zoo te juister tijd en zoo gauw gevonden heb,
is een bewijs te meer hoe gemakkelijk het voor u zou zijn geweest
om uw plicht te doen. Deze drie personen moeten onmiddellijk naar
de gevangenis worden overgebracht, en morgen brengt gij rapport uit
bij den Makredsch, waar ik mijn schrijven zal bijvoegen. Hij zal dan
beslissen wat gebeuren moet. Hier Ibarek, ik geloof dat daar op den
grond alle voorwerpen liggen die men u heeft ontstolen.
Ibarek was verbazend in zijn schik, zijn bezittingen terug te zien,
en wilde alles weder bij zich steken, waartegen de Kodscha Bascha
zich echter verzette, bewerende een en ander als bewijsstukken bij
de behandeling der zaak te moeten overleggen.
Ik begreep zijn bedoeling, en twijfelde er aan of Ibarek dan ooit
iets van het zijne zou terug zien. Ik antwoordde daarom, dat dit niet
noodig was en ik een lijst zou opstellen, vermeldende alle aanwezige
voorwerpen naar hun waarde geschat, die volkomen denzelfden dienst zou
kunnen doen, en in weerwil van het tegenstribbelen van den Kodscha
werd alles door mijn kleinen Hadschi in minder dan geen tijd bij
elkaar gepakt en in diens zakken gestoken.
--Dieven!--mompelde de Mubarek.
Halef's zweep gaf hem op die opmerking een duidelijk en goed voelbaar
antwoord. De gevangenen werden nu uit de ruïne, naar de open plek
gebracht, waar het nieuwsgierige publiek zich om hen verdrong, en
weldra zette de stoet zich in beweging. De Khawassen namen de vier
gevangenen in hun midden, en de heeren van het gerecht volgden.
Op een wenk van Halef bleef ik met hem achter.
Toen de anderen verdwenen waren, maakten wij de deur der hut open en
staken, met behulp van vuursteen, een stuk papier aan waarmede wij
een fakkel ontbrandden. Het eerste vertrek dat wij binnen traden,
was nagenoeg geheel leeg, maar toen wij het tweede wilden binnen
gaan, zag ik verscheidene draden die boven, onder en midden langs den
ingang liepen. Ik raakte een daarvan voorzichtig met het handvat van
mijn zweep aan en dadelijk daarop weerklonk een schot, wat ons deed
besluiten heen te gaan en onze onderzoekingstocht uit te stellen tot
den volgenden morgen. Juist toen wij den terugweg wilden aanvaarden,
kwam een vrouwelijke gedaante op ons toeloopen. Ik kon haar gelaat
niet onderscheiden. Zij greep echter mijn hand en drukte, vóór ik
het kon verhinderen, er haar lippen op.
--Ik zag bij het schijnsel van de fakkel, dat gij het waart, Effendi
en ik kom u nogmaals mijn dank betuigen.
Het was Nebatja, de kruidenzoekster.
--Wat doet gij hierboven? vroeg ik haar.--Waart gij reeds hier toen
wij de gevangenen kwamen halen?
--Neen! Het is voor mij geen vreugde des harten zulke ongelukkige
menschen te zien. Maar ik was op de binnenplaats van den Kodscha
Bascha, toen gij veroordeeld worden zoudt. Heer, gij zijt dapper
geweest, maar gij hebt u een bitteren vijand gemaakt!
--Wie dan? De Mubarek?
--Neen, dien meen ik niet, ofschoon ook hij u haat! Ik meen den
Kodscha Bascha.
--Ja, ik wil wel gelooven, dat hij niet bijzonder op mij zal gesteld
zijn, maar als vijand behoef ik hem niet te vreezen.
--Maar toch vraag ik u, wees voorzichtig!
--Is hij zoo slecht?
--Ja, hij is overheidspersoon, maar beschermt in 't geheim alle dieven,
schelmen en moordenaars van de bende van den Shoet.
--Hoe weet gij dat?
--Omdat hij dikwijls des nachts hierboven bij den Mubarek kwam.
--Zijt gij dan dikwijls hier geweest?
--O ja! Ofschoon de Mubarek het mij verboden had. Er zijn echter
planten die men alleen des nachts kan zoeken. Dit werd mij in den
laatsten tijd dikwijls zeer moeilijk gemaakt. Maar heden hebt gij mijn
vijand ontmaskerd en hem onschadelijk gemaakt. Hij is nu gevangen en
daarom ben ik dadelijk hierheen gegaan om na middernacht een koning
te zoeken.
