't Is Woensdagmiddag, de laatste voor de vacantie.
Koos en Cor en Jan en Theo zijn er weer op uit.
't Groen is al aan 't donkeren; 't is zoo dicht, dat het bijna geen
zon meer doorlaat.
Ook in 't bosch is het benauwd warm. Zoo'n warmen zomer hadden ze
eigenlijk nog nooit beleefd, dachten de jongens. Dag aan dag felle
zonneschijn, afmattend, en al weken bijna geen regen. 't Kon niet
tot regenen komen. 't Mocht al dreigen, 'n enkele druppel kon
vallen, de zoo gewenschte gestadige regen bleef uit. De laatste
avonden had het wel gerommeld in de verte, aan de overzijde van de
rivier. Maar de rivier had het weer tegengehouden, zeiden de boeren.
Toch groeit er onweer. De zonneschijn is niet meer zoo hel; de lucht
is gedekt, en een valsche gloed glijdt over de landen, en in het
bosch is het donker, somber, broeiend.
[Illustratie]
Geen vogelgeluid laat zich hooren; de vogels houden zich stil
tusschen het groen. Hoogstens zien de jongens een verschrikten
eekhoorn voor zich uitschieten. Ook Cor ziet die dingen nu. Hij
heeft leeren kijken, anders en beter, dan toen hij nog enkel
grootestadsjongen was. Loom vallen ze neer in het zachte mos.
"Hè-hè," geeuwt Theo, en hij zegt: "gelukkig dat het
Woensdagmiddag is. 't Moest altijd maar Woensdagmiddag zijn!"
"Nou, én óf," antwoordt Koos. "En dan er op uit." Zijn oogen dwalen
tusschen de stammen, of hij niet wat zag; maar 't lukte niet; 't was
of alles wat leefde en bewegen kon, zich schuil hield.
"Ja," zegt Cor lusteloos, "maar dan niet te ver. 't Is weer net zoo
warm als...."
".... toen jij bijna verdronk," vult Jan Arps aan.
"Wat weet jij daarvan? je bent er niet eens bij geweest," antwoordt
Cor.
"Net of we het niet allemaal precies weten. En dat je zoo in de war
zat ook! Nou; 't was dan ook danig dom om verder in 't water te gaan
dan de jongens, die de trekgaten kennen!"
"Of ik in de war zat.... 't meest voor Moe..."
"O ja," valt Koos nu in de rede, "weet je Moe het al?"
"Gelukkig ja! Vader heeft het haar verteld, toen ze wat beter werd,
en 't mocht van den dokter. Maar nu mag ik bijna niet meer uit; in
elk geval niet meer de Weerdes in; dat heb ik Moeder moeten beloven.
En ik ben blij toe, dat Moeder het weet. 't Was zoo vervelend... je
moest net doen, of er niets was, en ik durfde haar bijna niet onder
de oogen te komen...."
"Nou 't is gerust goed afgeloopen nog," vervolgt Cor.
"Ik dacht, toen ik je òm zag vallen: die is er geweest. En als die
knecht van de Düsseldorfer niet in 't water gesprongen was, dan
weet ik het niet..."
Cor wordt stil. Ja, 't was wèl benauwd geweest. Gelukkig maar, dat
Moeder nu weer heelemaal beter is, en alles thuis zijn gewonen gang
gaat. 't Had een kleine week geduurd, en Moe moet nog wel
voorzichtig wezen, maar gelukkig is ze weer beneden.
"Heeft je Vader nog wat gehoord van dien knecht?"
"Ja, hij heeft aan de directie geschreven, of die wilde onderzoeken,
wie me gered heeft, want Teun de veerman wist het ook niet. Die wist
alleen dat het er één van de Düsseldorff II is geweest. En toen
Pa het wist, heb ik hem moeten bedanken, en uit mijn eigen spaarpot
wat moeten sturen, om cadeautjes te koopen voor zijn kinderen,"
vertelt Cor.
Zoo liggen ze en luieren en babbelen voort, en toch wil er geen gang
in komen.
"'t Is goed, dat we niet zijn gaan oefenen van middag" zegt Jan. "'t
Zou te warm wezen."
"'k Zou niet weten, waarom," antwoordt Cor. "D'r is met jullie en
die andere jongens niet veel aan te vangen. Wat hèb je zoo aan een
club? Je kunt hem net zoo goed niet hebben."
