X. Ze gaan kampeeren.

Cor had zijn zin gekregen: de Rhandensche Verkenners zouden gaan

kampeeren. Ze mochten een tent opslaan op een stuk hei, dat tot den

Derker behoorde.

Wat een blijdschap bij de jongens! Eén schaduw was er nog: ze

moesten 's avonds weer inrukken: ze konden van thuis géén verlof

krijgen om ook den nacht in hun "kamp" door te brengen. Cor

pruttelde geweldig tegen, van dat ze toch geen kleine kinderen

waren, en dat ze ook _niets_ mochten, en dat Pa ook altijd zoo bang

was, maar 't hielp niet.

"Als je liever soms heelemaal niet gaat, is het mij óók goed," had

vader gezegd, en toen hij, omdat hij bij Vader niet meer durfde

aandringen, Moe nog eens in den arm nam, wist deze hem te kalmeeren

door hem aan 't gebeurde in dien zomer te herinneren. "Je bent

heusch nog te jong, Cor, en nog niet voldoende meester van je zelf!

Ik zou geen enkelen nacht een oog dicht doen!"

Misschien had Moe gelijk, dacht Cor. De andere jongens mochten toch

óók niet. Hij zou het alleen erg leuk gevonden hebben, om tegen

z'n jongens te kunnen opscheppen van: "Ik mag wel," maar dat

mislukte nu volkomen. De goede harmonie werd er niet minder door. En

ze hadden groote plannen, om het zich zoo aangenaam mogelijk te

maken.

Op een vroegen Maandagmorgen in de vacantie trok het heele stelletje

den berg op; ze hadden alle benoodigdheden voor hun tent op een

wagen geladen; twee trokken aan touwen, anderen duwden den wagen; ze

liepen er bij, alsof ze zoo pas Rhanden hadden ingenomen en nu

gereed waren om op den Derker los te stormen. Natuurlijk voerde Cor

den boventoon, maar ook Theo, wiens bril weer zijn gewonen dansen op

z'n neus maakte, had een praats van belang. Koos Venema liep

kalmpjes met zijn broer te praten. Hij had zijn schetsboek bij zich

en had zich vast voorgenomen, heel wat te teekenen en goed uit te

kijken. Hòe vaak hij ook buiten was, 't vooruitzicht om een heele

week, van den vroegen morgen tot den laten avond, buiten te zijn, en

te dwalen, en onbekende hoekjes op te zoeken, het lokte hem

buitengewoon aan.

[Illustratie]

Jan Arps voegde zich op den berg bij hen.

't Was nog stil op den weg; Jan dacht even terug aan dien morgen,

toen de verhuiswagen met den boel van Poorters den berg opkwam. Maar

alles was nu zoo heelemaal anders: 't blad begon al te vallen.

Op den Derker waren ze aan 't bladharken. Door de droogte liet het

onderste blad wel héél vroeg los dit jaar.

"Je slaapt zoo fijn in dat droge blad" vertelde Jan. "'t Is zoo

lekker als het knapt om je heen...."

"Nou, toch lig ik liever in mijn bed," zei Theo. Die vond het

eigenlijk nog niet zoo naar, dat ze 's avonds naar huis zouden

trekken. En hij gaf telkens luide zijn twijfel te kennen, of het met

eten wel gaan zou. Hij wist vreeselijke verhalen van zwartgebrande

aardappelen, en groente, die niet deugde, en vleesch dat niet te

eten was; en als 't eten niet goed was, dan ging hij vast thuis even

wat halen, want in hongerlijden had hij geen zin.

Bij de hei wachtte Gert ze op.

"Jullie moeten erg voorzichtig zijn met vuur, zegt vader, en niet al

te dicht tegen 't bosch aan je tent opslaan."

"Waarom niet?"

"Ja, voor als jullie misschien brand zou stichten!"

"Zeg, we zijn geen kleine kinderen!" stoof Cor op. "Als jij d'r nou

bij was...."

Gert zei niets, maar keek, hoe ze aan 't zwoegen waren met de kar

over de hei.

"In 't karspoor halen je wagen, anders krijg je het niet gedaan."

Ze volgden zijn raad op, en 't ging beter.

