Het was Woensdag. In Rhanden heerschte een gezellige drukte: één
der druk bezochte voorjaarsmarkten werd gehouden.
Cor en Nel keken hun oogen uit. 't Was ook zoo'n ongewoon gezicht
voor hen, die keuterboertjes in d'r stijve kleeding: zwart-lakensche
pet op, hoog om den hals gesloten zwart vest aan, hun voeten in de
helder-wit geschuurde klompen. Ze zagen er, die met hun klompen aan,
voortfietsten; en Nel had de grootste pret, toen ze een boer en een
boerin op de fiets zag, beide met klompen aan.
"Zeg, Cor, kijk eens, daar gaan Klompertje en zijn wijfje!"
"Nee, kijk die daar!" En Cor proestte het uit van den lach, toen hij
een arbeider zag, die een schreeuwend varkentje in den arm droeg.
Cor maakte, dat hij er bij kwam. Hij liep achter 't spannetje en kon
de lust niet weerstaan, om 't dier aan 't grappige krulstaartje te
trekken. 't Scheen nog al aan te komen, want 't beest begon, naar
varkensaard, erbarmelijk te schreeuwen.
"Hè Cor, hoe gemeen!" viel Nel snibbig uit, "zoo'n schattig
diertje, en dan zoo valsch doen!"
[Illustratie]
"Och meid", weerde Cor af, "wat hindert dat? Zooveel voelt hij er
niet van!"
"Nou, en ik vind het heel leelijk van je, om zoo'n arm dier te
plagen, hoor!"
Nel ging op den man af, en vroeg:
"Baas, mag ik je varkentje eens zien?"
"D'n keu-e mien-de? Wel joâ, jongejuffer."
Nel streelde het dier over de borstelige haren, maar trok toch haar
hand terug, toen het zijn kop ophief, druk met het beweeglijke
snuitje tastend.
"Wel een aôrig diertgien, niet dan?" vroeg de man. "Minsch, a'j ze
'n paôr wêken hèd, dan binnen ze hielendal aan je gewend en
loopen ze de vrouw na as keinders."
Cor stond er bij te kijken. Dat staartje... dat was toch zoo leuk.
Dat lokte tot plagen... Maar Nel was d'r bij. En die vond het naar.
Hij zou zich daarom bedwingen.
"Zeg Cor!" viel Nel ineens uit, "'k zal aan Vader vragen, of we ook
zoo'n varkentje mogen."
"Vader zal je feestelijk bedanken", antwoordde Cor. "Waar moet je
zoo'n dier nu houden? 't Is veel te vies."
"Vies, hoe kom je d'r bij? 't Beestje is zoo schoon als 't maar kan.
Ik vraag het aan Vader!"
"Doe het. Ik zeg je dat 't niet lukt. Je hebt toch vanmorgen gezien,
hoe vies die hokken zijn en 't stroo d'r in, op de markt?"
Nel liet het plotseling opgekomen plan zoo gauw niet los!! Ze waren
bij huis. Nel stormde den winkel binnen. Wat was het daar vol! En
wat leuke menschen, vooral die boerinnen met d'r gladgestreken haren
onder de witte muts, die haar bolle wangen omspande en in breede
plooien over rug en schouders afhing.
[Illustratie]
Met d'r groote boodschappenmand aan den arm, hadden ze voor de
geheele week inkoopen gedaan.
Meneer Poorters was met 'n paar boeren aan 't onderhandelen over een
landbouwmachine. Zonder te bedenken, dat hij dan niet gestoord mocht
worden, liep ze ineens op haar vader toe.
"Dag vader! Vadertje, mag ik een varkentje hebben, zoo'n kleintje?"
"Dag Nel." Vader keek haar wat ontstemd aan. Hij hield niet van
kinderdrukte in den winkel. "Is er zoo'n haast bij? Kun je niet even
wachten?"
De boeren hadden er schik van.
"Waôr mot de jongejuffer die hou'en?" vroeg er een. "Nee, dat geêt
niet."
