't Was middag geworden. Hoog stond de zon te branden aan den
strak-blauwen hemel, en de hei zelf was warm. Koos zat te genieten
in de schaduw achter de tent. De anderen waren op sjouw, het bosch
in, om er te ravotten, en ook om nog wat hout bij mekaar te
sprokkelen. Koos had zich vrijwillig aangeboden, om kampwacht te
houden.
Nu was het heerlijk rustig. De bruingetinte heide, met de helpaarse
trossen of de licht-paarse klokjes, stond te stralen in de zon. Hier
en daar vloog een zandoogje rond, maar overigens was er bijna geen
leven te bespeuren.
[Illustratie]
Over hem, dichtbij tegen den horizon, liep de donkere lijn van het
sparrebosch. Hij had al enkele malen getracht, om dat in zijn
schetsboek met een paar krabbeltjes te geven, maar telkens had hij
het boek, onvoldaan over zijn eigen werk, weer neergelegd. Toch
greep hij het weer op, en probeerde opnieuw. Hij teekende, gumde
uit, zette weer een paar lijnen, schetste een wat op den voorgrond
komenden spar, groepeerde daar om heen het andere hout, en ja, er
kwam diepte in, en ièts van het wondere leven, dat toch trilde door
dat stille bosch.
Maar wat was dat; daar vlak bij? Wat bewoog er tusschen de
heidestruiken? Een fijn, bruin-wit snuitje bewoog haastig; een paar
goedige oogen keken rond -- uit het hol, dat daar klaarblijkelijk
was, kwam een konijntje, voorzichtig te voorschijn.
Dadelijk zat Koos in de houding: onbeweeglijk bleef hij, in de hoop,
dat er nu niemand zou aankomen; dat hij rustig dat aardige gedoe kon
beschouwen. Het fijnbruine lijfje kwam geheel te voorschijn en 't
konijntje zat koddig eigenwijs op zijn achterpooten in 't rond te
kijken. Zou hij Koos ontdekken?
[Illustratie]
't Kopje werd gestrekt -- even later kwam nummer twee te
voorschijn, en samen zaten ze daar op het open plekje, alsof ze voor
de fotograaf poseerden. Die 't eerst gekomen was, sprong weg, de hei
op, Koos zag nog telkens zijn licht-bruine ooren tegen de hei
uitkomen. En toen hij opkeek, was de andere verdwenen. Nu ging hij
naar het hol kijken: veilig verborgen was de ingang door de
heistruiken.
Als de jongens dat maar niet zagen! Ze waren in staat om de dieren
half dood te jagen, vreesde hij. Gelukkig hadden ze nog niets gezien
en hij zou het ze niet zeggen. Hij nam zijn teekening weer op, en
begon zonder dat zijn werk hem geheel kon bevredigen.
In de verte, tusschen de boomen, kwam beweging. Telkens zag hij
één der jongens te voorschijn komen, en in groote haast weer
verdwijnen. Wat zouden die uitvoeren? Hij zou het gauw genoeg weten,
want daar kwamen er vier, vijf aanhollen, zoo snel ze konden. Cor
voorop, luid schreeuwende: "Pak 'm! Pak 'm! Een konijn!"
O, nu begreep Koos het -- de dieren waren zeker het bosch ingegaan,
en nu hadden Cor en de anderen ze gezien. Maar hij wou niet
meehelpen aan het doodjagen van het arme dier, en hij holde de
jongens tegemoet, juist uit de richting van het dier.
"Wat zeg je? Een konijn?" vroeg hij.
"Ja, daar gaat-ie!" schreeuwde Cor.
"Waar?" vroeg Koos nog eens, die het dier werkelijk niet had gezien.
Toch werden de jongens een oogenblik door dat gevraag opgehouden.
Het konijn kon nu ontsnappen, en daar was het Koos om te doet
geweest.
"'k Zie hem niet meer!" riep Koos, en Theo, die vlak achter hem
aanholde; liet zich voorover in de hei neervallen. "Hier zoo! Hier
zoo!" lawaaide hij, en greep in de struiken, alsof hij het dier maar
voor 't pakken had.
[Illustratie]
De anderen er dadelijk bij, maar ze merkten al heel gauw, dat Theo
ze er tusschen nam. Cor greep een been van Theo.
"'k Heb hem bij zijn poot!" schreeuwde hij. En de anderen lurfden er
ook op los. Theo moest er aan gelooven. 't Was zijn schuld dat het
konijn weg was. Nu zouden ze hèm naar het kamp brengen. En ze
zeulden en sjouwden hem het eindje hei over, en die arme Theo liet
het zich wèlgevallen.
Toen ze hem bij de tent in het zand lieten vallen, zei hij alleen:
"Wat zachter is òòk goed, hoor! Maar dank jullie voor je
vrachtje!" en bleef languit liggen. De anderen volgden zijn
voorbeeld, en Koos zag niet zonder schrik, en toch ook met verholen
pret, dat Cor vlak bij het konijnen-hol ging liggen, waar zeker zoo
pas het verschrikte dier zich in geborgen had.
