VII. Cor vindt het thuis niet prettig en verdrinkt bijna.

"Nou, en ik zeg, dat we het doen moeten; en dan het onder den steen

neerleggen; en dan wat groote steenen er bij sleepen, zoodat er een

heele steenhoop komt..."

"En als ze het dan weghalen? Dan lachen ze ons allemaal uit in

Rhanden."

"Geef ik nièts om. Laat ze maar lachen. En dan, als we een gat

graven, en het er in stoppen, vinden ze het niet zoo gauw; rèken

maar...!"

"Wat wil je d'r eigenlijk opzetten?"

"D'r opzetten? Natuurlijk zooveel als een reglement, van de

Rhandensche Verkenners, en dat we nooit vloeken, en dat we beloven,

mekaar te helpen. Dan moeten ze allemaal d'r naam er onder zetten;

allemaal bij den steen, en dan...."

"Net of ze durven!" merkte Koos op.

"Dan komen ze d'r niet bij. Wie niet durft, komt niet bij de club;

Verkenners moeten durven," antwoordde Cor.

"Dan zie jij maar dat je het klaarspeelt met de jongens... ik zie

d'r nog niet veel van komen."

Koos liep door, en Cor ging naar binnen. Hij had het plannetje

gemaakt, maar Koos vond het natuurlijk weer niet leuk, Die vond het

weer opschepperig en aanstellerig. Je kon nou nooit eens prettig

spelen met die jongens!

Ze waren een paar keeren saamgeweest, op den Beukenweg, bij den

Derker. En Cor zag al duidelijk in, dat er nog héél wat water door

den Rijn moest stroomen, eer ze goede, echte Verkenners waren.

[Illustratie]

Hij kon er bijna geen orde onder houden. Ieder kwam, naar 't scheen,

enkel om z'n eigen zin te doen. Ze wilden allemaal beginnen met het

moeilijkste; spoorzoeken, en mekaar besluipen en overvallen, en

vechten. Maar dat ging toch zoo niet. "Nou eerst behoorlijk gaan

marcheeren," had Cor gezegd. Doch ze sputterden tegen. "We hebben

toch geen gymnastiek!" Cor had volgehouden. "Toch moet het, anders

komt er niets van." En hij was aan 't commandeeren gegaan als een

eerste onderofficier: "Aan-tre-jen! Nummeren! Rechts, richt U...."

En dan maar marcheeren.

"Hooi-om, strooi-om", spotte Theo, toen 't bleek dat Jan Arps den

pas niet kon houden, en als hij rechts moest zwenken, het links

deed. Cor commandeerde, tot hij er schor van werd: "Eén-twee;

één-twee, één-twee!" 't Was dien eersten keer bijna op een

formeel gevecht uitgeloopen.

Cor begreep, dat 't zoo niet gaan zou. Den volgenden keer moest er

wat anders verzonnen worden. Ze zòuden dan spoorzoeken, op hun

manier, hij zòu ze d'r zin geven. Hij had zijn pet verstopt in een

boschje kreupelhout, en toen moesten ze zoeken. Zelf had hij enkele

takjes afgebroken, waardoor hij de plaats gemakkelijk dacht weer te

vinden.

Ze waren aan 't zoeken getrokken; kwamen de een vóór, de ander na

uit het kreupelhout weer te voorschijn, maar zonder pet. Ten slotte

moest hij, wilde hij niet blootshoofds naar huis gaan, zelf er op

uit, en vond niet dan met de grootste moeite de plek terug.

Zoo was dan ook hun "speuren" zonder eenig gevolg geweest. Ze hadden

pleizier gehad, nu ja, maar niet eens buitengewoon... 't Was hun

tegengevallen.

Cor dacht aan Ben van den dokter. Wat zou die een pret hebben, als

hij hoorde, dat het zóó liep. Want ze hadden toch wel wat anders

bedoeld. En Cor kon het niet velen, dat het mis zou loopen. 't

Moèst goed gaan. Dan dacht hij: een oudere er bij vragen...? Nu ja,

maar wièn dan? Ze wisten niemand, ook Koos en Jan niet, en Theo

evenmin... Toen kwam er een nieuw plannetje in hem op; zoo zou het

gaan en konden ze nog eens een prettigen middag hebben ook.

Maar nu vond Koos het weer niet echt. Jan en Theo kreeg hij wel mee.

Tóch maar dóórzetten, overlegde hij, en hij ging naar zijn

kamertje.

't Was stil in huis, eigenaardig stil. De zon die fel stond te

schijnen op zijn raam, zette de kamer in gelen gloed.

't Was warm. Hij liep even de gang op, hield een glas onder de

kraan, liet 't lekker overstroomen, en dronk in één teug het glas

leeg. Hè, dat viel frisch in je maag! Maar wat was dat voor

gestommel en gesteun? Dat deed zoo vreemd nu in deze stilte, zoo

wonderlijk... het kwam uit moe's slaapkamer.

[Illustratie]

"Ben u daar, moeder? Mag ik komen?"

Hij wachtte het antwoord nauwelijks af, en opende de deur.

"Waar ruikt het hier naar?" vroeg hij, ruw opsnuivend. 't Was een

gemengde geur van eau de cologne, aether en Hofmandruppels.

Moeder zat in den stoel, een doek om het hoofd. Wat zag ze

vreeselijk bleek! Cor schrikte ervan. Niemand lette eerst op hem,

vader niet, en Toos niet, de oudste. Ze betten moe's voorhoofd, en

hielden haar polsen vochtig.

"Wat is er met moe, Toos?" vroeg hij gedempt.

"Stil.... voorzichtig.... moe heeft een flauwte.... vooral stil

zijn.... ga jij nu maar weg..."

Zoo had hij moeder nog nooit gezien.... Geen wonder, dat 't zoo stil

in huis was. Hij begreep er anders niets van. "Is 't erg?" vroeg

hij.

"'k Weet het niet," fluisterde Toos, die juist weer een zakdoek met

eau de cologne bevochtigde... "'k weet het niet.... van de warmte,

denk ik... straks komt de dokter.... ga jij nu weg...."

Maar Cor ging niet. 't Was toch zijn moeder ook? En als er wat aan

scheelde, mocht hij er toch ook bij zijn? Alle andere gedachten

waren ineens bij hem weg; die ééne bleef: moeder ziek.... dáár,

zoo benauwd hijgend, doodsbleek....

"Cor, jongen, ga jij naar beneden," klonk nu vaders stem.

Rhandensche Jongens · 第 16 / 28 题