"Nou, en ik zeg, dat we het doen moeten; en dan het onder den steen
neerleggen; en dan wat groote steenen er bij sleepen, zoodat er een
heele steenhoop komt..."
"En als ze het dan weghalen? Dan lachen ze ons allemaal uit in
Rhanden."
"Geef ik nièts om. Laat ze maar lachen. En dan, als we een gat
graven, en het er in stoppen, vinden ze het niet zoo gauw; rèken
maar...!"
"Wat wil je d'r eigenlijk opzetten?"
"D'r opzetten? Natuurlijk zooveel als een reglement, van de
Rhandensche Verkenners, en dat we nooit vloeken, en dat we beloven,
mekaar te helpen. Dan moeten ze allemaal d'r naam er onder zetten;
allemaal bij den steen, en dan...."
"Net of ze durven!" merkte Koos op.
"Dan komen ze d'r niet bij. Wie niet durft, komt niet bij de club;
Verkenners moeten durven," antwoordde Cor.
"Dan zie jij maar dat je het klaarspeelt met de jongens... ik zie
d'r nog niet veel van komen."
Koos liep door, en Cor ging naar binnen. Hij had het plannetje
gemaakt, maar Koos vond het natuurlijk weer niet leuk, Die vond het
weer opschepperig en aanstellerig. Je kon nou nooit eens prettig
spelen met die jongens!
Ze waren een paar keeren saamgeweest, op den Beukenweg, bij den
Derker. En Cor zag al duidelijk in, dat er nog héél wat water door
den Rijn moest stroomen, eer ze goede, echte Verkenners waren.
[Illustratie]
Hij kon er bijna geen orde onder houden. Ieder kwam, naar 't scheen,
enkel om z'n eigen zin te doen. Ze wilden allemaal beginnen met het
moeilijkste; spoorzoeken, en mekaar besluipen en overvallen, en
vechten. Maar dat ging toch zoo niet. "Nou eerst behoorlijk gaan
marcheeren," had Cor gezegd. Doch ze sputterden tegen. "We hebben
toch geen gymnastiek!" Cor had volgehouden. "Toch moet het, anders
komt er niets van." En hij was aan 't commandeeren gegaan als een
eerste onderofficier: "Aan-tre-jen! Nummeren! Rechts, richt U...."
En dan maar marcheeren.
"Hooi-om, strooi-om", spotte Theo, toen 't bleek dat Jan Arps den
pas niet kon houden, en als hij rechts moest zwenken, het links
deed. Cor commandeerde, tot hij er schor van werd: "Eén-twee;
één-twee, één-twee!" 't Was dien eersten keer bijna op een
formeel gevecht uitgeloopen.
Cor begreep, dat 't zoo niet gaan zou. Den volgenden keer moest er
wat anders verzonnen worden. Ze zòuden dan spoorzoeken, op hun
manier, hij zòu ze d'r zin geven. Hij had zijn pet verstopt in een
boschje kreupelhout, en toen moesten ze zoeken. Zelf had hij enkele
takjes afgebroken, waardoor hij de plaats gemakkelijk dacht weer te
vinden.
Ze waren aan 't zoeken getrokken; kwamen de een vóór, de ander na
uit het kreupelhout weer te voorschijn, maar zonder pet. Ten slotte
moest hij, wilde hij niet blootshoofds naar huis gaan, zelf er op
uit, en vond niet dan met de grootste moeite de plek terug.
Zoo was dan ook hun "speuren" zonder eenig gevolg geweest. Ze hadden
pleizier gehad, nu ja, maar niet eens buitengewoon... 't Was hun
tegengevallen.
Cor dacht aan Ben van den dokter. Wat zou die een pret hebben, als
hij hoorde, dat het zóó liep. Want ze hadden toch wel wat anders
bedoeld. En Cor kon het niet velen, dat het mis zou loopen. 't
Moèst goed gaan. Dan dacht hij: een oudere er bij vragen...? Nu ja,
maar wièn dan? Ze wisten niemand, ook Koos en Jan niet, en Theo
evenmin... Toen kwam er een nieuw plannetje in hem op; zoo zou het
gaan en konden ze nog eens een prettigen middag hebben ook.
Maar nu vond Koos het weer niet echt. Jan en Theo kreeg hij wel mee.
Tóch maar dóórzetten, overlegde hij, en hij ging naar zijn
kamertje.
't Was stil in huis, eigenaardig stil. De zon die fel stond te
schijnen op zijn raam, zette de kamer in gelen gloed.
't Was warm. Hij liep even de gang op, hield een glas onder de
kraan, liet 't lekker overstroomen, en dronk in één teug het glas
leeg. Hè, dat viel frisch in je maag! Maar wat was dat voor
gestommel en gesteun? Dat deed zoo vreemd nu in deze stilte, zoo
wonderlijk... het kwam uit moe's slaapkamer.
[Illustratie]
"Ben u daar, moeder? Mag ik komen?"
Hij wachtte het antwoord nauwelijks af, en opende de deur.
"Waar ruikt het hier naar?" vroeg hij, ruw opsnuivend. 't Was een
gemengde geur van eau de cologne, aether en Hofmandruppels.
Moeder zat in den stoel, een doek om het hoofd. Wat zag ze
vreeselijk bleek! Cor schrikte ervan. Niemand lette eerst op hem,
vader niet, en Toos niet, de oudste. Ze betten moe's voorhoofd, en
hielden haar polsen vochtig.
"Wat is er met moe, Toos?" vroeg hij gedempt.
"Stil.... voorzichtig.... moe heeft een flauwte.... vooral stil
zijn.... ga jij nu maar weg..."
Zoo had hij moeder nog nooit gezien.... Geen wonder, dat 't zoo stil
in huis was. Hij begreep er anders niets van. "Is 't erg?" vroeg
hij.
"'k Weet het niet," fluisterde Toos, die juist weer een zakdoek met
eau de cologne bevochtigde... "'k weet het niet.... van de warmte,
denk ik... straks komt de dokter.... ga jij nu weg...."
Maar Cor ging niet. 't Was toch zijn moeder ook? En als er wat aan
scheelde, mocht hij er toch ook bij zijn? Alle andere gedachten
waren ineens bij hem weg; die ééne bleef: moeder ziek.... dáár,
zoo benauwd hijgend, doodsbleek....
"Cor, jongen, ga jij naar beneden," klonk nu vaders stem.