"Wat wou jij dan met zoo'n warmte doen? Zeker vuurtje stoken. Je
krijgt nou heelemaal niks van de jongens gedaan." Jan Arps had vast
een erg luie bui vandaag. "En dan dat marcheeren en zoo. Wat is daar
voor aardigs aan?"
"Nou Jan," zegt Theo goedmoedig, "dat zeg je ook maar, omdat je 't
zelf niet goed kan."
Jan doet of hij het niet hoort.
"Je hebt er 't land aan, om hooi-om, strooi-om te spelen, niet?"
Jan verwaardigt zich niet antwoord te geven.
't Blijft een poosje stil.
Koos is verdiept in de beschouwing van een paar kevers, die druk aan
't scharrelen zijn. "Doodgravers, jongens!" roept hij, en hij
schuift voorzichtig op zijn buik vooruit. De anderen komen er bij.
En de kevers zijn druk aan den arbeid; met hun sterke achterpooten
graven ze den grond weg onder een dood muisje vandaan.
"Kijk eens," zegt Koos. "Kijk eens...."
Maar hij voleindigt zijn zin niet. Want Cor heeft een stokje
genomen, en brengt dat in eens, ruw, bij de kevers, die hij daardoor
verjaagt; ze maken, dat ze wegkomen.
"Dat is weer laf van je, flauw! kinderachtig!" stuift Koos op. "Wat
heb je daaraan? Laat die dieren begaan. Ze doen jou toch geen kwaad?
Je bent altijd zoo vervelend!"
"Of jij met je beesten. Wat geef ik nou om die kevers? En of d'r
eentje meer of minder is, dat hindert niet. 'k Heb 't voorjaar nog
meikevers gehad, aan een draadje. Dat was pas leuk."
"Heelemaal niet leuk; dierenplagerij! Ze moesten jou aan een touw
leggen!"
[Illustratie]
"'t Lijkt er haast op," viel Cor in de rede.
"Waarom?"
"Omdat ik voortaan niet vrij meer uit mag. Eerst vragen, en zeggen
waar ik heen ga. Daar ga ik toch ook niet van dood? Nou, en die
meikevers ook niet...."
Koos merkt 't wel.... 't geeft niets. Cor hield niet van dieren. Nou
ja, een hond ging nog. Maar al dat wondere leven in de natuur, daar
zagen de jongens niets van. Ze wilden het niet zien, leek het soms.
Eigenlijk wàs hij ook anders dan de jongens, dat voelde Koos zelf.
Hij hield niet van dat eeuwigdurende vechten, van al hun drukke
doen. Hij zocht ze telkens op, ja, maar telkens stelde het hem weer
teleur. Hij kón het niet velen dat ze ruw waren tegen zijn dieren.
Ze mochten hem er tusschen nemen -- daar was hij wel aan gewend;
maar ze moesten zijn dieren met rust laten. En dat was voor Cor een
heele toer!
"Zeg jô, wanneer komen de verkenners weer bij mekaar?" vraagt Theo
ineens. "Want dat wordt tijd."
"Ja," en Cor is meteen op zijn stokpaardje, "ja, maar wat moeten we
doen? 't Geeft zoo weinig, zoo als 't nu gaat. We moeten wat
verzinnen. Ik weet wat leuks."
En hij begint zijn plan te ontvouwen, 't plan waar hij op dien
middag toen Moeder ziek werd, al tegen Koos over gesproken had.
Ze moesten nog eens wat extra's hebben: wat voor de verkenners
alléén. Hij zou een reglement van de club opschrijven; op een
héél groot vel papier, zoo, dat er veel ruimte overbleef. En dan
moest het begraven worden onder den Steen, en dan moest iedere
jongen er een kei op leggen: zooveel jongens, zooveel keien. Maar --
het moest een groot geheim blijven, dat niemand wist. Dàt zou een
heerlijken middag geven! En. als ze het deden, dan moesten ze
wachten uitzetten, die niemand doorlieten.
"En als nou je vader of de Burgemeester of Sterkhouwer net aankomen,
die kan je toch niet tegenhouden?" vraagt Theo.
"Neen, dat is niet noodig. Maar dan geef je een teeken: tweemaal,
scherp, op de vingers fluiten; dat beteekent onraad, en dan scheiden
we er uit, en doen alsof er niets is. En elken keer, als er een
jongen bijkomt, moet die ook het reglement onderteekenen; dan graven
we het op en dan komt er weer een steen bij!"
"Ja, dat lijkt wel aardig. Dàt moeten ze doen."
"En dan kampeeren?" vraagt Jan.
