Dàt was vermakelijk, vond Cor! "Neen maar!"

"Ha ha!" lachte hij, "als 't anders niet is..."

"Maar dat is heelemaal niet min. Denk aan den Ridder, en aan het

spook!"

Cor kreeg schik in 't geval.

"Wanneer zal de plechtigheid plaats hebben?" vroeg hij.

"Woensdag, tegen het vallen van den avond", besliste Jan.

"Als ik maar mag van thuis?"

Toch begon Cor het wat griezelig te vinden... en juist daardoor trok

het hem aan... het had immers niets te beteekenen... en toch, als je

er goed om dacht, was het wel wat eng... je kon eigenlijk nooit goed

weten....

Jan maakte er een eind aan:

"Nou, we rekenen er op. 't Zal best mogen, en we komen allemaal ook,

niet waar jongens?" Natuurlijk zouden ze allemaal van de partij

zijn. De fietsers konden desnoods nog vóór lantaarntijd terug

wezen; en de anderen moesten maar zien, hoe ze het thuis klaar

speelden. De meesten hadden er geen zwaar hoofd in. Cor vertelde

alles thuis, en vader vond het goed, als 't maar niet te laat werd.

Zoo trapten ze dien Woensdag tegen den berg op.

De loopers waren al vroeger op weg gegaan; die zouden ze wel vinden.

Cor vond het vreemd. Hij wou niet bang zijn. Hij lachte er wezenlijk

om; maar tóch...

't Was nu zoo anders dan gewoon. Schuinweg gleden late zonnestralen

over de boomtoppen. Den berg op was het stil, en rust lag over de

vallei. Geen beweging in de roggevelden, waar anders de halmen

stonden te ruischen in den avondwind. Alléén wat geritsel,

geheimzinnig, hoog in de toppen der berken langs den weg, en een

enkel verdwaald geloei, dat uit de uiterwaarden opsteeg.

Ze trapten gestadig, en zeiden niet veel, allen benieuwd, hoe het

zou afloopen, allemaal met toch wel _iets_ van angst om het

geheimzinnige, waar ze géén van allen, naar ze zeiden, wat om

gaven.

Spoedig waren ze den Enk voorbij. Dan gingen ze langs eikenhakhout

bezijden den weg, waartusschen een opgeschrikt haasje snel verdween.

[Illustratie]

En dàn lag de eindeloos wijde heide voor ze, en dicht achter den

steen, de donkere achtergrond van een denneboschje. Blauwe nevels

stegen op van den bodem, en in 't westen purperden de laatste

zonnestralen.

Hier was het bijna angstig stil.

Ze sloegen een smal heipaadje in, waar ze achter elkaar langs den

kant konden rijden, en onderscheidden nu spoedig de anderen, die hen

met gejuich ontvingen.

Wat deed dat lawaai hier vreemd aan, vond Cor. In de stad kon het

door de nauwe straten schallen... hier verstierf het in eindelooze

ruimte.

"Zie zoo, we zijn er" zei Jan Arps, en hij legde zijn fiets op de

hei. De anderen deden ook zoo, en toen werd de vierschaar gespannen.

Allemaal echt-Rhandensche jongens.

Ze gingen wat terzijde de hei op, in de richting van den steen. Stil

lag die daar tusschen de bruin-toppige heidestruiken, vaal in den

aandonkerenden avond.

"Hoor jij niks, Theo?" vroeg Koos.

't Was of Theo met zijn bril moest luisteren, zulke wonderlijke

bewegingen maakte die op zijn neus. 't Leek, of hij de geluiden

opsnoof, inplaats dat ze tot zijn ooren doordrongen.

"Neen, ik hoor nog niks, maar 't is wel eng hier, niet dan?"

De anderen vielen bij, en ze meenden het zeker ernstig, want het

luidruchtig gepraat werd al minder en minder, hoe meer ze den steen

naderden.

"Niet verder gaan", gebood Jan, die zich als leider opwierp en als

zoodanig erkend werd. "Jullie maken een halven kring, wijd om den

steen, Cor gaat er heen, klimt er op, zwaait driemaal met zijn pet,

en roept: "Rhanden bovenal!" Als hij dat doet, nemen we hem als Oud

Rhandensche jongen aan, en vechten nooit weer met hem!"

Dat laatste scheen Cor maar half te bevredigen. Hij zette tenminste

een gezicht van dat weet-ik-nog-zoo-netjes-niet!

De jongens schaarden zich nu in een wijden halven kring om den

steen, tegenover het denneboschje.

Jan en Koos en Theo kwamen met Cor naar voren.

Met een grafstem vroeg Theo: "Zijt gij inderdèd bereid te gaan, Cor

Poorten, om den smaad van ons af te wentelen en Rhanden te eeren?"

Cor keek op met een blik van hou-me-nou-niet-voor-den-gek.