--Een koning? Is dat ook een plant?
--Ja, kent gij die niet.
--Neen! Hoe is de naam van die plant?
--Het is de Hadsch Marrjam. Hoe jammer, dat gij die niet kent.
--Ja, die ken ik wel, maar ik wist niet dat die een koning had.
--Slechts weinige menschen weten dat, en dan is nog maar zelden
iemand zoo gelukkig om een koning te vinden. Het is vandaag de eerste
zondag na Nieuwe Maan en dan heeft men het meeste kans een koning te
vinden. Wanneer gij tijd hebt, kunt gij hem zien schitteren.
--Ik zou gaarne met u meegaan, want ik stel levendig belang in zulke
natuurgeheimen, maar ik moet, helaas, naar de stad terug.
--Dan zal ik u hem morgen avond brengen, dan is de glans nog niet
gedoofd.
--Ik weet niet of ik dan nog in Ostromdscha wezen zal.
--Heer, wilt gij reeds zoo spoedig weer vertrekken.
--Ja, ik kwam niet hier met het voornemen hier lang te vertoeven. Ik
heb maar weinig tijd te missen. Maar vertel mij eens, welke kracht
schrijft gij aan den distelkoning toe?
--De gewone Hadsch Marrjam geneest, als thee gedronken, de longtering,
wanneer deze tenminste niet te zeer verouderd is. De distel bevat
eene stof die de kleine ziektekiemen, die zich in de longen bevinden,
doodt. Van den koning vertelt men echter, dat hij longlijders nog
van den rand van het graf redt.
--Hebt gij het wel eens beproefd?
--Neen, maar ik geloof dat de Schepper alles kan wat hij wil en ook
het kleinste plantje de grootste geneeskracht geven kan.
--Kom dan morgen bij mij en laat mij den koning zien, wanneer ik er
nog ben. Weet gij waar ik woon?
--Ja, dat heb ik gehoord. Rust wel, Effendi!
--Veel succes met den koning, Nebatja!--En zij ging heen.
Weinig vermoedde ik, dat ik den distelkoning weldra mijn leven zou
hebben te danken, en 't zou mijn geluk zijn dat de kruidenzoekster
dien avond naar de ruïne was gegaan om hem te zoeken.
DERDE HOOFDSTUK.
ONTVLUCHT!
Toen wij weder in het plaatsje kwamen, gingen wij dadelijk naar den
Kodscha Bascha, waar ik mijn verklaring opstelde. Zijn kleine oogen
fonkelden, toen wij den inhoud van de drie geldzakken uittelden.
Hij vroeg nogmaals of ik de overzending niet aan hem wilde overlaten,
maar ik bleef er op staan, daar zelf voor te zorgen. Weldra zou het
blijken dat ik daar goed aan had gedaan. Om mij te ergeren bleef hij
er echter op aandringen, dat zij dan tenminste met zijn zegel zouden
worden voorzien, waartegen ik mij natuurlijk geen oogenblik verzette.
Daarna begaf ik mij naar de gevangenen. Zij waren in een kelder
opgesloten en geboeid. Ik vroeg hem, of dat geen onnoodig kwellen was:
hij was echter van meening dat men tegen zulke perceelen niet streng
genoeg kon optreden, hij was zelfs van plan om gedurende den nacht
een zijner ondergeschikten bij de deur op wacht te zetten.
Ik voelde mij dus, wat de gevangenen betrof, volkomen gerustgesteld,
en dacht inderdaad niet, dat men hen alleen geboeid had, omdat men
verwachtte dat ik naar hen zou komen kijken.
Van hier begaf ik mij naar den Konak waar wij ons eindelijk aan den
avondmaaltijd zetten. Wij zaten weer in hetzelfde vertrek als dien
middag, bijeen. Het ging er recht opgewekt toe, want de gebeurtenissen
van dien dag gaven stof te over tot een levendige gedachtenwisseling,
en zoo werd het lang na middernacht, vóór wij ons ter ruste begaven.
Mij werd de mooiste kamer aangewezen, die ik langs een trap
bereikte. Daar er twee bedden stonden, nam ik den kleinen Hadschi bij
mij. Ik wist dat zulk een bewijs van vriendschap hem zeer aangenaam
was.
