III. Cor leert Rhanden en wij leeren Cor kennen.

Het was Woensdag. In Rhanden heerschte een gezellige drukte: één

der druk bezochte voorjaarsmarkten werd gehouden.

Cor en Nel keken hun oogen uit. 't Was ook zoo'n ongewoon gezicht

voor hen, die keuterboertjes in d'r stijve kleeding: zwart-lakensche

pet op, hoog om den hals gesloten zwart vest aan, hun voeten in de

helder-wit geschuurde klompen. Ze zagen er, die met hun klompen aan,

voortfietsten; en Nel had de grootste pret, toen ze een boer en een

boerin op de fiets zag, beide met klompen aan.

"Zeg, Cor, kijk eens, daar gaan Klompertje en zijn wijfje!"

"Nee, kijk die daar!" En Cor proestte het uit van den lach, toen hij

een arbeider zag, die een schreeuwend varkentje in den arm droeg.

Cor maakte, dat hij er bij kwam. Hij liep achter 't spannetje en kon

de lust niet weerstaan, om 't dier aan 't grappige krulstaartje te

trekken. 't Scheen nog al aan te komen, want 't beest begon, naar

varkensaard, erbarmelijk te schreeuwen.

"Hè Cor, hoe gemeen!" viel Nel snibbig uit, "zoo'n schattig

diertje, en dan zoo valsch doen!"

[Illustratie]

"Och meid", weerde Cor af, "wat hindert dat? Zooveel voelt hij er

niet van!"

"Nou, en ik vind het heel leelijk van je, om zoo'n arm dier te

plagen, hoor!"

Nel ging op den man af, en vroeg:

"Baas, mag ik je varkentje eens zien?"

"D'n keu-e mien-de? Wel joâ, jongejuffer."

Nel streelde het dier over de borstelige haren, maar trok toch haar

hand terug, toen het zijn kop ophief, druk met het beweeglijke

snuitje tastend.

"Wel een aôrig diertgien, niet dan?" vroeg de man. "Minsch, a'j ze

'n paôr wêken hèd, dan binnen ze hielendal aan je gewend en

loopen ze de vrouw na as keinders."

Cor stond er bij te kijken. Dat staartje... dat was toch zoo leuk.

Dat lokte tot plagen... Maar Nel was d'r bij. En die vond het naar.

Hij zou zich daarom bedwingen.

"Zeg Cor!" viel Nel ineens uit, "'k zal aan Vader vragen, of we ook

zoo'n varkentje mogen."

"Vader zal je feestelijk bedanken", antwoordde Cor. "Waar moet je

zoo'n dier nu houden? 't Is veel te vies."

"Vies, hoe kom je d'r bij? 't Beestje is zoo schoon als 't maar kan.

Ik vraag het aan Vader!"

"Doe het. Ik zeg je dat 't niet lukt. Je hebt toch vanmorgen gezien,

hoe vies die hokken zijn en 't stroo d'r in, op de markt?"

Nel liet het plotseling opgekomen plan zoo gauw niet los!! Ze waren

bij huis. Nel stormde den winkel binnen. Wat was het daar vol! En

wat leuke menschen, vooral die boerinnen met d'r gladgestreken haren

onder de witte muts, die haar bolle wangen omspande en in breede

plooien over rug en schouders afhing.

[Illustratie]

Met d'r groote boodschappenmand aan den arm, hadden ze voor de

geheele week inkoopen gedaan.

Meneer Poorters was met 'n paar boeren aan 't onderhandelen over een

landbouwmachine. Zonder te bedenken, dat hij dan niet gestoord mocht

worden, liep ze ineens op haar vader toe.

"Dag vader! Vadertje, mag ik een varkentje hebben, zoo'n kleintje?"

"Dag Nel." Vader keek haar wat ontstemd aan. Hij hield niet van

kinderdrukte in den winkel. "Is er zoo'n haast bij? Kun je niet even

wachten?"

De boeren hadden er schik van.

"Waôr mot de jongejuffer die hou'en?" vroeg er een. "Nee, dat geêt

niet."

"Waarom niet?" vroeg Nel. Ze had het zich zoo vast voorgesteld.

Vader zou dat niet weigeren.

"Dan môt de jongejuffer môar 'ns kommen kijken bij ons, dan

ziede-ge het wel!"

"Hè ja, Vader, mag dat?" Cor had het aanbod van boer Jansen

gehoord, en hij haastte zich, er op in te gaan. Hij wou juist zoo

graag eens een boerderij bekijken.

"Wat mij betreft, best", antwoordde meneer, "als Jansen niet bang is

voor 'n paar van die drukjes, ik vind het goed."

"Komme gullie dan moâr 'ns met mien zeun Geurt mit." 't Bleek, dat

Geurt de groentenman was. Cor en Nel zouden graag komen, zeiden ze,

en meneer Poorters vond, dat hij met 't koopen van een varkentje nog

wel tot een volgende week kon wachten.

Aan de koffietafel wachtte Moe ze al, met de "broertjes", een aardig

stel tweelingen: Dirk wat langer dan Daan. Daan was breeder gebouwd

dan Dirk. Ze gingen ook al naar school, maar werden nog gehaald en

gebracht. Toen ze hoorden van 't plan, om met Geurt Jansen mee te

gaan, wilden ze ook graag van de partij wezen. Moeder vond het wat

gewaagd voor ze, en beloofde ze 'n wandeling den berg op, waarmee ze

meer tevreden gesteld dan op schik waren.

Al vroeg na de koffietafel kwam Geurt Cor en Nel aanhalen. "Vaôder

had 't 'ezeid", vertelde hij. Nel vond het eerst wel wat vreemd, op

die groentekar, maar Cor zat er op zijn gemak, vooral toen hij de

leidsels mocht vasthouden. "D'n Bles weet gaôr zoo goed den weg as

ikke", verzekerde Geurt, wat wel bleek, want met zijn gestadigen

stap ging Bles, zonder dat Cor eigenlijk stuurde, den weg naar de

boerderij, waar vrouw Jansen dadelijk begon aan 't afladen van de

bennen en manden. Cor hielp een handje mee: dat was net wat voor

hem!