"Natuurlijk", riep hij. "Daar gaat hij al!"

Enkele jongens, die het toch wel wat angstig vonden, benijdden hem

om zijn durf, want, zei Gert, je kon praten wat je wou, maar

heelemaal pluis was het niet.

Daar hoorden ze een angstig gekrijsch. Wat was het? Waar kwam het

vandaan? Was er geen beweging in het denneboschje?

"Het uur is rijp!" riep Theo weer met holle stem. "Hoor, de uilen

krijschen."

"Ik weet het zoo netjes niet, of het de uilen zijn. 't Kan ook het

spook wezen!" plaagde Jan.

"Hou jullie je flauwiteit nou voor je. 't Is natuurlijk van een

uil," besliste Koos. En diens woord had gezag, want hij wist veel

van vogels.

Cor had het ook gehoord. En hij had huiverend geaarzeld, doch even

maar. Met een paar sprongen was hij bij den Steen en toen met een

flinken sprong er op. Hij zwaaide met zijn pet. Hij kreeg weer schik

in 't geval. "Hoerah! Rhanden bovenal!" "Hoerah!" juichten de

jongens terug "Rhanden..."

[Illustratie]

Ze kwamen niet verder, maar wezen angstig naar iets achter Cor. Deze

wendde zich om en bleef 'n oogenblik stokstijf staan.... Wat kwam

daar uit het dennenboschje te voorschijn?... Wit, sluipend, met

opgeheven hoofd.... Zòu het dan waar wezen?

"'t Spook! 't spook!" schreeuwden een paar van de bangsten, en ze

maakten beenen, Cor aarzelde.... een oogenblik. Bliksemsnel schoot

hem van alles door zijn hoofd.... een spook.... onmogelijk... 't kon

eenvoudig niet.... maar je zag hem toch?... onzin!...

dòòrzetten... niet bang zijn..... vooral niet tegenover die flauwe

Rhandensche lummels, die bijna allemaal als hazen wegliepen. Snel

wuifde hij nog de voorgeschreven twee malen, en sprong toen van den

Steen, in de richting van het spook, dat geheimzinnig met den vinger

wenkende, bleef staan. Nu moèst en zou Cor er het zijne van hebben.

"Wat moet jij hier ouwe heer?" riep hij, en, al deed hij

onverschillig, toch bonkte hem 't hart in de keel.

"Ik zuuk nâo mezelve", luidde het antwoord nagemaakt-dof, en de

hand zonk omlaag.

"Jongens, een Rhandensch spook!" schreeuwde Cor nu. Het Rhandensch

dialect nabootsend, riep hij: "Hij zuukt nâo z'n zelve!" Hij rende

op het spook toe, dat zich omkeerde en struikelde en... zijn lakens

achterlatende, maakte dat hij weg kwam!

Theo had met spanning staan kijken.... wie was dat ook weer!.... hij

zag het!

"Jongens, 't is Gijs van den Derker! Daar weet Jan meer van! Daarom

was die zoo moedig!" De Derker was het buiten waar Jan's vader was

en Gijs was de bouwknecht. Nu moesten ze er allemaal het hunne van

hebben. Jan maakte, dat hij het laken in handen kreeg. Hij had er

schik om, hoe die Gijs beenen maakte!

"Was-tie-fijn?" vroeg hij aan Theo.

"En òf-t-ie!" antwoordde deze. "Maar Cor durft, zeg!"

Met gejuich werd Cor ontvangen. Nu was hij de held. 't Hardst

schreeuwden de jongens, die 't eerst waren weggeloopen. Nu was hij

voor goed Oud-Rhandenaar, vooral, omdat hij de grap zoo vroolijk

opnam.

"Nu is Cor onze kameraad!" schreeuwde Theo, "maar hij mag ons niet

op den kop zitten!"

"Wel op den rug?", plaagde Jan terug, die het laken ineengefrommeld

onder zijn arm had.

"Geef hier!" Theo nam het laken, wierp het Cor om, en.... "vooruit,

jongens, omhoog!"

Daar ging Cor, met het laken omhangen, op hun schouders de hoogte

in.

"Brinio tot aanvoerder der Kaninefaten gekozen!" luchtte Theo zijn

wijsheid. 't Werd een oogenblik van dolle pret. Lang kon die niet

duren.... 't werd steeds donkerder... en luid joelend ging het over

de hei, dan weer den berg af. Spoedig verspreidden ze zich in

allerlei richtingen.

't Was donker, toen Cor thuis kwam.

"Wel, ben je Rhandenaar gemaakt?" vroeg vader.

"Nou, en ik heb het spook verslagen ook!"

Druk pratende vertelde Cor de geschiedenis. En ze hadden er thuis

dolle pret om!

VI. De Rhandensche verkenners komen voor den dag, en Gert zakt door

een kist.