Mijn horloge wees even over tweeën toen wij ons gereed maakten ons
van onze kleederen te ontdoen. Daar werd aan de gegrendelde voordeur
geklopt. Ik deed het blind open en keek naar buiten. Er stond iemand
voor de deur, maar ik kon niet onderscheiden wie het was.
--Kim dir?--wie is daar? vroeg ik.
--O, dat is uw stem!--klonk een vrouwenstem.--Niet waar, gij zijt de
vreemde Effendi?
--Ja, en gij zijt de plantenzoekster!
--Ja, Heer, kom naar beneden; ik heb u wat te zeggen!
--Is het noodzakelijk?
--Zeker!
--En kan ik daarna weer gaan slapen?
--Nu, dat zal wel niet zoo heel gauw zijn!
--Wacht, ik kom!
Eenige oogenblikken later was ik beneden bij haar.
--Effendi, er is iets heel ergs gebeurd. De gevangenen zijn ontvlucht.
--Wat zegt ge! Is het werkelijk waar?
--Ja, zij zijn gevlucht.
--Hoe weet gij dat?
--Ik heb het gezien, en zelfs gehoord wat zij spraken.
--Hoezoo?
--Daar boven op den berg, bij de hut van den Mubarek.
--Sihdi;--zeide Halef.--Wij moeten weg, onmiddellijk weg, den berg op;
neerschieten moeten wij hen, anders wagen wij ons leven!
--Wacht, eerst moeten wij alles weten. Nebatja, vertel ons eens
hoeveel er waren.
--De drie vreemdelingen, de Mubarek en de Kodscha Bascha.
--Wat nu! Was de Kodscha Bascha er ook bij?
--Ja, hij heeft hen zelf losgelaten en daarvoor van den Mubarek
vijfduizend piasters gekregen.
--Weet gij dat zeker?
--Ik heb het duidelijk gehoord.
--Vertel ons dan alles. Maar kort, want wij hebben geen tijd te
verliezen.
--Ik had dan den distelkoning gehaald en wilde naar de open plek op
den berg terugkeeren. Toen zag ik vier mannen komen uit de richting
van de stad. Ik wilde mij niet laten zien en kroop weg in den hoek,
die gevormd wordt door de hut en den muur die er tegen aan staat. De
vier mannen wilden de hut binnen gaan waarvan de deur echter gesloten
was. Drie hunner kende ik niet, de vierde echter was de Mubarek. Zij
spraken er over dat de rechter hen nu vrij had gelaten, en weldra zou
komen om daarvoor vijfduizend piasters in ontvangst te nemen. Wanneer
zij hem betaald hadden, wilden zij weg, maar zij moesten zich toch
op u wreken. Die een zeide, dat gij in ieder geval naar Radowitsch
en Istib zoudt gaan. En onderweg zouden de Aladschy's u dan aanvallen.
--Wie zijn de Aladschy's?
--Dat weet ik niet. Toen kwam de Kodscha Bascha, en daar niemand
een sleutel had, trapten zij de deur in. Er werd licht gemaakt en
juist daar, waar ik stond, een raam geopend. Daaruit kwamen vogels,
vleermuizen en andere dieren, wie de Mubarek de vrijheid gaf. Toen
werd ik bang en vluchtte zoo gauw mijn voeten mij dragen konden,
naar de stad, naar u toe. En dat is het wat ik u had te zeggen.
--Ik dank u Nebatja! Morgen zult gij uw belooning ontvangen. Ga nu
naar huis. Ik heb geen tijd meer te missen!
Nu ging ik weer naar binnen. Ik behoefde niemand te wekken, want het
feit dat ik was opgeklopt geworden, was een zeker teeken geweest, dat
er iets bijzonders aan de hand was en men was dus reeds opgestaan. Twee
minuten later waren wij allen gewapend en onderweg. Halef, Osko,
Omar en ik. De beide herbergiers hadden de stad willen alarmeeren,
maar ik had hun dat verboden, want de vluchtelingen zouden het leven
hooren en daardoor gewaarschuwd zijn geworden. Ik droeg den beiden
zwagers op, nog eenige wakkere mannen bijeen te roepen en met hen den
straatweg naar Radowitsch te bezetten. Zóó moesten de vluchtelingen
ons in ieder geval in de handen vallen, wanneer het ons tenminste
niet eerder gelukte hen onschadelijk te maken.