Nel wilde dadelijk naar de "varkentjes" gaan kijken.

[Illustratie]

Ze was meteen van haar plannetje àf, want die vette, in de modder

rondkruipende dieren, waren toch niet zulke "schatjes" als ze wel

gedacht had! Er was heel wat te zien en heel wat te raggen! Cor

durfde nog niet zoo goed zijn gang gaan, 't was pas de eerste maal,

dat hij bij Jansen kwam! Maar hij beloofde Geurt en zichzelf, nog

weleens terug te komen... in den vruchtentijd!

"Wel, Nel", vroeg meneer Poorters, toen ze na dien drukken, eersten

marktdag aan tafel zaten, "wel, Nel, wou je nog zoo'n 'schattig'

beestje hebben?"

"Dank u, vadertje!" en Nel trok preutsig haar neus op, "liever niet!

Als 't nu altijd zoo klein bleef, dan wel, maar nu..."

Vader was moe. 't Was druk geweest. Hij had goede zaken gemaakt. 't

Beloofde wat voor de toekomst! In zijn dankgebed na tafel vroeg hij,

of de Heer ze allen wilde blijven zegenen en ook de zaken onder Zijn

hoede wilde nemen.

Zoo werd dat een dag van dankbaarheid, omdat de beste verwachtingen

waren overtroffen. Meneer Poorters wist het, en hij leerde het zijn

kinderen vroeg: "Aan 's Heeren zegen is 't al gelegen." En hoewel

hij nooit de kinderen in de "zaken" wilde mengen, achtte hij het

niet minder noodig, ze vroeg te leeren danken voor de zegeningen,

die ook in de zaken werden genoten.

Cor vooral zat graag in den winkel. Die was zooveel grooter dan hun

vroegere, in Haarlem, en er was nog grooter verscheidenheid in te

vinden. Heel wat dorpen in de omgeving betrokken hun waren in de

zaak van Ter Hoek, zooals die, ondanks de nieuwe bewoners, nog

altijd werd genoemd.

En bijna dagelijks kwamen er groote bezendingen van allerlei waren

aan, vooral moderne land bouwgereedschappen. Dat was voor den

rusteloozen Cor een genot; hij was, zoolang Vader er niet bij kwam

en hem naar huis stuurde, druk bezig met uitpakken, plaatsen en

verplaatsen. Al zijn schoolwerk liet hij er graag voor rusten. Maar

meneer Poorters wilde er niet van weten: kinderen behoorden thuis,

vond hij. En als Cor bezig was, wilden de broertjes ook al mee. En

winkel en magazijnen waren géén kinderkamer; alleen als Vader er

nièt was, kon Cor zijn vermaak zoeken in de "zaak".

Wel ging 't eerste nieuwtje er gauw af, maar het verboden terrein

bleef toch voor Cor het meest aantrekkelijke, hoezeer hij wist dat

het verboden wàs.

Er was zoo al een week voorbij gegaan, en 't werd Zaterdag. Jan,

Theo en Koos zouden er op uitgaan, en meneer had beloofd, mee te

trekken. Hij deed het meermalen, nu eens met het ééne clubje, dan

weer met het andere, nu eens met de fietsers per fiets, dan met de

wandelaars te voet.

De jongens waren er dol op, want meneer Van Waalwijk was dan niet

meneer, maar hun kameraad, van wien ze hielden, dien ze vertrouwden.

De jongens konden bij hem een potje breken en hij bij hen.

Koos vooral hield van die tochten. Meneer wist zooveel te vertellen

van alles, waar Koos van hield: van de natuur, en al het wondere uit

het leven van bloemen en planten en vogels. Daar ging Koos in op;

hij kon droomen in de donkere dennebosschen, en tusschen 't

beukenhout wist hij de plekjes te vinden, waar in den namiddag de

zon schuin tusschen het gebladerte scheen en op den mossigen bodem

groote lichtplekken tooverde.

Ze trapten nu den berg op. Cor had zich bij hen aangesloten. Hij

bleek een echte racer. Telkens schoot hij vooruit, moesten ze hem

inhouden. Theo reed naast hem en hoorde geduldig al zijn verhalen

aan.

"Jô, je moet niet zoo hard trappen, dat hou je vast en zeker niet

uit tegen den berg op. Op een vlak weggetje gaat het nog, maar hier,

telkens met die huchten, word je gauw moe, als ze zoo dol rent."

"Net alsof het de eerste maal is, dat ik tegen zoo'n helling op

fiets! Hoe noem jullie dat ook weer?"

"Wel, een hucht, en als het zoo steil oploopt, een stikke hucht."

"Dan zijn het bij Bloemendaal allemaal stikke huchten. Daar kan je

klimmen! En dàn omlaag, met een vrijwiel!"

"Had je die?"

"Een echte! maar die kar is al lang stuk. Deze is eigenlijk van mijn

grooten broer. Een fijn beestje!"

Cor begon te hijgen.

Van terzijde keek Theo hem aan.

"Is je stoom al op, zeg? Wil ik duwen?"

"Niet noodig, hoor."

Cor trapte raak. Doch het ging steeds langzamer.

"Laat ik je maar wat opduwen. Ik ben gewend, de hucht op te

trappen", drong Theo nog eens.

Maar Cor wilde er niet van hooren.

"Nee... dank je... niet noodig..." hijgde hij.

Een eindje voor ze uit reden meneer en de twee anderen.

"Die zijn ons een heel eind voor", zei Theo, die kalm maar zeker zat

te trappen. "Dadelijk houden ze wel stil. Dan zijn ze boven, op 't

hoogste punt."

Hij peddelde door. Cor antwoordde niets, die bleef zeker wat achter.

Hij zou wel volgen, meende Theo.

"'k Trap alvast maar door! Jij komt wel."

[Illustratie]

Meneer Van Waalwijk lag, met Jan en Koos, al uit te blazen, toen

Theo met verhit gezicht aan kwam peddelen. 't Was een vermoeiende

trap met zoo'n onregelmatigen racer naast je als Cor.

