Cor had zijn zin gekregen: de Rhandensche Verkenners zouden gaan
kampeeren. Ze mochten een tent opslaan op een stuk hei, dat tot den
Derker behoorde.
Wat een blijdschap bij de jongens! Eén schaduw was er nog: ze
moesten 's avonds weer inrukken: ze konden van thuis géén verlof
krijgen om ook den nacht in hun "kamp" door te brengen. Cor
pruttelde geweldig tegen, van dat ze toch geen kleine kinderen
waren, en dat ze ook _niets_ mochten, en dat Pa ook altijd zoo bang
was, maar 't hielp niet.
"Als je liever soms heelemaal niet gaat, is het mij óók goed," had
vader gezegd, en toen hij, omdat hij bij Vader niet meer durfde
aandringen, Moe nog eens in den arm nam, wist deze hem te kalmeeren
door hem aan 't gebeurde in dien zomer te herinneren. "Je bent
heusch nog te jong, Cor, en nog niet voldoende meester van je zelf!
Ik zou geen enkelen nacht een oog dicht doen!"
Misschien had Moe gelijk, dacht Cor. De andere jongens mochten toch
óók niet. Hij zou het alleen erg leuk gevonden hebben, om tegen
z'n jongens te kunnen opscheppen van: "Ik mag wel," maar dat
mislukte nu volkomen. De goede harmonie werd er niet minder door. En
ze hadden groote plannen, om het zich zoo aangenaam mogelijk te
maken.
Op een vroegen Maandagmorgen in de vacantie trok het heele stelletje
den berg op; ze hadden alle benoodigdheden voor hun tent op een
wagen geladen; twee trokken aan touwen, anderen duwden den wagen; ze
liepen er bij, alsof ze zoo pas Rhanden hadden ingenomen en nu
gereed waren om op den Derker los te stormen. Natuurlijk voerde Cor
den boventoon, maar ook Theo, wiens bril weer zijn gewonen dansen op
z'n neus maakte, had een praats van belang. Koos Venema liep
kalmpjes met zijn broer te praten. Hij had zijn schetsboek bij zich
en had zich vast voorgenomen, heel wat te teekenen en goed uit te
kijken. Hòe vaak hij ook buiten was, 't vooruitzicht om een heele
week, van den vroegen morgen tot den laten avond, buiten te zijn, en
te dwalen, en onbekende hoekjes op te zoeken, het lokte hem
buitengewoon aan.
[Illustratie]
Jan Arps voegde zich op den berg bij hen.
't Was nog stil op den weg; Jan dacht even terug aan dien morgen,
toen de verhuiswagen met den boel van Poorters den berg opkwam. Maar
alles was nu zoo heelemaal anders: 't blad begon al te vallen.
Op den Derker waren ze aan 't bladharken. Door de droogte liet het
onderste blad wel héél vroeg los dit jaar.
"Je slaapt zoo fijn in dat droge blad" vertelde Jan. "'t Is zoo
lekker als het knapt om je heen...."
"Nou, toch lig ik liever in mijn bed," zei Theo. Die vond het
eigenlijk nog niet zoo naar, dat ze 's avonds naar huis zouden
trekken. En hij gaf telkens luide zijn twijfel te kennen, of het met
eten wel gaan zou. Hij wist vreeselijke verhalen van zwartgebrande
aardappelen, en groente, die niet deugde, en vleesch dat niet te
eten was; en als 't eten niet goed was, dan ging hij vast thuis even
wat halen, want in hongerlijden had hij geen zin.
Bij de hei wachtte Gert ze op.
"Jullie moeten erg voorzichtig zijn met vuur, zegt vader, en niet al
te dicht tegen 't bosch aan je tent opslaan."
"Waarom niet?"
"Ja, voor als jullie misschien brand zou stichten!"
"Zeg, we zijn geen kleine kinderen!" stoof Cor op. "Als jij d'r nou
bij was...."
Gert zei niets, maar keek, hoe ze aan 't zwoegen waren met de kar
over de hei.
"In 't karspoor halen je wagen, anders krijg je het niet gedaan."
Ze volgden zijn raad op, en 't ging beter.
