Den volgenden morgen ging hij Theo tegemoet.
Langs den dijk drentelde hij heen en weer, maakte een praatje met
een paar knechts van Reinders over de paarden.
"Dat zoo'n stadsjongenheer d'r wat van wist!" verwonderden ze zich.
Het bleek hun, dat Cor z'n oogen goed de kost had gegeven. Hij mocht
mee naar den stal, waar Trui en Mie stonden, de twee, die Poorters'
verhuisboel tegen de hucht hadden opgetrokken. Maar Cor bleef den
dijk in 't oog houden, en toen hij Theo zag aankomen, ging hij dien
tegemoet.
[Illustratie]
Alsof er niets gebeurd was, voegde hij zich bij hem. Theo liet
nauwelijks eenige verwondering blijken, maar gaf slechts luchtigjes
antwoord op Cor's groet. Zoo liepen ze een oogenblik zwijgend naast
elkander voort.
"Heb jij je sommen af?" begon Cor, half-verkennend.