"Zie zoo, 'k ben d'r eindelijk", zeide hij, sprong van de fiets,

legde die in 't gras en ging er zelf languit bij liggen.

"Dat zien we, Theo. Waar is Cor?"

[Illustratie]

"Verloren, meneer, onderweg", gaf Theo ten antwoord, en hij zette er

een onschuldig gezicht bij. "Maar ik kon het heusch niet helpen!"

"We moeten toch op hem wachten."

"'k Denk, dat hij niet meer kon; hij zuchtte op 't laatst al als een

stukke locomotief; maar hij reed ook zóó hard, dat er haast geen

bijhouden aan was."

Koos zat te genieten. 't Was daar een verrukkelijke plek, met

prachtige vergezichten. Links van den weg statige rijen beuken,

zóó diep-weg, dat ze in de verte elkander schenen te raken. En aan

weerszijden van den zandweg, waarlangs die beuken stonden, prachtige

buitenplaatsen midden in het bosch. Aan den anderen kant van den

weg, hoog geboomte, maar tusschen dat hout door zag je in de verte,

aan den overkant van de rivier, de lage Betuwe liggen: telkens één

of twee kerktorens, sommige boven het hout uitkomend. En overal

verspreid, de boerderijen, waarvan de roode daken fel afstaken tegen

al het groen; en langs de rivier met haar tallooze bochten, de

lichte streep van den dijk.

Koos keek, en hij was er haast niet bij.

Hij zag de zonneschittering in het water, waar bijna geen beweging

in was te bespeuren.

"Prachtig, hé, meneer?" riep Koos ineens.

Meneer hield van Koos, omdat hij, bij 't zien van iets schoons, zoo

heerlijk in vervoering kon komen. Zulk droomen als Koos deed, dat

kon geen kwaad.

"Of het", antwoordde meneer Van Waalwijk.

"Toen de kersenbongerds bloeiden, ben ik er met Vader heen

geweest..." zei Koos.

"En ik ga, als de kersen rijp zijn", merkte Theo op.

"Heel wat prettiger, meneer! Eten, op Langenhorst of op de

Ingelhoeve! Eten, tot je niet meer kan! Dat is beter werk dan kijken

alleen!"

"Ik eet anders kersen tegen jou op", zei Koos. "Maar de boomen in

bloesem vind ik prachtig. D'r zat toen aan den dijk een schilder te

teekenen. 'k Wou, dat ik het zóó kon, zóó mooi... de bloesem

leefde..." Jan Arps stond op.

"'k Zie Cor nog niet aankomen. Waar zou die gebleven zijn?"

"Spring op de fiets, en ga kijken, dan weet je het."

Jan sprong op de fiets; Theo volgde zijn voorbeeld; Koos en meneer

Van Waalwijk deden evenzoo.

Ze zagen nog niets. Al vrij-wielende daalden ze.

Plots schoot Cor achter een boom vandaan.

"Hé, holla! hé! Waar gaat dat naar toe?"

"Op zoek naar jou, natuurlijk. Waar bleef jij?" vroeg Jan.

"Hier, zooals je ziet. Ik moest even rusten, want mijn voorband is

leeggeloopen; de binnenband is wel goed, maar ik vertrouw 't ventiel

niet."

"Heb je 'm al opgepompt?"

"Ik niet. 'k Heb geen pomp bij mij en geen ventielslang ook. Heb

jullie d'r een voor me?"

Meneer Van Waalwijk had natuurlijk pomp èn ventielslang bij zich.

't Was niet de eerste maal, dat hij met jongens aan den trap ging.

"Waarom kwam je niet naar ons toe?" vroeg Theo.

"Dank je wel. Ik loopen en jullie rijden? Dat gaat niet best. En ik

had geen zin m'n band te vernielen, zoo tegen den berg op. 'k Ben nu

lekker uitgerust ook!"

Met groote handigheid herstelde hij het ventiel, en al gauw was de

band weer hard.

Ze stapten op, en de klim begon opnieuw.

Nu fietste Cor regelmatiger. Ongemerkt was meneer Van Waalwijk naast

hem gekomen en hield hem aan de praat.

Ze kwamen zoo, rustig en ongemerkt bijna, zonder buitengewone

inspanning, op de hoogte aan.

"Afstappen, Cor, dan zul je wat moois zien!" commandeerde meneer.

De fietsen werden naast elkaar tegen een boom gezet, en daar stonden

ze met hun vijven. Koos genoot opnieuw, en ook Cor kwam onder den

indruk. 'n Oogenblik was genoeg, om hem vol bewondering te doen

uitroepen:

"Wat is het hier mooi!"

Doch onmiddellijk volgde er op:

"Maar wat is dat water? Is dàt de rivier?"

De jongens schoten in den lach.

"Natuurlijk", zei Theo. "Hoe kom je d'r bij! Wat moet het anders

wezen?"

"Maar ik dacht, dat de rivier recht was! Op de kaart zie je toch een

rechte streep? En hier is het één en al bocht!"

Ja, nu vonden ze Cor's verbazing toch niet zoo héél dwaas meer.

Zij hadden het al zoo vaak gezien, dat ze het eigenlijk nooit goed

opgemerkt hadden.

Meneer legde Cor uit, hoe het onmogelijk was, op de kaart al die

bochten aan te geven.

"Zouden nu dáár de Batavieren zijn aangekomen, meneer?" vroeg Cor.

En in één adem voegde hij er aan toe: "Kijk, daar drijft een

groote boot!"

[Illustratie]

't Was de vrachtboot van Rotterdam op Düsseldorf, een groote

raderboot, die het rustige water stuivend op zijde wierp.

Cor had er nu genoeg van gezien. Hij keek langs de vrij steile

helling, waar beneden een weg liep.

"Hoe kom je hier naar beneden?" vroeg hij.

"Door het kreupelbosch natuurlijk. Maar 't is steil, en 't is

verbazend moeilijk dalen."

Dat was net wat voor Cor. Zijn oogen glunderden. Hij keek Theo aan,

en ze begrepen mekaar.

