Alles ging zijn gewonen gang. Nel's plaats op school werd al spoedig
door een ander ingenomen.... thuis werd ze nog steeds gemist, vooral
door moeder. Bovendien was die door al de moeilijke dagen bovenmatig
vermoeid. Moeder moest nu zelf rust hebben. Dat ging niet zoo
gemakkelijk voor haar, om er uit te komen. Maar de Rhandensche
gastvrijheid maakte het haar anderzijds weer gemakkelijk. Want velen
waren tot helpen gereed.
Ten slotte ging Toos met moeder mee, en zou Cor bij Koos aan huis
komen. Ook de broertjes gingen in Rhanden logeeren, en Vader bleef
in huis.
Dat was een nieuw leven voor Cor, en het deed ook hem goed. De
rustige omgang met Koos had op zijn ongedurigen geest een
uitnemenden invloed. En de rustig-kalme toon in het gezin liet al
evenmin na, gunstig op hem te werken. Wel raakte hij de gedachte aan
Nel niet kwijt, maar hij begon er meer aan te wennen. Ze kwam hier,
in deze andere omgeving, verder van hem af, al bleef haar geduldig
lijden tot hem spreken. Hij had diepe indrukken ontvangen. Hij had
gestaan vlak voor den ernst van het leven; vlak voor den ernst van
den dood. In zijn hart was daar wat van achtergebleven, iets dat nog
groeien moest; maar het leven wàs er. Hij wilde tegen zijn zonde
strijden. Hij wilde, nèt als Nel, zèker zijn, dat hij veilig was.
Hij probeerde nu ook voor zich zelf ernstig te bidden. Telkens, als
hij weer kwaad had gedaan dat hij als kwaad kende, schrikte hij van
zichzelf terug, en gingen zijn goede voornemens verzwakken.
[Illustratie]
Hij had gemeend, er dadelijk te zijn, en daarom viel hij zichzelf
zoo bitter tegen. 't Was 't volhouden, dat ontbrak, de kracht tot
volharden....
Op school werd hard gewerkt, en daarom gingen de meeste jongens er
ook graag heen. Van een schoolfeest voor de kinderen was niets
gekomen; het zilveren feest was gevierd door een dankstond in de
kerk. Want voor ander feestvieren was er geen geld, had meneer Van
Waalwijk gezegd. Er rustte zóóveel schuld op de school, dat
feestvieren moeilijk viel.
Dat was ze wel tegengevallen, maar ze waren spoedig over de
teleurstelling heen, en nu was het wachtwoord: werken.
Het weer werkte daartoe mee: de lange avonden dwongen tot veel in
huis zijn. Van groote tochten buiten kwam niet veel meer. Het was
ècht najaarsweer geworden. Onophoudelijk kletterde de regen neer;
en het was maar op weinig dagen mogelijk, een broek uit het
luchteblauw te knippen. Alleen als het stuk blauw tusschen de wolken
dáárvoor groot genoeg was, kon je op een beetje goed weer rekenen,
meende Jan's moeder. Weken lang leek het er niet op. En toen het
uitgebuid had, toen kwam de wind. Gelukkig, dat het blad van de
boomen was; anders hadden ze er van gelust! Nu liep het af met wat
dood hout, dat afknapte. De Rhandensche jeugd ging de bosschen in,
om dat te zoeken.
Ook op den Derker hadden ze toegang. De dames stonden altijd
houtsprokkelen toe. Dat gaf dan een gezellige drukte.
't Was anders bij Jan thuis druk genoeg.
Onverwacht was het opgekomen.
Op een goeden Decembermorgen kwam Jan met een bedrukt gezicht op
school.
"Wat is er met jou?" vroeg Cor hem.
"Nou, óók lekker.... ik ga van school af...!"
"Van school àf?" vroeg Cor op ongeloovigen toon.
"Ja jô, gerust."
Cor kon er niet over uit.
"Waar is dat goed voor?"
