XI. Het einde van een korte vreugd.

't Was middag geworden. Hoog stond de zon te branden aan den

strak-blauwen hemel, en de hei zelf was warm. Koos zat te genieten

in de schaduw achter de tent. De anderen waren op sjouw, het bosch

in, om er te ravotten, en ook om nog wat hout bij mekaar te

sprokkelen. Koos had zich vrijwillig aangeboden, om kampwacht te

houden.

Nu was het heerlijk rustig. De bruingetinte heide, met de helpaarse

trossen of de licht-paarse klokjes, stond te stralen in de zon. Hier

en daar vloog een zandoogje rond, maar overigens was er bijna geen

leven te bespeuren.

[Illustratie]

Over hem, dichtbij tegen den horizon, liep de donkere lijn van het

sparrebosch. Hij had al enkele malen getracht, om dat in zijn

schetsboek met een paar krabbeltjes te geven, maar telkens had hij

het boek, onvoldaan over zijn eigen werk, weer neergelegd. Toch

greep hij het weer op, en probeerde opnieuw. Hij teekende, gumde

uit, zette weer een paar lijnen, schetste een wat op den voorgrond

komenden spar, groepeerde daar om heen het andere hout, en ja, er

kwam diepte in, en ièts van het wondere leven, dat toch trilde door

dat stille bosch.

Maar wat was dat; daar vlak bij? Wat bewoog er tusschen de

heidestruiken? Een fijn, bruin-wit snuitje bewoog haastig; een paar

goedige oogen keken rond -- uit het hol, dat daar klaarblijkelijk

was, kwam een konijntje, voorzichtig te voorschijn.

Dadelijk zat Koos in de houding: onbeweeglijk bleef hij, in de hoop,

dat er nu niemand zou aankomen; dat hij rustig dat aardige gedoe kon

beschouwen. Het fijnbruine lijfje kwam geheel te voorschijn en 't

konijntje zat koddig eigenwijs op zijn achterpooten in 't rond te

kijken. Zou hij Koos ontdekken?

[Illustratie]

't Kopje werd gestrekt -- even later kwam nummer twee te

voorschijn, en samen zaten ze daar op het open plekje, alsof ze voor

de fotograaf poseerden. Die 't eerst gekomen was, sprong weg, de hei

op, Koos zag nog telkens zijn licht-bruine ooren tegen de hei

uitkomen. En toen hij opkeek, was de andere verdwenen. Nu ging hij

naar het hol kijken: veilig verborgen was de ingang door de

heistruiken.

Als de jongens dat maar niet zagen! Ze waren in staat om de dieren

half dood te jagen, vreesde hij. Gelukkig hadden ze nog niets gezien

en hij zou het ze niet zeggen. Hij nam zijn teekening weer op, en

begon zonder dat zijn werk hem geheel kon bevredigen.

In de verte, tusschen de boomen, kwam beweging. Telkens zag hij

één der jongens te voorschijn komen, en in groote haast weer

verdwijnen. Wat zouden die uitvoeren? Hij zou het gauw genoeg weten,

want daar kwamen er vier, vijf aanhollen, zoo snel ze konden. Cor

voorop, luid schreeuwende: "Pak 'm! Pak 'm! Een konijn!"

O, nu begreep Koos het -- de dieren waren zeker het bosch ingegaan,

en nu hadden Cor en de anderen ze gezien. Maar hij wou niet

meehelpen aan het doodjagen van het arme dier, en hij holde de

jongens tegemoet, juist uit de richting van het dier.

"Wat zeg je? Een konijn?" vroeg hij.

"Ja, daar gaat-ie!" schreeuwde Cor.

"Waar?" vroeg Koos nog eens, die het dier werkelijk niet had gezien.

Toch werden de jongens een oogenblik door dat gevraag opgehouden.

Het konijn kon nu ontsnappen, en daar was het Koos om te doet

geweest.

"'k Zie hem niet meer!" riep Koos, en Theo, die vlak achter hem

aanholde; liet zich voorover in de hei neervallen. "Hier zoo! Hier

zoo!" lawaaide hij, en greep in de struiken, alsof hij het dier maar

voor 't pakken had.

[Illustratie]

De anderen er dadelijk bij, maar ze merkten al heel gauw, dat Theo

ze er tusschen nam. Cor greep een been van Theo.

"'k Heb hem bij zijn poot!" schreeuwde hij. En de anderen lurfden er

ook op los. Theo moest er aan gelooven. 't Was zijn schuld dat het

konijn weg was. Nu zouden ze hèm naar het kamp brengen. En ze

zeulden en sjouwden hem het eindje hei over, en die arme Theo liet

het zich wèlgevallen.

Toen ze hem bij de tent in het zand lieten vallen, zei hij alleen:

"Wat zachter is òòk goed, hoor! Maar dank jullie voor je

vrachtje!" en bleef languit liggen. De anderen volgden zijn

voorbeeld, en Koos zag niet zonder schrik, en toch ook met verholen

pret, dat Cor vlak bij het konijnen-hol ging liggen, waar zeker zoo

pas het verschrikte dier zich in geborgen had.