"Hoe hoog is het hier, meneer?" vroeg hij.

"Vijftig meter boven de rivier zoowat."

"Ga je mee, Theo? Mag het, meneer?"

Cor wachtte het antwoord niet af, maar verdween al tusschen de

struiken.

De anderen keken meneer Van Waalwijk aan.

"Ga jullie hem maar na, dien wildeman!" zeide hij, en in een

oogenblik waren ze alle vier verdwenen.

Helder gelach klonk op; nu en dan een benauwd schreeuwtje er

tusschen. Van de hoogte af zag je de takken bewegen; een jongenskop

kwam boven 't struikgewas uit, een hand, je hoorde takken kraken...

Cor liep natuurlijk voorop. Dàn volgde Theo. Jan en Koos kwamen

achteraan. 't Was uitkijken voor ze. Tusschen het lage hout zonden

de braamstruiken hun lange, taaie, stekelige uitloopers uit, waar ze

met hun kousen aan bleven haken, of die ze door broek en al scherpe

stekels in 't lijf prikten.

Ze kwamen beneden, verhit en wel.

't Moeilijkste moest nu nog komen: het weer tegen de ruige helling

opklimmen.

"Wie 't eerste boven is?" stelde Theo voor.

Dat vond bijval.

Koos gaf het sein en daar begon het. Cor kroop als een kat op handen

en voeten, onder de takken door. Theo wierp zich òp de struiken, om

de takken te doen buigen en er zóó te komen; Koos en Jan,

voorzichtig, keken uit, en gingen behoedzaam op pad.

Halverwege gekomen, hoorden ze een luiden schreeuw. Ze dachten, dat

't een grap van Theo was; een poging om hun aandacht af te leiden,

en daardoor op hen te winnen. Maar ze lieten er zich niet tusschen

nemen, en zetten kalm hun tocht voort.

Jan kwam 't eerste tusschen het kreupelhout te voorschijn. Ha, er

was nog niemand! Meneer zat daar nog alleen. Op een holletje kwam

hij aanzetten.

"Hoera! Nummer één!" riep hij al.

Maar 't was mis! Want plotseling vlak bij de bank, kwam Koos in 't

zicht, die met een: "Afgesnoept, maat! Reuze!" éér dan Jan bij

meneer Van Waalwijk zat.

[Illustratie]

Daarop kwam Theo's gezicht, bezweet en vuil, tusschen de struiken

uitkijken. Telkens waren de bestofte bladeren hem tegen 't gezicht

gekomen; en ook nu nog baande hij zich een weg, al stappende en de

hoogere takken wegbuigend.

Toen hij bemerkte, dat de kans om de eerste te zijn, verkeken was,

vond hij het blijkbaar onnoodig, zich nog te haasten.

"Je lijkt wel een moriaan! Hoe zie _jij_ d'r zoo uit?"

Theo keek weer allerdolst. Hij veegde z'n gezicht met z'n niet te

schoonen zakdoek af, trok z'n neus weer op, zoodat z'n bril er als

op een zadel aan 't paardrijden was, en liep, zonder verder op de

opmerking acht te slaan, naar Koos. Half fluisterend, gewichtig, zei

hij:

"Wat gezien, jô, voor jou!"

"Wat dan?"

"Nest met jongen! Mormels, kerel, dat 't waren! 'k Heb ze d'r uit

gegooid, natuurlijk", voegde hij er, om Koos te plagen, aan toe.

"Da's gemeen, da's laf, da's...." foeterde Koos. Hij had Theo wel

willen aanvliegen. "Waar liggen ze, dan ga ik ze opzoeken, en leg ze

weer in d'r nest. Maar van _jou_ had ik dat niet gedacht, dat kan ik

je wèl zeggen!"

Meneer Van Waalwijk had 't spelletje doorzien.

"Waarom lieg je, Theo?" vroeg hij.

Nu bemerkte Koos pas, hoe hij er was ingeloopen.

Theo werd nog rooder, dan hij al was. Zóó had hij het heelemaal

niet bedoeld. Hij verontschuldigde zich dan ook:

"Liegen, meneer? 'k Hou Koos maar voor den gek."

"Gelukkig; jij kon ook niet zoo laf en zoo gemeen zijn."

't Kwam Koos uit den grond van zijn hart.

Maar waar bleef Cor nu weer? Die scheen specialiteit in het

achterblijven te zijn.

"Hallo! hallo!" schetterde Theo.

"Hallo!" klonk het terug uit de struiken.

Cor was nog niet veel dichterbij gekomen. Theo stelde voor, hem maar

weer op te zoeken.

"Waar zit je?" riep hij.

"Hier! 'k kan niet weg, 'k zit met mijn voet vast!" Daar moesten ze

't hunne van hebben. Ze daalden in de richting van 't geluid: Theo

voorop, de anderen vlak achter hem aan.

"Voorzichtig", hoorden ze, vlak bij zich, Cor roepen. Ze keken en

zagen een "hazenpad", waar door stroopers strikken waren uitgezet,

van koperdraad. Cor, die van stroopen en strikken niets wist, was

met zijn voet in een van de strikken verward geraakt; hij had geen

raad geweten om er uit te komen, en was maar weer blijven zitten,

toen hij bemerkte, hoe de strik zich àl vaster om zijn been sloot,

hoe harder hij er aan trok.

[Illustratie]

Koos wist er raad op. Hij maakte den strik los, en Cor zag zich uit

zijn ongemakkelijke houding verlost.

't Was gauw gebeurd, en hun luid "Hallo!" vertelde aan meneer, dat

ze terug kwamen.

Meneer keek ietwat verschrikt op, toen hij Cor zag. Z'n heele

gezicht zat vol schrammen, z'n kiel had 'n paar kleine winkelhaken,

broek en kousen waren grijs van de stof.

Theo nam hem bij den arm.

"Uit stroopen geweest, en een haasje gepakt, meneer", zei hij met

een meewarig gezicht.

Wat hadden ze 'n schik! Cor niet het minst! Ze poetsten hem af, zoo

goed en zoo kwaad als het ging, en hij knapte op, zoodat ze, na dit

ongedachte oponthoud, weer verder konden trekken.