't Is heerlijk in 't bosch.

Langs de paden bloeit de heide, en verdwaalde bijen speuren ijverig

den honing. In de verte slaat de schrille roep van den specht, en in

de takken ritselt het, als de woudduif opvliegt.

Koos en Cor loopen op het smalle paadje, naast den mullen, door

diepe karsporen doorploegden, zandweg.

Niets ontgaat Koos. Met groote zekerheid hoort hij, waar het

geritsel vandaan komt, en eer Cor ook nog ièts heeft gezien, weet

Koos wat er tusschen de takken bewoog, en volgt zijn geoefend oog

den vogel. Telkens staan ze stil en wijst Koos in de richting,

waarin hij een hem bekenden vogel ziet; Cor tuurt, en tuurt, en nòg

eens, en bemerkt nauwelijks iets.

"Nee, dat snap ik niet, hoe jij dat allemaal zien kan, ik begrijp

het niet."

Koos vindt het heelemaal niets bijzonders.

[Illustratie]

"Zie je, ik houd er van om naar die vogels en al die dieren te

kijken; je doet het voor je plezier", redeneert hij.

"Je gaat ze op den duur eigenlijk allemaal kennen. 't Is, of ze niet

meer zoo bang voor je zijn."

En hij sloeg aan het vertellen:

"Daar had je laatst een meerkol. Die was druk bezig onder een eik.

Ik sluip er naar toe, en nou moet je niet denken, dat hij wegvloog!

Hij ging parmantig rechtop zitten, zette z'n kraag een beetje nijdig

op, en keek naar me, alsof hij wilde zeggen: 'Wat moet jij hier? Je

zal mij toch geen kwaad doen?' En toen ging hij kalmpjes door met

graven."

"Graven? 'n Vogel? 'n Meerkol? 'k Weet niet eens, hoe die er

uitziet." Cor zei het, half onverschillig. Ze waren tusschen de

sparren gekomen. Koos schoof met den voet wat dorre naalden op zij,

en vond verscheidene kleine sparappels.

"Die heeft de meerkol er in gegraven", zeide hij. "Vroeger waren er

hier niet zooveel in 't bosch; maar ieder jaar zie je d'r nu meer.

Net als met de meezen."

"Hé ja, je zou me je meezen laten zien."

"Daar komen we straks wel bij", antwoordde Koos ontwijkend. 't Was

of hij bang was zijn geheim verraden te zien.

"Maar je mag niemand zeggen, waar de kastjes hangen, hoor!"

Nestkastjes kende Cor, die werden ook in den winkel verkocht en

voedertafels ook.

"'k Wou, dat ik ook in zoo'n winkel woonde!"

"Waarom? Wat voor leuks vind je daar nou aan?"

"Jullie hebben zulke mooie dingen. En ik zou vast wat nestkastjes

aan m'n vader vragen, om ze op te hangen."

Cor bracht hem op de hoogte, dat ze de dingen in den winkel hadden

om te verkoopen; hij zelf kreeg uit den winkel nooit iets. Vader

moest het net zoo goed betalen. Maar Koos hàd toch nestkastjes?

Nu kwam er een verhaal van vogellijden. Koos had er met behulp van

zijn broertje een gemaakt, en dat in het vroege voorjaar opgehangen.

Er waren meezen in gekomen. Die hadden eitjes gelegd en uitgebroed.

Maar 't vlieggat was te groot en bovenaan was 't niet precies dicht:

bij felle regens was het binnenin vochtig geworden. En er was van

het broed weinig terecht gekomen. Hij vertelde hoe hij telkens was

gaan kijken, maar eindelijk had hij de jonge, nauwelijks bevederde

diertjes buiten het nest gevonden, nat en dood. Hij was weer in den

boom geklommen, en had het kastje aan den anderen kant gehangen,

meer van den wind af. Een poos was het verlaten geweest, totdat er

zich een rood-staartjes-familie in gevestigd had.

Koos liep te vertellen, met z'n heele hart er bij. Cor vond het al

lang goed. Wat gaf hij om al die vogels, waarvan hij er niet één

kende?

[Illustratie]

Van een roodborstje had hij wel eens gehoord. Maar roodstaartjes? En

meezen? Hij onderbrak zijn eigen gedachtengang.

"Ik heb wel eens een mees in een kooi gehad, maar die is

doodgegaan."

"Natuurlijk. Laat jij je eens opsluiten! Doe je ook niet voor je

pleizier! Wat heb je aan zoo'n gevangen dier? Niets, niemendal",

pleitte Koos met vuur. "'t Beest heeft ellende, mist zijn vrijheid,

en....."

"Nou ja, maar waar zijn de vogels anders voor? We verkoopen kooien

ook, in den winkel."