Ze bleven wat liggen stoeien, en Theo vooral moest het telkens
kunnen. Koos lieten ze nog al met rust; maar rustig was hij niet,
vooral niet, toen hij zag, hoe Cor het hol ontdekte.
"Jongens! een konijnen-hol!" riep hij uit, en onmiddellijk waren de
anderen er bij; de koppen bij elkaar gestoken, hurkten ze rondom het
gat. Cor voelde er met zijn arm in, maar de gang was te diep.
"Delven dan!" stelde Jan Arps voor, en Cor begon tot groote schrik
van Koos, te graven. Door zijn wildheid raakte hij den gang kwijt:
die was vermoedelijk ingestort, door hun gerumoer op den grond, en
hun gegraaf. Ze lieten het er dus bij, en waren er zooveel te eerder
toe geneigd, omdat het tijd werd, aan eten te gaan denken.
Een paar haalden hout bij elkaar, terwijl Cor, Jan en Koos de
aardappels zouden schillen. Die aardappels kwamen er hoekig af; ze
zagen er heel anders uit dan thuis! Doch 't moest maar gaan! In een
soort grooten ketel werden ze boven 't vuur opgehangen, aan een uit
drie stevige stokken bestaande stellage.
't Was warm bij 't vuur, en toch waren ze er niet af te slaan. 't
Was té verleidelijk, en ze eindigden met een rondedansje er omheen.
Krak.... bons.... een hevig gesis.... en verbaasd staan ze stil.
Dirk was tegen één van de stokken aangekomen, waaraan de ketel
bevestigd was geweest, met het gevolg, dat alles omviel, en de ketel
in het knappende houtvuur terecht kwam, terwijl het water voor een
deel er uit stroomde, en 't vuur bluschte.
Cor probeerde, den ketel er uit te halen, maar hij brandde zijn
vingers bijna.
"Au, au, dat voel je!"
[Illustratie]
"Daar gaan onze kostelijke aardappeltjes!" urmde Theo, die onderwijl
met een langen stok den ketel uit het vuur wentelde. Hij had gelijk:
daar was geen eten aan. "Goed voor de varkens op den Derker!" meende
Jan. "Ik ga gauw thuis eten!" riep Theo, "anders is het daar óók
al op!"
"Nou, je kan nog wel even hierblijven!" drong Cor aan,
teleurgesteld, dat alles zoo misliep, "we moeten maar opbreken, want
zoo is er niet veel aan!"
"Inderdèd niet," spotte Theo, en hij greep een stuk smeulend hout,
en wierp het, stoeiend, naar Jan.
"Die krijg je terug!" Weer vloog het brandend stuk hout door de
lucht.
Cor en Koos letten er niet op: ze overlegden, wat ze zouden doen:
alles laten staan, en morgen thuis gaan eten. Want etenkoken zou
niet gaan, dat zagen ze wel... òf den boel maar heelemaal opbreken.
Want ze zagen het: er kwam niet véel van terecht. Er was geen orde;
ieder deed net, wat hij wilde.... misschien zou de dokter nog gelijk
krijgen, dat er een oudere bij moest zijn. Ja, 't was beter: ze
moesten den boel maar opbreken.
Lang niet vroolijk gestemd, begonnen ze de tent af te breken, en
alles bijeen te zoeken en in te pakken. Vrij gauw waren ze daarmee
klaar; maar hòe kregen ze alles weer weg?
Ze zouden het naar den Derker brengen, en vragen, of het daar mocht
bewaard blijven.
En zoo trokken ze in optocht nu weer het heipad over, naar den
Derker; Cor met de tentstokken, waarover het tentzeil was gerold, op
de schouders; Jan met de kist op den nek, Koos den last van een paar
emmers, met allerlei gevuld, torsend; Theo, puffend en blazend, met
den leegen ketel in de hand; en telkens zette hij den tuit aan den
mond, en blies er schetterende fanfares op! Tenminste, probeerde dat
te doen, waardoor zijn bolle wangen nog meer strak gespannen stonden
dan gewoonlijk, zonder dat er veel geluid te voorschijn kwam, daar
de ingeperste lucht in het holle ketellichaam verloren ging.
Hij liep achteraan; maar opeens hield hij stil. Achter zich hoorde
hij schreeuwen: "Jonge-èns! Jong-e-e-e-ns!"
't Was de nu scherpe stem van Gert, die angstig klonk.
Theo keerde zich om: achter zich zag hij rookwolken opstijgen.
"Jongens, brand!" schreeuwde hij, gooide den ketel neer, en zette
het op een loopen, in de richting van Gert. De anderen, verschrikt,
volgden zijn voorbeeld. Wat was er gebeurd? 't Bleek spoedig. 't
Smeulende stuk hout, dat Jan achteloos weer naar Theo had gegooid,
was niet uitgegaan, maar had integendeel juist de kurkdroge
heidestruiken, waar tusschen het terechtgekomen was, aan 't branden
gemaakt, en nu kroop het vuur langzaam voort, telkens meer heide
aanstekend, en dikke rookwolken vooruitzendend.... Wat nu te doen?