Nu ging het fijn; Een heel eind konden ze vrijwielen, voorzoover ze

tenminste een vrijwiel hadden. Maar Cor en Theo zaten te trappen van

wat ze konden, om hun trappers bij te houden. Zoover ze de helling

af konden kijken, was er niemand te ontdekken. Er was dus geen

gevaar, als ze mekaar tenminste niet in de wielen reden. Meneer, die

remmen ophad, hield expres wat in, hoewel ook hij met een behoorlijk

vaartje reed.

"Hier tuimelde Va van den winter, toen hij bij lichte maan 's avonds

laat er nog uit moest, van de fiets, doordat hij tegen dien das

opreed", vertelde Jan, toen ze langs een gedeelte weg reden, waar

tusschen 't kreupelhout hoog-opgaand geboomte oprees.

[Illustratie]

"Welke das? Wat voor das?"...

Cor wist er natuurlijk niets van.

"Kijk maar op school. Daar vindt je hem opgezet. Want hij was dood.

Va had hem juist tegen den kop gereden. Hij was verblind door het

felle licht van de carbid-lantaarn en vloog toen regelrecht op de

fiets aan. Va maakte een tuimel van belang, maar de das was dood, en

Va had hem wel voor vijf gulden kunnen verkoopen, als hij gewild

had."

"Ik zou 't gedaan hebben", verzekerde Cor.

"Va heeft hem opgezet, en aan de school gegeven; 'k zal je hem

morgen wijzen."

Nu ging de weg weer stijgen en ze moesten aardig kracht zetten. 't

Ging langzaam, ook bij Cor, die nu snapte, dat geregeld rijden je

winner was. De moeite werd kostelijk beloond: tusschen de

berkenstammen langs den weg, zagen ze in de verte de hei liggen. Ze

sloegen een zijweg links in; eerst tusschen kreupelhout door; maar

dat werd al dunner en dunner, tot de open hei voor ze lag.

De hei!

Rhandensche jongens hielden van de hei. Voor hen was er niets

eentonigs aan die groote, grauwe vlakte; want ze kenden er al de

verrassingen van. Ze vonden er eieren van fazanten en patrijzen;

hadden er de ruimte, wisten de mooiste struikhei te vinden. En dan

kenden ze die smalle kronkelwegeltjes, die, dwars door de hei heen,

naar eenzame ontginningen leidden.

Ook kenden ze de geheimzinnige verhalen van de hei: hoe er 's

avonds, bij donkere maan, uit de dennenboschjes in de donkere verte

witte gestalten komen aansluipen, die onhoorbaar zacht naar den

grooten steen, midden op de eenzame hei, gaan, om daar te treuren

tot middernacht. Dan ritselen er wondere geluiden door de lucht, en

Krelis, de knecht van boer Huibers, had laatst nog zèlf gezien,

hoe, op zoo'n donkeren, windloozen avond, de boomen daar in de verte

hun kruinen ter aarde bogen, zonder dat ze afknapten.

Koos vertelde al die verhalen: hoe daar, onder dien steen, een

ridder begraven lag, vermoord door sluipmoordenaars en hoe hij geen

rust kon vinden eer die moord gewroken was, en hoe hij daarom nog

telkens bij den spooksteen verscheen. De raven krasten dan akelig en

het oe-hoe-i van den uil klaagde angstig door de lucht. Maar met het

slaan van twaalven verdween alles, en was het weer even geheimzinnig

stil op de wijde, donkere heide... Cor had geen ooren genoeg om te

luisteren.

"Gaan we nog naar den steen kijken?" vroeg hij, en het leek of er

een zweem van angst in zijn stem klonk.

"Best", zei meneer Van Waalwijk, die dat merkte.

Ze stapten af, want nu ging het dwars door de heide. Met de fiets

aan de hand liepen ze naast elkaar, en meneer vertelde, hoe de

heibewoners, die midden in de natuur leefden, haar hadden bevolkt

met allerlei wonderlijke wezens. Ze hadden zich een wereld

geschapen, die alleen in hun verbeelding bestond...

[Illustratie]

"Maar die knecht dan, die de boomen zag buigen?" viel Cor nu

plotseling in de reden.

"Die zal wel boven zijn bier zijn geweest", antwoordde meneer. "Ik

heb me laten vertellen, dat dàn alles voor je oogen draait!"

De verklaring voldeed Cor. Maar toch, een beetje griezelig vond hij

het nog wel.

"Zou u er midden in den nacht durven heengaan, alléén, zonder

iemand bij u?" vroeg hij.

Meneer moest lachen, en de jongens ook. Theo liet zijn bril weer op

z'n neus rijden als een ruiter in 't zadel, en riep, met holle stem:

"Dan -- ga -- ik -- mee!"

"Als de spoken _jou_ zien, maken ze vast, dat ze wegkomen", kreeg

hij nu van Koos te hooren.

Maar meneer vatte Cor's vraag ernstig op.

"Natuurlijk", zei hij. "Waarom niet? Je weet toch ook wel, dat we

nooit alleen behoeven te zijn? Bijgeloof is dwaasheid voor wie weet,

dat zijn lot en leven in Gods hand zijn."

Daar lag de steen: een groote kei, plat-rond-geslepen, vermoedelijk

door het water, waarmee hij in veel vroeger eeuwen -- de geleerden

spreken van den ijstijd -- uit het hooge Noorden was komen afdalen.

Ze probeerden hem op te lichten, doch al tilden ze alle vijf uit

alle macht, er was geen verwikken of verwegen aan. De steen lag in

volmaakte rust midden op de hei.

Ze zetten er zich op neer en Koos wees aan Cor alles, wat er in den

omtrek te zien was. Eigenaardig, maar Cor kon lang zoo wijd niet

zien als de Rhandensche jongens. Vooral Koos' oogen waren scherp:

hij zag verder en juister dan iemand.