"Omdat Vader van den Derker af gaat. Hij is er bijna dertig jaar
geweest, nog bij de moeder van de Dames, en nou gaat hij voor z'n
eigen beginnen. Hij kan het niet uithouden...." D'r waren meer
jongens bijgekomen.
"En ga jullie daar dan vandaan, uit dat huisje ook?"
"Nog al natuurlijk, want we gaan in Dalen wonen. Daar heeft Va een
plaats gekocht, en die gaan we bewerken."
"En jij?" vroeg Cor.
"Meehelpen natuurlijk; en Gert gaat ook mee met zijn vader; ze gaan
zoowat allemaal weg van den Derker -- 't lijkt wel of de dames
straat-arm geworden zijn. D'r blijft maar één huisknecht en de
meiden, en de huisknecht zou misschien in 't huis van ons komen
wonen.
Wat vonden de jongens dàt vervelend, één uit hun gezellige
kringetje weg....
Een paar dagen later bleek, dat ook de dames zelf wèg zouden gaan:
de boel stond "aangeslagen" en in groote advertenties werd in de
dagbladen aangekondigd de openbare verkooping van de gunstig gelegen
buitenplaats De Derker.
Cor verloor in Jan één zijner beste en trouwste Verkenners. Wèl
kwamen ze niet vaak meer bij elkaar. 't Werk, en vooral het weer,
verhinderden dat. Maar de winter bood zoo kostelijk gelegenheid om
plannen te maken, opdat een volgend jaar alles véél beter zou
gaan.
Als Jan weg was -- dan bleef er niet veel over, waar Cor op rekenen
kon. Koos Venema wàs geen echte verkenner; die zwierf eigenlijk
liever op zijn eentje, en die gaf meer om zijn vogels en zijn andere
dieren, dan om de jongens.
Neen, dacht Cor weer, zóo mocht hij niet denken. Koos was zoo ècht
hartelijk voor hem geweest, de dagen, dat hij bij Venema in huis was
geweest. Hij wàs nu eenmaal een heel andere jongen dan zij
allemaal.
Nog één keer, voor Jan weg ging, moesten ze er op uit. Nog één
Woensdagmiddag naar de hei. En zoo trokken ze op een laten
Decembermorgen met hun oude clubje naar den Steen.
Het had gesneeuwd. Heerlijk-blank strekte nu de eindeloos-wijde
heide zich uit, waarin alleen de voetpaden en de karsporen donkere
strepen trokken.
Het dennebosch op den achtergrond leek wel één groote verzameling
van kerstboomen, waaraan alleen de lichtjes ontbraken. In de plaats
daarvan schitterde het licht in de vele ijskegels, die van de takken
afhingen.
De stilte, onder de lage lucht, die vochtig neerhing, was
huiveringwekkend. Elk geluid viel er in als een steen in een ruit:
het brak de stilte met scherpe krassende geruchten. Het regelmatige
geknerp onder de stage voetstappen der jongens klonk helder in die
stilte op.
Hu, 't was koud.
[Illustratie]
Theo liep, tegen zijn gewoonte in, stil er bij. 't Was hem te koud.
Hij had zijn handen diep in zijn zakken gestoken, zijn kraag hoog
opgezet, de pet over de ooren getrokken, zoodat alleen een neus en
een paar brilleglazen te zien waren.
"Zeg, jô, wat heb jij een lollige bui!" zei Jan Arps tegen hem.
Theo bleef zwijgen. Moeizaam ging hij voort door de sneeuw, en
telkens wischte hij de tranen weg, die de koude hem uit de oogen
dreef.
Koos en Cor liepen druk te praten. Koos wees de mooie lijnen aan, de
mooie lichtplekken, en hij kende het spoor van de konijnen. Ze
hadden, in 't bosch, een bepaalden weg platgetreden in de sneeuw.
Koos wist het: die liep uit op water. Maar ze wilden nu dat spoor
niet volgen, anders werd het te laat.
Jan probeerde nog eens, met Theo aan den slag te komen. Hij riep
Dirk, het broertje van Koos, te hulp. "Zeg, Dirk, laten we dien eens
nemen!"
Ze bleven een eindje achter, en maakten flink wat sneeuwballen. En
toen ze er goed wat hadden -- en de anderen, behalve Koos en Cor,
hadden zich bij hen gevoegd -- toen moest Theo het ontgelden. Een
ware regen van sneeuwkogels kwam op hem los, en hij kon het niet
harden: hij trok de handen uit de zakken, en zette het op een
loopen, zoo hard hij kon. De anderen hem na. Ze haalden hem spoedig
in, maar juist toen Jan vlak bij hem was, liet hij zich lang uit
vallen, precies voor Jan, zoodat die over hem heen tuimelde. En nu
werd het één klit jongens in de sneeuw. Koos en Cor kregen er
òòk schik in, en die begonnen nu het kluitje door elkaar rollende
jongens te bombardeeren, waarvan een deel zich tegen hen richtte.
Zóó, zonder afspraak, ontstond een prettig sneeuwgevecht. De
ballen vlogen door de lucht, naar alle zijden. En er waren goèd
ràke bij. Maar de meeste kwamen toch los op Theo's arme hoofd, in
zijn hals, tegen zijn rug. Hij was nu wel heelemaal los gekomen,
want hij gooide terug zoo hard hij kon. Ineens hield het op.
"Ophouden, jongens!" schreeuwde Theo. "Mijn bril is stuk!"
Op de sneeuw vielen een paar bloeddruppels. Daar schrikten ze van.
"Hoe komt dat? Wat is er? Is het erg?" klonk het doorelkaar, een
beetje angstig.
't Was niet zoo héél erg. Alleen was één glas stukgegooid, en
had het scherpe glas Theo's neus gewond. Het bloeden hield spoedig
op, gelukkig, maar de bril was stuk.
"Zoo, dat is mooi! Dat kost m'n vader weer een daalder," zei Theo,
die werkelijk verslagen keek. Nijdig voegde hij er tegen Jan aan
toe: "Als jij niet begonnen was, zou het niet gebeurd zijn. Jij
mocht het wel betalen."
Neen, dat ging niet, vonden de andere jongens. Jan alleen moest dat
niet doen. 't Zou geen aardig aandenken aan de Rhandensche
Verkenners geven! Maar ze zouden het sàmen doen. Ieder wat
betalen....
"Misschien hoeft je vader het dan niet eens te weten, als we
strakjes meteen even naar Degenkamp, den brillemaker, gaan! Dan
laten we hem meteen inzetten!" Ja, zoo moest het dan maar. "Want ik
durf er gerust niet mee aankomen thuis. Vader klaagt tòch al zoo,
dat alles zooveel kost," zei Theo, en met een ineens weer ondeugend
gezicht voegde hij er aan toe: "Net of ik dat kan helpen!"
Ze waren intusschen den Steen genaderd. Die lag daar omgeven door
ongerepte sneeuw.
Ze vonden al spoedig de plek, waar ze elk hun steen hadden
neergelegd, boven op de belofte, dat ze niets zouden vertellen over
het feest toen de Koningin kwam.
Hier zou Jan van de Rhandensche Verkenners afscheid nemen.
"Zeg, een beetje kort hoor!" drong Theo aan. "Het is reuzenkoud!"
Cor wou de doos hebben, waarin ze hun belofte hadden verborgen. Hij
probeerde met de handen de aarde los te woelen; maar het lukte niet;
de grond was al wat hard geworden. Dan met een stok. Die was spoedig
opgezocht, en nu lukte het; de grond werd losgewoeld; maar wàt ze
vonden.... geen doos....
Dat gaf een ontsteltenis.... waar was die gebleven? Ze schopten met
hun hakken het gat grooter, maar vonden niets. Ze begonnen met hun
handen het dieper te maken, maar geen doos!
"Het was toch hier! we hebben toch precies hier de steenen
weggehaald!" zei Cor, teleurgesteld. "Je ziet den indruk van de
steenen nog in de sneeuw, dus hier moest het wezen...."
Of het er al mòest wezen -- dat gaf niet veel. De doos was er niet.
Dat was belangrijker.
[Illustratie]
Tot opeens Theo uitvalt: "Maar wie hebben de steenen aan den anderen
kant opgestapeld! Ik weet het nog zeker, want ik stond met m'n rug
naar het bosch!"
Nu herinnerden de anderen het zich ook. Dus waren de steenen
verplaatst. Door wien? Wie moest dat gedaan hebben? En was de doos
er nog? Cor wilde het met alle geweld weten.
"Nou maar, ik dank je, 't wordt me te koud en 't duurt me te lang:
en ik moet nog naar Degenkamp ook, met mijn bril. Ik zoek niet meer.
Ga je mee, jongens?" stelde Theo voor. "'t Kan me eigenlijk ook
niets schelen. Ik geef er niets om. 't Is toch allemaal flauwiteit."
Cor stond er paf van.
"Wat?" stoof hij op. "Flauwiteit! Van jòu is 't flauwiteit; jij
bent flauw. Jij hebt altijd alles dwarsgezeten. Nooit ècht prettig
meegespeeld. Is me dat een boel geweest? Je kon nòòit wat met jou
beginnen."
En hij foeterde door, en had Theo wel aan willen vliegen.
"Toen je mee mocht naar den Burgemeester, toen vond je het wèl
goed, hè? Maar als we ècht speelden, dan had je altijd wat tegen
te sputteren. Is dat flauw, of is het niet flauw?"
Zoo regende het verwijten op Theo's arme hoofd.
"Maak je niet dik! Maak je niet warm! 't Is hier koud genoeg,"
plaagde Theo.
"En wie z'n schuld is het, dat 't kamp wèg moest? Ook jij, hè?"
beet Cor hem toe.
De anderen stonden er om heen.
Wat moesten ze doen?
Koos kwam op Cor af.
"Nou, ik zou maar ophouden. 't Is nou mooi genoeg. En 't is voor Jan
heelemaal niet aardig. Laten we de heele boel nou maar opdoeken!"
Cor stribbelde nu niet tegen. Hij zag duidelijk in, dat het uur voor
de Rhandensche Verkenners geslagen had. Hij had er nog wel met Theo
om willen vechten, nèt als dien anderen keer, dien eersten, toen
hij bij de Rhandensche jongens werd ingelijfd. Maar 't kalme
optreden van Koos hield er hem van terug.
"Ja, dan moet het maar!" gaf hij toe. "Er is met jullie toch niets
te beginnen. 't Spijt me voor Jan!"
"En de contributie?" kwam Theo tusschenbeide.
"Daar kan jij een brilleglas van koopen. Er zal wel niet heel veel
meer zijn!"
"En 't vaandel?" vroeg Theo alweer.
"Dat zet je in 't Rhandensch museum, dat er niet is," plaagde Jan,
die 't eerste zijn goed humeur weer had teruggekregen.
Maar Cor besliste: "Dat houden wij, Koos en ik. Wij hebben het
gemaakt. Jullie hebben er niets mee noodig."
"Mij best," zei Theo alweer. "Als ik het maar weet!"
En zoo gingen ze uit elkaar, in booze onvriendelijke stemming.
Cor wilde Theo niet meehebben.... Met Jan en Koos liep hij den
Bergweg af. Ze zouden Jan gaan wegbrengen. Hun weg voerde hen langs
het kerkhof. Daar lag Nel onder de blanke sneeuw.... En Cor dacht
aan wat vader op 't graf gezegd had: over dat mooie, nieuwe kleed,
waarmee Nel bekleed was. Hij liep zwijgend door. Zou 't zoo wit zijn
als die sneeuw? vroeg hij zich af.
Hij huiverde. Zou Nel 't ook zoo koud hebben? Maar hij wierp die
vraag vàn zich. Dwaasheid, redeneerde hij wijs bij zich zelven.
Tòch liet het hem geen rust.
