"Nee, jij, want jouw vader is raadslid," fluisterde Cor terug. "De
Burgemeester kènt jou!"
"Jou even goed," strubbelde Theo tegen, toen juist de volle, zware
stem van Winders door de hal klonk: "Willen de jongeheeren me maar
volgen? De edelachtbare heer burgemeester is van uw komst onderricht
en wacht U in de burgemeesterskamer."
Bijna als twee boosdoeners volgden ze Winders. Theo knipoogde tegen
Cor, en dien viel het nu eerst op, wat een ongewoon vreemd gezicht
Theo had, zonder bril, en hoe stijf hem zijn Zondagsche pak zat.
"Jô, zet een ander gezicht," fluisterde hij hem toe.
Winders ging ze voor, de gang in. Achter-aan tikte hij op een
kamerdeur, en op het "ja!" van den burgemeester opende hij de deur,
en liet, met een: "De jongeheeren Theo Maalders en Cor Poorters,
edelachtbare," de jongens binnen.
Ziezoo, daar stonden ze, op de mat, en de deur was achter ze dicht,
en tegenover ze, aan een tafel vol papieren en boeken, zat de
Burgemeester.
Vriendelijk keek hij op, en op hun verlegen groet: "Dag,
Burgemeester," zei hij: "Zoo jongelui, dat is me inderdèd nog niet
vèk gebeurd, dat ik zulke jeugdige bezoekers kreeg. Maar ga jelui
zitten, Winders heeft al stoelen neergezet."
-- 'n Aardige man, dacht Cor, en hij ging zitten, en Theo volgde
zijn voorbeeld. Cor legde de portefeuille op zijn knieën, en zat
verlegen met zijn pet te draaien; Theo keek schuin, juist langs den
Burgemeester heen.
"En wat was er van jullie dienst?"
[Illustratie]
Nu moest het komen. De Burgemeester, met zijn vriendelijk gezicht en
zijn rustig makend optreden, zat in afwachting.
Theo knikte tegen Cor van begin-jij-maar, doch Cor, die zijn pet los
liet met de eene band, gaf hem met de vrije hand een por van: nee,
jij beginnen!
En toen zaten ze weer als standbeelden tegenover meneer den
Burgemeester!
"Heb ik jullie niet gezien bij dien brand bij boer Arendsen?"
"Jawel, Burgemeester," deed Cor nu het woord, en Theo knikte
bevestigend.
"Dan hebben jullie je flink gedragen. Die andere jongens ook; op
zulke jongens ben ik trotsch."
Nu durfde Cor van wal steken.
"Ja, ziet U, meneer de Burgemeester, en nu wilden we geld ophalen
voor Arendsen, want hij heeft geen hooi meer, en verleden jaar
sterfte onder zijn vee, en was niet geassureerd, en daarom wilden de
Rhandensche Verkenners met een lijst loopen, om geld op te halen, en
of U het dan aan Arendsen wil geven, en of we van U mogen...."
Cor ratelde nu alles achter elkaar er uit. Hij zat te trekken aan de
bandjes van de portefeuille, om die open te krijgen.
"Zoo, jongelui, dat is inderdèd een heel aardig plan. Dat mag ik
zien, dat de burgers van Rhanden met elkaar meeleven. En dat ze al
zoo jong beginnen. Maar hebben jullie er goed over nagedacht? En
hoeveel denk je, dat er wezen moet?"
Nu was het ijs gebroken, en begon Cor het heele plan uiteen te
zetten, met al het vuur van zijn goede bedoelingen. Hij overwon zijn
aanvankelijke verlegenheid, en 't was voortdurend: "ziet u
Burgemeester?" en "nietwaar, Theo?", waarop deze telkens druk
knikkend antwoordde.
"Zoo, dus als ik het goed begrijp gaan jullie met zes lijsten de
gemeente rond, en moet ik de inteekening aanbevelen?"
Nu kwam Theo ineens los. "Ja, ziet u, Burgemeester, en dan nummer
één er op teekenen ook, ziet u?"