"Waarom niet?" vroeg Nel. Ze had het zich zoo vast voorgesteld.
Vader zou dat niet weigeren.
"Dan môt de jongejuffer môar 'ns kommen kijken bij ons, dan
ziede-ge het wel!"
"Hè ja, Vader, mag dat?" Cor had het aanbod van boer Jansen
gehoord, en hij haastte zich, er op in te gaan. Hij wou juist zoo
graag eens een boerderij bekijken.
"Wat mij betreft, best", antwoordde meneer, "als Jansen niet bang is
voor 'n paar van die drukjes, ik vind het goed."
"Komme gullie dan moâr 'ns met mien zeun Geurt mit." 't Bleek, dat
Geurt de groentenman was. Cor en Nel zouden graag komen, zeiden ze,
en meneer Poorters vond, dat hij met 't koopen van een varkentje nog
wel tot een volgende week kon wachten.
Aan de koffietafel wachtte Moe ze al, met de "broertjes", een aardig
stel tweelingen: Dirk wat langer dan Daan. Daan was breeder gebouwd
dan Dirk. Ze gingen ook al naar school, maar werden nog gehaald en
gebracht. Toen ze hoorden van 't plan, om met Geurt Jansen mee te
gaan, wilden ze ook graag van de partij wezen. Moeder vond het wat
gewaagd voor ze, en beloofde ze 'n wandeling den berg op, waarmee ze
meer tevreden gesteld dan op schik waren.
Al vroeg na de koffietafel kwam Geurt Cor en Nel aanhalen. "Vaôder
had 't 'ezeid", vertelde hij. Nel vond het eerst wel wat vreemd, op
die groentekar, maar Cor zat er op zijn gemak, vooral toen hij de
leidsels mocht vasthouden. "D'n Bles weet gaôr zoo goed den weg as
ikke", verzekerde Geurt, wat wel bleek, want met zijn gestadigen
stap ging Bles, zonder dat Cor eigenlijk stuurde, den weg naar de
boerderij, waar vrouw Jansen dadelijk begon aan 't afladen van de
bennen en manden. Cor hielp een handje mee: dat was net wat voor
hem!
Nel wilde dadelijk naar de "varkentjes" gaan kijken.
[Illustratie]
Ze was meteen van haar plannetje àf, want die vette, in de modder
rondkruipende dieren, waren toch niet zulke "schatjes" als ze wel
gedacht had! Er was heel wat te zien en heel wat te raggen! Cor
durfde nog niet zoo goed zijn gang gaan, 't was pas de eerste maal,
dat hij bij Jansen kwam! Maar hij beloofde Geurt en zichzelf, nog
weleens terug te komen... in den vruchtentijd!
"Wel, Nel", vroeg meneer Poorters, toen ze na dien drukken, eersten
marktdag aan tafel zaten, "wel, Nel, wou je nog zoo'n 'schattig'
beestje hebben?"
"Dank u, vadertje!" en Nel trok preutsig haar neus op, "liever niet!
Als 't nu altijd zoo klein bleef, dan wel, maar nu..."
Vader was moe. 't Was druk geweest. Hij had goede zaken gemaakt. 't
Beloofde wat voor de toekomst! In zijn dankgebed na tafel vroeg hij,
of de Heer ze allen wilde blijven zegenen en ook de zaken onder Zijn
hoede wilde nemen.
Zoo werd dat een dag van dankbaarheid, omdat de beste verwachtingen
waren overtroffen. Meneer Poorters wist het, en hij leerde het zijn
kinderen vroeg: "Aan 's Heeren zegen is 't al gelegen." En hoewel
hij nooit de kinderen in de "zaken" wilde mengen, achtte hij het
niet minder noodig, ze vroeg te leeren danken voor de zegeningen,
die ook in de zaken werden genoten.
