Nu durfde hij ook pa vragen: "Is 't erg, pa?"

"We hopen van niet. Maar jij kunt nu niets doen... Ga naar de

huiskamer. Straks komen we weer."

Wat gerustgesteld ging hij naar beneden. Was hij bij 't binnenkomen

maar eerst de huiskamer ingegaan, als altijd! Dan had hij 't wel

geweten! Maar nu wist hij er natuurlijk niets van....

Hij vond alleen Zus in de huiskamer.

"Weet jij, wat het met Moe is?" vroeg hij.

"Neen," zei Nellie.

"Als 't maar niet erg is," opperde Cor. "Moe was zoo bleek;

heelemaal wit."

"Toos zei, dat het te warm was voor Moe, en te druk. Wij zijn ook

altijd zoo druk..." liet ze er op volgen.

Ja, dat was wel waar, dacht Cor. Erg druk en wild. Moe moest wel

vermoeid worden van al dat verbieden.

"Hè, Nellie, als Moe eens echt ziek werd!"

"Nou, ik hoop het niet, hoor!"

"Dan zou Toos wel voor het eten zorgen, denk je niet?"

"Ja, maar 't zou toch heel naar zijn voor Moeder."

"Ja...." En Cor bedacht met schaamte, dat het voor Moeder het ergst

zou wezen.

De bel ging. Hij vloog naar de deur, om er 't eerst te wezen en open

te doen.

't Was de dokter.

"Moe is boven, dokter," zei Cor wat bedeesd.

Ze zaten met hun tweetjes in angst te wachten, tot ze de traptreden

weer hoorden kraken. Cor maakte, dat hij in de gang was.

[Illustratie]

Toen hij zag, dat Pa dokter uitliet, wilde hij teruggaan. Maar de

dokter had hem al gezien.

"Dus, meneer Poorters, volkomen rust een paar dagen, dan zal het wel

weer gauw in orde komen," hoorde hij zeggen, en het juichte in hem:

"Gelukkig!"

Dokter kreeg hem in 't oog.

"En jij bent zoo'n Rhandensche Verkenner?"

Cor kreeg een kleur.

"Ja, dokter!"

"Gaat het nog al? Ben had geen zin, geloof ik?"

"Neen, dokter.... er zijn wel jongens, maar..."

"Nou, wat maar?"

"Ja, bèst gaat het nog niet. 'k Weet er nog niet alles van, ziet

u!"

Dokter lachte eens.

"Nou, als alles goed gaat, dan wordt ik begunstiger van jullie club,

hoor!"

"Asjeblieft, dokter...."

't Was gek, dacht Cor... bij anderen, onder zijn jongens, had hij

zoo'n praats.... nu kon hij bijna niet uit zijn woorden komen! Zeker

doordat hij zoo geschrikt was van Moe's ziekte.

"Gaat het al beter, Pa?" vroeg hij.

"Gelukkig wel.... maar Moe moet volkomen rust hebben, en zich vooral

niet opwinden.... dus doodstil, vent.... en dan hopen we dat de Heer

haar spoedig geheel beter maakt...."

Vader ging weer naar boven.

"Ik mag toch wel naar mijn kamertje, Pa?"

"Best hoor, maar.... stil."

Cor ging, maar de liefhebberij voor zijn plannetje was door dit

alles verminderd. En dan die vraag van dokter! Toch -- opgeven zou

hij het niet. Volhouden. Als moe nu gauw beter werd.... Pa zei, dat

de Heer haar beter moest maken... Dan moest je het vragen, dacht

hij. Zou hij het doen...? en de club? Hoe moest het daarmee?

Troosteloos zat hij op zijn kamertje, op een stoel bij het venster.

De zon scheen nog altijd even fel.... 't was warm, loom weer....

geen wonder eigenlijk, dat Moeder 't niet uit kon houden als ze maar

beter werd, want anders.... ja, wat dan? Zou hij het den Heer

vragen? Zou het helpen? Hij had eigenlijk nog nooit misschien

oprecht gebeden; 't ging alles zoo buiten hem om. Hij was altijd vol

van zijn plannen.... alleen niet van zijn werk. En ja, 's Zondags

ging hij mee ter kerk, maar waar dacht hij aan? Aan wat hij hoorde

't minst, ook al omdat hij het niet altijd begreep. En dat lange

stilzitten....