Hij kleurde geweldig, en zijn neus zocht naar 't zadel van zijn bril
en begon, toen hij dat niet vond, weer allervervaarlijkst te
trekken.
"Inderdèd, goed bedacht, jongens. Nu, dat wil ik wat gêrne doen.
Mèr, jullie laat toch ook door anderen aanbevelen? Door jouw Vader,
mijn jonge vriend," zeide hij tegen Theo. "En de heer Poorters zal
ook wel willen.... en de dokter.... en de dominee..."
"Pa vond, dat hij nog te kort hier woonde, Burgemeester", merkte Cor
op, maar de Burgemeester meende, dat het geen bezwaar zou zijn.
Nu kwamen de lijsten voor den dag.
De burgemeester haalde een stempel uit een stempeldoos, die op tafel
stond, en drukte er het wapen van Rhanden op! "Fijn, hè?" zei Cor
zachtjes tegen Theo. "Nou, en òf", fluisterde die terug. "We
krijgen vast heel wat!"
't Bleef nu stil in de kamer, en ze keken eens rond. Boven den
schoorsteen hing een groot schilderstuk... ze konden niet begrijpen
wat het voorstelde, maar ze verzekerden later aan de andere jongens,
dat het prachtig mooi was! Door de vensters stroomde het zonlicht
weer naar binnen, en het speelde op het deftig-donkere behangsel, en
liet de fijne stofjes zien, die in de kamer zweefden.
Hooggerugde stoelen stonden hier en daar in de kamer, en een mooie,
gebeeldhouwde eiken kast vulde den eenen wand.
"Ziezoo, dat is klaar. Nu gaan jullie zeker naar de andere heeren,
niewaar?" En de Burgemeester gaf de lijsten terug, voorzien van zijn
aanbeveling, het stempel der gemeente, en een inteekening van
vijf-en-twintig gulden.
"En wie bewaart het geld?" vroeg de Burgemeester.
"O, Burgemeester, dat zou Pa doen", antwoordde Cor vlug. Ze stonden
op, begrepen dat het afgeloopen was.
"Dan zal ik vandaag mijn bijdrage aan je Vader toezenden, jonge
vriend. En nu wensch ik je inderdèd veel succes."
De Burgemeester drukte op de bel en Winders verscheen, om "de
jongelui" uit te laten....
Daar stonden ze op het marktplein. Theo keek eens om, of er niemand
was. Toèn moest zijn pet het ontgelden, nu hij nog steeds zijn bril
miste. Hij wierp hem in de lucht, sprong op, greep hem, gooide nog
eens, en deed zoo dwaas als hij kon. Puur van blijdschap! Cor droeg
gewichtig de portefeuille.
[Illustratie]
"Jô, doe toch niet zoo gek! In de burgemeesterskamer had je ook
zooveel praats niet!" voegde hij Theo toe.
"'t Is ook zoo fijn! Als we overal zooveel krijgen, dan schieten we
op! Nou naar de anderen!"
"Eerst even thuis aanloopen," zei Cor. Hij vertelde aan vader, hoe
Burgemeester het niks erg vond, als mijnheer Poorters ook ter
aanbeveling teekende.
"Dan maar 't laatst," zei deze, en ze moesten er verder op uit.
Dien dag kregen ze de noodige aanbevelingen, en hadden ze honderd
gulden verzameld!