Cor vooral zat graag in den winkel. Die was zooveel grooter dan hun
vroegere, in Haarlem, en er was nog grooter verscheidenheid in te
vinden. Heel wat dorpen in de omgeving betrokken hun waren in de
zaak van Ter Hoek, zooals die, ondanks de nieuwe bewoners, nog
altijd werd genoemd.
En bijna dagelijks kwamen er groote bezendingen van allerlei waren
aan, vooral moderne land bouwgereedschappen. Dat was voor den
rusteloozen Cor een genot; hij was, zoolang Vader er niet bij kwam
en hem naar huis stuurde, druk bezig met uitpakken, plaatsen en
verplaatsen. Al zijn schoolwerk liet hij er graag voor rusten. Maar
meneer Poorters wilde er niet van weten: kinderen behoorden thuis,
vond hij. En als Cor bezig was, wilden de broertjes ook al mee. En
winkel en magazijnen waren géén kinderkamer; alleen als Vader er
nièt was, kon Cor zijn vermaak zoeken in de "zaak".
Wel ging 't eerste nieuwtje er gauw af, maar het verboden terrein
bleef toch voor Cor het meest aantrekkelijke, hoezeer hij wist dat
het verboden wàs.
Er was zoo al een week voorbij gegaan, en 't werd Zaterdag. Jan,
Theo en Koos zouden er op uitgaan, en meneer had beloofd, mee te
trekken. Hij deed het meermalen, nu eens met het ééne clubje, dan
weer met het andere, nu eens met de fietsers per fiets, dan met de
wandelaars te voet.
De jongens waren er dol op, want meneer Van Waalwijk was dan niet
meneer, maar hun kameraad, van wien ze hielden, dien ze vertrouwden.
De jongens konden bij hem een potje breken en hij bij hen.
Koos vooral hield van die tochten. Meneer wist zooveel te vertellen
van alles, waar Koos van hield: van de natuur, en al het wondere uit
het leven van bloemen en planten en vogels. Daar ging Koos in op;
hij kon droomen in de donkere dennebosschen, en tusschen 't
beukenhout wist hij de plekjes te vinden, waar in den namiddag de
zon schuin tusschen het gebladerte scheen en op den mossigen bodem
groote lichtplekken tooverde.
Ze trapten nu den berg op. Cor had zich bij hen aangesloten. Hij
bleek een echte racer. Telkens schoot hij vooruit, moesten ze hem
inhouden. Theo reed naast hem en hoorde geduldig al zijn verhalen
aan.
"Jô, je moet niet zoo hard trappen, dat hou je vast en zeker niet
uit tegen den berg op. Op een vlak weggetje gaat het nog, maar hier,
telkens met die huchten, word je gauw moe, als ze zoo dol rent."
"Net alsof het de eerste maal is, dat ik tegen zoo'n helling op
fiets! Hoe noem jullie dat ook weer?"
"Wel, een hucht, en als het zoo steil oploopt, een stikke hucht."
"Dan zijn het bij Bloemendaal allemaal stikke huchten. Daar kan je
klimmen! En dàn omlaag, met een vrijwiel!"
"Had je die?"
"Een echte! maar die kar is al lang stuk. Deze is eigenlijk van mijn
grooten broer. Een fijn beestje!"
Cor begon te hijgen.
Van terzijde keek Theo hem aan.
"Is je stoom al op, zeg? Wil ik duwen?"
"Niet noodig, hoor."
Cor trapte raak. Doch het ging steeds langzamer.
"Laat ik je maar wat opduwen. Ik ben gewend, de hucht op te
trappen", drong Theo nog eens.
Maar Cor wilde er niet van hooren.
"Nee... dank je... niet noodig..." hijgde hij.
Een eindje voor ze uit reden meneer en de twee anderen.
"Die zijn ons een heel eind voor", zei Theo, die kalm maar zeker zat
te trappen. "Dadelijk houden ze wel stil. Dan zijn ze boven, op 't
hoogste punt."
Hij peddelde door. Cor antwoordde niets, die bleef zeker wat achter.
Hij zou wel volgen, meende Theo.
"'k Trap alvast maar door! Jij komt wel."
