XIII. Van een feest, en donkere dagen die dreigen.

Een paar dagen voor het verwachte bezoek der Koningin sloeg het weer

nu voor goed om. En het scheen wel, alsof àl de regen, die anders

in Juli en Augustus valt, nu in de somberder wordende najaarsdagen

neer kwam stroomen. Het pletste den heelen dag maar door,

onophoudelijk, in dikke stralen uit de loodgrijze lucht, en hevige

windvlagen striemden de boomen, en de natte blaren sloegen van het

hout af.

't Beloofde niet veel moois.

Mèt het herfstweer was ook bij Poorters de somberheid in huis

gekomen.

Al heel kort na de vacantie was Nelly blijven liggen. Ze voelde zich

zóó vermoeid, zóó vermoeid, dat ze wel altijd zou willen slapen;

vertelde ze aan moeder, die haar uiterst bezorgd aanzag. Wat zou dat

worden? En toen ze in bed lag, met een hoogrood blosje op de

angstig-bleeke wangen, het smalle gezichtje omlijst door de strakke

zwarte haren, toen zag Mevrouw Poorters weer in haar herinnering

verschijnen het beeld van nòg zoo'n zieke: haar eigen zusje, dat ze

nèt zoo had zien liggen en had zien hééngaan.... O, wat werd het

haar angstig! En met wat teere zorg en innige liefde keek zij naar

haar anders zoo drukke kindje!

Natuurlijk kwam dien eigen dag de dokter nog.

Hij onderzocht haar, zat langen tijd stil voor haar bedje, waarin ze

met gesloten oogen stil neerlag, en hield haar smalle polsje in zijn

groote, breede hand.

't Was niet best, vond hij. Zij moesten uiterst voorzichtig met haar

wezen. De koorts was hóóg, en hij vertrouwde haar longen niet.

Bovendien was haar keel ontstoken -- uiterste rust werd aanbevolen.

[Illustratie]

Zus moest een zonnige kamer hebben. En daar moest het raam zoo veel

mogelijk openstaan....

Moeder begreep het, en meneer Poorters ook. Hij ging stil door huis,

waar alle gerucht uitgestorven scheen. En Cor vond het vreeselijk.

Vreeselijk, dat Nel zóó ziek was; vreeselijk, dat van al die

heerlijke plannen nu niets kon komen, dat hij er niet ten volle van

zou genieten....

Want de Koningin kwam, al stroomde op haar eersten tocht door

Rhanden, toen ze naar het groote Sanatorium zou gaan, de regen. En

ondanks dien regen hingen de vlaggen, en ze dropen van water....

Hoe moest het nu met de Rhandensche Verkenners? Kon hij

meegaan?,.... Vader vond, dat hij het maar doen moest. Hij had er

zoo op gehoopt, en nu zou het wel vreeselijk jammer voor hem zijn,

om niet mee te kunnen.

Alles was klaar -- 't vaandel was prachtig, de sjerpen waren fijn

bedrukt.... en het weer begon tegen den middag werkelijk wat op te

klaren. Toen Jan en Theo dan ook kwamen vragen, of Cor kwam -- toen

ging hij mee. Hij deed het zooveel te makkelijker, omdat Nel zelf

had gezegd: "Nou, Cor, ik zou gaan als ik jou was. Doe het maar! Ik

wou, dat ik het óók kon zien!"

Nu was het laatste beletsel voor Cor weggenomen. Hij haastte zich

naar beneden, liet zijn sjerp omdoen, en vóórt stoven ze met hun

drieën, den Bergweg op.

Daar wachtten de anderen al, onder de druipende boomen. Ze werden

omringd door een deel der Rhandensche straatjeugd, die zoo'n

vertooning nog nooit had bijgewoond.

Cor zou aanvoerder zijn, en Koos zou voor het vaandel zorgen. Ze

noemden het toch maar hun "vaandel", dat stond deftiger. En er waren

toch koorden en kwasten aan!

Om het zoolang mogelijk tegen den regen te beschutten, hadden ze er

een foudraal omgemaakt.

De straatjeugd vroeg zich vol verbazing af, wat het mocht wezen, dat

ding, in dien zak! En meer dan één opmerking moesten de jongens

hooren over hun gedoe. Cor tintelde wel eens, hij stond in dreig, om

er lekker op los te timmeren, maar hij hield zich in: er waren er te

veel, en op 't laatste oogenblik konden ze nu toch den boel niet

bederven, door een veldslag te gaan leveren!

Eindelijk, na lang wachten, gaf Jan, die per fiets den Berg was

opgereden, het afgesproken sein: hij zwaaide tweemaal met zijn

armen, en onmiddellijk daarop zagen ze hem den Berg komen aftrappen.

"Klaar!" commandeerde Cor.

Daar ging 't foudraal van het vaandel, de jongens stonden twee aan

twee, de kleinen voorop, de grooteren achteraan. Voor ze stond Cor,

naast hem Koos, met het vaandel.

"Denk er om, jongens!" zei Cor nog eens, ernstig nu, door de

gedachte aan het oogenblik dat zou komen.

"Twee rijtuigen," berichtte Jan. "In het achterste zit de Koningin!

Ze rijden hard!"

Ze zagen het. Daar kwamen de rijtuigen in gestadigen draf den Berg

afrijden. Ze waren vlak bij.

[Illustratie]

"Klaar," klonk kloek nog eens Cor's commandostem.

En daar stonden ze langs den weg: twee rijen Rhandensche jongens, de

pet in de hand, doodstil, in stomme houding als oud-gedienden. Nog

even keek Cor om. Zoo was het goed. Zelfs Theo stond er nu prachtig

bij... 't kon niet beter....

Koos hief het vaandel omhoog.... en het oogenblik kwam.

Daar reden de rijtuigen aan. De jongens keken en keken.... En ja,

daar in 't tweede rijtuig zat ze, de Koningin; en vroolijk lachend

keerde ze zich naar de jongens en boog vriendelijk.

Dat was te veel voor de jongens. Daar konden ze hun waardigheid niet

bij bewaren. De petten gingen omhoog, Koos zwaaide met zijn vaandel

door de lucht, en... "Leve de Koningin!" klonk het langs den weg.

Bijna waren ze het voorbeeld van een paar straatjongens gevolgd, die

de rijtuigen na holden -- maar ze bedachten zich gelukkig, en in

versnelden pas ging het nu den Berg af.

Ze kwamen nèt te laat; om de begroeting aan het gemeentehuis te

zien, maar werden toch tot het plein toegelaten, waar hun door

Theo's vader een plaats werd gewezen tusschen de "vereenigingen".

Wie of er in het eerste rijtuig had gezeten? Ze hadden zóó naar

het tweede gekeken, dat ze het nauwelijks wisten. Al gauw hoorden ze

het: de Burgemeester was tot aan de grens der gemeente de Koningin

tegemoet gereden.

Ze stonden dicht bij Geurt, van boer Jansen.

"Toe ik zoo oud was als jullie, is ze d'r nog'ès gewest: maor toe

was het veul mooier -- 'n eerewacht te pèrd, en overal blômmen, en

eerepoorten.... onze Mie was t'r ook bij-wêst," vertelde hij

triomfantelijk.

"Toen was Mie zeker heel wat jonger?" vroeg Cor.

"Nou, en 't was er 'n kwáoien," zei Geurt. "M'n bruur Henk het er

toe opgezeten, maor had de hànden vol!"

"'t Zal wel," antwoordde Theo. "Hij steigert nog voor de kar!"

De jongens moesten er om lachen: die taaie, dooie Mie van Jansen

steigeren!

Er kwam beweging vooraan: de groepen werden om het kleine bordesje

van het gemeentehuis geschaard. En even later kwam de Koningin naar

buiten, alweer vriendelijk nijgend, naar alle zijden.

Het fanfarekorps zette een "Wilhelmus van Nassouwen" in. Met bolle

wangen bliezen de muzikanten de lucht in hun blaasinstrumenten, en

de groote trom bonkte er op los, dat het een lieve lust was.

De burgemeester, deftig in 't zwart, met een keten om den hals,

stond wat achteruit, links van de Koningin, op 't bordes. Achter hem

stonden de gemeenteraadsleden; allemaal in deftig zwart, en Pieters,

de boer, met de hooge witte stropdas om.

De Koningin stond te wachten, tot de muziek uit was. Op het plein

waren ineens alle vanen omhoog gegaan, en alle "vereenigingen"

stonden stil. Ook de Rhandensche Verkenners.

Toen het lied uit was, neeg de Koningin weer, en nu was er ook bij

die menigte voor het stadhuis geen houden aan: luid klonk het "Leve

de Koningin" over het plein, zoodat het weerklonk naar alle kanten!

Toen werd de stoet opgesteld. Sommige "vereenigingen," lieten zich

rijden.... anderen liepen. Voorop de bolwangige fanfare-corpsers.

Zoowat halverwege kwamen de Rhandensche Verkenners, en ze hadden

wàt een bekijks! Toen ze meneer Van Waalwijk zagen, vielen er een

paar uit hun rol. Ze namen hun pet af, en riepen: "dag meneer!" En

meneer knikte ze vriendelijk goeden dag. Maar Cor, die naast Koos

stevig vooruitstapte, commandeerde kort: "Orde!"

"Hou je kalm!" riep Theo, die het al lang mooi vond om zoo gewichtig

te doen, en nu zijn streken niet langer kon bedwingen. En hij gaf

Cor eer por in den rug. "Jô, de Koningin is toch weer naar binnen!"

Ze kwamen de Hoofdstraat door. Op de stoepen stonden de menschen in

rijen geschaard. Al van verre keek Cor naar huis. Nu moesten ze hem

thuis eens zien! Opeens hoorde hij: "Pa, daar is Cor!"

Ja, 't waren de broertjes met vader.

"Dag! Da-a-ag!" riepen de jongens, telkens als ze een bekende

voorbijkwamen. Maar Cor hield zich gewichtig-strak. Hij knikte, met

een blij, trotsch gezicht, keek nog eens even naar zijn jongens, en

zocht toen naar de ramen boven den winkel.

Wat was dat? Ja, 't was zoo.

[Illustratie]

Nel's bed was tot vlak voor 't raam geschoven.

"Jongens, daar zit Nel!" riep hij ineens, nu zelf zijn waardigheid

vergetend, en hij wuifde met zijn pet Nel goeden dag. Ze knikte

tegen de jongens, en zonk toen weer in haar bedje terug.

"Wat ziet diè er bleek uit!" zei Koos tegen Cor. "Is ze èrg ziek?"

Nu kwam het weer voor Cor. Hij had er bijna niet over gedacht, dien

ganschen middag niet, door al de glorie van zijn Verkenners. Maar nu

moest hij er ineens weer aan denken, aan al dat vreeselijke....

"Hoor je me niet?" vroeg Koos.

"Ja... ja...." deed Cor, verstrooid. "Erg ziek? -- Héél erg, heeft

de dokter gezegd." En zijn eigen groote vrees sprak hij uit, toen

hij liet volgen: "ze wordt misschien niet ééns meer beter." En

zwijgend liep hij voort in den stoet, die nu den weg naar het

station insloeg, waar de Koningin weldra zou vertrekken.

Nu was de aardigheid er voor Cor af. Hij had wel weg willen loopen,

om nog eventjes bij Nel te kijken. Hij vond dat ze er zoo èrg naar

uitzag; nòg erger dan vanmorgen. Dàt kon nu niet. De vroolijke

scherts van de jongens, wien het wachten begon te vervelen, bracht

hem weer in de stemming, en toen het koninklijke rijtuig kwam

aanrollen, was hij weer geheel in zijn rol, en stond hij stram voor

zijn jongens, tot Hare Majesteit gepasseerd was.

En toen was het: gauw naar huis, en op zijn teenen naar boven, naar

de kamer waar Nel lag.

Behoedzaam opende hij de deur, stak zijn hoofd door de opening, en

vroeg zacht, toen hij zag dat Nellie doodrustig daar lag: "Hoe is

het, Moe?"

"S-s-s-t," deed Moe, met den vinger op den mond, en fluisterend

voegde ze er aan toe: "Nel slaapt net. Zeg maar, dat ik dadelijk

beneden kom eten."

"Gelukkig" dacht Cor, en in zijn blijdschap vergat hij weer, dat hij

stil moest zijn, en trok de deur op zijn gewone ruwe manier, met een

ruk, dicht.

Toen Moe beneden kwam, zei ze: "Maar jongen, wat deed je dat weer

wild. Nel schoot er bijna van wakker!" Maar belangstellend vroeg ze

verder: "En hoe hebben jelui het gehad, vandaag? Gelukkig droog,

nietwaar? En de Koningin gezien? Nel ook. Wat was diè blij! En

jullie heeft ze ook gezien. Wat vond ze het leuk! Maar nu was ze erg

moe. 't Is niets gedaan met haar. Wat dàt nog worden moet? Ik

begrijp het niet!"

Meneer Poorters keek zijn vrouw aan. Niet begrijpen? Ja, hij wist

het, zijn vrouw begreep het evengoed als hijzelf, maar zij durfde er

nog niet aan.

Vurig bad hij den Heere, Nel beter te maken. Want wèl zag het er

menschelijkerwijze, hopeloos uit. Maar de Heer was toch de groote

Medicijnmeester, en het kòn toch?...

Cor dacht er òòk zoo over. Het kòn toch....

Maar het was wonderlijk, dat bij geen van hen zekerheid leefde: het

zàl. Vader en Moeder ook: ze baden, maar niet als die werkelijk

geloofden. "Uw wil geschiede," dat was het laatste woord van Vaders

gebed.

Cor dacht er over na. Maar dan hòef je eigenlijk niet te bidden,

dacht hij. En nu, schuchter bij deze heilige dingen vroeg hij aan

Vader: "Waarom bidt u zóó Vader?...."

"Jongen," zei Vader, "wij vragen, wat wij graag willen, maar we

weten niet wat goed voor ons en voor Nel is. Wat goèd voor haar is,

dàt is zeker 's Heeren wil. En daarom moeten we leeren, slechts

dàt óók te willen."

Cor begreep er niet veel van. Hij bewaarde het in zijn hart. Want

hij sprak er niet over met de jongens. Ook niet met Koos of Jan, met

wie hij toch anders alles bepraatte. Dàt waren dingen, die hij niet

aan de menschen liet zien. Die mochten alleen zeker zijn wildheid en

zijn schijnbare onverschilligheid kennen.

Hij bleef verder dien avond rustig thuis, wat lezen in de huiskamer,

en wat soezen en denken over de Rhandensche Verkenners, wat ze

verder zouden doen.

't Was nu een èchte dag geweest; dat vonden de jongens ook. Maar

zulke fijne dagen kwamen er niet vaak.

Met blijden trots hoorde hij den volgenden dag, op school, wat Theo

vertelde aan meneer Van Waalwijk. De Koningin had aan de

Burgemeester gevraagd, wie die flinke jongens toch waren, met dat

mooie schild. Hare Majesteit had ze al dadelijk op den Bergweg

opgemerkt, en ze daarna in den optocht weer gezien.

"En wat heeft de Burgemeester gezegd?" vroeg Cor, benieuwd.

"Dat we de Rhandensche Verkenners waren, zoo'n clubje van jongens,

die samen speelden...."

Dat viel Cor een beetje tegen. De Burgemeester had er wel wat meer

over mogen zeggen, meende hij, b.v. over den brand.

"Den heibrand zeker in jullie kampweek?" plaagde meneer Van

Waalwijk.

Cor wist geen antwoord, en ging weer aan zijn werk.

Rhandensche Jongens · 第 24 / 28 题