_Hij_ wist alles van de hei te vertellen. Als je dàt slingerpaadje

afliep kwam je hier, en langs dàt weggetje kwam je dáár, en in

dat boschje zaten spechten, en ginder zaten tegen den rand altijd

heele troepen meerkollen; en daar in de verte, tegen die boerderijen

aan, zaten zijn meezen. Tenminste, als de boer ze had laten leven.

Want ze waren vijanden van de bijen, en er stonden daar heel wat

bijenkorven.

Meneer zei maar niets en luisterde, wierp er hoogstens nu en dan 's

een woord, een vraag tusschen in. In vroolijke stemming aanvaardden

de jongens de terugreis, nu meer dalend dan stijgend. En je kon Cor

telkens z'n been over het voorwiel zien leggen, om zoo te remmen,

als het wat gauw ging.

Deze tocht had den lust bij hem gewekt, nog eens, maar dan op 'n

donkeren maan-avond, te gaan kijken, òf hij bij den steen wat

bijzonders zou te zien krijgen.

Toen hij er thuis over praatte, werd hij uitgelachen. Alleen Nelly

voelde er wat voor. Maar z'n ouders rieden hem aan, rustig in bed te

blijven, dan liep hij den minsten kans, door dolende ridders of

witte wijven te worden meegenomen, of de kruin van een buigende boom

op zijn hoofd te krijgen.

Over den prettigen tocht raakte hij bijna niet uitgepraat, en hij

nam zich stellig voor, er met de nieuwe kameraden weer gauw op uit

te gaan.

IV. Cor krijgt vechtneigingen en loopt gevaar de oud-Rhandenaars

tegen zich in 't harnas te jagen.

"Wat saaie kerels zijn jullie toch! Echte Rhandenaars! Je durft

niets!"

[Illustratie]

Theo keek, door zijn brilleglazen heen, Cor aan, die op het plein

voor de school aan het "opsnijden" was.

Hij was er nu al een poosje, en 't beviel er hem eigenlijk maar

half. Ja, meneer Van Waalwijk was een aardige man. Met genoegen

dacht Cor aan den heerlijken tocht terug van Woensdagmiddag.

Maar er was toch iets, dat hem niet voldeed. Hij gevoelde, dat hij

door zijn druk- en dwaasheden zich van een minder gunstigen kant had

laten zien. Hij moest zelf erkennen: Theo, Jan, Koos, konden best

meedoen, maar toch waren ze zoo heel anders dan hij. Bij al hun

schikmaken zorgden ze er voor, het niet al te bont te maken, en hun

werk was meestal in orde.

En Cor? Ja, wat was er van hem te zeggen? Hij voelde zich in kennis

bij de andere jongens achterstaan.

Hij wist, dat hij meneer Van Waalwijk door zijn druk-doen niet van

de wijs kon brengen. Hij twijfelde er niet aan, dat meneer hem

doorzag. En dat maakte, dat hij wat verlegen was met zijn eigen

figuur, en nu lust gevoelde, om weer eens op voor hem ouderwetsche

manier "pan te schoppen". Hij wou wat anders dan wat hij de

"braafheid" van de jongens noemde.

Vandaar zijn vriendelijke uitroep tegen de jongens.

Theo raapte die vriendelijkheid op. Er was een ondeugende flikkering

in zijn oogen, en om zijn mond lag een trek van "Wat wil je?"

Spottend zei hij:

"Wat je zegt, jô! Weet je dat van je zelven of heeft een ander het

je wijs gemaakt?"

"Dat hoeft niemand me wijs te maken."

Met een plechtig gezicht keerde Theo zich nu naar de anderen, en, op

Cor wijzend, plaagde hij:

"Inderdèd, mijne heeren, het grootste wonder van Rhanden: Cor

Poorters, pas ingevoerd uit Hèr em, weet iets van zelf, zonder

hulp!"

Een schaterlach klonk op, en Cor stond er nijdig bij, een oogenblik

uit 't veld, geslagen. Hij had er niet zoo dadelijk van terug.

Maar die lach prikkelde hem. Zou hij zich door die Rhandensche

knullen op den kop laten zitten? Dat nooit. En woedend, bitste hij

Theo toe:

"Ik kan wel meer ook! Zonder hulp jou op je kop geven!"

En eer Theo er op verdacht was, stormde Cor woedend op hem los;

één flinke stoot, en Theo raakte van de beenen op den grond. Cor

zat bovenop hem, de vuist omhoog, om Theo's hoofd te gaan bewerken.

Deze, door den plotselinger aanval 'n oogenblik verbluft, spartelde

doelloos tegen.

[Illustratie]

"Genàde zul je roepen", schreeuwde Cor, hijgend van woede, hem toe.

De andere jongens stonden er in een kring om heen. Graag hadden ze

Theo geholpen, maar 't mocht niet. 't Moest eerlijk spel blijven.

Theo zweeg.

"Genàde zeg ik je!" brulde Cor nu. Hij wond zich hoe langer hoe

meer op.

"Die wil jij wel geven", zuchtte Theo benauwd. Hij kwam weer tot

zich zelven.

Met een hoeraatje werden die woorden door de jongens ontvangen.

"Niet doen, hoor!" "Hou je taai!" "Geef hem terug!", schreeuwden ze

Theo toe.

Nu werd Cor nog nijdiger. Hij wist nu, dat al de jongens tegen hem

partij trokken. En, zonder nadenken, alleen zijn woede volgend, hief

hij zijn voet op, om Theo een trap in den rug te geven.

"Laat staan", schreeuwde Jan Arps plotseling. Hij stoof uit den

kring naar voren, en stond tegenover de vechtersbazen.

"Dàt is geen eerlijk vechten, een jongen in zijn rug te schoppen!

Dat is geméén beulswerk, en als je dat waagt, krijg je met _mij_

te doen!"

"En met mij!" "Met mij ook!"

Al de jongens tegen hem.... Cor ontstelde er even van... 't Was wèl

gemeen van hem... Maar die Theo...

