Een paar dagen voor het verwachte bezoek der Koningin sloeg het weer
nu voor goed om. En het scheen wel, alsof àl de regen, die anders
in Juli en Augustus valt, nu in de somberder wordende najaarsdagen
neer kwam stroomen. Het pletste den heelen dag maar door,
onophoudelijk, in dikke stralen uit de loodgrijze lucht, en hevige
windvlagen striemden de boomen, en de natte blaren sloegen van het
hout af.
't Beloofde niet veel moois.
Mèt het herfstweer was ook bij Poorters de somberheid in huis
gekomen.
Al heel kort na de vacantie was Nelly blijven liggen. Ze voelde zich
zóó vermoeid, zóó vermoeid, dat ze wel altijd zou willen slapen;
vertelde ze aan moeder, die haar uiterst bezorgd aanzag. Wat zou dat
worden? En toen ze in bed lag, met een hoogrood blosje op de
angstig-bleeke wangen, het smalle gezichtje omlijst door de strakke
zwarte haren, toen zag Mevrouw Poorters weer in haar herinnering
verschijnen het beeld van nòg zoo'n zieke: haar eigen zusje, dat ze
nèt zoo had zien liggen en had zien hééngaan.... O, wat werd het
haar angstig! En met wat teere zorg en innige liefde keek zij naar
haar anders zoo drukke kindje!
Natuurlijk kwam dien eigen dag de dokter nog.
Hij onderzocht haar, zat langen tijd stil voor haar bedje, waarin ze
met gesloten oogen stil neerlag, en hield haar smalle polsje in zijn
groote, breede hand.
't Was niet best, vond hij. Zij moesten uiterst voorzichtig met haar
wezen. De koorts was hóóg, en hij vertrouwde haar longen niet.
Bovendien was haar keel ontstoken -- uiterste rust werd aanbevolen.
[Illustratie]
Zus moest een zonnige kamer hebben. En daar moest het raam zoo veel
mogelijk openstaan....
Moeder begreep het, en meneer Poorters ook. Hij ging stil door huis,
waar alle gerucht uitgestorven scheen. En Cor vond het vreeselijk.
Vreeselijk, dat Nel zóó ziek was; vreeselijk, dat van al die
heerlijke plannen nu niets kon komen, dat hij er niet ten volle van
zou genieten....
Want de Koningin kwam, al stroomde op haar eersten tocht door
Rhanden, toen ze naar het groote Sanatorium zou gaan, de regen. En
ondanks dien regen hingen de vlaggen, en ze dropen van water....
Hoe moest het nu met de Rhandensche Verkenners? Kon hij
meegaan?,.... Vader vond, dat hij het maar doen moest. Hij had er
zoo op gehoopt, en nu zou het wel vreeselijk jammer voor hem zijn,
om niet mee te kunnen.
Alles was klaar -- 't vaandel was prachtig, de sjerpen waren fijn
bedrukt.... en het weer begon tegen den middag werkelijk wat op te
klaren. Toen Jan en Theo dan ook kwamen vragen, of Cor kwam -- toen
ging hij mee. Hij deed het zooveel te makkelijker, omdat Nel zelf
had gezegd: "Nou, Cor, ik zou gaan als ik jou was. Doe het maar! Ik
wou, dat ik het óók kon zien!"
Nu was het laatste beletsel voor Cor weggenomen. Hij haastte zich
naar beneden, liet zijn sjerp omdoen, en vóórt stoven ze met hun
drieën, den Bergweg op.
Daar wachtten de anderen al, onder de druipende boomen. Ze werden
omringd door een deel der Rhandensche straatjeugd, die zoo'n
vertooning nog nooit had bijgewoond.
Cor zou aanvoerder zijn, en Koos zou voor het vaandel zorgen. Ze
noemden het toch maar hun "vaandel", dat stond deftiger. En er waren
toch koorden en kwasten aan!
Om het zoolang mogelijk tegen den regen te beschutten, hadden ze er
een foudraal omgemaakt.