Hij kon niet snel denken, zooals anders, wanneer allerlei hem voor

den geest warrelde. Maar daardoor juist, doordat het nu zoo langzaam

en eigenlijk traag ging in zijn hoofd, zag hij het zooveel beter.

Hij moest maar naar beneden, naar Nellie en de anderen.

[Illustratie]

Vooral naar Nellie. Die was anders dan hij, beter.

Hij ging naar beneden, en vond daar Nel, kalm bezig met tafeldekken.

Ze had nu die taak van Toos overgenomen, en, ging rustigjes haar

gang.

"Wil ik je helpen, Nellie?" vroeg Cor.

"Neen, dank je, ik kan het zelf wel."

"Gelukkig hè, dat 't niet erg is met Moe! 'k Hoop dat Moe gauw

beter is...."

"Nou, ik ook," antwoordde Nel, wat verstrooid.

"'t Is ook zoo warm. Heb jij er ook last van? Je hebt zoo'n hooge

kleur."

't Viel hem ineens op, dat Nel er eigenlijk heelemaal niet

voordeelig uitzag. Scherp-rood kleurden 'n paar plekken zich op haar

in-bleek gezicht af, en er lag iets teers over haar heele wezen.

"Ja, òf ik...." zei Nel, en ze dribbelde naar de kast om wat messen

te krijgen.

Cor greep een boek, en ging zitten lezen.

Ze kwamen nu binnen, de anderen; de broertjes, minder druk dan

gewoon, en vader, met een bezorgd gezicht. Minder luidruchtig dan

anders schaarden ze zich om de tafel, waar Moeders plaats leeg

bleef.

Vader en Toos bedienden nu; 't duurde langer dan anders.

Bij 't gewone tafelgebed vroeg vader, of de Heer Moeder wilde

zegenen, en haar wilde herstellen, want dat ze allemaal Moeder zoo

misten....

Ja, dacht Cor, dat is waar.... als de Heer het nu maar deed! God kon

alles; Moe beter maken ook. Hij had getracht wézenlijk méé te

bidden, z'n hart op te heffen.

Ze aten stil. Vader vroeg, als gewoonlijk, naar allerlei, maar 't

was of hij er niet geheel en al bij was. Alleen de broertjes waren

druk. Ze kibbelden als gewoonlijk; zij bleven niet lang onder den

indruk.

Na tafel ging ieder zijn weg. 't Gezellige thee-uurtje liepen ze nu

al mis. Anders kon Moeder ze zoo prettig even bezighouden, vooral de

broertjes. De grooteren gingen nu dadelijk aan hun werk en de

broertjes speelden wat in den tuin.

Cor zocht zijn kamertje op. Even, zoo voorzichtig mogelijk, opende

hij de deur van moe's slaapkamer. O, Moe sliep zeker. Doodstil, de

oogen gesloten, lag ze neer op bed.

Gelukkig, dacht Cor, en hij ging met een verlicht hart naar zijn

kamertje.

Eerst zijn sommen maken. 't Ging aardig van avond; al heel gauw had

hij er drie. Maar de vierde wou niet. 't Was ook zoo'n gekke

percentsom. Hij probeerde, maar 't lukte niet. Nog eens, maar hij

zag er geen gat in. In de vijfde ook niet. Uitscheiden dan maar....

't Gaf toch niet.

Van alles warrelde nu weer door zijn hoofd: zijn plannetje met de

"Rhandensche Verkenners," de sommen, Moe's ziekte, de warmte.... o

ja, nu nog z'n woordjes nakijken. In vijf minuten kende hij ze,

dacht hij. En toen was hij klaar. Even naar beneden, kijken of Toos

al thee had. Zou Nel al klaar wezen met haar werk?

"Heb je thee, Toos?" vroeg hij, en sloeg uit gewoonte, ruw de deur

achter zich dicht.

"Voorzichtig toch, jongen!! Je maakt ook altijd lawaai. Nou slaapt

Moe even, en jij zal ze door je drukte wakker maken!"

"Dat weet ik," antwoordde Cor.

"Wat weet je?" vroeg Toos.

"Dat Moe slaapt. 'k Heb het gezien, daar net, eer ik ging werken."