"In de groote vacantie; vast", antwoordt Cor. "Dan maken we een
tent..."
"En waar moet je die zetten? Sterkhouwer zal je kostelijk danken, om
hem op de hei of in het bosch te laten staan. Daarvoor is hij niet
te vinden natuurlijk...."
"Nou ja, dan vragen we of het op den Derker mag, op de hei aan de
overzijde van het huis." Cor weet overal raad op.
"En de tent, hoe komen we daar aan?" vraagt Theo.
"Zal ik wel aan mijn vader vragen", antwoordt Cor.
"Ik wed, dat het wel lukken zal."
"Ja, en verdrinken kun je op de hei òòk niet", plaagt Theo
droog-weg.
"Hou asjeblieft op met je flauwiteit. Je moet niet denken, dat je
aardig bent, hoor!"
Cor wordt boos. Dààrover hoeven ze heusch nu niet meer te zeuren.
Het was erg genoeg geweest. En dat is allemaal voorbij, gelukkig.
"Dat vind ik ook", zegt Koos. "Zie je, van dien steen, dat kan me
niet schelen. Maar dat kampeeren, dat kan wel leuk zijn. Toch geloof
ik niet, dat we mogen van onze vaders. En 's nachts dan?"
"Ja, 't zou pas ècht zijn, als we er 's nachts ook konden wezen.
Maar..."
"Probeeren", stelt Cor voor. "Misschien mag het."
"En eten dan?" Theo denkt al met schrik aan zijn kostelijke eten,
dat hij misschien niet zou krijgen.
"Dan leggen we een kampvuur aan. Aardappelen schillen kan ik wel..."
"...vierkant snijden zeker?" vraagt Theo.
"Nou ja, maar als 't moet, gaat het wel. En dan brengen we groente
mee van huis, of bussen. Moe maakt altijd in flesschen in. En
vleesch --." Dat zou moeilijk gaan. Daar wist hij geen raad op.
"Toe Jo, we vangen een haasje, en braden dat aan het spit. 't Kan
hoogstens wat zwart branden, en misschien wat rookerig smaken..."
"Dat mag niet. Je mag niet stroopen."
"Dan schiet er niets anders over, dan géén vleesch te eten",
besluit Cor plechtig.
Ja, zóó zou het wel gaan, dachten ze. En ze staan op, om den weg
naar huis weer in te slaan.
Ze komen op den Berg.
"Buitenkant gaan?" stelt Cor voor, die nog altijd 't prachtige
gezicht op de rivier niet kan vergeten.
Ze nemen den weg langs den rand. Daar slingert zich de rivier weer,
nu gemakkelijk tusschen de zomerdijken gehouden. Er heerscht bijna
volmaakte rust op de uiterwaarden. Loom en lui liggen de koeien; met
tragen slag vlerkt een wei-leeuwerik op, en verdwijnt uit het
gezicht.
[Illustratie]
Zwarte rookpluimen teekenen den weg af, dien de sleepboot neemt, die
een heele sleep achter zich aanvoert. En aan de overzijde: het
vlakke land, met hier en daar een alleenstaande boerderij, een
kleine groep huizen rondom de kerk; op den achtergrond hoogopgaand
hout, waarboven een torenspits nog even tegen den donkeren hemel
afsteekt.
Nu mòest er wel onweer komen. 't Kon haast niet anders. Zwarte
donderkoppen pakten zich samen, en dreigend trokken ze op de rivier
aan.
In de verte flitste het al door de donkere lucht. Ze zagen de
hel-lichte zigzag-lijn, en een verwijderd gerommel drong tot ze
door. 't Komt naderbij; inééns merken ze het: heftig stuift de
wind aan; de takken zwiepen en de lucht is in minder dan géén tijd
aschgrauw.
"Voortmaken, jongens!" zegt Cor, "of we komen niet droog thuis!"
Nauwelijks had hij het gezegd, of daar flitste een blauw-roode
straal, onmiddellijk gevolgd door een dreunenden, maar ineens
afgebroken donderslag. 't Was of alles tegelijk in één fel-rooden
gloed was gezet.
Ze schrikten, en waren nog nauwelijks van den schrik bekomen, of een
tweede slag, heviger nog dan de eerste, ratelde om ze heen. En nu,
boven de rivier ook, was het vreeselijk aan den gang. Blauwe en
rosse en geel-witte bliksemstralen schoten in zigzaglijnen door de
angstig doffe lucht, en 't hield niet op met onweeren. De donder
sloeg tegen den berg aan en rolde weer terug. 't Was één en al
gerommel en geloei.