De straatjeugd vroeg zich vol verbazing af, wat het mocht wezen, dat
ding, in dien zak! En meer dan één opmerking moesten de jongens
hooren over hun gedoe. Cor tintelde wel eens, hij stond in dreig, om
er lekker op los te timmeren, maar hij hield zich in: er waren er te
veel, en op 't laatste oogenblik konden ze nu toch den boel niet
bederven, door een veldslag te gaan leveren!
Eindelijk, na lang wachten, gaf Jan, die per fiets den Berg was
opgereden, het afgesproken sein: hij zwaaide tweemaal met zijn
armen, en onmiddellijk daarop zagen ze hem den Berg komen aftrappen.
"Klaar!" commandeerde Cor.
Daar ging 't foudraal van het vaandel, de jongens stonden twee aan
twee, de kleinen voorop, de grooteren achteraan. Voor ze stond Cor,
naast hem Koos, met het vaandel.
"Denk er om, jongens!" zei Cor nog eens, ernstig nu, door de
gedachte aan het oogenblik dat zou komen.
"Twee rijtuigen," berichtte Jan. "In het achterste zit de Koningin!
Ze rijden hard!"
Ze zagen het. Daar kwamen de rijtuigen in gestadigen draf den Berg
afrijden. Ze waren vlak bij.
[Illustratie]
"Klaar," klonk kloek nog eens Cor's commandostem.
En daar stonden ze langs den weg: twee rijen Rhandensche jongens, de
pet in de hand, doodstil, in stomme houding als oud-gedienden. Nog
even keek Cor om. Zoo was het goed. Zelfs Theo stond er nu prachtig
bij... 't kon niet beter....
Koos hief het vaandel omhoog.... en het oogenblik kwam.
Daar reden de rijtuigen aan. De jongens keken en keken.... En ja,
daar in 't tweede rijtuig zat ze, de Koningin; en vroolijk lachend
keerde ze zich naar de jongens en boog vriendelijk.
Dat was te veel voor de jongens. Daar konden ze hun waardigheid niet
bij bewaren. De petten gingen omhoog, Koos zwaaide met zijn vaandel
door de lucht, en... "Leve de Koningin!" klonk het langs den weg.
Bijna waren ze het voorbeeld van een paar straatjongens gevolgd, die
de rijtuigen na holden -- maar ze bedachten zich gelukkig, en in
versnelden pas ging het nu den Berg af.
Ze kwamen nèt te laat; om de begroeting aan het gemeentehuis te
zien, maar werden toch tot het plein toegelaten, waar hun door
Theo's vader een plaats werd gewezen tusschen de "vereenigingen".
Wie of er in het eerste rijtuig had gezeten? Ze hadden zóó naar
het tweede gekeken, dat ze het nauwelijks wisten. Al gauw hoorden ze
het: de Burgemeester was tot aan de grens der gemeente de Koningin
tegemoet gereden.
Ze stonden dicht bij Geurt, van boer Jansen.
"Toe ik zoo oud was als jullie, is ze d'r nog'ès gewest: maor toe
was het veul mooier -- 'n eerewacht te pèrd, en overal blômmen, en
eerepoorten.... onze Mie was t'r ook bij-wêst," vertelde hij
triomfantelijk.
"Toen was Mie zeker heel wat jonger?" vroeg Cor.
"Nou, en 't was er 'n kwáoien," zei Geurt. "M'n bruur Henk het er
toe opgezeten, maor had de hànden vol!"
"'t Zal wel," antwoordde Theo. "Hij steigert nog voor de kar!"
De jongens moesten er om lachen: die taaie, dooie Mie van Jansen
steigeren!
Er kwam beweging vooraan: de groepen werden om het kleine bordesje
van het gemeentehuis geschaard. En even later kwam de Koningin naar
buiten, alweer vriendelijk nijgend, naar alle zijden.
Het fanfarekorps zette een "Wilhelmus van Nassouwen" in. Met bolle
wangen bliezen de muzikanten de lucht in hun blaasinstrumenten, en
de groote trom bonkte er op los, dat het een lieve lust was.