[Illustratie]
Meneer Van Waalwijk lag, met Jan en Koos, al uit te blazen, toen
Theo met verhit gezicht aan kwam peddelen. 't Was een vermoeiende
trap met zoo'n onregelmatigen racer naast je als Cor.
"Zie zoo, 'k ben d'r eindelijk", zeide hij, sprong van de fiets,
legde die in 't gras en ging er zelf languit bij liggen.
"Dat zien we, Theo. Waar is Cor?"
[Illustratie]
"Verloren, meneer, onderweg", gaf Theo ten antwoord, en hij zette er
een onschuldig gezicht bij. "Maar ik kon het heusch niet helpen!"
"We moeten toch op hem wachten."
"'k Denk, dat hij niet meer kon; hij zuchtte op 't laatst al als een
stukke locomotief; maar hij reed ook zóó hard, dat er haast geen
bijhouden aan was."
Koos zat te genieten. 't Was daar een verrukkelijke plek, met
prachtige vergezichten. Links van den weg statige rijen beuken,
zóó diep-weg, dat ze in de verte elkander schenen te raken. En aan
weerszijden van den zandweg, waarlangs die beuken stonden, prachtige
buitenplaatsen midden in het bosch. Aan den anderen kant van den
weg, hoog geboomte, maar tusschen dat hout door zag je in de verte,
aan den overkant van de rivier, de lage Betuwe liggen: telkens één
of twee kerktorens, sommige boven het hout uitkomend. En overal
verspreid, de boerderijen, waarvan de roode daken fel afstaken tegen
al het groen; en langs de rivier met haar tallooze bochten, de
lichte streep van den dijk.
Koos keek, en hij was er haast niet bij.
Hij zag de zonneschittering in het water, waar bijna geen beweging
in was te bespeuren.
"Prachtig, hé, meneer?" riep Koos ineens.
Meneer hield van Koos, omdat hij, bij 't zien van iets schoons, zoo
heerlijk in vervoering kon komen. Zulk droomen als Koos deed, dat
kon geen kwaad.
"Of het", antwoordde meneer Van Waalwijk.
"Toen de kersenbongerds bloeiden, ben ik er met Vader heen
geweest..." zei Koos.
"En ik ga, als de kersen rijp zijn", merkte Theo op.
"Heel wat prettiger, meneer! Eten, op Langenhorst of op de
Ingelhoeve! Eten, tot je niet meer kan! Dat is beter werk dan kijken
alleen!"
"Ik eet anders kersen tegen jou op", zei Koos. "Maar de boomen in
bloesem vind ik prachtig. D'r zat toen aan den dijk een schilder te
teekenen. 'k Wou, dat ik het zóó kon, zóó mooi... de bloesem
leefde..." Jan Arps stond op.
"'k Zie Cor nog niet aankomen. Waar zou die gebleven zijn?"
"Spring op de fiets, en ga kijken, dan weet je het."
Jan sprong op de fiets; Theo volgde zijn voorbeeld; Koos en meneer
Van Waalwijk deden evenzoo.
Ze zagen nog niets. Al vrij-wielende daalden ze.
Plots schoot Cor achter een boom vandaan.
"Hé, holla! hé! Waar gaat dat naar toe?"
"Op zoek naar jou, natuurlijk. Waar bleef jij?" vroeg Jan.
"Hier, zooals je ziet. Ik moest even rusten, want mijn voorband is
leeggeloopen; de binnenband is wel goed, maar ik vertrouw 't ventiel
niet."
"Heb je 'm al opgepompt?"
"Ik niet. 'k Heb geen pomp bij mij en geen ventielslang ook. Heb
jullie d'r een voor me?"
Meneer Van Waalwijk had natuurlijk pomp èn ventielslang bij zich.
't Was niet de eerste maal, dat hij met jongens aan den trap ging.
"Waarom kwam je niet naar ons toe?" vroeg Theo.
"Dank je wel. Ik loopen en jullie rijden? Dat gaat niet best. En ik
had geen zin m'n band te vernielen, zoo tegen den berg op. 'k Ben nu
lekker uitgerust ook!"
Met groote handigheid herstelde hij het ventiel, en al gauw was de
band weer hard.
Ze stapten op, en de klim begon opnieuw.
Nu fietste Cor regelmatiger. Ongemerkt was meneer Van Waalwijk naast
hem gekomen en hield hem aan de praat.
Ze kwamen zoo, rustig en ongemerkt bijna, zonder buitengewone
inspanning, op de hoogte aan.
"Afstappen, Cor, dan zul je wat moois zien!" commandeerde meneer.
De fietsen werden naast elkaar tegen een boom gezet, en daar stonden
ze met hun vijven. Koos genoot opnieuw, en ook Cor kwam onder den
indruk. 'n Oogenblik was genoeg, om hem vol bewondering te doen
uitroepen:
"Wat is het hier mooi!"
Doch onmiddellijk volgde er op:
"Maar wat is dat water? Is dàt de rivier?"
De jongens schoten in den lach.
"Natuurlijk", zei Theo. "Hoe kom je d'r bij! Wat moet het anders
wezen?"
"Maar ik dacht, dat de rivier recht was! Op de kaart zie je toch een
rechte streep? En hier is het één en al bocht!"
Ja, nu vonden ze Cor's verbazing toch niet zoo héél dwaas meer.
Zij hadden het al zoo vaak gezien, dat ze het eigenlijk nooit goed
opgemerkt hadden.
Meneer legde Cor uit, hoe het onmogelijk was, op de kaart al die
bochten aan te geven.
"Zouden nu dáár de Batavieren zijn aangekomen, meneer?" vroeg Cor.
En in één adem voegde hij er aan toe: "Kijk, daar drijft een
groote boot!"
[Illustratie]
't Was de vrachtboot van Rotterdam op Düsseldorf, een groote
raderboot, die het rustige water stuivend op zijde wierp.
Cor had er nu genoeg van gezien. Hij keek langs de vrij steile
helling, waar beneden een weg liep.
"Hoe kom je hier naar beneden?" vroeg hij.
"Door het kreupelbosch natuurlijk. Maar 't is steil, en 't is
verbazend moeilijk dalen."
Dat was net wat voor Cor. Zijn oogen glunderden. Hij keek Theo aan,
en ze begrepen mekaar.
"Hoe hoog is het hier, meneer?" vroeg hij.
"Vijftig meter boven de rivier zoowat."
"Ga je mee, Theo? Mag het, meneer?"
Cor wachtte het antwoord niet af, maar verdween al tusschen de
struiken.
De anderen keken meneer Van Waalwijk aan.
"Ga jullie hem maar na, dien wildeman!" zeide hij, en in een
oogenblik waren ze alle vier verdwenen.
Helder gelach klonk op; nu en dan een benauwd schreeuwtje er
tusschen. Van de hoogte af zag je de takken bewegen; een jongenskop
kwam boven 't struikgewas uit, een hand, je hoorde takken kraken...
Cor liep natuurlijk voorop. Dàn volgde Theo. Jan en Koos kwamen
achteraan. 't Was uitkijken voor ze. Tusschen het lage hout zonden
de braamstruiken hun lange, taaie, stekelige uitloopers uit, waar ze
met hun kousen aan bleven haken, of die ze door broek en al scherpe
stekels in 't lijf prikten.
Ze kwamen beneden, verhit en wel.
't Moeilijkste moest nu nog komen: het weer tegen de ruige helling
opklimmen.
"Wie 't eerste boven is?" stelde Theo voor.
Dat vond bijval.
Koos gaf het sein en daar begon het. Cor kroop als een kat op handen
en voeten, onder de takken door. Theo wierp zich òp de struiken, om
de takken te doen buigen en er zóó te komen; Koos en Jan,
voorzichtig, keken uit, en gingen behoedzaam op pad.
Halverwege gekomen, hoorden ze een luiden schreeuw. Ze dachten, dat
't een grap van Theo was; een poging om hun aandacht af te leiden,
en daardoor op hen te winnen. Maar ze lieten er zich niet tusschen
nemen, en zetten kalm hun tocht voort.
Jan kwam 't eerste tusschen het kreupelhout te voorschijn. Ha, er
was nog niemand! Meneer zat daar nog alleen. Op een holletje kwam
hij aanzetten.
"Hoera! Nummer één!" riep hij al.
Maar 't was mis! Want plotseling vlak bij de bank, kwam Koos in 't
zicht, die met een: "Afgesnoept, maat! Reuze!" éér dan Jan bij
meneer Van Waalwijk zat.
[Illustratie]
Daarop kwam Theo's gezicht, bezweet en vuil, tusschen de struiken
uitkijken. Telkens waren de bestofte bladeren hem tegen 't gezicht
gekomen; en ook nu nog baande hij zich een weg, al stappende en de
hoogere takken wegbuigend.
Toen hij bemerkte, dat de kans om de eerste te zijn, verkeken was,
vond hij het blijkbaar onnoodig, zich nog te haasten.
"Je lijkt wel een moriaan! Hoe zie _jij_ d'r zoo uit?"
Theo keek weer allerdolst. Hij veegde z'n gezicht met z'n niet te
schoonen zakdoek af, trok z'n neus weer op, zoodat z'n bril er als
op een zadel aan 't paardrijden was, en liep, zonder verder op de
opmerking acht te slaan, naar Koos. Half fluisterend, gewichtig, zei
hij:
"Wat gezien, jô, voor jou!"
"Wat dan?"
"Nest met jongen! Mormels, kerel, dat 't waren! 'k Heb ze d'r uit
gegooid, natuurlijk", voegde hij er, om Koos te plagen, aan toe.
"Da's gemeen, da's laf, da's...." foeterde Koos. Hij had Theo wel
willen aanvliegen. "Waar liggen ze, dan ga ik ze opzoeken, en leg ze
weer in d'r nest. Maar van _jou_ had ik dat niet gedacht, dat kan ik
je wèl zeggen!"
Meneer Van Waalwijk had 't spelletje doorzien.
"Waarom lieg je, Theo?" vroeg hij.
Nu bemerkte Koos pas, hoe hij er was ingeloopen.
Theo werd nog rooder, dan hij al was. Zóó had hij het heelemaal
niet bedoeld. Hij verontschuldigde zich dan ook:
"Liegen, meneer? 'k Hou Koos maar voor den gek."
"Gelukkig; jij kon ook niet zoo laf en zoo gemeen zijn."
't Kwam Koos uit den grond van zijn hart.
Maar waar bleef Cor nu weer? Die scheen specialiteit in het
achterblijven te zijn.
"Hallo! hallo!" schetterde Theo.
"Hallo!" klonk het terug uit de struiken.
Cor was nog niet veel dichterbij gekomen. Theo stelde voor, hem maar
weer op te zoeken.
"Waar zit je?" riep hij.
"Hier! 'k kan niet weg, 'k zit met mijn voet vast!" Daar moesten ze
't hunne van hebben. Ze daalden in de richting van 't geluid: Theo
voorop, de anderen vlak achter hem aan.
"Voorzichtig", hoorden ze, vlak bij zich, Cor roepen. Ze keken en
zagen een "hazenpad", waar door stroopers strikken waren uitgezet,
van koperdraad. Cor, die van stroopen en strikken niets wist, was
met zijn voet in een van de strikken verward geraakt; hij had geen
raad geweten om er uit te komen, en was maar weer blijven zitten,
toen hij bemerkte, hoe de strik zich àl vaster om zijn been sloot,
hoe harder hij er aan trok.
[Illustratie]
Koos wist er raad op. Hij maakte den strik los, en Cor zag zich uit
zijn ongemakkelijke houding verlost.
't Was gauw gebeurd, en hun luid "Hallo!" vertelde aan meneer, dat
ze terug kwamen.
Meneer keek ietwat verschrikt op, toen hij Cor zag. Z'n heele
gezicht zat vol schrammen, z'n kiel had 'n paar kleine winkelhaken,
broek en kousen waren grijs van de stof.
Theo nam hem bij den arm.
"Uit stroopen geweest, en een haasje gepakt, meneer", zei hij met
een meewarig gezicht.
Wat hadden ze 'n schik! Cor niet het minst! Ze poetsten hem af, zoo
goed en zoo kwaad als het ging, en hij knapte op, zoodat ze, na dit
ongedachte oponthoud, weer verder konden trekken.
Nu ging het fijn; Een heel eind konden ze vrijwielen, voorzoover ze
tenminste een vrijwiel hadden. Maar Cor en Theo zaten te trappen van
wat ze konden, om hun trappers bij te houden. Zoover ze de helling
af konden kijken, was er niemand te ontdekken. Er was dus geen
gevaar, als ze mekaar tenminste niet in de wielen reden. Meneer, die
remmen ophad, hield expres wat in, hoewel ook hij met een behoorlijk
vaartje reed.
"Hier tuimelde Va van den winter, toen hij bij lichte maan 's avonds
laat er nog uit moest, van de fiets, doordat hij tegen dien das
opreed", vertelde Jan, toen ze langs een gedeelte weg reden, waar
tusschen 't kreupelhout hoog-opgaand geboomte oprees.
[Illustratie]
"Welke das? Wat voor das?"...
Cor wist er natuurlijk niets van.
"Kijk maar op school. Daar vindt je hem opgezet. Want hij was dood.
Va had hem juist tegen den kop gereden. Hij was verblind door het
felle licht van de carbid-lantaarn en vloog toen regelrecht op de
fiets aan. Va maakte een tuimel van belang, maar de das was dood, en
Va had hem wel voor vijf gulden kunnen verkoopen, als hij gewild
had."
"Ik zou 't gedaan hebben", verzekerde Cor.
"Va heeft hem opgezet, en aan de school gegeven; 'k zal je hem
morgen wijzen."
Nu ging de weg weer stijgen en ze moesten aardig kracht zetten. 't
Ging langzaam, ook bij Cor, die nu snapte, dat geregeld rijden je
winner was. De moeite werd kostelijk beloond: tusschen de
berkenstammen langs den weg, zagen ze in de verte de hei liggen. Ze
sloegen een zijweg links in; eerst tusschen kreupelhout door; maar
dat werd al dunner en dunner, tot de open hei voor ze lag.
De hei!
Rhandensche jongens hielden van de hei. Voor hen was er niets
eentonigs aan die groote, grauwe vlakte; want ze kenden er al de
verrassingen van. Ze vonden er eieren van fazanten en patrijzen;
hadden er de ruimte, wisten de mooiste struikhei te vinden. En dan
kenden ze die smalle kronkelwegeltjes, die, dwars door de hei heen,
naar eenzame ontginningen leidden.
Ook kenden ze de geheimzinnige verhalen van de hei: hoe er 's
avonds, bij donkere maan, uit de dennenboschjes in de donkere verte
witte gestalten komen aansluipen, die onhoorbaar zacht naar den
grooten steen, midden op de eenzame hei, gaan, om daar te treuren
tot middernacht. Dan ritselen er wondere geluiden door de lucht, en
Krelis, de knecht van boer Huibers, had laatst nog zèlf gezien,
hoe, op zoo'n donkeren, windloozen avond, de boomen daar in de verte
hun kruinen ter aarde bogen, zonder dat ze afknapten.
Koos vertelde al die verhalen: hoe daar, onder dien steen, een
ridder begraven lag, vermoord door sluipmoordenaars en hoe hij geen
rust kon vinden eer die moord gewroken was, en hoe hij daarom nog
telkens bij den spooksteen verscheen. De raven krasten dan akelig en
het oe-hoe-i van den uil klaagde angstig door de lucht. Maar met het
slaan van twaalven verdween alles, en was het weer even geheimzinnig
stil op de wijde, donkere heide... Cor had geen ooren genoeg om te
luisteren.