En toen kwamen 's Maandags de Rhandensche Verkenners bij mekaar, om
verder af te spreken omtrent het rondgaan met de lijsten. Ze zouden
de stad in zes wijken verdeelen, en Theo's vader, meneer Maalders,
had het zoo voor de jongens uitgezocht. Eèn wijk was de
Hoofdstraat; dan kreeg je alles links daarvan, tot de gracht, en de
derde wijk was de rechterkant, òok binnen de gracht. Twee anderen
moesten den berg op, en dan zouden ze het dorpsche gedeelte ook in
tweeën splitsen. Dat vonden ze prachtig. Maar nu wilden ze allemaal
de Hoofdstraat of den Berg hebben, want daar zouden wel de beste
gevers zitten. En van de dames van den Derker verwachtten ze òok
heel wat! Ze konden het er niet over eens worden. Bovendien als ze
twee aan twee gingen, kwamen er twee te kort. Dat was het minste:
dan zouden ze Ben van den Dokter vragen, en Gert van den Derker. Ben
zou wel willen mee helpen, had de dokter gezegd. En Cor had niet
durven tegenstribbelen. Dus zouden ze hem vragen. En Gert was toch
eigenlijk een goeie knul. Die kon best mee naar de boeren.
Ten slotte zouden ze er maar om loten. Cor en Theo lootten den Berg,
Jan Arps zou met Gert den boer opgaan, Koos en Ben kregen de
Hoofdstraat. En toen gingen ze er op uit...
's Middags om vijf uur kwamen Cor en Theo thuis; doodmoe, en
teleurgesteld. Zaterdag was het héél wat beter gegaan! Nu hadden
ze den heelen dag geloopen... en even vijf-en-twintig gulden
opgehaald! Vooral op den Derker was het ze tegengevallen! De
huisknecht had de lijst aangenomen. Ze moesten maar wachten in de
hal. Daar, in die groote, ruime hal van het deftige heerenhuis,
zaten ze samen op de eiken wandbank te wachten. Nu de Burgemeester
vijf-en-twintig gulden gegeven had, zouden ze hièr zeker wel
tweemaal zooveel krijgen. Want rijk dat ze hier waren -- heel
Rhanden had er den mond van vol. 't Waren twee dames, zusters, die
hier woonden: de gravin en de barones. De eerste was al jaren lang
weduwe; ze liep nog altijd deftig in 't zwart. En de boeren, die
"onder haar zaten", groetten haar steeds beleefd; anders hielden de
menschen niet veel van ze. Er gingen verhalen van de ongeloofelijke
gierigheid der dames. Cor noch Theo durfden in die omgeving wat te
zeggen. Ze zaten naast elkaar; fluisterden hoogstens elkaar toe: "'t
Duurt lang hoor!", maar ze gevoelden zich heelemaal niet op hun
gemak.
[Illustratie]
Daar verscheen de huisknecht al weer.
"De dames laten weten, dat ze niet gewoon zijn, aan zulke dingen te
doen. Maar omdat jullie zoo'n end hebben moeten loopen, willen ze je
niet wegsturen; hier heb je een rijksdaalder."
De deur ging open, de jongens gingen weg, en stonden buiten, eer ze
het goed wisten. Cor klemde den rijksdaalder in zijn hand, en Theo
droeg de portefeuille met de lijst.
"Ook wat," zei Theo, die 't eerst weer bij was. "Zulke rijke lui, om
je met een rijksdaalder af te schepen!" Ze keken op de lijst -- de
dames hadden er _niet_ op geteekend.
Dat begrepen ze niet -- zeker een verzuim. Ze moesten het toch nog
doen, dachten de jongens en daarom gingen ze weer op het huis aan,
waar ze opnieuw aanschelden.
Weer kwam de huisknecht voor.
"Wat moet jullie nou weer?" vroeg hij bits.
"Vragen of de dames willen teekenen, want dat is zeker vergeten,"
zei Cor, die tegenover dien bitsen toon toon al zijn gewone
vrijmoedigheid herwon.
"O, dat is niet noodig. De dames wenschen niet te teekenen. Ik heb
jullie het geld toch al gegeven?"
En weer ging die nijdige deur open en dicht achter hen, en weer
stonden ze buiten, meer teleurgesteld nog dan eerst.
Bij den een kregen ze wàt, bij den ander weinig, bij een derde
niets.
En dat waren de ervaringen van de meeste jongens. Bij mekaar was er
dien dag geen honderd vijftig gulden bij gekomen. De meeste boeren
waren niet thuis, en bij verscheidene hadden ze snip gevangen.
