XIV. Veilig in Jezus' armen.

't Werd al minder met Nel. Telkens kwam de koorts weer terug, die

verraderlijke koorts, die haar wangen kleurde, maar met een

doodelijk rood. Ze kon al minder en minder velen. Elk scherp geluid

hinderde haar, daar ze aan ondraaglijke hoofdpijnen ging lijden. De

dokter zag den toestand donker in.

[Illustratie]

Moeder begreep het nu telkens klaarder, dat ze Nel zou moeten

missen. Wat kostte haar dat een pijn! Toch was het verwonderlijk hoe

goed ze zich hield. Ze was dag en nacht bij Nel; ze omgaf haar met

de teerste zorgen. Maar 't baatte niet. Het was bestemd in 's Heeren

raad....

Het ging snèl, te snel.

Nel was wonderlijk geduldig. Eerst dacht ze, dat ze beter worden

zou. Dan zou ze dit en dan zou ze dat... Maar ze voelde zelf haar

krachten afnemen.

Cor zag het ook, en het stemde hem telkens ernstig. Het langzame

lijden van zijn zusje lei beslag op hem. In huis was hij rustig, al

kwamen er nog wel driftbuien; hij trachtte zich meer en meer in te

houden, om der wille van Nel.

Soms was er een klein vleugje -- dan leek het, alsof 't wat beter

met haar werd. Dan was haar hoofdpijn minder, en kon ze gewoon

babbelen, al was haar stem ook verzwakt. Dan mochten Daan en Dik

even bij haar komen. Even maar. Want die werden weer dadelijk druk.

Ze hielden het niet uit, om een kwartier rustig bij haar te zitten.

Ze deden haar heele verhalen, druk en wel, van de school en van het

magazijn en wilden haar in al hun doen en laten betrekken. Dan moest

moeder tusschenbeide komen, en de jongens met een zoet lijntje weer

weg krijgen.

Wat begrepen zij er van?

Cor zelfs begreep er maar weinig van. Hij hoorde van moeders angst,

van vaders vrees. Maar toch bleef altijd immers ook bij hen die

stille hoop op herstel? Ook, al nam Nel zienderoogen af!

Alles hinderde haar. Als de huisgenooten op de gang liepen, en wat

hard, dan kon moe zien, dat het Nel pijn deed.

Steeds stiller en stiller werd het in huis.

Al dikwijls had Cor gevraagd: "Kan ik niet wat dòèn voor Nel?"

Maar moeder wist niets, dan dat hij alles zoo zacht mogelijk deed,

en dat hij mèt allen thuis, in zijn bidden om haar dacht. Nu, dat

wilde hij allebei wel. Maar het echte _bidden_ was zoo moeilijk voor

hem. Den eersten tijd van Nels ziekte zou hij geen avond naar bed

gaan, zonder voor zijn ledikant op de knieën den Heere gevraagd te

hebben, of Hij Nel wilde bewaren en... beter maken.

Toen het echter wat langer ging duren, en hij, hoè vreeselijk het

zijn mocht, langzaam er aan gewend raakte, vergat hij het wel weer

eens.

Want hij raakte er aan gewend, en allen raakten er aan gewend, dat

Nel boven lag, strak-bleek op het witte kussen, in de frissche, maar

donker gehouden kamer, waar ze moeder bijna onafgebroken in haar

omgeving had.

Toch, als hij onder zijn jongens was, luidruchtig en druk en

opspelerig als altijd, dan kon ineens de gedachte aan Nel hem

beklemmen en benauwen. Hij wist niet, hòe het kwam, maar het kwam,

onverwacht, ongezocht, soms midden onder zijn spel. Dan zag hij Nels

doodsbleek gelaat, met de moede, maar schitterende oogen. Dan hoorde

hij haar matte stem, en dan was hij, èven soms, uit de

speelstemming.

Z'n kameraads merkten het op.....

Het was Zondag.

Moe bleef bij Nel thuis, maar de anderen, Daan en Dik incluis,

gingen naar de kerk. Met vollen toon klepte de klok, en rustig als

steeds kwamen de Rhandenaars naar de kerk.

Als elken Zondag stonden de boeren op het kerkplein, bij den

hoofdingang, te wachten tot de laatste slag van tien van de klok had

geklonken. Dan werden sigaar of pijpje nog kalm opgeborgen, en

gingen ze naar binnen, terwijl de gemeente den voorzang al zong. Cor

keek er elken Zondag naar, naar die boeren, en hij telde de slagen

van de klok, en keek bij den tienden al naar de deur, want dan kwàm

het. 't Ging ook nu nèt zoo.

Na den voorzang een oneerbiedig geschuifel, maar dan was het uit.

Dan rezen al die mannen op van hun pas-ingenomen plaatsen, en een

plechtige stilte vulde de kerk, waarin alleen de stem van den

dominée gehoord werd, die den dank van de gemeente overbracht aan

den Gever van alle goeds, maar ook al de nooden dier gemeente

neerlei voor "den troon der genade".

Cor wist het, vader had het 's morgens aan de ontbijttafel gezegd:

ook voor Nel werd gebeden. Hij luisterde angstig toe: of de Heere

dat jonge leven nog wilde behouden; maar als het niet 's Heeren wil

was, of Hij ze ze dan wilde opnemen in Zijne heerlijkheid.

Dààr ging het dus om: het was Cor nu klaar: beter worden, òf...

sterven. En als het dat laatste was, kon het ook goed zijn voor Nel.

Als ze naar den hemel ging...

Hij hoorde weinig van de preek; zijn gedachten zwierven terug naar

huis, naar zijn zieke zusje, van wie hij zooveel hield, en waar hij

toch zoo vaak onaardig tegen geweest was. Hij dacht over sterven en

beter worden, over naar den hemel gaan, of hier blijven, en ook....

wat Nellie zelf daarover dacht.

Toen ze thuis kwamen, sloop hij, nog eer Vader boven was, naar de

kamer, waar Nellie's bed stond. Voorzichtig deed hij de deur open,

en stak vragend het hoofd door de opening.... Moeder zat aan het

bed.... Ze wenkte hem, en hij kwam, voorzichtig, op de teenen.

Daar lag Nel. Ze was bijna koortsvrij; hij zag het, want ze was

doodelijk wit.

Rhandensche Jongens · 第 25 / 28 题