Ze bleven wat liggen stoeien, en Theo vooral moest het telkens

kunnen. Koos lieten ze nog al met rust; maar rustig was hij niet,

vooral niet, toen hij zag, hoe Cor het hol ontdekte.

"Jongens! een konijnen-hol!" riep hij uit, en onmiddellijk waren de

anderen er bij; de koppen bij elkaar gestoken, hurkten ze rondom het

gat. Cor voelde er met zijn arm in, maar de gang was te diep.

"Delven dan!" stelde Jan Arps voor, en Cor begon tot groote schrik

van Koos, te graven. Door zijn wildheid raakte hij den gang kwijt:

die was vermoedelijk ingestort, door hun gerumoer op den grond, en

hun gegraaf. Ze lieten het er dus bij, en waren er zooveel te eerder

toe geneigd, omdat het tijd werd, aan eten te gaan denken.

Een paar haalden hout bij elkaar, terwijl Cor, Jan en Koos de

aardappels zouden schillen. Die aardappels kwamen er hoekig af; ze

zagen er heel anders uit dan thuis! Doch 't moest maar gaan! In een

soort grooten ketel werden ze boven 't vuur opgehangen, aan een uit

drie stevige stokken bestaande stellage.

't Was warm bij 't vuur, en toch waren ze er niet af te slaan. 't

Was té verleidelijk, en ze eindigden met een rondedansje er omheen.

Krak.... bons.... een hevig gesis.... en verbaasd staan ze stil.

Dirk was tegen één van de stokken aangekomen, waaraan de ketel

bevestigd was geweest, met het gevolg, dat alles omviel, en de ketel

in het knappende houtvuur terecht kwam, terwijl het water voor een

deel er uit stroomde, en 't vuur bluschte.

Cor probeerde, den ketel er uit te halen, maar hij brandde zijn

vingers bijna.

"Au, au, dat voel je!"

[Illustratie]

"Daar gaan onze kostelijke aardappeltjes!" urmde Theo, die onderwijl

met een langen stok den ketel uit het vuur wentelde. Hij had gelijk:

daar was geen eten aan. "Goed voor de varkens op den Derker!" meende

Jan. "Ik ga gauw thuis eten!" riep Theo, "anders is het daar óók

al op!"

"Nou, je kan nog wel even hierblijven!" drong Cor aan,

teleurgesteld, dat alles zoo misliep, "we moeten maar opbreken, want

zoo is er niet veel aan!"

"Inderdèd niet," spotte Theo, en hij greep een stuk smeulend hout,

en wierp het, stoeiend, naar Jan.

"Die krijg je terug!" Weer vloog het brandend stuk hout door de

lucht.

Cor en Koos letten er niet op: ze overlegden, wat ze zouden doen:

alles laten staan, en morgen thuis gaan eten. Want etenkoken zou

niet gaan, dat zagen ze wel... òf den boel maar heelemaal opbreken.

Want ze zagen het: er kwam niet véel van terecht. Er was geen orde;

ieder deed net, wat hij wilde.... misschien zou de dokter nog gelijk

krijgen, dat er een oudere bij moest zijn. Ja, 't was beter: ze

moesten den boel maar opbreken.

Lang niet vroolijk gestemd, begonnen ze de tent af te breken, en

alles bijeen te zoeken en in te pakken. Vrij gauw waren ze daarmee

klaar; maar hòe kregen ze alles weer weg?

Ze zouden het naar den Derker brengen, en vragen, of het daar mocht

bewaard blijven.

En zoo trokken ze in optocht nu weer het heipad over, naar den

Derker; Cor met de tentstokken, waarover het tentzeil was gerold, op

de schouders; Jan met de kist op den nek, Koos den last van een paar

emmers, met allerlei gevuld, torsend; Theo, puffend en blazend, met

den leegen ketel in de hand; en telkens zette hij den tuit aan den

mond, en blies er schetterende fanfares op! Tenminste, probeerde dat

te doen, waardoor zijn bolle wangen nog meer strak gespannen stonden

dan gewoonlijk, zonder dat er veel geluid te voorschijn kwam, daar

de ingeperste lucht in het holle ketellichaam verloren ging.

Hij liep achteraan; maar opeens hield hij stil. Achter zich hoorde

hij schreeuwen: "Jonge-èns! Jong-e-e-e-ns!"

't Was de nu scherpe stem van Gert, die angstig klonk.

Theo keerde zich om: achter zich zag hij rookwolken opstijgen.

"Jongens, brand!" schreeuwde hij, gooide den ketel neer, en zette

het op een loopen, in de richting van Gert. De anderen, verschrikt,

volgden zijn voorbeeld. Wat was er gebeurd? 't Bleek spoedig. 't

Smeulende stuk hout, dat Jan achteloos weer naar Theo had gegooid,

was niet uitgegaan, maar had integendeel juist de kurkdroge

heidestruiken, waar tusschen het terechtgekomen was, aan 't branden

gemaakt, en nu kroop het vuur langzaam voort, telkens meer heide

aanstekend, en dikke rookwolken vooruitzendend.... Wat nu te doen?