De burgemeester, deftig in 't zwart, met een keten om den hals,
stond wat achteruit, links van de Koningin, op 't bordes. Achter hem
stonden de gemeenteraadsleden; allemaal in deftig zwart, en Pieters,
de boer, met de hooge witte stropdas om.
De Koningin stond te wachten, tot de muziek uit was. Op het plein
waren ineens alle vanen omhoog gegaan, en alle "vereenigingen"
stonden stil. Ook de Rhandensche Verkenners.
Toen het lied uit was, neeg de Koningin weer, en nu was er ook bij
die menigte voor het stadhuis geen houden aan: luid klonk het "Leve
de Koningin" over het plein, zoodat het weerklonk naar alle kanten!
Toen werd de stoet opgesteld. Sommige "vereenigingen," lieten zich
rijden.... anderen liepen. Voorop de bolwangige fanfare-corpsers.
Zoowat halverwege kwamen de Rhandensche Verkenners, en ze hadden
wàt een bekijks! Toen ze meneer Van Waalwijk zagen, vielen er een
paar uit hun rol. Ze namen hun pet af, en riepen: "dag meneer!" En
meneer knikte ze vriendelijk goeden dag. Maar Cor, die naast Koos
stevig vooruitstapte, commandeerde kort: "Orde!"
"Hou je kalm!" riep Theo, die het al lang mooi vond om zoo gewichtig
te doen, en nu zijn streken niet langer kon bedwingen. En hij gaf
Cor eer por in den rug. "Jô, de Koningin is toch weer naar binnen!"
Ze kwamen de Hoofdstraat door. Op de stoepen stonden de menschen in
rijen geschaard. Al van verre keek Cor naar huis. Nu moesten ze hem
thuis eens zien! Opeens hoorde hij: "Pa, daar is Cor!"
Ja, 't waren de broertjes met vader.
"Dag! Da-a-ag!" riepen de jongens, telkens als ze een bekende
voorbijkwamen. Maar Cor hield zich gewichtig-strak. Hij knikte, met
een blij, trotsch gezicht, keek nog eens even naar zijn jongens, en
zocht toen naar de ramen boven den winkel.
Wat was dat? Ja, 't was zoo.
[Illustratie]
Nel's bed was tot vlak voor 't raam geschoven.
"Jongens, daar zit Nel!" riep hij ineens, nu zelf zijn waardigheid
vergetend, en hij wuifde met zijn pet Nel goeden dag. Ze knikte
tegen de jongens, en zonk toen weer in haar bedje terug.
"Wat ziet diè er bleek uit!" zei Koos tegen Cor. "Is ze èrg ziek?"
Nu kwam het weer voor Cor. Hij had er bijna niet over gedacht, dien
ganschen middag niet, door al de glorie van zijn Verkenners. Maar nu
moest hij er ineens weer aan denken, aan al dat vreeselijke....
"Hoor je me niet?" vroeg Koos.
"Ja... ja...." deed Cor, verstrooid. "Erg ziek? -- Héél erg, heeft
de dokter gezegd." En zijn eigen groote vrees sprak hij uit, toen
hij liet volgen: "ze wordt misschien niet ééns meer beter." En
zwijgend liep hij voort in den stoet, die nu den weg naar het
station insloeg, waar de Koningin weldra zou vertrekken.
Nu was de aardigheid er voor Cor af. Hij had wel weg willen loopen,
om nog eventjes bij Nel te kijken. Hij vond dat ze er zoo èrg naar
uitzag; nòg erger dan vanmorgen. Dàt kon nu niet. De vroolijke
scherts van de jongens, wien het wachten begon te vervelen, bracht
hem weer in de stemming, en toen het koninklijke rijtuig kwam
aanrollen, was hij weer geheel in zijn rol, en stond hij stram voor
zijn jongens, tot Hare Majesteit gepasseerd was.