Wij vieren gingen den berg op, zoo gauw wij konden, maar toen wij
bij het bosch kwamen, waren wij wel genoodzaakt, om, wilden wij niet
vallen, onzen gang te matigen.
Plotseling was het mij alsof dichtbij iemand een korte hooge "I"
uitstiet, als door plotselingen schrik bevangen. Toen was het alsof
ik iemand hoorde vallen.
--Halt!--fluisterde ik de anderen toe. Er is daar iemand vóór
ons. Blijft staan en houdt u kalm en rustig.
Na eenige oogenblikken naderde iemand langzaam. Het waren onregelmatige
stappen en het scheen wel alsof de eene voet langzamer en ook zachter
dan de andere werd neergezet. Hij hinkte. Misschien had hij zich bij
een val gekwetst.
Nu was hij vlak bij mij. Het was geen heldere nacht, en tusschen
de plaats waar ik stond en de boomen, was het pikdonker. Daarom
onderscheidde ik meer door mijn instinct dan door mijn oogen geleid,
een lange magere gestalte, die veel op die van den Kodscha Bascha
geleek.
Ik pakte hem bij de borst.
--Dur we sus,--Sta stil en zwijg!--gebood ik hem op gedempten toon.
--Ia Allah!--riep hij verschrikt.
--Wees stil, of ik sla u dood!
--Wie zijt gij?--vroeg hij.
--Kent gij mij niet?
--Ah! gij zijt de vreemdeling! Wat wilt gij hier?
Misschien hoorde hij het aan mijn stem. Misschien ook was mijn
gestalte beter te herkennen dan de zijne. Hij wist tenminste wien
hij voor zich had.
--En gij! Wie zijt gij!--vroeg ik. Misschien de Kodscha Bascha,
die de gevangenen heeft losgelaten.
--Ej Müdschizat! O wonder!--schreeuwde hij.--Hij weet het!
Hij maakte een zijsprong om zich los te rukken. Ik hield hem stevig
vast, daar ik wel had vermoed, dat hij zou trachten te vluchten,
maar zijn oude kaftan was niet zoo stevig als mijn greep. Eén ruk
zijnerzijds en ik hield een stuk van het vod in mijn hand, en de man
verdween tusschen de boomen, waar het natuurlijk vruchteloos zou zijn
geweest om hem te vervolgen.
Buitendien schreeuwde hij zoo hard hij kon:
--Hajde, sa-usch kulibeden choriadscha tschapuk--Weg, weg uit de hut,
zoo gauw ge kunt!
--O Sihdi! wat zijt gij dom geweest!--riep Halef uit. Gij hadt den
kerel beet en laat hem weer ontkomen. Dat had ik eens moeten doen!
--Stil!--viel ik hem in de rede. Wij hebben nu geen tijd tot
verwijten. Wij moeten, zoo gauw wij kunnen, naar de hut, want zijn
geschreeuw bewijst dat zij dáár zijn.
Toen klonk van boven de vraag:
--Nitschün, ne deji, Waarom, om welke reden?
--Jabandschylar, edschnebiler! Katschyn, koschyn, sytschryn,--De
vreemdelingen, de vreemdelingen. Vlucht, loopt, springt!--luidde
het antwoord.
Wij haastten ons nu natuurlijk zooveel mogelijk; maar de hobbelige
weg bemoeilijkte ons natuurlijk zeer. Wij waren pas enkele passen
vooruit gekomen, toen wij een knal hoorden en een vuurstraal naar
boven zagen schieten, het volgende oogenblik was alles weer donker.
--Sihdi, bir top fisckenkler ile.--Heer, dat was een kanon met
raketten!--merkte Halef op, die achter mij aan klauterde. O, Allah,
het brandt!
--Wij zagen nu door de boomen heen, een vuurgloed, en toen wij op de
open plek waren aangekomen, stond de hut aan alle kanten in lichte
laaie. Een stem klonk ons tegemoet:
--Daar komen zij! Ziet gij hen? Geeft vuur!
Wij werden door den gloed der vlammen helder verlicht en boden dus
een zeker mikpunt.
--Terug!--riep ik en nam tegelijkertijd een sprong, waarmede ik achter
een naastbijstaanden boom terecht kwam.