't Was anders al lekker warm. De zon scheen over de hei, waar geen
schaduwplek was; de weg klom langzaam, en ze moesten nog een eind
verder. Theo, die juist in 't touw liep te trekken, ging ineens
liggen. "Als je dat vacantie-werk noemt.... ik dank je lekker!" Ze
bleven langs het karrepad rusten.
Koos zat alleen. Z'n blik dwaalde over de nu paarse hei. Boven de
bloemen trilde de warme lucht; 't was een prachtig gezicht; hij
hoorde nauwelijks het gejoel van zijn kameraads, maar zat voor zich
uit te staren, en al die wondere schoonheid in te drinken, begeerig,
en stil.... 't Lawaai vervloeide hier; 't klonk lang niet zoo, als
midden in de stad, tusschen de huizen in, in smalle straten. Zelfs
de scherpe, gebiedende stem van Cor klonk hier minder luid. En 't
was, of ze zelf onder den indruk kwamen; 't gejoel begon te
verstommen, en ze lagen rustig hun plannen te bespreken voor de week
op de heide.
"Jongens, we kunnen hier niet blijven zitten; dan schieten we niet
op. Opkrassen, asjeblieft!"
Te lui wàs Cor niet. Hij commandeerde wel altijd, maar was zelf
niet vies van aanpakken. Hij had dan ook al één van de touwen
beet, en zette zich in postuur om te gaan trekken. De anderen
volgden, en de wagen, knoersend in zijn assen, rolde verder, den
hellenden zandweg op, tot ze op een kleine hoogte kwamen, waar ze de
tent zouden opslaan. Met de noodige drukte, maar toch nog vlug, werd
afgeladen.
[Illustratie]
Theo was aan het graven; want de steunpaal moest toch in den grond,
dacht hij; goed diep, dan stond hij stevig. Maar de anderen brachten
hem aan zijn verstand, dat het niet noodig was, en dat de touwen,
aan de haringkoppen bevestigd, de tent overeind moesten houden. Daar
hij met alle geweld wilde graven, wees Cor hem een plek enkele
meters verder, waar hij een kuil kon maken voor het vuur.
Hij was nog geen kwartier aan 't graven, of hij begon al leelijke
gezichten te trekken. Hij kwam eens bij de tent kijken.
"'k Heb zoo'n raar gevoel in mijn rug! Dat graven is niks voor mij.
Dat moet Jan nou overnemen, dan zal ik wel bij de tent helpen. 'k
Krijg al blaren in mijn handen!"
"Dat komt", verklaarde Jan, "omdat je de schop veel te stijf
aangrijpt. Zóó moet je doen!" en hij deed het voor.
"Maar ik bedank je kostelijk! Doe jij het maar. M'n bril zweet er
alweer van!" zei Theo.
Jan zag, dat het niet gaan zou, en daarom nam hij het over.
Met allebei zijn handen in zijn zakken stond Theo nu naar het
opslaan van de tent te kijken. Koos en Cor hadden de leiding, maar
het lukte nog niet best. De boel wou nog niet blijven staan. Het was
alweer aardig warm geworden, en de jongens, die werkten zoo hard ze
konden, hadden er last van. Koos stond zijn gezicht af te vegen met
z'n zakdoek.
"De mijne ook hebben?" bood Theo kwasie-vriendschappelijk aan.
"Werk liever mee. Jij staat te kijken en wij kunnen ons uit den naad
werken!"
"Nou, ik doe toch óók wat!", merkte Theo nu op, met zijn
armzaligste gezicht.
"Zoo, ik zou wel eens willen zien, wat je deed," stoof Cor op, die
boos werd.
"Ik sta d'r bij te zuchten, jô; dat hoef jij dan niet te doen. Zoo
is het eerlijk verdeeld: de één sjouwen, en de andere zuchten."
"Loop naar de maan!" riep Cor nijdig uit. "Jij bent ook gezellig!
Hier, pak aan dat touw. We moeten nu samen het tentzeil spannen, en
dan sla je het zòò, met een lus, om den haringkop. Begrepen?" Hij
stopte Theo het touw in de handen, en ze trokken nu geleidelijk de
touwen aan, tot de tent schijnbaar stevig genoeg stond. Theo
stribbelde natuurlijk weer tegen, liet zijn handen zien, die stuk
gingen van dat touw erlangs, maar het hielp hem niet; hij moest nu
meewerken, als hij zich niet de algemeene ongenade op den hals wilde
halen. De tent stond, en de zes Robinsons, die nu hun verblijfplaats
op het onbewoonde eiland gereed zagen, keken vol verbazing en
bewondering en blijdschap er naar. Wat stond dat grauw-witte zeil
fijn op die heide. 't Was bijna een complete soldatentent, en de
Padvinders konden heusch geen mooier hebben, en geen beter!
