"Zoo, dan denk jij zeker, dat ieder een gulden geeft? Ik zie d'r nog
niets van."
Nou waren ze toch aan 't praten geslagen, en meneer van Waalwijk had
nogal gezegd: Meer dòen, dan zeggen. 't Was Theo opgevallen. Hij
stelde voor, nu naar huis te gaan en alvast hier en daar over te
spreken, en te zien dat ze het geld loskregen.
Den volgenden morgen bracht Koos een door hem opgestelde aanvraag
mee. Hij las ze voor in 't kringetje der jongens:
Daar boer Arendsen zijn hooi door brand verloren heeft, en hij dus
geen hooi meer heeft, willen de Rhandensche Verkenners maken, dat
hij weer hooi krijgt. Daarom vragen we of de menschen hun geld
willen geven. Dat geld geven we aan den Burgemeester, en die geeft
het aan Arendsen, en dan kan die weer hooi koopen.
Want Arendsen zijn hooi was niet geassureerd, en hij krijgt dus
geen geld van de assurantie, en moet dus anders straatarm worden.
Uw dw. dienaar.
Koos VENEMA.
"Dat deugt niet," viel Cor ineens uit, toen Koos klaar was met
lezen. "Jij moet het niet onderteekenen."
"Wie dan?"
"Niemand. D'r moet staan: De Rhandensche Verkenners, anders niets."
En Theo merkte lachend op: "Ook snugger, om te zeggen dat Arendsen
geen hooi meer heeft als zijn hooi verbrand is!"
Nu kwam de critiek los. Over de assurantie, en dat er telkens in
stond, dat Arendsen geen hooi meer had en dat er heelemaal niets
boven stond ook.
"Nou ja" zei Jan, die het voor Koos ging opnemen, "'t is ook maar
een kladje. Dat kan je d'r nog boven zetten, 'Edele
Menschenvrienden' b. v.; dat stond er ook boven, toen 't paard van
Teunissen den vrachtrijder was doodgevallen."
Dat was een idee. "Edele Menschenvrienden." Dat klonk deftig.
Ze zouden het aan meneer Van Waalwijk vragen.
Die vond het goed. Alleen, dat Arendsen geen hooi meer had, moest er
uitblijven, meende hij. Maar anders wilde hij er niets in
veranderen. 't Moest zooveel mogelijk hun eigen werk blijven. Wel
ried hij, om aan enkele heeren te vragen, de aanvraag aan te
bevelen, en méér dan één lijst af te schrijven, want dan kon er
ook meer dan één tegelijk mee uitgaan.
[Illustratie]
Koos mocht dien morgen op mooi, groot papier de lijst afschrijven.
't Was goed dat het de laatste schooldag was, want van werken kwam
er niet veel. Toen de school uitging, wenschte meneer ze veel succes
op d'r lijst toe. Hij beloofde er ook op te zullen teekenen.
De Zaterdagmorgen brak aan in stralende, volle zomerpracht. De lucht
had zich weer hersteld, zeiden de menschen. En de boeren dachten,
dat het wel mooi zou blijven. De lucht was sterk en kon veel
verdragen. Het beloofde een gezegend jaar voor die streek te worden.
"Heerlijk, Cor, dat het zulk lekker weer is hè, om met de lijst er
op uit te gaan!"
"Ja, Pa, òf het. Maar nu eerst naar den Burgemeester. Theo zou me
komen halen. 'k Wou dat hij kwam!"
Nauwelijks had hij het gezegd, of daar stond Theo al. Deftig, op z'n
Zondagsch, met z'n echte, onnoozel-guitige gezicht, een groote
portefeuille in de hand. Hij streek met den rug van zijn andere hand
over z'n voorhoofd.... hij had het al warm!
"Pff.... jô, warm! En dat pak zit zoo drommels strak; 'k kan me d'r
haast niet in roeren! 'k Wou eerst niet, maar ik moest wel voor
Moeder. Hè, mijn brilleglazen zweeten er van!"
Hij zette zijn bril af, wreef zich 't gezicht met den zakdoek, en
begon toen zijn bril schoon te maken. "Zoo, dat schiet op; je moet
maar haast hebben! Die warmte ook! En dat pak! Nou knapt 't montuur
van m'n bril middendoor!"
Hij stond met een armoedig gezicht de twee helften te bekijken. "'t
Zal nièt gaan. Ik kan 'm niet opzetten. En als ik eerst naar huis
ga, wordt het te laat. Vooruit, dan maar zoo! Om tien uur moeten we
er zijn! Winders de bode, heeft het gezegd."
[Illustratie]
Winders, de bode, was de rechterhand van den burgemeester. Hij zag
hoog tegen den burgervader op, en was tegen iedereen akelig beleefd.
Hij had een manier van zijn hoed af te nemen, met een breeden zwaai,
en een kromming van zijn rug, dat Cor er om moest lachen, als hij
het zag. En Theo niet minder. En dan de manier, waarop hij uitweek,
als hij iemand tegenkwam, en de klank van zijn stem, als hij, met
een breeden zwaai van zijn hoed alweer, "pardon, meneer!" zei! Dan
rolde de _r_ nog meer, dan wanneer de Burgemeester zijn "Inderdèd,
mijne heeren," uitsprak. Was de Burgemeester één en al kracht,
Winders gaf den indruk van slapheid in al wat hij deed.
Winders zou ze dan bij den Burgemeester brengen. Theo, bril-loos nu,
verloor zijn gewone vrijmoedigheid. Zenuwachtig trok zijn neus, nu
naar 't scheen nog erger dan anders, omdat de bril er niet op stond.
Ook Cor had moeite, om het raadhuis binnen te gaan. 't Was toch gek,
zoo vreemd en wonderlijk als hij er voor stond. Gelukkig kwam
Winders te voorschijn, en gelukkig miste hij zijn hoed, zoodat zijn
deftige armzwaai nu achterwege bleef.