Hij liet zijn been zakken. Theo had van 't oogenblik gebruik

gemaakt. Met een plotselingen ruk onttrok hij zich aan Cor's greep,

en wierp hem van zich af. Nu raakte Cor van de been, en Theo stond

gereed de rollen geheel te verwisselen, en Cor er onder te krijgen,

toen plotseling het luide gejoel en geschreeuw der zich steeds meer

opwindende toekijkers gedempt werd en verstomde.

Meneer Van Waalwijk kwam aangefietst. Hij bemerkte, dat er wat

gaande was, sprong van de fiets, en zag Theo, met verhit gelaat en

verfonfaaide kleeding, staan tegenover Cor, die van de gelegenheid

gebruik had gemaakt om weer op te komen. Ze waren beide in hun wiek

geschoten, maar wilden het geen van tweeën weten. Met gebalde vuist

stond Cor tegenover Theo.

[Illustratie]

Meneer Van Waalwijk drong door den kring heen. "Goe-morgen jongens!

'n Deuntje gevochten? Goed klop gegeven? Dan zul je wel moe wezen.

Toe, ga even met me mee. Dan kun je wat uitrusten. En je opknappen

ook. Want je ziet er uit, alsof je een halven dag in het droge vuil

hebt gewerkt!"

"Z ij n schuld!" siste Cor nijdig, en hij wees naar Jan Arps. "Die

kan niet eerlijk laten vechten!"

"Eerlijk vechten", kwam het, verontwaardigd, minachtend uit Jan's

mond, "eerlijk vechten, dat kun j ij niet. Jij wil 'n jongen, die

ligt, in den rug trappen. En dat is gemeen, zeg ik je!"

"Nou, en Theo zegt, dat ik niet durf, en ik láát me niet door een

Rhandensche jongen op den kop zitten. Nooit!" foeterde Cor,

vastbesloten.

"Zooveel te beter dus, dat ik juist kwam", kalmeerde meneer Van

Waalwijk. "Ik bèn geen Rhandenaar, en daarom kunnen jullie allebei

met mij meegaan om uit te rusten."

Theo verdween al naar binnen. Cor scheen nog geen zin te hebben. Zou

hij?... Hij keek op... Overal vijandige blikken bij de jongens, die

hij in hun zich-Rhandenaar-voelen diep beleedigd had... een strakke

wil op meneer's gezicht... daar ontkwam hij niet aan... hij zag het

wel... Even nog was er de begeerte, niet te gehoorzamen... maar

verslagen voelde hij zich tòch al en dus,... meer schuivend dan

loopend, uiterlijk onwillig, ging ook hij naar binnen.

Meneer was doorgeloopen. Die twijfelde er niet aan, of Cor zou wel

komen.

"Ga jullie wat rekenen", gebood hij koeltjes, toen beiden zaten.

Theo begon; Cor, den elleboog onder het hoofd, zat woedend voor zich

uit te kijken.

Meneer keek rustig naar hem, en Cor merkte het. 't Kon hèm wat

schelen! Hij verwachtte, dat meneer tegen hem zou uitbarsten. Dat

zou hij eigenlijk 't liefst gehad hebben.

Daar kwam meneer naar Cor toe.

"Geen zin, kameraad?"

Geen antwoord. Schuw, een beetje valsch-loensch onderuit, gluurde

Cor, of Theo ook keek.

[Illustratie]

Meneer zag het.

"Theo, ga jij even de gang in."

Theo ging, en meneer zei nu zachtjes tegen Cor, terwijl hij hem de

hand op den schouder legde:

"Zie zoo, Cor, nu is het gemakkelijker voor je om te gehoorzamen?"

Dat had Cor niet verwacht. Bijna verschrikt keek hij op. In Haarlem

was hij het anders gewend geweest, als hij zoo'n weerspannig-brutale

bui had en "opspeelde", zooals hij het zelf noemde.

Bijna zonder nadenken greep hij zijn boeltje en probeerde aan het

werk te gaan.

Nu werd ook Theo weer binnengeroepen.

"Wat had jullie eigenlijk?"

Theo vertelde, zonder omwegen en Cor bevestigde, dat het zoo was. Ze

moesten meneer toestemmen, dat de aanleiding toch niet zooveel te

beteekenen had.

"Maak het nu zonder vechten weer in orde, anders heb je voor je zelf

toch geen rust", drong meneer aan. Maar dat lukte nog niet zoo gauw,

daartoe moesten beide jongens, en vooral Cor, zich te sterk

overwinnen. Maar meneer's houding had betere gevoelens in ze wakker

geroepen; ze schaamden zich voor hem, en in hun hart voelden ze, dat

ze zóó den wil des Heeren niet deden.

Meneer verwachtte, dat het wel doodbloeden zou, en daarom bemoeide

hij er zich niet verder mee.

Toch bleef er dien middag een geprikkelde stemming in 't lokaal. Er

groeide verzet bij de Rhandensche jongens, verzet tegen dien

indringer, die hun de wet wou stellen!

Om vier uur lieten ze hem links liggen, gingen in een clubje hun

eigen weg; nu juist drukker en vriendelijker dan gewoonlijk. 't Was

om Cor te plagen. Alsof ze hèm noodig hadden! Wat verbeeldde zoo'n

aap zich wel! Hij had ze in hun eer als Rhandenaar aangetast, en

dàt zouden ze hem inpeperen.

"Cor, ga je mee naar huis?"

Nelly liep op hem toe, toen hij, onvriendelijk en grommig gestemd,

doordat àl de jongens zóó partij tegen hem trokken, in zijn

eentje naar huis ging. Juist zag hij de anderen den hoek naar de

Hoofdstraat inslaan. Fijngevoelig als Nelly was, had ze dàt

oogenblik afgewacht.

"'k Zal met meisjes naar huis gaan!" weerde Cor af. Maar hij voelde

op 't zelfde oogenblik, dat hij leelijk en onbehoorlijk was tegen

Nelly. Vriendelijk liet hij er onmiddellijk op volgen:

"Waarom ben jij niet met de andere meisjes meegegaan?"

"'k Dacht, dat jij het onprettig zou vinden om alleen te loopen.

Daarom wachtte ik even."