[Illustratie]
Ze hadden onder 't werken door, hun jas of blouse al uitgetrokken,
en in hun hemdsmouwen scharrelden ze rond.
Want de magen begonnen te jeuken. En dorst dat ze hadden! O ja, daar
had niemand aan gedacht! Water moesten ze óók hebben!
Dan maar op den Derker vragen. Theo en Koos zouden die corvee
verrichten. Theo protesteerde wel weer van wege zijn stukke handen
en zijn zweetenden bril, doch het baatte niet. Koos trok den
goedigen pruttelaar mee, en fluisterde hem in 't oor: "jô, dan gaan
we eerst zèlf fijn drinken." Daarmee was hij gewonnen, en nu ging
het den zandweg af naar den Derker.
"Motten jullie?" vroeg Gert, die ze had zien aankomen en ze tegemoet
kwam loopen.
"Wàter," schreeuwde Theo hem in eens vlak in het oor. "De
Rhandensche Jongens versmachten van dorst."
"Waarin?" merkte Gert droogjes op, die al gauw zag dat ze niets
hadden meegebracht.
"O ja, je moet water ergens indoen!" Koos lachte er hartelijk om.
"Ook stom van ons, zeg!"
"Och, is me dat een kamperij van jullie!" plaagde Theo ineens. "Dat
heeft niet eens een put laten graven!" En met een ernstig gezicht
wendde hij zich tot Gert, en zei: "En dan heb ik mijn jassie óók
daargelaten!"
"Nou, wat zou dat? 't Is wèrm genocht!" merkte Gert nu op.
[Illustratie]
"Wat dat zou? Ik had dan toch mijn zakken met water kunnen vullen?
Geef 't me dan maar in m'n pet!"
"Verkoop toch niet altijd flauwiteiten." Koos werd boos. "Zoo
schieten we niet op. Toe Gert, vraag jij aan je vader of we een kan
of een emmer mogen leenen?" Een oogenblik later kwam Gert aanzeulen
met een kleine melkkit.
"Daar, as je d'r maor veurzichtig bij zijt," zei hij.
Ja, nu waren ze nog net zoo ver. Waaruit zouden ze drinken? Theo
wilde 't uit z'n handen doen. Maar nu plaagde Koos hèm met zijn
opengeschaafde handen. En die goeie Gert was weer teruggeloopen en
kwam nu met een groote kom te voorschijn. "Moet ik me daarin
wasschen? Daar is-ie te klein voor," grapte Theo nu. Maar Koos pakte
de kit met water bij het eene oor. "Allo, pak an," gebood hij, en
Theo nam het andere oor, en zoo zwoegden ze de hei op.
"Gezellig, zoo corveeën," bromde Theo, die al gauw zijn zakdoek
door het oor van de kit had geslagen en puffend en hijgend
voortsukkelde. "Toch een goeie knul, die Gert; wel een echte boer!"
Koos liet hem praten; hij had genoeg aan zijn vrachtje. Toen ze bij
de tent aankwamen, waren ze moe en wel; ze werden met gejuich
ontvangen, want de jongens waren allemaal even blij, dat ze zich
verfrisschen konden. De kom ging rond, en de ketel werd gevuld. Want
ze hadden natuurlijk een ketel meegenomen, om water voor de koffie
te koken.
"Theo, haal jij wat droog hout in het bosch," commandeerde Cor, die
zich krachtens zijn voorzitterschap van "De Rhandensche Verkenners"
kampleider gevoelde, en braaf den baas speelde.
"Doe het zelf," antwoordde Theo kort. "Ik heb al genoeg gesjouwd. 'k
Geef het jou te doen, om in zoo'n hitte die kit water van den Derker
af hier heen te zeulen. Dankje lekker: ik heb genoeg gecorveed!"