Cor kon zich niet begrijpen, waarom Koos zich nu van zulke gewone

vogels wat aantrok. Nellie hield ook zooveel van vogels. Maar

hijzelf gaf er niets om. Hij zou geen geduld hebben om een kwartier

lang op een vogel te spieden. Hij wou er wel wat van weten, maar 't

moest niet te lastig zijn en vooral geen lang-stilzitten eischen.

Toch vond hij het bosch heerlijk. 't Was er zoo anders dan in den

Hout, waar hij vroeger wel kwam. Hier had je van die echte geheime

paadjes; je hoefde niet netjes op den weg te blijven, maar kon

overal je een weg zoeken, en maar loopen, loopen, zonder dat je van

te voren wist waar je uitkwam; en je liep zoo heerlijk zacht, op die

mossige naalden.

Wèl waren de zonplekken mooi, hier en daar op den bodem. En je rook

den geur van 't sparren- en dennengroen; eigenlijk moest Nellie hier

zijn. Voor die zou het heerlijk wezen. Maar ze kon zoo ver niet

meegaan.

Ze was te gauw vermoeid.

Zijn onrustige geest bleef niet lang over dat alles denken.

"'t Is hier ècht om Indiaantje of roovertje te spelen; allerlei

schuilhoeken en fijne wegkruipplaatsen zijn er. Jullie gaan hier

zeker dikwijls spelen?"

"Soms, maar niet vaak", antwoordde Koos.

"Nou, maar dan vraag ik, of ze voortaan meegaan hier ook eens

spelen. Weet je, wat we doen moesten? Een soort club oprichten, zoo

iets als van de padvinders. Dat was te Haarlem ook!" stelde Cor

voor.

't Viel niet in den smaak bij Koos.

"'k Zou niet weten, wat dààr nou voor aardigs in is."

"Nou, 't is wàt echt, hoor! De jongens hebben allemaal zoo'n pakje

aan, en 'n hoed op, en 'n stok, en 'n touw....."

"'t Is al mooi genoeg", meende Koos, "d'r hoeft niet meer bij. En

wat doen ze daar alzoo?"

"Ja, dat weet ik niet precies, ze maken marschen, leeren

eerste-hulp-bij-ongelukken, en moeten elken dag wat goeds doen."

"Daar hoef je geen padvinder voor te wezen, om iederen dag wat goeds

te doen. Dat moet je tòch. Ik voel d'r niet veel voor."

"Nou, jij loopt toch ook graag een heel eind, en dan spoor zoeken,

net als de Indianen...."

Ja, dat leek Koos toch wel. Maar je hoefde d'r niet zoo'n omslag bij

te maken. Dat kon je gewoon onder mekaar even goed doen!

Of ze het niet eens probeeren zouden? hield Cor aan. Hij wou Koos

voor het plannetje winnen; want hij wist het: als die mee deed,

zouden er méér mee doen.

Ze waren al pratende, dieper het bosch ingedrongen. Koos had nu

nauwelijks oor voor de padvindersverhalen van Cor. Ineens schoot hij

uit:

[Illustratie]

"Daar heb je weer zoo'n leelijken eekhoorn, vlak bij mijn

nestkastje! Kijk maar!"

Cor keek, en zag niets.

"Daar tegen dien spar aan! Nou is hij aan den anderen kant. Hij

draait om den boom heen! Als er een eekhoornnest in de buurt is,

zijn mijn roodstaartjes naar de maan! Want zulke leelijke

roodstaarten laten haast geen kleine vogels met rust! Gelukkig is de

broedtijd voorbij!"

Cor stelde er slechts weinig belang in.

"Zouden we dien eekhoorn niet kunnen vangen?" vroeg hij. "Als ik

eens in den boom klom?"

Koos moest lachen om zoo'n gek voorstel.

"Wel ja, en als je dan op de helft bent, zit de eekhoorn twintig

boomen verder! Kijk, daar gaat hij al!"

De eekhoorn had de jongens in de gaten gekregen. Telkens angstig

omkijkend, sprong hij van tak op tak en was spoedig geheel uit het

gezicht verdwenen.

Nu zag ook Cor het nestkastje.

"O, daar hangt het, en er vliegt een vogeltje in!"

"Ja, dat was nu mijn roodstaartje", zeide Koos, en blij voegde hij

er aan toe: "De eekhoorn heeft hem dus niet bang gemaakt en

verjaagd."

Toen hij zag, dat alles voor zijn vogel veilig was, gingen zij

terug.

Onderweg bracht Cor het nog eens op zijn plan om een club op te

richten, en wezenlijk, Koos kreeg er ooren naar! Hij beloofde te

zullen meedoen, vooral toen de slimme Cor zich liet ontvallen, dat

hij b.v. "De Rhandensche Verkenners" zoo'n mooien naam voor de club

vond!

