't Werd al minder met Nel. Telkens kwam de koorts weer terug, die
verraderlijke koorts, die haar wangen kleurde, maar met een
doodelijk rood. Ze kon al minder en minder velen. Elk scherp geluid
hinderde haar, daar ze aan ondraaglijke hoofdpijnen ging lijden. De
dokter zag den toestand donker in.
[Illustratie]
Moeder begreep het nu telkens klaarder, dat ze Nel zou moeten
missen. Wat kostte haar dat een pijn! Toch was het verwonderlijk hoe
goed ze zich hield. Ze was dag en nacht bij Nel; ze omgaf haar met
de teerste zorgen. Maar 't baatte niet. Het was bestemd in 's Heeren
raad....
Het ging snèl, te snel.
Nel was wonderlijk geduldig. Eerst dacht ze, dat ze beter worden
zou. Dan zou ze dit en dan zou ze dat... Maar ze voelde zelf haar
krachten afnemen.
Cor zag het ook, en het stemde hem telkens ernstig. Het langzame
lijden van zijn zusje lei beslag op hem. In huis was hij rustig, al
kwamen er nog wel driftbuien; hij trachtte zich meer en meer in te
houden, om der wille van Nel.
Soms was er een klein vleugje -- dan leek het, alsof 't wat beter
met haar werd. Dan was haar hoofdpijn minder, en kon ze gewoon
babbelen, al was haar stem ook verzwakt. Dan mochten Daan en Dik
even bij haar komen. Even maar. Want die werden weer dadelijk druk.
Ze hielden het niet uit, om een kwartier rustig bij haar te zitten.
Ze deden haar heele verhalen, druk en wel, van de school en van het
magazijn en wilden haar in al hun doen en laten betrekken. Dan moest
moeder tusschenbeide komen, en de jongens met een zoet lijntje weer
weg krijgen.
Wat begrepen zij er van?
Cor zelfs begreep er maar weinig van. Hij hoorde van moeders angst,
van vaders vrees. Maar toch bleef altijd immers ook bij hen die
stille hoop op herstel? Ook, al nam Nel zienderoogen af!
Alles hinderde haar. Als de huisgenooten op de gang liepen, en wat
hard, dan kon moe zien, dat het Nel pijn deed.
Steeds stiller en stiller werd het in huis.
Al dikwijls had Cor gevraagd: "Kan ik niet wat dòèn voor Nel?"
Maar moeder wist niets, dan dat hij alles zoo zacht mogelijk deed,
en dat hij mèt allen thuis, in zijn bidden om haar dacht. Nu, dat
wilde hij allebei wel. Maar het echte _bidden_ was zoo moeilijk voor
hem. Den eersten tijd van Nels ziekte zou hij geen avond naar bed
gaan, zonder voor zijn ledikant op de knieën den Heere gevraagd te
hebben, of Hij Nel wilde bewaren en... beter maken.
Toen het echter wat langer ging duren, en hij, hoè vreeselijk het
zijn mocht, langzaam er aan gewend raakte, vergat hij het wel weer
eens.
Want hij raakte er aan gewend, en allen raakten er aan gewend, dat
Nel boven lag, strak-bleek op het witte kussen, in de frissche, maar
donker gehouden kamer, waar ze moeder bijna onafgebroken in haar
omgeving had.
Toch, als hij onder zijn jongens was, luidruchtig en druk en
opspelerig als altijd, dan kon ineens de gedachte aan Nel hem
beklemmen en benauwen. Hij wist niet, hòe het kwam, maar het kwam,
onverwacht, ongezocht, soms midden onder zijn spel. Dan zag hij Nels
doodsbleek gelaat, met de moede, maar schitterende oogen. Dan hoorde
hij haar matte stem, en dan was hij, èven soms, uit de
speelstemming.
Z'n kameraads merkten het op.....
Het was Zondag.
Moe bleef bij Nel thuis, maar de anderen, Daan en Dik incluis,
gingen naar de kerk. Met vollen toon klepte de klok, en rustig als
steeds kwamen de Rhandenaars naar de kerk.
Als elken Zondag stonden de boeren op het kerkplein, bij den
hoofdingang, te wachten tot de laatste slag van tien van de klok had
geklonken. Dan werden sigaar of pijpje nog kalm opgeborgen, en
gingen ze naar binnen, terwijl de gemeente den voorzang al zong. Cor
keek er elken Zondag naar, naar die boeren, en hij telde de slagen
van de klok, en keek bij den tienden al naar de deur, want dan kwàm
het. 't Ging ook nu nèt zoo.
Na den voorzang een oneerbiedig geschuifel, maar dan was het uit.
Dan rezen al die mannen op van hun pas-ingenomen plaatsen, en een
plechtige stilte vulde de kerk, waarin alleen de stem van den
dominée gehoord werd, die den dank van de gemeente overbracht aan
den Gever van alle goeds, maar ook al de nooden dier gemeente
neerlei voor "den troon der genade".
Cor wist het, vader had het 's morgens aan de ontbijttafel gezegd:
ook voor Nel werd gebeden. Hij luisterde angstig toe: of de Heere
dat jonge leven nog wilde behouden; maar als het niet 's Heeren wil
was, of Hij ze ze dan wilde opnemen in Zijne heerlijkheid.
Dààr ging het dus om: het was Cor nu klaar: beter worden, òf...
sterven. En als het dat laatste was, kon het ook goed zijn voor Nel.
Als ze naar den hemel ging...
Hij hoorde weinig van de preek; zijn gedachten zwierven terug naar
huis, naar zijn zieke zusje, van wie hij zooveel hield, en waar hij
toch zoo vaak onaardig tegen geweest was. Hij dacht over sterven en
beter worden, over naar den hemel gaan, of hier blijven, en ook....
wat Nellie zelf daarover dacht.
Toen ze thuis kwamen, sloop hij, nog eer Vader boven was, naar de
kamer, waar Nellie's bed stond. Voorzichtig deed hij de deur open,
en stak vragend het hoofd door de opening.... Moeder zat aan het
bed.... Ze wenkte hem, en hij kwam, voorzichtig, op de teenen.
Daar lag Nel. Ze was bijna koortsvrij; hij zag het, want ze was
doodelijk wit.