De andere volgden onmiddellijk mijn voorbeeld en juist nog te rechter
tijd, want even daarna knalden drie schoten, die gelukkig geen van
alle raak waren.
In den sprong had ik mijn geweer nog juist kunnen opvatten. De
vonk van de schoten had mij de plek verraden, waar de schurken zich
bevonden. Een oogenblik later haalde ik over en moest er een getroffen
hebben, want een stem riep:
--Ej Selaket, bre ha! Jaralanmyschim!--O ongeluk! Help! help! ik
ben getroffen!
--En nu vooruit!--riep de kleine dappere Hadschi Halef Omar en sprong
van achter zijn boom te voorschijn.
--Halt!--waarschuwde ik, terwijl ik hem bij den arm pakte. Het is
mogelijk dat zij twee loopen op hun geweren hebben!
--Al hebben zij er honderd! Ik sla hen neer, die schurken en
schavuiten!
Hij rukte zich los, keerde zijn geweer om, en sprong over de hel
verlichte open ruimte. Nu bleef ons niets anders over dan hem te
volgen. Het was zeer gevaarlijk, doch gelukkig had men daarboven
geen enkel tweeloopsgeweer, terwijl ook de tijd, om opnieuw te laden
had ontbroken. Wij kwamen heelhuids tot aan de rots, vanwaar men
op ons had geschoten, doch dit was ook het eenige voordeel wat die
onvoorzichtige bestorming ons opleverde. Er was niemand meer.
--Sihdi! waar zouden zij gebleven zijn?--vroeg Halef. Hebt gij er
een vermoeden van?
--Neen, waar zij zijn, dat weet ik niet, maar wel wat zij zijn!
--Nu wat dan?
--Slimmer dan wij, en in alle gevallen slimmer dan gij.
--Begint gij mij weer te beknorren.
--Gij verdient niet beter. Wij hadden hen zeker gepakt, als gij niet
in eens vooruitgesprongen waart.
--Hoe dan?
--Wij hadden dan, beschut door de boomen, ongemerkt voorbij de open
plek kunnen komen en zóó tot in hun onmiddellijke nabijheid!
--Dan waren zij toch al weg geweest.
--Dat is nog de vraag. Zij hebben natuurlijk een openlijken aanval
vermeden, maar het was ons misschien wel gelukt hen te vangen, wanneer
wij hen voorzichtig omsingeld hadden, vooral wanneer een uwer hier was
achtergebleven en een loos schot had gelost. Dan hadden zij gemeend
dat wij allen nog hier waren!
--En gelooft gij, dat wij hen nu niet meer kunnen inhalen.
--Zij zijn in ieder geval nog in de nabijheid; maar ga in zulk een
duisternis nu maar eens zoeken! Het schijnsel van het vuur verlicht
alleen deze open plek. En zelfs al wisten wij precies waar zij zaten,
zouden wij hen nog met rust moeten laten, want zij zouden ons hooren
komen, en wat dan het gevolg zou zijn, laat zich gemakkelijk raden.
--Ja zij zouden ons met kogels ontvangen en ik heb wel eens hooren
vertellen dat de meeste menschen daar niet tegen bestand zijn. Maar
wat zullen wij nu doen?
--Luisteren!
Deze korte gedachtenwisseling was natuurlijk op gedempten toon
gevoerd. Het was waarschijnlijk dat de vier mannen niet ver weg waren
en wij mochten hen, door luid spreken, niet in onze nabijheid lokken.
Buitendien hadden wij ons zóó opgesteld, dat wij geheel in de schaduw
stonden.
Wij luisterden een oogenblik, maar het geknetter van de brandende
hut hinderde ons. Toen mijn oor er echter aan gewend was, hoorde ik
duidelijk het ritselen van takken. Ook Osko had het vernomen en vroeg:
--Hoort gij wel, Effendi, hoe zij zich daarginds een weg banen?
--Naar het geluid te oordeelen, zijn zij hier hoogstens een honderd
pas vandaan, en daar wij wel kunnen aannemen dat onder de boomen
geen struikgewas is, kan de cirkel die de boomen rondom den bergtop
beschrijven, niet zoo groot zijn. Dat hebben zij wel geweten en zijn
daarom dien kant uit gevlucht!
--Hoe kunnen zij dat weten? Gij zijt hier toch zelf vreemd.