Even twee honderd veertig gulden kon de heer Poorters dien avond
voor ze opbergen....
Nog een dag gingen ze er op uit, nog een, maar elken dag werd de
oogst minder: ze brachten het tot vier honderd gulden.
Toen vond mijnheer Poorters het òòk genoeg. Ze moesten er maar mee
ophouden. Hij zou het geld aan den Burgemeester laten afdragen. Ze
waren bij elkaar, om de "rekening" op te maken.
Daar kwam Gert nog aanhollen op zijn manier. Zijn dikke lichaam
waggelde, het zweet liep met straaltjes van zijn gezicht, dat hij
telkens met zijn mouw afveegde. "Ikke.... heb.... --" hakkelde
hij;.... "ikke heb nog honderd gulden!" En zoowaar, hij lei een mooi
wit papiertje neer op de tafel, dat hij in zijn zakdoek gewikkeld
had.
"Hoera! voor Gert!" schreeuwde Cor. Hij greep Gert bij de hand en
schudde hem door elkaar.
[Illustratie]
"Vertel op, hoe kom jij daaraan? Jij heb nog het meeste gehaald!"
Hij drukte Gert op een stoel neer. "Allo, vertel!"
"Van de dames.... bij me vader gebracht", hijgde Gert weer, die nog
steeds niet geheel tot zichzelf gekomen was.
"Van de dames?" vroeg Cor verbaasd. "Van de dames?" herhaalden de
anderen, niet minder verwonderd.
"Ja, van de dames," hernam Gert, en nu zijn rood-bonte zakdoek weer
vrij was, gebruikte hij dien om er zijn gezicht mee af te vegen.
Bij stukken en brokken, maar langzaam aan, kalmer kwam het er uit.
De dames hadden zijn Vader bij zich laten komen en gevraagd hoe het
zat met Arendsen en met die lijst, en of dat in orde was; of
Arendsen het noodig had, "en allemaal, 'k weet nie' wa' nog meer"
vertelde Gert. Toen had zijn vader van Arendsens tegenspoed verteld,
en van het plan van de jongens, en dat Gert ook bij de boeren
geloopen had, en dat er niet zoo heel veel was gekomen, en dat....
Jan Arps viel hem in de rede: "Nou ja, jij met je 'en dat.' En toen
gaven de dames dat voor ons?"
"Ja, en dat we het niét op de lijst mogen zetten. Ziezoo," en
tevreden wischte Gert zich nogmaals het gezicht af. Daar stonden
vooral Cor en Theo beschaamd. Wat hadden ze al gesmaad op die "kale"
dames, die je met een rijksdaalder door den huisknecht lieten
afschepen, en die niet eens op de lijst wilden teekenen! Daar
stonden ze nu.... Lang dachten ze er niet over.
"Bijna vijfhonderd gulden dus!" jubelden ze.
Den volgenden morgen kreeg Arendsen zes honderd gulden. Meneer
Maalders en Cor's vader en de Burgemeester en de dokter en de
dominee hadden het samen nog aangevuld.
Arendsen wist nauwelijks hoe hij zich houden moest.
...."Zooveel goedheid heb ik nie' verdiend, meneer de Burgemeester,"
zei hij. "Nou hoef ik maar twee koebeesten te verkoopen. Wat is de
Heere goed voor me.... en de menschen ook."
[Illustratie]
De burgemeester vertelde hem, met wat een ijver de jongens voor hem
geloopen hadden.
"'t Is oarig, 't is oarig," zeide hij, stil voor zich uitkijkend. En
hij ging bij Poorters aan, om die jongens te bedanken; hij raakte
met meneer Poorters in gesprek, en die begrepen mekaar, toen ze het
over het vertrouwen op den Hemelschen Vader kregen.
Klein van dankbaarheid ging hij naar huis.
Een maand later stond de hooiberg weer opgetrokken, en geurde er
opnieuw hooi in, het hooi van de Rhandensche jongens!