Op den terugweg kwamen ze Jan Arps tegen. Vlug werden hem de plannen

meegedeeld. En die vond ze al dadelijk héél echt! Of-t-ie! Nu was

het spel volmaakt! Ze lieten er geen gras over groeien; Cor zat er

achter heen. Met iederen jongen, dien hij tegenkwam, praatte hij er

over. Hij wist ze zóó warm te maken voor zijn plan, dat, nog éér

de club eigenlijk was opgericht, alle jongens zich al Rhandensche

Verkenners voelden!

Ze zouden saamkomen op den pakhuiszolder van meneer Poorters; deftig

noemden ze het een "vergadering". Cor's vader had er in toegestemd,

maar Cor moest zelf zorg dragen, dat alles in orde kwam.

't Was een ruime, helder verlichte zolder. Beneden werd het ijzer

geborgen; hier stonden tal van kisten en pakken, balen en doozen;

eigenlijk was het de rommelzolder.

Cor werd door Jan en Koos geholpen. Ze sjouwden wat leege kisten in

een kring; daar konden de jongens op zitten, midden op den zolder.

Cor was een tafeltje machtig geworden, en een paar stoelen. Die

zouden voor het "Bestuur" zijn, want je moest kunnen zien, dat het

't Bestuur was.

Jan lachte hem hartelijk uit.

[Illustratie]

"Hoe kàn dat nou, jô? d'r is nog niet eens een club, hóe kan d'r

dan een bestuur zijn?"

"Help me die kist nog even verzetten, die staat niet goed."

Jan hielp mee.

"Nu is er nog geen bestuur, maar het moet er natuurlijk komen; dat

spreekt vanzelf, en dàn moet er plaats zijn.... Koos, kijk eens naar

dat deksel .... stevig genoeg, denk je niet?"

Koos probeerde, drukte eens goed. 't Kraakte wel, maar geen nood, --

dat zou wel los loopen.

"Moet er geen vlag bij wezen, jongens? 't Hoort er eigenlijk wel

bij!", meende Jan.

Ja, dat was goed bedacht, vonden ze, en Cor vloog de trappen af, en

was in een ommezien terug met een paar vlaggen van de broertjes.

Nellie kwam hem achterop; ze wou ook eens op den zolder neuzen.

"'t Ziet er hier fijn uit!" spotte zij.

"Mooi genoeg voor ons", antwoordde Cor en Jan plaagde: "Nel, word

jij ook lid van onze club?"

"Dank je wel, hoor! Zeker bij zoo'n stel wildemannen? Ik denk er

niet aan!"

"Kan je makkelijk praten... meisjes mogen er niet eens bij!"

[Illustratie]

"Je ben wèl lief", antwoordde Nel; "dan zal ik nu maar dadelijk

weggaan...."

".... en niet meer terugkomen", vulde Cor aan.

Nauwelijks was Nel weg, of stommelend en blazend kwam Theo de trap

op.

"Zeg, ben jullie haast klaar? Ze staan allemaal te wachten in de

straat."

Alleen zijn hoofd kwam boven 't trapgat uit.

"Zoo kop, waar zijn je pootjes?" riep Jan, die een stuk papier, dat

hij juist in een leege kist wou gooien, naar Theo's hoofd wierp.

"Die krijg je terug!" zei Theo, en de prop vloog in de richting van

Jan, die achter een stapel kisten wegkroop.

"Laat ze maar komen." Cor zei het gewichtig, en nog gewichtiger

volgde er op: "Geen lawaai maken, hoor! Of we gooien jullie allemaal

d'r af!"

"Nee, nee...." Theo luisterde niet eens naar het slot, was al weg,

dadelijk weer terug, gevolgd door een stuk of acht jongens, die

verbaasd rondkeken.

"Welkom in deze prèchtige vergèderzèl, inderrdèd, mijne heeren."

't Was natuurlijk Theo, die den burgemeester nadeed.

"Nou, weet jij het beter? Heb jij een andere? Zeg het dan maar",

deed Cor, geraakt.

"Geen flauwiteiten asjeblieft", kalmeerde Koos. "Ga jullie zitten op

de eerezetels..." en hij wees op de gereedstaande kisten.

"Zoo fijn zit je bij je moeder niet, jô!" Theo nam Gert, den

sulligen dikkert van den molenaar, bij den schouder en drukte hem op

een kist neer. "En nou kom ik naast je zitten. Zoet wezen, hoor?"

Hoe kwam die Gert er bij? vroeg Cor zich af. Wat moest je met zoo'n

jongen beginnen?

"Wat nou?" vroeg Cor aan Koos.

"Weet ik het?" antwoordde deze. "Ik ben niet begonnen. Jij moet het

maar weten."

"Vooruit dan maar...." en Cor zette een ernstig gezicht, maar Theo

vulde weer aan, "... met de geit," en al de jongens schudden van het

lachen, want Theo keek schuin naar Gert, die zelf braaf meelachte.