"Ik zal het wel doen," bood Jan Arps aan, "ik kan best. Ga je mee,
Dirk?" vroeg hij aan Koos z'n broer. Die stemde toe, en als hazen
schoten ze over de hei, en verdwenen in het bosch. Een oogenblik
later verschenen ze weer met de noodige hoeveelheid dor hout, waar
ze spoedig een vuurtje van hadden.
Van steenen hadden ze een soort vuring gemaakt, en daarop kwam de
ketel, en rondom het smeulende, knappende houtvuur zaten ze met hun
zessen, en ze bliezen de vonken aan tot vlammen en hadden een pret
van belang, zoo'n pret, dat zelfs Theo nu onnoodig hout aansleepte
en op het vuur wierp. 't Water begon te razen, en stond op den kook.
Ze deden er wat koffie in, en lieten het toen lustig koken.
Alweer een bezwaar. Ze hadden geen melk! "Dan drinken we ze maar
zònder," decreteerde Cor. "Want je kan nu slecht naar de stad
loopen; om een kannetje melk te halen. Morgenochtend moeten we er
aan denken. Nu zullen we maar véél suiker nemen!"
Ja, dat was een idée, en Theo, die, als het op lekker eten en
drinken aankwam, toonde zich te kunnen haasten, schommelde uit de
provisie-kist een zakje met suiker en stortte dat leeg in het
kokende vocht.
Nu zou de koffie al wel goed zijn, meenden ze, en de koffie werd van
het vuur genomen, dat ze met wat steenen dekten; dan bleef het
smeulen, meenden ze. Ze hadden in hun Indianen-boeken gelezen, dat
die hun vuur afdekten met asch. Maar asch was er nog niet. Ze
maakten dus van den nood een deugd, en dekten af met steenen.
De koffie was nog te warm. Die moest eerst wat afkoelen. De
boterhammen werden voor den dag gehaald, en èven was het doodstil,
toen ze de handen vouwden, 'n beetje vreemd voor elkaar, en baden.
Maar al spoedig was het weer één en al luidruchtigheid en ge-grap.
Theo zou inschenken. De groote kom kwam vol, en hij zette begeerig
zijn lippen aan het donkerbruine vocht. Doch nauwelijks had hij een
slok er van in den mond, of hij spuwde het vol afschuw uit, zonder
er op te letten, dat het midden tusschen de makkers terechtkwam.
"Bah! Wat een goed! Hoe smerig bitter!" viel hij uit, en hij
trachtte de laatste sporen van het bruine vocht uit zijn mond te
verwijderen en nam daartoe zelfs zijn zakdoek te baat.
"Ja, smerig bèn je," viel Koos uit, naast wien de zwart-bruine
regen juist was neergekomen.
"Nou," proestte Theo nog, "nou, en als jij het gedronken had, zou
je...."
"Jij was ook veel te gulzig," kwam Cor er tusschen in. "Maak nou
asjeblieft de kom schoon, dan kunnen wij het probeeren. Je bent ook
net zoo'n lekkerbek."
Theo, die er al troost in zag, dat de anderen ook dien heerlijken
smaak zouden proeven, spoelde de kom om, en schonk voor Cor in.
Heel voorzichtig, de lippen vooruit, proefde deze nu; hij nam zoo
weinig als maar mogelijk was. Vol belangstelling en nieuwsgierigheid
keken de jongens toe, wat voor gezicht hij zou zetten. Maar Cor kon
zijn eigen kooksel slecht afvallen. "Hm, wat stèrk, maar wèl te
drinken," vond hij, en hij bood de kom aan Jan, die aan den anderen
kant even de lippen aanzette, doch met een "dank je, drink jij dat
bocht maar," haar onmiddellijk weer aan Cor overreikte.
[Illustratie]
"Ja, best is ze niet," moest Cor erkennen. "'t Is zonde van de
kostelijke koffie!"
"En dan al die suiker," voegde Jan er aan toe. "Had Theo er die
tenminste maar niet bijgegooid!"
Neen; die koffie was niet drinkbaar.
Zoo kreeg de hei het eerste zetsel van de Rhandensche Verkenners en
kampgenooten te drinken: 'n zwart-bruinig, drabbig, gesuikerd
aftreksel van koffie op kokend water, nog eens lekker sàmengekookt,
in plaats dat de koffie op het water getrokken was!