"Dat moet je niet weer doen, Cor," zei Toos nu, rustig. "Vader wil

het niet, want Moe moet rust hebben."

"Nou, en 't is zeker mijn moeder net zoo goed als de jouwe, 'k heb

toch zeker evenveel recht om te kijken, hoe 't met Moe gaat, als

jij?" stoof Cor in eens op.

"We zullen het wel eens aan Vader vragen." Toos hield zich in, maar

ze werd tòch boos. Je kon het zien.

"Nou ja, zoo bedoel ik het niet," zeide Cor nu. "Als het niet mag,

dan lààt ik het...."

Hij dronk zijn thee en ging de kamer uit. Hij had geen zin om thuis

te blijven. Lusteloos drentelde hij even naar 't magazijn, maar daar

zag hij niemand. De broertjes waren op stap met Henk, een van de

knechts.

Dan ging hij ook nog maar eens den Berg op, of de stad in. Misschien

zag hij nog wel één van de jongens.

't Was nog even drukkend-benauwd; zelfs de wind was warm; en 't

stof, dat de wind opwierp, kwam warm weer op je neer. De handen slap

langs z'n lijf, loom-traag, slenterde hij over de Hoofdstraat.

Inplaats van den Berg op, ging hij den kant van den dijk uit... daar

zou het koel zijn, dacht hij.

Hij liep bij Theo aan. Dien kreeg hij mee, en Koos ook.

Hè, 't was hier wat frisscher, heel wat beter dan in de stoffige

straat. Ze drentelden langs den dijk, en sloegen een pad door de

uiterwaarden in, naar 't veer. Daar waren méér jongens.... ze

hadden zich juist ontkleed en zouden gaan zwemmen.

[Illustratie]

Daar was Cor dadelijk bij, en Theo en Koos ook. Hè, wat poedelen die

jongens heerlijk in dat lekker koude water! Cor voelde z'n eigen

vreeselijke warmte... en dan aan baden denken!...

"Ga je mee baden? Ik doe het," voegde hij er onmiddellijk aan toe.

Wat zouden ze doen? Theo en Koos waren er ook voor te vinden.

"Kan je zwemmen?" vroegen ze aan Cor. "Natuurlijk! 'k Heb het

dikwijls genoeg gedaan in de zwemschool...."

"Maar in de rivier? D'r zit hier trek in 't water... en als je in

den stroom komt, dan ben je weg. Daar houdt een groote kerel het

nauwelijks uit!"

"'t Zal best gaan," en Cor trok zijn kousen al uit, "we blijven maar

aan den kant."

"Als de veerman komt, jaagt hij je weg...."

[Illustratie]

"Nou, dan zorgen we maar, dat we dien uit den weg blijven...."

Cor maakte zich de borst nat, en liep reeds het in 't late

zonnelicht glinsterende water in.

Hè, dat was heerlijk! Hij bukte en liet zich op zij vallen, en deed

een paar stevige slagen, die hem in dieper water brachten, verder

dan één van de andere jongens al was. Die kenden hier den bodem,

wisten de trekgaten, en hielden zich aan den kant, waar een

zandplaat was, in één der vele bochten van de rivier.

"Voorzichtig, jô!" schreeuwden ze hem toe.

Maar Cor vond, dat het lekker ging.

Hoe heerlijk droeg hem dat koele water! Telkens boog hij het hoofd

opzij, en liet zich door de kalme golfjes aaien. Hij proestte de

fijne druppels om zich heen, en ging al verder en verder; hij voelde

den stroom al, en werkte er lekker tegen in. De jongens aan den kant

keken naar hem, met bewondering voor zijn durf, maar ook met angst.

"Hij gaat te ver," zei Koos tegen Theo. "'k Zal hem roepen." En met

krachtige slagen naderde hij Cor, dien hij toeschreeuwde terug te

keeren.

Cor luisterde niet.... "'t Gaat best zoo, fijn hoor!" riep hij

terug. "Ik kom dadelijk terug!"

De jongens begonnen te roepen en te schreeuwen: "een stoomboot, een

stoomboot!"

Ja, daar om den hoek kwam de groote Düsseldorfer boot met de hooge

raderkasten. De schepraderen brachten het water in krachtige

beweging, en de jongens langs den kant maakten, dat ze op de

zandplaat achter de krib kwamen, voor de zuiging.

Cor kende het gevaar niet; slechts langzaam ging hij weer op den

oever aan.

Maar 't werd toch vreemd. Hij moest nu tègen stroom op en tègen de

golven in. Hij werd al wat moe, want 't was héél ander zwemmen dan

in de badinrichting! Hij begon krachtiger de armen uit te slaan,

maar 't was te laat; de zuiging trok hem mee; hij viel op zij, en de

jongens zagen hem worstelen tegen den stroom, .... 'n angstig

oogenblik.... ze gilden, om de opmerkzaamheid van de boot-bemanning

te trekken... Koos wierp zich weer in de rivier, om te trachten, Cor

te grijpen, maar die dreef al mee, bijna willoos.

Theo had in minder dan geen tijd alles overzien... De veerman kwam

al op het geschreeuw aanloopen, en sprong in de veerschuit.

Nog zagen ze Cor's hoofd, maar je kon merken, dat zijn tegenstand

verslapte.

Ook op de boot hadden ze hem bemerkt, en 't gevaar, waarin hij

verkeerde, begrepen. Angstig verdrongen de passagiers zich op het

dek.... de boot stopte... ze zouden een boot uitzetten.... maar voor

dat gebeurd was, een plons in het water.... een dekknecht was over

boord gesprongen. De jongens keken in uiterste spanning toe, en Teun

de veerman roeide wat hij kon.

[Illustratie]

Ha, de redder had Cor beet! Nu roeien, dacht Teun... hij kwam nader

bij.... Koos zwom langs de schuit, Theo zat er in te bibberen,

vooral van angst, en de knecht van de Düsseldorfer boot kwam op hun

roeiboot aanzwemmen.

Ze schrikten, toen ze Cor zagen: willoos slap liet hij zich door 't

water voortduwen.... ze moesten hem met moeite in de boot hijschen,

en zijn redder klom er ook in; die begon, terwijl Teun naar de boot

roeide, Cor bij te brengen.

Gelukkig -- hij sloeg de oogen op, begon water te braken. Zoover was

hij dus al geweest.

Ze brachten den knecht naar zijn boot; langs een uitgehangen stalen

ladder klom hij omhoog, en werd door de passagiers met een hoeraatje

begroet.

En toen: zoo snel mogelijk terug. Teun zette met krachtige slagen de

boot in de richting van het veerhuis, en weldra kwam de drenkeling

aan land.

In 't veerhuis hielpen ze hem verder. Koos haalde de kleeren, en na

een half uurtje wandelden ze met hun drieën den weg op naar huis.

Cor bleef wit zien. Hij rilde, al was 't nog warm. Hij zat vreeslijk

in angst. Ineens zag hij alles weer thuis: Moeder ziek, en hoe ze

rustig moesten wezen, en alles moesten vermijden wat Moe kon doe

schrikken, of wat opwinding bracht. Hij durfde bijna niet

thuiskomen. Wat moest hij zeggen?

"Zeg jongens, niet vertellen, hoor! Niets d'r van zeggen; dat ze het

thuis niet merken!" vroeg hij.

"D'r waren er meer bij," zeide Koos, "en als die d'r mond nou

houden...."

"Probeeren. Als ze niet zwijgen, krijgen ze op d'r kop," zei Theo.

Nu hij zijn bril weer op had, reed die weer ruiter-te-paard; hij

begreep dat je die andere jongens maar zóó niet den mond snoerde.

Rhanden was klein -- 't zou wel gauw bekend worden... dan zouden ze

wel zien.

't Was half donker toen Cor thuis kwam. Gelukkig nu kon hij bijna

ongemerkt naar boven gaan. Hij stak even z'n hoofd om de deur van

Pa's kantoor, en riep een "Nacht Pa, ik ga maar naar bed," groette

de anderen vluchtig, en toen, voorzichtig naar boven.

Nu wist hij niet, hoe het met Moe was. 't Zou wel gaan, hoopte hij.

Hij ontkleedde zich spoedig, en kroop in bed. O, ja, nog bidden.

Voor Moe ook. Dàt alleen? Danken? Omdat hij nog leefde, niet

verdronken was? Wat dàn? Als hij eens verdronken was, door zijn

eigen schuld? Want 't was weer zijn woestheid, zijn onbezonnenheid

geweest, die hem in zoo groot gevaar had gebracht. Hij rilde, al was

't warm. Hij voelde weer 't water om zich opspatten..... 't zweet

brak hem uit aan alle kanten... 't gonsde roezemoezig in zijn hoofd.