En toen was het: gauw naar huis, en op zijn teenen naar boven, naar
de kamer waar Nel lag.
Behoedzaam opende hij de deur, stak zijn hoofd door de opening, en
vroeg zacht, toen hij zag dat Nellie doodrustig daar lag: "Hoe is
het, Moe?"
"S-s-s-t," deed Moe, met den vinger op den mond, en fluisterend
voegde ze er aan toe: "Nel slaapt net. Zeg maar, dat ik dadelijk
beneden kom eten."
"Gelukkig" dacht Cor, en in zijn blijdschap vergat hij weer, dat hij
stil moest zijn, en trok de deur op zijn gewone ruwe manier, met een
ruk, dicht.
Toen Moe beneden kwam, zei ze: "Maar jongen, wat deed je dat weer
wild. Nel schoot er bijna van wakker!" Maar belangstellend vroeg ze
verder: "En hoe hebben jelui het gehad, vandaag? Gelukkig droog,
nietwaar? En de Koningin gezien? Nel ook. Wat was diè blij! En
jullie heeft ze ook gezien. Wat vond ze het leuk! Maar nu was ze erg
moe. 't Is niets gedaan met haar. Wat dàt nog worden moet? Ik
begrijp het niet!"
Meneer Poorters keek zijn vrouw aan. Niet begrijpen? Ja, hij wist
het, zijn vrouw begreep het evengoed als hijzelf, maar zij durfde er
nog niet aan.
Vurig bad hij den Heere, Nel beter te maken. Want wèl zag het er
menschelijkerwijze, hopeloos uit. Maar de Heer was toch de groote
Medicijnmeester, en het kòn toch?...
Cor dacht er òòk zoo over. Het kòn toch....
Maar het was wonderlijk, dat bij geen van hen zekerheid leefde: het
zàl. Vader en Moeder ook: ze baden, maar niet als die werkelijk
geloofden. "Uw wil geschiede," dat was het laatste woord van Vaders
gebed.
Cor dacht er over na. Maar dan hòef je eigenlijk niet te bidden,
dacht hij. En nu, schuchter bij deze heilige dingen vroeg hij aan
Vader: "Waarom bidt u zóó Vader?...."
"Jongen," zei Vader, "wij vragen, wat wij graag willen, maar we
weten niet wat goed voor ons en voor Nel is. Wat goèd voor haar is,
dàt is zeker 's Heeren wil. En daarom moeten we leeren, slechts
dàt óók te willen."
Cor begreep er niet veel van. Hij bewaarde het in zijn hart. Want
hij sprak er niet over met de jongens. Ook niet met Koos of Jan, met
wie hij toch anders alles bepraatte. Dàt waren dingen, die hij niet
aan de menschen liet zien. Die mochten alleen zeker zijn wildheid en
zijn schijnbare onverschilligheid kennen.
Hij bleef verder dien avond rustig thuis, wat lezen in de huiskamer,
en wat soezen en denken over de Rhandensche Verkenners, wat ze
verder zouden doen.
't Was nu een èchte dag geweest; dat vonden de jongens ook. Maar
zulke fijne dagen kwamen er niet vaak.
Met blijden trots hoorde hij den volgenden dag, op school, wat Theo
vertelde aan meneer Van Waalwijk. De Koningin had aan de
Burgemeester gevraagd, wie die flinke jongens toch waren, met dat
mooie schild. Hare Majesteit had ze al dadelijk op den Bergweg
opgemerkt, en ze daarna in den optocht weer gezien.
"En wat heeft de Burgemeester gezegd?" vroeg Cor, benieuwd.
"Dat we de Rhandensche Verkenners waren, zoo'n clubje van jongens,
die samen speelden...."
Dat viel Cor een beetje tegen. De Burgemeester had er wel wat meer
over mogen zeggen, meende hij, b.v. over den brand.
"Den heibrand zeker in jullie kampweek?" plaagde meneer Van
Waalwijk.
Cor wist geen antwoord, en ging weer aan zijn werk.