Daar stonden ze.... van schrik verstijfd bijna; en ze durfden niet

naderen.

[Illustratie]

Doch 't duurde slechts een oogenblik. Toen gingen ze 't voorbeeld

van Gert volgen, die als een razende stond te trappen op 't nog

smeulende strookje, vlak voor den verraderlijk voortkruipen den

vurigen rand.

Er was geen houden aan. Wat zouden zij met hun kleine kracht er

tegen doen? Als er geen hulp kwam, dan ging het heele stuk hei er

aan; ze trapten, en trapten, schreeuwden, om de aandacht te trekken,

zoo hard ze konden.

Langzaam, maar gestadig, kroop het vuur verder. Gelukkig was er

bijna geen wind, en 't kleine zuchtje dat er was, woei in de

richting van den straatweg. Zonder tegenstribbelen stelden ze zich

onder de leiding van Gert.

"Cor, vlug, jij kan hard loopen. Hol naar den Derker, en vraag of de

arbeiders komen, met schoppen!"

[Illustratie]

Niemand dacht er aan, Gert nu uit te lachen om zijn lijmerige

spraak, en Cor, die anders liever wilde commandeeren, dan

gecommandeerd worden, vloog als een pijl uit den boog weg, terwijl

de anderen op Gert's voorbeeld, met takken, die hij inderhaast had

opgezocht, op 't vuur gingen slaan, nu trappen niet voldoende hielp.

Vooral aan de uiteinden van de vurige streep werkten ze wat ze

konden, om te voorkomen, dat die nog breeder werd.

"Als ze maar gauw komen, anders gaat het aardappelloof daarginder er

nog aan!" riep Gert. "Wij houden dat niet tegen."

Van den Derker zagen ze menschen aankomen, snel, al sneller. Al die

anders zoo traag lijkende arbeiders maakten nu ongewonen spoed. Ze

_leken_ traag, voor een stadsjongen als Cor. Maar ze _waren_ het

niet, nòòit, en nu vooral niet.

Ze zagen dadelijk, hoe het er mee stond. Op een paar honderd meters

van het aardappelveld af begonnen ze een greppel te graven, en de

heiplaggen, die ze uitstaken, wierpen ze achter zich, op het stuk

grond tusschen het aardappelveld en de aanrollende vuurstreep in. Ze

werkten zoo hard ze konden; en werkelijk, vòòr het vuur bij ze

was, was er een strook zand blootgelegd, breed genoeg, om het vuur

tegen te houden. Toen gingen ze op de vuurstrook aan, en hielpen de

jongens aan het uitslaan. 't Gelukte op een paar plekken den

voortgang van het vuur te stuiten, en met harden arbeid was nu

weldra de geheele vuurstreep gedoofd. 't Rookte nog wat na, en nu

begonnen ze te trappen.... "om als er nog vuur zit, dat te dooven,"

verklaarde Gert. Want het was wel eens gebeurd, vertelde hij, dat ze

meenden, het vuur bezworen te hebben, terwijl het in stilte, in de

humuslaag, nog voortbroeide....

Gelukkig verzekerde Gerts vader al spoedig, dat het nu wel uit zou

zijn.

Zwartgeblakerd lag daar nu tusschen de pralende hei de gebrande

strook, gelukkig niet zoo groot, als ze in in hun eersten schrik wel

verwacht hadden, maar toch vonden ze het vreeselijk. Toch was het

hun schuld! Hoe heel anders gevoelden ze zich, dan toen ze den brand

in de Weerdes hadden helpen blusschen! Toen waren ze helden geweest.

Wat nù?

Zwijgend trokken ze weer op weg naar den Derker, ieder zijn eigen

vrachtje opzoekende, dat ze langs den weg hadden neergeworpen.

En als geslagen honden trokken ze naar huis, met de hinderlijke

gedachte aan een volmaakt mislukt kampleven bij zich. Zelfs

verwijten bleven achterwege; een paar van hen, Koos en Jan, trokken

pijnlijk met hun handen, die brandblaren hadden -- "maar daar hielp

lijnolie voor," troostte Theo ze.

Wat zouden de àndere jongens zeggen?

En, bij Cor vooral, kwam de vraag: "wat moet je nu verder doen met

de Rhandensche Verkenners?" Hij wist er geen raad op.

Toch wilde hij er niet van weten, alles op zij te zetten, zooals

Koos voorstelde.

Ze moesten maar eerst wat afwachten; dan konden ze zien, wat er nog

zou gebeuren; met die gedachte ging het troepje uiteen, ieder naar

eigen huis, om daar "lekker en veel te eten," naar Theo verzekerde,

"me eens frisch op te knappen," meende Jan. Maar allen zagen ze er

tegen op, hun pech thuis te vertellen.

Rhandensche Jongens · 第 22 / 28 题