O, wat zaten ze in angst!
"Niet onder dien boom schuilen," riep Koos tegen Cor, die onder een
eik wilde wachten tot een bui wat minder was. "Dat is gevaarlijk."
En Cor, die geleerd had, al wilde hij 't niet weten, kwam er onder
vandaan, en ze holden langs den smallen rand, achter elkander aan.
"Brand!" schreeuwde Theo ineens. "Brand! Onder aan den veerweg! kijk
eens!"
Zware rookwolken stegen omhoog, uit een hooiberg, die achter de
hoeve van boer Arendsen lag.
Wat een rook! Hoe zwart! Die stak zelfs tegen de sombere lucht nog
scherp af!
Maar in 't midden, vlak boven den hooiberg, was een rosse gloed,
verraderlijk.
Verstomd van schrik bleven ze staan. Hoe klein waren ze, met al hun
drukte, al hun beweging, al hun verbeelding, te midden van al dit
vreeselijke.
En daarbij keerde de wind; de berg wierp de bui terug naar de
rivier, waar nu de bliksem geen oogenblik van de lucht was.
"Zoo gaat de hoeve van Arendsen er aan!" riep Koos. "Zie maar,
jongens, de bosschen brandend hooi vallen er al op."
Cor kon zich niet inhouden.
"Jongens," zei hij ineens, ongewoon en ongemaakt plechtig, "we
moeten helpen. We zijn niet voor nièts Rhandensche Jongens.
Vooruit!"
En, zooals dien eersten keer, toen ze met meneer van Waalwijk op
trap waren geweest, werkte hij zich nu, zonder aan gevaar voor zich
zelf te denken, door de struiken.
Theo, Koos en Jan volgden hem, en één voor één kwamen ze onder
aan den berg uit het struikgewas te voorschijn, en op een draf ging
het naar den Veerweg.
Daar zag het er kwaad uit, bij boer Arendsen.
De hooiberg brandde fel, de vonken vlogen in de richting van het
huis. Boer Arendsen had de paarden al uit den stal gejaagd, de
weerden in. Angstig blatend stond de geit nog vast aan de pen,
achter het huis.
Cor zag het. Zien, denken en doen waren nu één bij bij hem. Hij
vloog er op los, tusschen het huis en de brandende massa in; met
één ruk was de pen uit den grond, en hij sleurde de geit, die van
schrik heelemaal van de kook was, weg.
Arendsen was bijna radeloos.
"O, Heere, Heere, mijn boeltje!" bad hij hardop. "Laat ik het mogen
houden!"
Daar stortte met donderend geraas de kap van den hooiberg naar
omlaag. Dat gaf een oogenblik verademing; kort genoeg om te zien,
dat de dakgoot aan den kant van den hooiberg vuur had gevat.
Zonder dat iemand het gebood, stond Cor aan den ouden put met den
grooten hefboom. Hij haalde den emmer op.
"Emmers, jongens!"
Arendsen zag het. Intusschen kwam de knecht uit den stal aanloopen
met emmers. "Meer nog!"
[Illustratie]
En meer kwamen er. Op den Derker hadden ze het gezien, en ze kwamen
om te helpen. Gert, de dikke lobbesachtige Gert, was er bij. Hij
pakte meteen mee aan. En toen ging het. Cor putte zoo hard hij kon,
en goot de emmers vol, en die gingen van hand tot hand. Koos stond
vlak bij de boerderij, en die gaf de emmers op, aan Theo, die
halverwege de ladder stond, en ze opbracht naar Arendsen. En deze
wierp het water op de brandende goot.
Gelukkig, de brand zette niet door. De hooiberg was reddeloos
verloren, maar het huis zouden ze behouden. In de verte kwam de
brandspuit aan. 't Was goed dat die kwam, want de jongens konden
niet meer.
[Illustratie]
Theo's arm was haast lam van dat al maar opgeven. Juist toen de
spuit de boerderij opreed, kon hij niet meer; uit zijn krachtelooze
vingers liet hij den emmer vallen, dien Koos nu langs zich heen
kreeg. Kletsnat was hij, en die leelijke Theo moest er nog om lachen
op den koop toe! Nu werd de slang in den put gelegd, en het werd
pompen van belang!
De burgemeester kwam, en Sterkhouwer. Nauwelijks kreeg hij de
jongens in de gaten, of met zijn bulderstem riep hij: "Drommelsche
kwajongens; wil jullie maken dat je bij je moeder komt? Die zit in
doodsangst over jullie. Wat doe je hier? Maakt dat je wegkomt. Je
belemmert het blusschingswerk. Pak je weg!"