De broertjes lagen al te slapen, dwars bijna in hun bed. Die hadden

het òòk warm. Je kon merken dat Moe er niet geweest was. Kwam Moe

nu maar, dan kon hij het vertellen.... dan kreeg hij rust. Maar Moe

was ziek...en hij moest den Heer bidden.... en danken.... voor de

bewaring.... en anders worden...

Zoo kwamen zijn gedachten weer terug, waar hij begonnen was, en zoo

tobde hij voort, tot hij koortsig insliep.

"Was er wat met Cor?" vroeg meneer Poorters 's avonds aan Toos. "Hij

leek zoo stil."

"'k Denk, Vader, dat hij het naar vindt, dat Moe ziek is,"

antwoordde Toos. "Maar ik merkte er niet veel van."

Eer ze naar bed gingen, liep Pa even Cor's slaapkamer op. De

broertjes hadden gewoeld, Pa dekte ze toe. Cor lag met een geweldig

rood hoofd, druk te bewegen. Pa wou het dek even goed leggen.

Zóó als Cor, in zijn slaap, iemand aan zijn bed voelde, rees hij

op, en, met verschrikte oogen, staarde hij rond.

"Jô, niet zeggen aan m'n vader, hoor! Anders schrikt Moeder, en dat

mag niet, en dan krijg ik!" broddelde hij in zijn slaap.

Meneer Poorters keek verbaasd op. Er wàs dus wat.

"Neen, hoor, ik zal niets zeggen," stelde hij gerust. Hij legde Cor

neer, die onmiddellijk weer doorsliep.

Maar den volgenden morgen vroeg Vader hem, wat er gebeurd was. Hij

schrikte. Wist Vader het? Hoe?... Hij dacht er niet langer over,

maar vertelde alles eerlijk weg....

Hij schreide, toen hij Vaders schrik zag, en eerst de woorden van

zijn vader brachten hem het groote gevaar voor den geest, waarin hij

verkeerd had.

Meneer Poorters was eigenlijk te dankbaar, om hem nog te straffen.

Z'n oogen stonden vol tranen.

"Jongen, jongen, àls je nu eens verdronken was, of als je er niet

zoo goed was afgekomen! Wat zou ik dan aan Moeder moeten zeggen!"

[Illustratie]

Ja, daar ijsde hij van. Hij zweeg....

"Wat dacht je wel, toen je je machteloos voelde tegen den stroom?"

"Ik dacht, dat ik ging slapen, en wou maar stil gaan liggen, en dan

ineens begreep ik het weer even, en ging weer probeeren te zwemmen,

maar ik had het niet langer volgehouden."

"En als je nu verdronken was, wat dàn?"

Ja, hij wás nu eenmaal niet verdronken. Hij vocht bij zich-zelven

met die gedachte. Mocht hij zóó onverschillig zijn? Zóó

ondankbaar wezen?

"Pa, ik wòu wel dat ik anders was, maar ik kàn haast niet. 't Komt

telkens weer terug, van zelf...." En hij schreide, in angst, en

omdat hij wel anders wilde....

Moe mocht er nog niets van weten.... 't zou haar toestand kunnen

verergeren, en 't was juist veel beter, ze Pa.

Daar was Cor nog maar blij om....

Hij voelde zich zelf wel mòe, wèl vervelend, maar zou nu tot geen

prijs hebben willen thuisblijven. Hij trok dus naar school.

Gek, ze wisten 't allemaal al. En Koos en Theo hadden het nog al

verzwegen. Dan waren die anderen aan 't praten geweest.

"Is je snoek al gaar?" Daar werd hij mee ontvangen. En zijn ernstige

stemming verdween, en kwam zelfs niet terug, toen meneer in 't gebed

den Heer dankte voor de bijzondere bewaring, en hij dien morgen bij

de Bijbelles nog eens wees op de bede: "Leid ons niet in

verzoeking."

Maar bij oogenblikken kwam toch de angst weer bij Cor boven.

Heelemaal kwijt raakte hij het niet.

Rhandensche Jongens · 第 17 / 28 题