Nel kende Cor door en door, en ze wist ook, dat hij veel van haar

hield, en 't nooit zoo kwaad meende als hij wel voorgaf. Tegenover

háár hield hij zijn ruwheid nooit vol.

Cor keek haar aan. Zus had toch een smal gezichtje, vond hij. Ze zag

er zoo heel anders uit dan die kinderen hier, zoo smalletjes, zoo

weggetrokken-wit soms. Er waren meisjes op school, zóó sterk, dat ze

hèm misschien wel aan konden, als het op vechten aankwam. Maar

zus...

Nelly liep rustig naast hem mee. Hij moest haar tasch maar voor haar

dragen.

"Geef je tasch maar hier!" 't Was eigenlijk alleen een inleiding,

want hij vervolgde dadelijk: "Hoe vond jij het vanmiddag, zeg?

Valsch van Jan Arps, hè?"...

Hij wachtte op zus' antwoord. Zou ze hem óók afvallen? Maar dàn zou

ze hem zeker niet opgewacht hebben.

"'k Weet het niet; 'k heb er niets van gezien. Maar de jongens waren

allemaal vreeselijk kwaad, geloof ik."

"Nou ja, ze trekken partij voor mekaar."

Nelly keek hem vriendelijk aan.

"Waarom vecht jij ook altijd, Cor?"

"Nou, en ik ben toch geen meisje? Daar ben je toch jongen voor, om

je niet op je kop te laten zitten?"

Daar kon Nelly niet tegen op. Die logica ging haar te hoog.

"Toch is 't jammer", zei ze, "want ze zouden allemaal 't land aan je

krijgen."

Cor voelde, dat 't waar was, dat Nel gelijk had, en meneer Van

Waalwijk had gelijk, en alle menschen hadden gelijk. Zijn eigen,

woelig, onrustig hart had ongelijk. En toch... op oogenblikken als

nu voelde hij dat diep, en wou hij wel anders worden, en klom er wel

een stil gebed op in zijn hart. Maar hij wou er niets van laten

merken. Groothouden je zelf, ook als 't in je schreide, om je zonde,

die maakte dat je jezelf zoo ellendig alléén ging voelen!

Zwijgend kwamen ze thuis. De norsche trek op Cor's gezicht was nog

niet verdwenen. 't Was binnen in hem niet tot rust gekomen. Landerig

liep hij, zonder als gewoonlijk luidruchtig een "Dag Moe! Dag

allemaal" de kamer in te roepen, den gang in, en liep nu regelrecht

door naar het pakhuis.

[Illustratie]

Daar was hij graag. Er viel altijd wat te doen, en... lui was hij

heelemaal niet. Hij mocht al niet veel van zijn schoolwerk houden,

omdat hij het zoo saai vond, en schrijven, en lezen... Wat had je er

aan? dacht hij. Maar in het pakhuis voelde hij zich thuis, en als er

wat zwaars te tillen was, of pas aangekomen goed uit te pakken, en

op te bergen, dan was hij onvermoeid. De pakhuisknechts mochten hem

graag, om zijn scherts, om zijn werklust, ook wel om zijn

vermakelijke manier van opspelen over alles en nog wat. Want zij

hadden al lang gemerkt, dat hij het zoo kwaad niet meende.

Ook nu was hij spoedig druk aan den gang. Een partij kachels was

aangekomen; die moesten in elkaar gezet worden. Net een werkje naar

zijn hand. Met een schroevendraaier gewapend werkte hij, dat het een

lust was. Hij had juist een mooien haard-mantel onderhanden, toen

thuis de gong voor het middagmaal klonk, en de klank ervan doordrong

tot het pakhuis.

"Jullie laten die voor mij staan, hoor je?" vroeg hij, gebiedend,

aan de knechts.

"Goed hoor; we zullen er aan denken, als we 't niet vergeten", was

het antwoord. Cor hoorde het nauwelijks meer, hij was al weg; wiesch

zich vluchtig de handen, en trad de kamer binnen, waar ze al om de

tafel zaten.

Hij had zijn booze bui weggewerkt. Hij liep op Moeder aan, kuste

haar; raakte Vaders voorhoofd even met de lippen aan, groette de

anderen met zijn gewone "Dag allemaal!" en nam zijn plaats naast

Nelly in.

Aan tafel informeerde Vader naar hun ervaringen van dien dag. Cor

liet gewoonlijk niet meer los dan hij wilde. En nu was hij de

vechtpartij kwijt, toen de broertjes 't spel aan den gang brachten.

"D'r is vanmiddag gevochten bij school, en Cor was er ook bij, en

hij heeft slaag gekregen ook."

"Niet waar!" stoof Cor, ineens weer nijdig, op. "'k Heb geen slaag

gekregen!"

Hij vertelde nu eerlijk, wat er geschied was, en meneer Poorters zei

er niet veel op. Alleen suste hij Cor, toen die weer aan 't uitvaren

ging over "die Rhandensche knullen".

Maar 's avonds riep hij Cor even bij zich op 't kantoor. Daar keek

hij zijn wilden jongen, van wien hij zooveel hield, omdat hij ook

het goede onder al die ruwheid en rusteloosheid kende, eens flink in

de oogen.

Nu was de ruwe Cor mak als een lam. Hij begreep, dat hij verkeerd

gedaan had. Hij begreep ook, dat hij de jongens fel had geprikkeld

door zijn optreden; en hij beloofde het in orde te maken en tegen

zijn drift te zullen vechten.

[Illustratie]

"Je weet, Cor, je vader wil je daarbij helpen. Maar je Vader Die in

de hemelen is, óók. Als je er Hem om vraagt. 't Is ook een zegen,

genade te hebben bij de menschen. Maar dan een andere, dan waar jij

van sprak!"

"Ik wil wel, Pa, maar telkens..."

"Jongen, we willen allemaal. Maar we komen er niet zonder strijd. En

zulk vechten, vechten tegen je eigen verkeerdheid, je eigen zondigen

aard, dat is wat je noodig hebt..."

Cor zou trachten, dièn strijd te strijden.

Rhandensche Jongens · 第 11 / 28 题