't Was anders al lekker warm. De zon scheen over de hei, waar geen

schaduwplek was; de weg klom langzaam, en ze moesten nog een eind

verder. Theo, die juist in 't touw liep te trekken, ging ineens

liggen. "Als je dat vacantie-werk noemt.... ik dank je lekker!" Ze

bleven langs het karrepad rusten.

Koos zat alleen. Z'n blik dwaalde over de nu paarse hei. Boven de

bloemen trilde de warme lucht; 't was een prachtig gezicht; hij

hoorde nauwelijks het gejoel van zijn kameraads, maar zat voor zich

uit te staren, en al die wondere schoonheid in te drinken, begeerig,

en stil.... 't Lawaai vervloeide hier; 't klonk lang niet zoo, als

midden in de stad, tusschen de huizen in, in smalle straten. Zelfs

de scherpe, gebiedende stem van Cor klonk hier minder luid. En 't

was, of ze zelf onder den indruk kwamen; 't gejoel begon te

verstommen, en ze lagen rustig hun plannen te bespreken voor de week

op de heide.

"Jongens, we kunnen hier niet blijven zitten; dan schieten we niet

op. Opkrassen, asjeblieft!"

Te lui wàs Cor niet. Hij commandeerde wel altijd, maar was zelf

niet vies van aanpakken. Hij had dan ook al één van de touwen

beet, en zette zich in postuur om te gaan trekken. De anderen

volgden, en de wagen, knoersend in zijn assen, rolde verder, den

hellenden zandweg op, tot ze op een kleine hoogte kwamen, waar ze de

tent zouden opslaan. Met de noodige drukte, maar toch nog vlug, werd

afgeladen.

[Illustratie]

Theo was aan het graven; want de steunpaal moest toch in den grond,

dacht hij; goed diep, dan stond hij stevig. Maar de anderen brachten

hem aan zijn verstand, dat het niet noodig was, en dat de touwen,

aan de haringkoppen bevestigd, de tent overeind moesten houden. Daar

hij met alle geweld wilde graven, wees Cor hem een plek enkele

meters verder, waar hij een kuil kon maken voor het vuur.

Hij was nog geen kwartier aan 't graven, of hij begon al leelijke

gezichten te trekken. Hij kwam eens bij de tent kijken.

"'k Heb zoo'n raar gevoel in mijn rug! Dat graven is niks voor mij.

Dat moet Jan nou overnemen, dan zal ik wel bij de tent helpen. 'k

Krijg al blaren in mijn handen!"

"Dat komt", verklaarde Jan, "omdat je de schop veel te stijf

aangrijpt. Zóó moet je doen!" en hij deed het voor.

"Maar ik bedank je kostelijk! Doe jij het maar. M'n bril zweet er

alweer van!" zei Theo.

Jan zag, dat het niet gaan zou, en daarom nam hij het over.

Met allebei zijn handen in zijn zakken stond Theo nu naar het

opslaan van de tent te kijken. Koos en Cor hadden de leiding, maar

het lukte nog niet best. De boel wou nog niet blijven staan. Het was

alweer aardig warm geworden, en de jongens, die werkten zoo hard ze

konden, hadden er last van. Koos stond zijn gezicht af te vegen met

z'n zakdoek.

"De mijne ook hebben?" bood Theo kwasie-vriendschappelijk aan.

"Werk liever mee. Jij staat te kijken en wij kunnen ons uit den naad

werken!"

"Nou, ik doe toch óók wat!", merkte Theo nu op, met zijn

armzaligste gezicht.

"Zoo, ik zou wel eens willen zien, wat je deed," stoof Cor op, die

boos werd.

"Ik sta d'r bij te zuchten, jô; dat hoef jij dan niet te doen. Zoo

is het eerlijk verdeeld: de één sjouwen, en de andere zuchten."

"Loop naar de maan!" riep Cor nijdig uit. "Jij bent ook gezellig!

Hier, pak aan dat touw. We moeten nu samen het tentzeil spannen, en

dan sla je het zòò, met een lus, om den haringkop. Begrepen?" Hij

stopte Theo het touw in de handen, en ze trokken nu geleidelijk de

touwen aan, tot de tent schijnbaar stevig genoeg stond. Theo

stribbelde natuurlijk weer tegen, liet zijn handen zien, die stuk

gingen van dat touw erlangs, maar het hielp hem niet; hij moest nu

meewerken, als hij zich niet de algemeene ongenade op den hals wilde

halen. De tent stond, en de zes Robinsons, die nu hun verblijfplaats

op het onbewoonde eiland gereed zagen, keken vol verbazing en

bewondering en blijdschap er naar. Wat stond dat grauw-witte zeil

fijn op die heide. 't Was bijna een complete soldatentent, en de

Padvinders konden heusch geen mooier hebben, en geen beter!

[Illustratie]

Ze hadden onder 't werken door, hun jas of blouse al uitgetrokken,

en in hun hemdsmouwen scharrelden ze rond.

Want de magen begonnen te jeuken. En dorst dat ze hadden! O ja, daar

had niemand aan gedacht! Water moesten ze óók hebben!

Dan maar op den Derker vragen. Theo en Koos zouden die corvee

verrichten. Theo protesteerde wel weer van wege zijn stukke handen

en zijn zweetenden bril, doch het baatte niet. Koos trok den

goedigen pruttelaar mee, en fluisterde hem in 't oor: "jô, dan gaan

we eerst zèlf fijn drinken." Daarmee was hij gewonnen, en nu ging

het den zandweg af naar den Derker.

"Motten jullie?" vroeg Gert, die ze had zien aankomen en ze tegemoet

kwam loopen.

"Wàter," schreeuwde Theo hem in eens vlak in het oor. "De

Rhandensche Jongens versmachten van dorst."

"Waarin?" merkte Gert droogjes op, die al gauw zag dat ze niets

hadden meegebracht.

"O ja, je moet water ergens indoen!" Koos lachte er hartelijk om.

"Ook stom van ons, zeg!"

"Och, is me dat een kamperij van jullie!" plaagde Theo ineens. "Dat

heeft niet eens een put laten graven!" En met een ernstig gezicht

wendde hij zich tot Gert, en zei: "En dan heb ik mijn jassie óók

daargelaten!"

"Nou, wat zou dat? 't Is wèrm genocht!" merkte Gert nu op.

[Illustratie]

"Wat dat zou? Ik had dan toch mijn zakken met water kunnen vullen?

Geef 't me dan maar in m'n pet!"

"Verkoop toch niet altijd flauwiteiten." Koos werd boos. "Zoo

schieten we niet op. Toe Gert, vraag jij aan je vader of we een kan

of een emmer mogen leenen?" Een oogenblik later kwam Gert aanzeulen

met een kleine melkkit.

"Daar, as je d'r maor veurzichtig bij zijt," zei hij.

Ja, nu waren ze nog net zoo ver. Waaruit zouden ze drinken? Theo

wilde 't uit z'n handen doen. Maar nu plaagde Koos hèm met zijn

opengeschaafde handen. En die goeie Gert was weer teruggeloopen en

kwam nu met een groote kom te voorschijn. "Moet ik me daarin

wasschen? Daar is-ie te klein voor," grapte Theo nu. Maar Koos pakte

de kit met water bij het eene oor. "Allo, pak an," gebood hij, en

Theo nam het andere oor, en zoo zwoegden ze de hei op.

"Gezellig, zoo corveeën," bromde Theo, die al gauw zijn zakdoek

door het oor van de kit had geslagen en puffend en hijgend

voortsukkelde. "Toch een goeie knul, die Gert; wel een echte boer!"

Koos liet hem praten; hij had genoeg aan zijn vrachtje. Toen ze bij

de tent aankwamen, waren ze moe en wel; ze werden met gejuich

ontvangen, want de jongens waren allemaal even blij, dat ze zich

verfrisschen konden. De kom ging rond, en de ketel werd gevuld. Want

ze hadden natuurlijk een ketel meegenomen, om water voor de koffie

te koken.

"Theo, haal jij wat droog hout in het bosch," commandeerde Cor, die

zich krachtens zijn voorzitterschap van "De Rhandensche Verkenners"

kampleider gevoelde, en braaf den baas speelde.

"Doe het zelf," antwoordde Theo kort. "Ik heb al genoeg gesjouwd. 'k

Geef het jou te doen, om in zoo'n hitte die kit water van den Derker

af hier heen te zeulen. Dankje lekker: ik heb genoeg gecorveed!"