"Eén moet er voorzitter wezen, anders schieten we niet op," zei

Theo nu weer.

"Dat weet-ie van zijn vader natuurlijk, van den gemeenteraad; maar

wij weten het even goed", viel Jan Arps uit.

Onverstoorbaar vervolgde Theo:

"Dàt wil Jan Arps dus wezen. En dan een secretaris".

"Daar ben jij wel goed voor, met je bril", betaalde Jan Arps hem nu.

Theo's bril wipte gevaarlijk.

"Met 'n bril schrijf je niet; inderdèd, dat jonge mensch dèr moet

stilzwijgen...."

"Zoo schieten we niet op....", "'t geeft allemaal niks...." "niks

heur....", klonken de stemmen nu dooreen.

"Komt allemaal, doordat jullie me niet laten uitspreken", vervolgde

Theo, en, alsof ze hem niet in de rede gevallen waren, zette hij

voort:.... "en dan moet er een penningmeester wezen natuurlijk."

Alweer gingen de monden open. Het leek wel een Poolsche landdag.

Ieder had wat te vertellen, en ze schreeuwden door elkaar als een

troep kakelende kippen.

"Theo heeft gelijk...." "Hij weet d'r niks van..." "'t Is hier geen

gemeenteraad...." "Asjeblieft zoo deftig niet...." "Wie moet er

voorzitter wezen?"

Dikke Gert zat met een sullig gezicht rond te kijken: "'t Is hier

een pan, heur", bromde hij. Maar meteen was Theo er bij: "Stil zijn,

maat; jij niks zeggen; je zou zoet wezen!"

Algemeen gelach bracht ontspanning. Daarvan maakte Ben van den

dokter gebruik. Hij had tot nog toe gezwegen, eens rondgekeken, maar

nu kwam hij kortaf met de mededeeling: "Jullie zitten allemaal te

kletsen...., je weet er geen van allen iets af. Hier heb ik het, van

Pa, wat we doen moeten, en Pa zegt, dat er een groote bij moet zijn,

anders zijn we geen echte Padvinders. En dan moeten we ons bij den

bond aansluiten. Lees maar!"

Drie, vier handen reikten naar het kleine boekje, en Theo drong

langs dikken Gert heen, en drukte, toen deze trachtte op te staan,

hem met geweld weer op de kist terug, die gevaarlijk kraakte.

[Illustratie]

Maar Ben gaf het boekje aan Cor.

"Cor moet het lezen", besliste hij. "Die is met het plan gekomen, en

die moet dus lezen, hoe het moèt."

Ja, dat was goed, vonden ze. Ze dachten er aan, hoe ze, dien avond,

hem als Brinio op het schild hadden geheven....

"Waar moet ik beginnen? Had me van tevoren dat boekje even gegeven",

vroeg Cor.

Ben zocht het op.

Cor keek 't door, en begon:

Padvinderswet.

1. Het woord van een Padvinder is altijd te vertrouwen.

2. Een P.V. is trouw aan de Koningin....

"Dat spreekt van zelf", viel Koos in de rede. "Dat hoef je niet te

zeggen; net zoo min als dat je op je woord vertrouwd moet worden....

Als 'r anders niet komt, is 't snert, hoor!"

"Heelemaal geen snert", viel Ben snibbig in. "Want de socialen dan?"

Met triomfantelijk gezicht keek hij den kring rond.

"Nou, den dieè is raôk", zuchtte Gert, die een flinken opstopper

van Theo op zijn rug voelde. Doch Ben meende, dat de opmerking op

zijn woorden sloeg, en hij betrok Gert er in.

"Wat zeg jij d'r van, Gert?"

"Jaô, wat ikke zeg.... wat zôl ikke zeggen... ikke zeg, as

dat...."

Verder kwam de goeie dikkerd niet; want Theo zat hem nu met zijn

oogen te bewerken, en Gert schoof over den piependen en krakenden

deksel heen, tot die het eensklaps onder hem begaf, en met een krak

stuk ging. Daar zat de goeie Gert in de kist gezakt, en een luid

gelach maakte hem nog meer verslagen dan hij al was.

[Illustratie]

"Waar ga je nou naar toe, Gert?", vroeg Theo, zoo meewarig mogelijk.

"Ikke? Ik zak in de kist", kreunde de dikkerd, die poogde, uit zijn

moeilijke positie te geraken. Rappe handen hielpen hem, zoodat hij

weer op de been kwam. Theo keerde de kist om, en zette Gert, die nu

geweldig tegenstribbelde, er weer op.

"Doorgaan, jongens....", maande Ben.

"Ikke gâi maor liever; 't is niks veur miên", meende Gert.

"D'r zitten hier geen spoken", plaagde Jan Arps, die ineens Gert

voor zich zag, bibberend en wel, op dien gedenkwaardigen

Woensdagavond.

"We moeten ook dikke jongens hebben, en sterk, om den wagen te

trekken. Dat kan jij doen Gert!"

Ben meende het goed, al was zijn opmerking wat erg onhandig.

"Doarvoor hûuf ik gên paadvinder te wezze", merkte Gert droog op.

"Kâan ik bie miên vàòder even goed."

"Laat hem gaan jongens, als hij niet wil."

't Was Cor, wien 't begon te vervelen, dat ze niet opschoten, en die

bovendien van den saaien jongen niets hebben moest. Zoo ging Gert

dan weg, en ze hoorden hem de trap afklossen.

"Waar was ik ook weer gebleven?" vroeg Cor na die stoornis.

"Bij de Koningin, en dat je die trouw moest zijn en Koos zei, dat je

daar geen P.V. voor hoefde te wezen, en toen zei ik het van de

socialen, en daar was Gert het mee eens...." lichtte Ben in.

"Gert is nou weg; dat kan ons dus niks schelen; dan ga ik verder",

en Cor las door:

[Illustratie]

2. Een P.V. is trouw aan de Koningin, aan het Vaderland, aan zijn

Ouders en Vrienden.

"Dat is mooi", merkte Jan op. Maar Ben vroeg nuchter-weg: "En Gert

dan?"

"Zeur toch niet, jij met je Gert!.... We zijn nog geen P.V. En hij

is toch geen vriend van ons, zoo'n saaierd."

Theo raakte er bij in vuur. En de meeste jongens gaven door een

luidruchtig voeten-getrommel hun instemming te kennen.

"Nou ga ik weer verder", zei Cor, en hij las:

3. Een P.V. heeft tot plicht anderen te helpen en voor anderen

nuttig te zijn.

"Hou maar op!" riep Koos nu. "Dat weten we allemaal wel. Zulke

dingen hoef je niet te zeggen. Dat doen we natuurlijk allemaal."

Een nieuwe discussie, even verward als de vorige, ontspon zich nu

over de vraag, of ze voortgaan zouden, ja dan neen. Ongeduldig vroeg

Koos eindelijk:

"Staat er niets anders in dan zulke flauwiteit?"

Cor merkte uit die vraag, dat hij gevaar liep Koos te verliezen. Hij

keek vragend Ben aan, of die hem kon helpen.

"Natuurlijk", haastte Ben zich nu te zeggen. "Natuurlijk: over de

onderscheidingsteekens, en het groeten en de oefeningen en het

boschleven en het Kampeeren."

"Dat is wat anders", zei Koos, en zijn gezicht vroolijkte op; "dat

is wat anders. Daar heb je wat aan. We moeten dus maar een club

oprichten."

"Een _troep_", verbeterde Ben, "en er moet een troepleider zijn

ook."

"Dat wordt Cor natuurlijk", besliste Koos.

"Kàn niet, want de troepleider moet ouder zijn, en...."

"Kan ons niet schelen... hebben wij niet mee te maken. Wij doen het,

zooals ze zelf willen...."

De anderen waren het met Koos eens. Wat gaven ze om die padvinderij,

waar ze geen van allen 't rechte van wisten? Ze waren de

geschiedenis met 't spook op den Steen nog niet vergeten; nu zou Cor

hun Brinio zijn; nu werd hij de wezenlijke aanvoerder!

Cor zelf hield zich stil.

"Wat zeg jij er nu zelf van Cor?" vroeg Theo, die in zijn plaaglust

er van glunderde, om Cor even in de war te brengen.

"'k weet van die geleerde Padvinderij niet meer af, dan wat ik er in

Haarlem van gezien heb, en gelezen in Kakkerlak bij de Padvinders.

Dat is leuk, 't boek tenminste, en hoe de padvinders mekaar overal

helpen; maar jullie moeten het zelf weten. Als je Ben eens nam",

stelde hij voor, "die schijnt er goed in thuis te wezen...."

Hij wist dat ze van Ben niet gediend waren, die was wat aanstellerig

en opschepperig uitgevallen; daar zouden ze zeker niets van willen

weten.

Ben zelf voorkwam hen.

"Neen, dat gaat niet. 't Staat er duidelijk", en hij begon weer te

lezen:

"doch bij sommige patrouilles wordt de leider bij meerderheid van

stemmen voor den tijd van een jaar door de leden zelf gekozen...."

"Zie je wel", viel nu Theo hem in de rede, "we kunnen dat doen, als

we willen."

"Niet waar", zette Ben onverstoorbaar voort. "Want er volgt:

"Dit is echter niet aan te bevelen voor pas opgerichte

afdeelingen."

"Daarom moeten we een ander hebben, die weet hoe het hoort."