Maar Arendsen kwam tusschenbeide.
"Nee, Sterkhouwer, dat is nièt waar. Als zullie me niet geholpen
hadden, was de boel er aan gegaan, heelemaal. Ze waren er 't eerst
bij."
De burgemeester stond er ongemerkt achter.
"Inderdèd, jongelui, wat hoor ik van jullie? Dat doet me genoegen,
inderdèd. Dappere Rhandensche jongens, hoor!"
"Ziezoo," zei Theo tegen Koos, die zich nog altijd met zijn natte
helft onaangenaam voelde, "nou hoor je het."
"Dat is beter, inderdèd, dan moedwillig je leven in gevaar brengen,
jonge vriend!" De Burgemeester, die aan zijn geweldige snorren trok,
wendde zich tot Cor.
"Jij bent immers Cor Poorters?"
"Jawel.... meneer.... Burgemeester...., bedoel ik!" antwoordde Cor
bedremmeld en verlegen.
De burgemeester keek hem eens aan.
"Zorg, dat ik nooit erger dingen van je hoor, jonge vriend! En nu
jullie naar huis -- er is hulp genoeg, en 't is hier nog altijd niet
ongevaarlijk."
De spuitgasten richtten den straal op den hooiberg, die weer
geweldig begon te rooken. 't Zou wel losloopen, dachten de jongens,
en ze maakten dat ze wegkwamen. Met hooge kleur, doornat bezweet,
kwamen ze in de stad aan.
Cor's moeder was ongerust geweest. Waar bleef die jongen nu alweer,
met zulk een donderbui! Vader had reeds een knecht uitgestuurd om
bij Arps te vragen. Misschien waren ze daar aan 't schuilen, dacht
hij.
Eer de knecht terug was, kwam Cor thuis.
"Waar heb je gezeten?" vroeg moeder. "Wat zie je er uit, en hoe
bezweet, en hoe vuil!"
Toen sloeg Cor aan 't vertellen. En eigenaardig, nu gaf hij niet
hoog op van zijn heldendaden, maar vertelde eerlijk van hun angst
om het weer, en hoe ze den brand hadden gezien, en waren gaan
helpen.
Maar wat de Burgemeester had gezegd, dat vertelde hij maar half.
Zaterdags bracht de Rhandensche Courant een bericht:
"Tijdens het hevige onweer van l.l. Woensdag sloeg de bliksem in
den hooiberg van boer Arendsen aan den Veerweg. Door de dappere
hulp van vier jongens, Cor Poorters, Jan Arps, Theo Maalders en
Koos Venema, kon de boerderij behouden blijven. De hooiberg
brandde geheel uit.
Daar Arendsen nièt verzekerd is, beteekent dit een groote schade
voor hem."
IX. Cor en Theo gaan bij den Burgemeester op bezoek, en hoe de
Verkenners aan het bedelen slaan.
Dàt had Cor al éér geweten, dat niets verzekerd was. "'t Is toch
een reusachtige schade voor Arendsen, niet waar Vader?" vroeg hij,
den Donderdag na den brand.
"Ja jongen, òf het. En Arendsen zal het slecht kunnen dragen. Hij
heeft de laatste jaren heel wat getob gehad; ziekte onder z'n vee,
en misgewas; en verleden jaar, bij het hooge water, is een deel van
zijn hooi weggespoeld, terwijl het nog op het land lag. Nu dit
weer.... hij zal er heelemaal onder komen...."
"Maar Vader, hij had zich toch kunnen assureeren?"
"Ja.... dat hàd hij.... maar hij denkt, dat hij dat niet màg
doen.... Hij, en meer boeren hier, meenen, dat ze op God alléén
moeten vertrouwen, -- en daarom verzekeren ze zich niet."
Cor zweeg. Hij had nog nooit op die manier er over gedacht. Hij had
thuis gehoord van allerlei verzekeringen; Pa deed het ook.... vast
was het dus niet verkeerd....
"Maar is dat dan goed van Arendsen? U hebt den winkel en zoo toch
ook geassureerd?"
"Ja, Cor, en ik zie er geen kwaad in. Ik geloof, dat de Heer wil,
dat we zorgen, zonder bezorgd te zijn. Maar zij zien dat anders in.
