"Drie van de zes. Niet veel, hé?"
"Neen."
't Gesprek stokte.
"Jan Arps zal ze ook wel af hebben...." begon Cor, nu wat onzeker,
opnieuw.
"Dat zal wel", bevestigde Theo koeltjes.
"Die is immers zoo'n reuzenbol in 't sommen maken?"
"Ja, nog al."
Theo's gelaat, wat strak eerst, begon te ontspannen. Er kwam een
ondeugende schittering in zijn oogen.
"En hij maakt ze alléén", plaagde hij ineens weer.
"Wat bedoel je? Ik de mijne ook! Als ik wou, kon ik ze ook alle zes
afhebben, als ik me liet helpen."
"Nou ja", vergoelijkte Theo schijnbaar, "zie je, jij ook! Jan Arps
en ik, wij zijn maar Rhandensche knullen!"
Nu hij er dàt uitgeflapt had, was de zaak, wat hèm betrof, in
orde.
"Dat's flauw van je", mopperde Cor, "om me dat nou nog voor de
voeten te gooien. Dat was uitgevochten, dacht ik."
"Ik ook." Met zeker gevoel van opluchting zei Theo het. "Dan praten
we d'r niet meer over." En 't gesprek ging over een anderen boeg.
Hun samen-aankomen bracht onder de schooljongens eenige verbazing.
Maar toen ze zagen, dat die twee het samen eens waren geworden,
vonden ze het goed.