"Nou niet langer zeuren, jongens. Doen of niet doen?" mengde Koos er

zich weer in. "Ik blijf d'r bij: Cor moet onze hoofdman wezen, en

anders heb je op mij niet te rekenen."

"Op mij ook niet.... op mij evenmin -- ik doe dan ook niet mee...."

klonk het nu van verschillende zijden.

Uit dat verwarde gepraat bleek in ieder geval duidelijk, dat ze Cor

wilden hebben. En die wou eigenlijk zelf òòk wel graag.

"Nou, als jullie dan allemaal het willen, vind ik het ook goed",

zeide hij kalm, maar in zijn oogen flikkerden vlammetjes van

blijdschap en trots.

Maar nu stond Ben op. Met een gezicht, zoo ernstig als hij maar

zetten kon, begon hij: "Maar ik doe niet mee."

"Ook flauw", viel Theo hem in de rede, maar er gleed een glimp van

vroolijkheid over zijn gezicht, die volkomen in tegenspraak was met

zijn woorden.

Zonder veel op Theo's interruptie acht te slaan, vervolgde Ben nu,

uit de hoogte:

"Ik wil wèl aan echte padvinderij meedoen, maar niet aan zulken

onzin."

[Illustratie]

En nijdig liep hij naar het trapgat, waardoor hij spoedig verdween.

't Gaf een oogenblik van stilte, maar Theo, die eigenlijk blij was

dat Ben, dien hij nooit goed had kunnen zetten, vertrok, riep hem

na: "Daar gaat-ie weer voor niks! Da's nommer twee!"

Ze bleven met z'n tienen over. Maar ze zouden doorzetten, en 't niet

opgeven. De club moest heeten: "De Rhandensche Verkenners", ze

zouden Zaterdags er op uittrekken; loopen of fietsen. Wel had Henk

Staden geen fiets, maar dat was geen bezwaar: ze zouden er een

leenen of huren of wat dan ook. Maar er aan komen zouden ze zeker.

En anders gingen ze allemaal loopen. Als je echt diep het bosch in

wou, langs allerlei geheime paadjes, dan was loopen het beste, vond

Koos, vooral als je met véél jongens ging.

"En weet je wat er ook in het reglement moet staan? Dat niemand mag

vloeken, en dat je aan den leider gehoorzaam moet wezen", merkte Jan

Arps nog op.

Natuurlijk, dat sprak vanzelf, vonden ze. Je was en bleef toch

altijd baas, wien je tot de club toeliet of niet.

En dan -- ze moesten zien er jongens bij te krijgen. Ze zouden

marcheeren, "maar niet op den weg hoor, daar dank ik je voor!" En

spoorzoeken.... "dan zet Theo een bril extra op!".... En in de

groote vacantie op de hei kampeeren.... daar de contributie voor

bewaren: vijf cent per week.

Ja, dat zou wel ècht zijn! Als de jongens van die plannen hoorden,

kwamen ze er misschien wel allemaal bij! Cor besloot met een: "We

krijgen jongens genoeg, wat ik je zeg!" en de vergadering werd

zonder plichtplegingen ontbonden met een: "Nou jongens, tot Woensdag

-- om twee uur, op den Bergweg, bij den Derker!"

Waarop ze met een vriendschappelijk: "Hadie", vertrokken.

Cor ging aan 't kisten sjouwen. "Daar laten ze me ook lekker

alléén voor zitten", pruttelde hij. De broertjes kwamen naar

boven.

[Illustratie]

"Toe, helpen jullie even?" Nu was het gauw afgeloopen.

"Jullie bent nu nog te klein, maar als je grooter wordt, kan je

óók Rhandensch Verkenner worden", zei hij gewichtig. En toen hij

er meer van vertelde, hadden de broertjes het nog nooit zoo jammer

gevonden als nu, dat ze nog maar zulke kleine ukken waren, naar Cor

ze wijs maakte.

Ze hielden zich groot.

"We kunnen best meedoen; allerlei, wat groote jongens niet willen,

kunnen wij dan wel doen. Nu helpen we je toch ook?"

Om er een eind aan te maken, beloofde Cor ze, dat het misschien nog

wel gaan zou. Ze moesten maar wachten -- ze waren gauw oud genoeg,

om óók bij de Verkenners ingelijfd te worden.

"Hoe oud moet je dan wezen?" vroegen ze.

"Ja, eigenlijk is 't voor de jongens van de hoogste klas."

"Dat duurt zoo lang, nog wel drie jaar zeker. Maar 't hindert niks,

hé Ko?", vroeg de eene helft van de tweeling aan de andere. "Dan

gaan wij ook in onze klas Verkenners maken, en daar mogen de jongens

uit de hoogste klas niet bij!" Zoo troostten ze zich, en druk

plannetjes makend, gingen ze aan 't spelen.

Rhandensche Jongens · 第 15 / 28 题