Zij denken, dat het God verzoeken is.... en ze meenen dat even goed
als ik.... je moet zien, hoe kalm Arendsen is. 't Is een wonder,
zooals die menschen de bezoeking opnemen...."
Cor dacht weer na.
"Maar is er dan niets aan te doen, Pa? Geld vragen voor hem, en hooi
koopen voor hem?"
"Ja, dat zou kunnen. Maar wie zal dat doen?"
"Wel, wij, de Rhandensche Verkenners," zei Cor. "Wij gaan het
vragen, in de stad, en bij de boeren."
Meneer Poorters vond het een goed idee, als de jongens dat deden; ze
kregen er nu den tijd voor, want Vrijdag begon de vacantie.
"Denk er om: eerst aan den Burgemeester gaan vragen of je màg. En
dan een lijst opmaken, en die door den Burgemeester en nog een paar
andere heeren laten teekenen."
Cor zou er geen gras over laten groeien.
Dadelijk sprak hij er op school met de andere jongens over en hij
vertelde het aan meneer Van Waalwijk, die het ook een heel aardig
plan vond, en zijn medewerking beloofde.
"Toe, meneer, geeft u dan van avond eens heelemaal geen huiswerk
op?" drong Cor aan.
"Waarom niet?"
"Nou, dan komen de Rhandensche Verkenners bij elkaar en dan
bespreken we het, wat we doen moeten!"
"En de meisjes dan?" vroeg Nellie.
Ja, de meisjes.... daar hadden ze niet over gedacht.
"Die hooren niet bij de Rhandensche Verkenners... die zijn toch geen
jongens?" beet Cor ineens af.
Een hartelijk gelach ging bij de meisjes op.
"Nou, meneer, die is goed!... Hoort u hèm?"....
Meneer moest òòk lachen om het argument.
"Toch zou ik zoo zeggen, dat de meisjes aan dit werk even goed
kunnen meehelpen."
"We wilden het met de Verkenners alléén doen, meneer," zei Cor nu
weer. "Maar als de meisjes ook willen geven, of aan d'r vader
vragen, dan is het goed," voegde hij er aan toe.
"Dat zullen we vanavond tenminste bespreken," kwam Theo ineens.
[Illustratie]
"Denkt er om, jongens, dat jullie minder moeten praten dan doen,"
merkte meneer op. "Je moet vlug helpen, als je helpen wilt."
Meneer gaf géén huiswerk op; 't liep toch tegen de vacantie; die
ééne keer zou niet hinderen.
Ongemerkt wist hij nog raad te geven, hòe ze 't zouden inrichten,
en toen ze nà schooltijd bij den steen samen kwamen, toen wisten ze
wel zoowat, hòe ze 't zouden aanpakken.
Er moest een lijst geschreven worden.
Cor deed dat niet; dat was werk voor Koos Venema; die schreef het
mooist van allemaal, vonden ze. Wat er op moest staan?
"Wel", zei Jan Arps, "natuurlijk van den brand en dat Arendsen nu
zijn hooi kwijt is, en dat hij nieuw moet kunnen koopen, en of de
menschen willen helpen."
Koos en Jan moesten dat samen maar klaar maken. Den volgenden morgen
zouden ze het aan meneer Van Waalwijk laten zien, of het zoo goed
was. En dan moesten er twee jongens naar den Burgemeester gaan, en
dien vragen, de lijst te teekenen. "Ja," zei Theo, "en dan moeten we
er in schrijven, dat we het geld aan den Burgemeester zullen geven,
en dat die het aan Arendsen zal bezorgen."
Dat vonden ze een prachtig idee, en daaraan had Theo het te danken,
dat hij mèt Cor samen naar den Burgemeester zou gaan.
"Zie je," zei Cor, "jij weet er ook zoowat van, van je vader
natuurlijk."
Naar wien zouden ze toe gaan, en hoe moesten ze verder doen? Hoeveel
geld was er noodig?
Jan Arps z'n vader had gezegd, dat er voor meer dan duizend gulden
hooi verbrand was, den berg niet meegerekend.
"O, dat krijgen we gauw genoeg bij mekaar," meende Cor.
"Zoo, zou je dat denken? Duizend gulden is een heele som, hoor! Waar
moeten we het vandaan halen?" Koos Venema was er zoo zeker niet van.
En de andere jongens vreesden ook wel. 't Was zoo'n heel bedrag, zie
je!
"En dan doen we er zelf bij, uit onzen spaarpot," stelde Cor voor.
"Dat is toch ook al wat, dat is een mooi begin. Dan zetten we
bovenaan op de lijst: