Zachtjes vroeg Moeder: "was het vol?"

"Ja Moe," zei Cor; "en de dominée heeft voor Nellie gebeden, of ze

beter mocht worden."

[Illustratie]

Nel richtte zich moeilijk op. Haar oogen schitterden. Beter

worden.... o, ze wou het zoo graag! Meespelen weer als vroeger,

joelen en druk zijn, al bezorgde het haar altijd, vroeger reeds,

pijn en moeite.

Wat gaf ze daarom, àls ze maar beter zou worden!

"Zou het kunnen, Moe?" vroeg Nel. "U hebt gezegd, dat de Heer het

gebed altijd hoort, en nu hebben ze het allemaal gevraagd: nu zal de

Heer het toch wel doen?"

Die vraag deed Moeder pijn. Zij wist immers al lang, dat de Heer het

gebed zou hooren, al was het op héél andere wijze dan zij dachten

en dan zij gaarne wilden.

"Lieve kind," zei Moeder, "als je eens vèr van huis was, in een

vreemd land, dan zou je toch wel graag naar je eigen huis terug

gaan, naar je èigen vader en moeder, ook al zou je het in dat

vreemde land nog zoo goed hebben? Zoo moeten we eigenlijk altijd

leven, als vreemden op aarde. We hooren thuis in den Hemel, bij den

Heer. Als Hij roept, moeten we gaan. Hij weet het 't beste. En ik

zou o, zoo graag willen dat je beter wordt. Maar als de Heer je

roept, dan moet je gaan. Daar moet je over denken. Dàt moet je

vragen...."

Over Moeders wangen viel een traan.... 't was zoo moeilijk, zóó te

spreken tegen haar lieve, lieve schat, die ze te liever kreeg,

naarmate ze zekerder gevoelde en klaarder inzag, haar te moeten

missen....

Nel's hoofdje viel terug in de kussens....

Met een angstig stemmetje kwam het: "Maar ik wil nog wel graag beter

worden, Moeder...!"

Daar kwam beneden een geluid van jongensstemmen: de broertjes

zongen, zacht, gedempt, want ze wisten het: ze mochten Nel niet

hinderen. Maar ze vonden het wijsje zoo mooi, dat ze van de week

geleerd hadden, en nu zongen ze:

Veilig in Jezus' armen,

Veilig aan Jezus' hart,

Daar, in Zijn teer erbarmen,

Daar rust mijn ziel van smart.

Hoor 't is het lied der Engelen,

Zingend van liefde en vree......

Nel luisterde en haar oogen begonnen te stralen. Wàt zag ze, dat

die oogen op één punt staarden? Wat hóórde ze, dat haar gelaat

blij ging staan? Zacht neuriede ze mee het refrein:

Veilig in Jezus' armen,

Veilig aan Jezus' hart,

Daar in Zijn teer erbarmen,

Daar rust mijn ziel van smart....

Niemand zal ooit weten, wat toen in haar kinderziel is omgegaan.

Maar toen het lied uit was, en ze moede haar hoofd in de kussens

neerlegde, toen herhaalde ze het nog een paar malen wel: "Veilig in

Jezus' armen..." en toen legde ze haar hoofdje rustig neder, en viel

in slaap.

"Waar of Cor toch zit," zei Vader 's middags. "Zou hij uitgegaan

zijn?"

"Ik denk het niet," antwoordde Moeder, die voor een uurtje, nu

Nellie toch sliep, zich door Toos liet aflossen. "Ik heb hem niet

hooren weggaan, en hij heeft mij niets gevraagd. En ik denk niet,

dat hij zonder spreken of waarschuwen weg zal zijn gegaan."

[Illustratie]

"Ik mis hem anders al een poosje," zei Vader. "Misschien boven op

zijn kamertje?"

Vader ging er heen, en ja, daar zat Cor, druk bezig. Hij had een

stuk karton met wit papier beplakt, en was nu druk bezig dat witte

papier te beteekenen.

"Wat zit jij daar stil, jongen," zei Vader. "Wat voer je uit?"

Cor kleurde.... "Ja, 't is niet zoo héél erg mooi, Vader! Koos zou

het mooier doen! Maar ik kan het niet beter!" En hij liet zijn

teekenwerk zien: een kaart, waarop met groote letters, in

verschillende kleuren, geteekend was:

"Stil zijn op de gang; zacht loopen en geen deuren dicht slaan!"

Vader ontroerde. Was dat die ruwe, wilde jongen? Hij streek hem over

het hoofd, en zeide: "Goed zoo Cor; dat vind ik juist héél, héél

mooi van je. En waar wou je het hangen?"

"Boven aan de trap, Vader," antwoordde Cor, en als om zich te

verontschuldigen voegde hij er aan toe: "Ik wou zoo graag wat doen

voor Nel.... en ik wist niets anders.... en het is niet zoo

mooi,.... maar mooier kan ik het niet...."

"Ik vind het héél mooi, hoor! En Nel en Moeder zullen het ook wàt

aardig van je vinden."

Dien middag hing het verzoek om stilte in de gang, bij de trap. Cor

had de gedachte, nu iets voor Nel gedaan te hebben, en dat gaf hem

rust.

Na dien Zondag was het, of Nel zich voor goed bewust was, dat ze

niet beter zou worden.

"Moeder," zei ze, in den loop van die week, toen ze, na het bezoek

van den dokter weer tranen zag in Moeders oogen, -- "Moeder, waarom

schreit u? Toch niet om mij?"

Moeder trachtte haar tranen te verbergen, en zei: "O, Nel, ik vind

het zoo vreeselijk, dat je zoo ziek bent."

"Moeder," zei Nel, "U mòet niet huilen. Als ik niet beter word, ga

ik naar den Heere Jezus. Ik weet het zeker...."

"Zou je dan niet liever nog blijven, lieveling?" Moeders zachte hand

streelde de sluike haren van haar kindje.

"Natuurlijk, Moe! Maar als ik niet beter word, dan weet ik toch dat

het goed is."

Moeder kon zich niet goed houden. Ze ging de kamer uit, en kwam

schreiend op 't kantoor. Schreiend van smart, om haar kind, waarvan

ze moest gaan scheiden, maar toch ook met innige dankbaarheid, om

wat ze gehoord had.

Nellie lag nu met rustige zekerheid. 'n Enkele maal vroeg ze nog:

"Toe, laat Daan en Dik nog eens zingen!" En als die aardige

jongensstemmen dan "haar versje" zongen, zooals ze "Veilig in Jezus'

armen" noemde, dan lag er rust op haar gelaat, en er was iets van

een hemelschen vrede.

"Cor", zeide ze, toen ze zich weer benauwd gevoelde, en vreeselijke

hoofdpijn haar kwelde, "Cor, ik word niet meer beter. Zal je

gehoorzaam zijn en lief voor Moeder en allemaal?"

Cor wist niet, wat hij zeggen moest.

"Ja Nel," stamelde hij.

"En niet meer zoo driftig zijn?"

Cor had wel alles willen beloven, ook al wist hij, dat het niet zoo

maar zou blijven. Maar tegenover al het vreeselijke dat hij nu zag,

was zijn hart volkomen verteederd, en menige stille bede steeg er

uit op: "Heer, maak mij anders, maak me als Nel!"

Tot het steeds erger werd. Nel wilde meneer Van Waalwijk nog eens

zien. Hij had haar geregeld bezocht, maar nu, als was er haast bij,

vroeg ze nog eens, of hij wou komen. Hij kwam. Hij zat naast haar

bedje, en greep haar klamme hand.

"Gaat het goed Nel?" vroeg hij. En Nel begreep het. "Ja," zeide ze.

't Bleef lang stil. Toen vroeg meneer: "Zullen we nog eens samen

bidden?" En Nel knikte, dankbaar. Toen vroeg hij teer en dringend,

of de goede Herder zich over dit schaapje wilde ontfermen, en het in

Zijn armen wilde nemen, en het zoo den schaapstal binnen voeren. En

toen nam hij afscheid van haar.

"Zeg.... u.... de kinderen.... van de klas... goeden dag van mij....

en dat ik.... het goed maak," stamelde Nel met heesche, vreemde

stem.

"Ik beloof het je, Nel! Tot ziens, lieve kind?"

Nogmaals greep hij de klamme hand. En Nel begreep hem, zooals hij

haar begreep.

"In den hemel.... Veilig... in Jezus'... armen."

"Zoo is het, Nel," zei meneer, die bewogen was, door het grootsche

wonder van God, dat in dit jonge kinderhart gekomen was.

Na dat bezoek ging het snel achteruit.

O, wat kreeg Nel het benauwd! 't Was, of ze er niet door kon. Nu ze

vlak voor de poort van den dood stond, schrikte ze terug. Ze

worstelde om te leven; zóó benauwd had ze het, dat ze baadde in

haar zweet.

Toen stonden ze allemaal om haar heen; Vader, Moeder, Cor, de

broertjes en al de anderen. En haar blik zocht nu den een, dan den

ander; maar meest Moeders oogen.

"Benauwd.... naar.... o, zoo naar...." klaagde ze. Ze hijgde steeds

heviger.

[Illustratie]

't Groote oogenblik kwam. In de kamer was al het ruischen van den

dood, die kwam, om Nel te halen... Ineens richtte ze zich nòg eens

op. 't Was, of ze plotseling beter werd. Er kwam even gloed in haar

oogen. "Moeder, Vader, 't is goed! Ik zie den Heer! Nu ben ik niet

bang meer!"

Moeder ving haar op in haar arm. En in moeders armen stierf ze. Wat

schreide Cor! Nu hield geen valsche schaamte zijn tranen terug, maar

hij snikte het uit, hij schokte over het geheele lichaam, nu zijn

zusje weg was. 't Was of nu alles wèg was. Zij had hem altijd zoo

goed begrepen.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Een paar dagen later verliet een droeve stoet het huis, waar

zooveel vroolijkheid en blijdschap geheerscht had.

Op 't kerkhof wachtte de klas. Eerbiedig ontblootten de jongens het

hoofd, toen de stoet aankwam. En toen de kist weg zonk in de donkere

aarde, toen zongen bevende stemmen:

"Veilig in Jezus' armen,"

en er snikten meisjes, en jongens dèden onverschillig; maar in hun

hart schreiden ze mee....

Meneer Poorters bedankte de kinderen. "Nellie's naam," zei hij,

"wordt nu in het boek van de school geschrapt. Maar het is beter met

haar; die naam, een nieuwe naam, is nu opgeschreven in den hemel!

Haar aardsche omhulsel is verbroken, maar ze wordt met nieuwe

kleederen overkleed. Wij zullen ons lieve kind missen, maar we

hebben haar zekerder dan ooit!"

Ja, tòch begrepen de kinderen het, wat hij zeide. Diep onder den

indruk verlieten ze het kerkhof.

En in het huis van meneer Poorters was het stiller en leeger dan het

ooit tijdens Nel's ziekte geweest was. Allen leden er onder.... de

broertjes 't minst, die begrepen er 't minst van.... maar Vader en

Moeder hadden een heerlijken troost. Cor had dien troost _niet_

heelemaal. Het was een droom voor hem geweest. Zóó sterk een

droom, dat hij nog altijd, zoolang Nellie in huis was, verwachtte

dat ze nog wel eens op zou staan, zóó weinig begreep hij van

sterven. Maar toen ze begraven was, was ze voor hem wèg uit zijn

leven. Alleen de herinnering bleef.... en die deed hem pijn, òmdat

ze hem in aanraking gebracht had met den vreeselijken dood, dien hij

zelf eens, toen hij bijna verdronk, in de oogen gezien had.

Dat liet hem langen tijd niet los. Zij was veilig in Jezus' armen,

en hij?

Hij luisterde wel naar de stem in zijn hart, maar toch -- hij

probeerde nu door druk-zijn en druk-doen die stem tot zwijgen te

brengen. En de menschen dachten, nu ze hem weer véél drukker en

beweeglijker zagen dan tijdens Nel's ziekte, dat hij er niet veel om

gaf. Maar die er zóó over spraken, wisten er niet heel veel van.

Moeder en Vader zagen het wel. Ze probeerden ongemerkt, door véél

betoon van liefde, hem te steunen, en te helpen, en hij was er hun

dankbaar voor.

Rhandensche Jongens · 第 26 / 28 题