Daar stonden ze.... van schrik verstijfd bijna; en ze durfden niet
naderen.
[Illustratie]
Doch 't duurde slechts een oogenblik. Toen gingen ze 't voorbeeld
van Gert volgen, die als een razende stond te trappen op 't nog
smeulende strookje, vlak voor den verraderlijk voortkruipen den
vurigen rand.
Er was geen houden aan. Wat zouden zij met hun kleine kracht er
tegen doen? Als er geen hulp kwam, dan ging het heele stuk hei er
aan; ze trapten, en trapten, schreeuwden, om de aandacht te trekken,
zoo hard ze konden.
Langzaam, maar gestadig, kroop het vuur verder. Gelukkig was er
bijna geen wind, en 't kleine zuchtje dat er was, woei in de
richting van den straatweg. Zonder tegenstribbelen stelden ze zich
onder de leiding van Gert.
"Cor, vlug, jij kan hard loopen. Hol naar den Derker, en vraag of de
arbeiders komen, met schoppen!"
[Illustratie]
Niemand dacht er aan, Gert nu uit te lachen om zijn lijmerige
spraak, en Cor, die anders liever wilde commandeeren, dan
gecommandeerd worden, vloog als een pijl uit den boog weg, terwijl
de anderen op Gert's voorbeeld, met takken, die hij inderhaast had
opgezocht, op 't vuur gingen slaan, nu trappen niet voldoende hielp.
Vooral aan de uiteinden van de vurige streep werkten ze wat ze
konden, om te voorkomen, dat die nog breeder werd.
"Als ze maar gauw komen, anders gaat het aardappelloof daarginder er
nog aan!" riep Gert. "Wij houden dat niet tegen."
Van den Derker zagen ze menschen aankomen, snel, al sneller. Al die
anders zoo traag lijkende arbeiders maakten nu ongewonen spoed. Ze
_leken_ traag, voor een stadsjongen als Cor. Maar ze _waren_ het
niet, nòòit, en nu vooral niet.
Ze zagen dadelijk, hoe het er mee stond. Op een paar honderd meters
van het aardappelveld af begonnen ze een greppel te graven, en de
heiplaggen, die ze uitstaken, wierpen ze achter zich, op het stuk
grond tusschen het aardappelveld en de aanrollende vuurstreep in. Ze
werkten zoo hard ze konden; en werkelijk, vòòr het vuur bij ze
was, was er een strook zand blootgelegd, breed genoeg, om het vuur
tegen te houden. Toen gingen ze op de vuurstrook aan, en hielpen de
jongens aan het uitslaan. 't Gelukte op een paar plekken den
voortgang van het vuur te stuiten, en met harden arbeid was nu
weldra de geheele vuurstreep gedoofd. 't Rookte nog wat na, en nu
begonnen ze te trappen.... "om als er nog vuur zit, dat te dooven,"
verklaarde Gert. Want het was wel eens gebeurd, vertelde hij, dat ze
meenden, het vuur bezworen te hebben, terwijl het in stilte, in de
humuslaag, nog voortbroeide....
Gelukkig verzekerde Gerts vader al spoedig, dat het nu wel uit zou
zijn.
Zwartgeblakerd lag daar nu tusschen de pralende hei de gebrande
strook, gelukkig niet zoo groot, als ze in in hun eersten schrik wel
verwacht hadden, maar toch vonden ze het vreeselijk. Toch was het
hun schuld! Hoe heel anders gevoelden ze zich, dan toen ze den brand
in de Weerdes hadden helpen blusschen! Toen waren ze helden geweest.
Wat nù?
Zwijgend trokken ze weer op weg naar den Derker, ieder zijn eigen
vrachtje opzoekende, dat ze langs den weg hadden neergeworpen.
En als geslagen honden trokken ze naar huis, met de hinderlijke
gedachte aan een volmaakt mislukt kampleven bij zich. Zelfs
verwijten bleven achterwege; een paar van hen, Koos en Jan, trokken
pijnlijk met hun handen, die brandblaren hadden -- "maar daar hielp
lijnolie voor," troostte Theo ze.
Wat zouden de àndere jongens zeggen?
En, bij Cor vooral, kwam de vraag: "wat moet je nu verder doen met
de Rhandensche Verkenners?" Hij wist er geen raad op.
Toch wilde hij er niet van weten, alles op zij te zetten, zooals
Koos voorstelde.
Ze moesten maar eerst wat afwachten; dan konden ze zien, wat er nog
zou gebeuren; met die gedachte ging het troepje uiteen, ieder naar
eigen huis, om daar "lekker en veel te eten," naar Theo verzekerde,
"me eens frisch op te knappen," meende Jan. Maar allen zagen ze er
tegen op, hun pech thuis te vertellen.