"Ik zal het wel doen," bood Jan Arps aan, "ik kan best. Ga je mee,

Dirk?" vroeg hij aan Koos z'n broer. Die stemde toe, en als hazen

schoten ze over de hei, en verdwenen in het bosch. Een oogenblik

later verschenen ze weer met de noodige hoeveelheid dor hout, waar

ze spoedig een vuurtje van hadden.

Van steenen hadden ze een soort vuring gemaakt, en daarop kwam de

ketel, en rondom het smeulende, knappende houtvuur zaten ze met hun

zessen, en ze bliezen de vonken aan tot vlammen en hadden een pret

van belang, zoo'n pret, dat zelfs Theo nu onnoodig hout aansleepte

en op het vuur wierp. 't Water begon te razen, en stond op den kook.

Ze deden er wat koffie in, en lieten het toen lustig koken.

Alweer een bezwaar. Ze hadden geen melk! "Dan drinken we ze maar

zònder," decreteerde Cor. "Want je kan nu slecht naar de stad

loopen; om een kannetje melk te halen. Morgenochtend moeten we er

aan denken. Nu zullen we maar véél suiker nemen!"

Ja, dat was een idée, en Theo, die, als het op lekker eten en

drinken aankwam, toonde zich te kunnen haasten, schommelde uit de

provisie-kist een zakje met suiker en stortte dat leeg in het

kokende vocht.

Nu zou de koffie al wel goed zijn, meenden ze, en de koffie werd van

het vuur genomen, dat ze met wat steenen dekten; dan bleef het

smeulen, meenden ze. Ze hadden in hun Indianen-boeken gelezen, dat

die hun vuur afdekten met asch. Maar asch was er nog niet. Ze

maakten dus van den nood een deugd, en dekten af met steenen.

De koffie was nog te warm. Die moest eerst wat afkoelen. De

boterhammen werden voor den dag gehaald, en èven was het doodstil,

toen ze de handen vouwden, 'n beetje vreemd voor elkaar, en baden.

Maar al spoedig was het weer één en al luidruchtigheid en ge-grap.

Theo zou inschenken. De groote kom kwam vol, en hij zette begeerig

zijn lippen aan het donkerbruine vocht. Doch nauwelijks had hij een

slok er van in den mond, of hij spuwde het vol afschuw uit, zonder

er op te letten, dat het midden tusschen de makkers terechtkwam.

"Bah! Wat een goed! Hoe smerig bitter!" viel hij uit, en hij

trachtte de laatste sporen van het bruine vocht uit zijn mond te

verwijderen en nam daartoe zelfs zijn zakdoek te baat.

"Ja, smerig bèn je," viel Koos uit, naast wien de zwart-bruine

regen juist was neergekomen.

"Nou," proestte Theo nog, "nou, en als jij het gedronken had, zou

je...."

"Jij was ook veel te gulzig," kwam Cor er tusschen in. "Maak nou

asjeblieft de kom schoon, dan kunnen wij het probeeren. Je bent ook

net zoo'n lekkerbek."

Theo, die er al troost in zag, dat de anderen ook dien heerlijken

smaak zouden proeven, spoelde de kom om, en schonk voor Cor in.

Heel voorzichtig, de lippen vooruit, proefde deze nu; hij nam zoo

weinig als maar mogelijk was. Vol belangstelling en nieuwsgierigheid

keken de jongens toe, wat voor gezicht hij zou zetten. Maar Cor kon

zijn eigen kooksel slecht afvallen. "Hm, wat stèrk, maar wèl te

drinken," vond hij, en hij bood de kom aan Jan, die aan den anderen

kant even de lippen aanzette, doch met een "dank je, drink jij dat

bocht maar," haar onmiddellijk weer aan Cor overreikte.

[Illustratie]

"Ja, best is ze niet," moest Cor erkennen. "'t Is zonde van de

kostelijke koffie!"

"En dan al die suiker," voegde Jan er aan toe. "Had Theo er die

tenminste maar niet bijgegooid!"

Neen; die koffie was niet drinkbaar.

Zoo kreeg de hei het eerste zetsel van de Rhandensche Verkenners en

kampgenooten te drinken: 'n zwart-bruinig, drabbig, gesuikerd

aftreksel van koffie op kokend water, nog eens lekker sàmengekookt,

in plaats dat de koffie op het water getrokken was!

Rhandensche Jongens · 第 21 / 28 题