"Hier ligt Nel zoowat, is 't niet?" vroeg Koos.
Cor knikte.
Zwijgend gingen ze voorbij. De sneeuw knerpte onder hun voeten....
Nee, 't was niet mooi om nu zoo uiteen te gaan, met ruzie. Dat kòn
niet, dacht Cor. 't Mòest anders. Hij zou het met Theo weer
bijleggen. En met de anderen ook. Ze naderden den Derker. Jan nam
afscheid. Koos en Cor gingen verder. Vòòr ze uit zagen ze Theo met
nog een paar anderen. Dirk, Koos' broertje, was er ook bij.
"Willen we ze inhalen?" stelde Cor voor.
Koos vond het goed, en ze zetten er de pas in, en hadden ze spoedig
bereikt.
"Zeg, Theo," viel Cor onverwacht uit, "ben je nog kwaad?"
Theo keek op, verrast.
"Kwaad? Nee hoor, heelemaal niet geweest."
"Niet liegen, jô," zei Koos.
"Nou ja, zoo'n beetje wel. Maar als Cor ook zóó begint, dan word
je van zelf wel kwaad," antwoordde Theo.
Gelukkig, dat liep goed af, dacht Cor.
Maar de Rhandensche Verkenners zouden nooit weer opstaan, dat
gevoelde hij levendig!
Een paar dagen na Kerstmis ging Jan weg. Ze brachten hem naar 't
station, en namen afscheid van hem. Cor beloofde, te schrijven, en
Jan ook. Maar daar kwam niet veel van.... 't bleef bij de belofte.
't Kringetje werd kleiner. Nu bleven eigenlijk alléén Cor, Koos,
en Theo over. De anderen waren tòch niet veel meer dan "bijloopers"
geweest.
En toen de winter voorbij was, en Mei in 't land kwam, toen gingen
ook die uiteen. Theo ging naar de kweekschool, een eind weg. Hij zou
alléén met de vacantie thuis komen. En Koos ging naar de H. B. S.,
waarvoor Cor zakte.
Dus.... Cor moest op school blijven. 't Beviel er hem niet meer zoo
goed, nu zijn beste vrienden weg waren. Maar vader wilde er eerst
niet van weten hem er af te nemen.... Cor had niet zòò gewerkt,
als hij kon. Daarom mòest hij blijven.
Zoo ging Cor een tweede jaar in dezelfde klas in. De grootste
aardigheid was er voor hem af. Toch hield hij van meneer Van
Waalwijk. En die wist het hem weer gemakkelijk te maken, zoodat hij
tot werken kwam.
Maar thuis ging het niet goed. Na Nel's sterven was moeder nog niet
de oude geweest. Het drukke huishouden viel haar te zwaar.
En zoo werd besloten, dat Cor nog een poosje zou gaan naar een
kostschool. Hij vond ook dàt eerst erg naar maar voor moeder deed
hij het graag. Hij wist, dat hij de drukste en woeligste van
allemaal was. En dan -- 't beloofde wat nieuws! Zoo trok hij na de
groote vacantie welgemoed een nieuwe toekomst tegen. Nog één dag
waren ze saam geweest: Theo, die met vacantie thuis was, Koos en
Cor. De oude plekjes waren opgezocht. Theo had z'n oude streken
uitgehaald, Koos had het nog altijd druk over zijn dieren, en Cor
wist van elk plekje waar ze kwamen wat te vertellen. Natuurlijk
kwamen ze ook bij den Steen.
[Illustratie]
Nu gooiden ze den steenhoop, dien ze ééns opgericht hadden, uit
elkaar.... want net zoo was 't met de Rhandensche jongens gegaan.
Ze dachten later met genoegen terug aan de dagen, toen ze als
Rhandensche jongens vochten en speelden, en ook.... ernstig waren en
groot deden!
Onuitwischbaar bleven in Cor's hart leven de herinneringen aan Nel.
En 't waren ernstige herinneringen. Want in die dagen voor 't eerst
had hij ernstig gebeden.