"Gaan we nog naar den steen kijken?" vroeg hij, en het leek of er
een zweem van angst in zijn stem klonk.
"Best", zei meneer Van Waalwijk, die dat merkte.
Ze stapten af, want nu ging het dwars door de heide. Met de fiets
aan de hand liepen ze naast elkaar, en meneer vertelde, hoe de
heibewoners, die midden in de natuur leefden, haar hadden bevolkt
met allerlei wonderlijke wezens. Ze hadden zich een wereld
geschapen, die alleen in hun verbeelding bestond...
[Illustratie]
"Maar die knecht dan, die de boomen zag buigen?" viel Cor nu
plotseling in de reden.
"Die zal wel boven zijn bier zijn geweest", antwoordde meneer. "Ik
heb me laten vertellen, dat dàn alles voor je oogen draait!"
De verklaring voldeed Cor. Maar toch, een beetje griezelig vond hij
het nog wel.
"Zou u er midden in den nacht durven heengaan, alléén, zonder
iemand bij u?" vroeg hij.
Meneer moest lachen, en de jongens ook. Theo liet zijn bril weer op
z'n neus rijden als een ruiter in 't zadel, en riep, met holle stem:
"Dan -- ga -- ik -- mee!"
"Als de spoken _jou_ zien, maken ze vast, dat ze wegkomen", kreeg
hij nu van Koos te hooren.
Maar meneer vatte Cor's vraag ernstig op.
"Natuurlijk", zei hij. "Waarom niet? Je weet toch ook wel, dat we
nooit alleen behoeven te zijn? Bijgeloof is dwaasheid voor wie weet,
dat zijn lot en leven in Gods hand zijn."
Daar lag de steen: een groote kei, plat-rond-geslepen, vermoedelijk
door het water, waarmee hij in veel vroeger eeuwen -- de geleerden
spreken van den ijstijd -- uit het hooge Noorden was komen afdalen.
Ze probeerden hem op te lichten, doch al tilden ze alle vijf uit
alle macht, er was geen verwikken of verwegen aan. De steen lag in
volmaakte rust midden op de hei.
Ze zetten er zich op neer en Koos wees aan Cor alles, wat er in den
omtrek te zien was. Eigenaardig, maar Cor kon lang zoo wijd niet
zien als de Rhandensche jongens. Vooral Koos' oogen waren scherp:
hij zag verder en juister dan iemand.
_Hij_ wist alles van de hei te vertellen. Als je dàt slingerpaadje
afliep kwam je hier, en langs dàt weggetje kwam je dáár, en in
dat boschje zaten spechten, en ginder zaten tegen den rand altijd
heele troepen meerkollen; en daar in de verte, tegen die boerderijen
aan, zaten zijn meezen. Tenminste, als de boer ze had laten leven.
Want ze waren vijanden van de bijen, en er stonden daar heel wat
bijenkorven.
Meneer zei maar niets en luisterde, wierp er hoogstens nu en dan 's
een woord, een vraag tusschen in. In vroolijke stemming aanvaardden
de jongens de terugreis, nu meer dalend dan stijgend. En je kon Cor
telkens z'n been over het voorwiel zien leggen, om zoo te remmen,
als het wat gauw ging.
Deze tocht had den lust bij hem gewekt, nog eens, maar dan op 'n
donkeren maan-avond, te gaan kijken, òf hij bij den steen wat
bijzonders zou te zien krijgen.
Toen hij er thuis over praatte, werd hij uitgelachen. Alleen Nelly
voelde er wat voor. Maar z'n ouders rieden hem aan, rustig in bed te
blijven, dan liep hij den minsten kans, door dolende ridders of
witte wijven te worden meegenomen, of de kruin van een buigende boom
op zijn hoofd te krijgen.
Over den prettigen tocht raakte hij bijna niet uitgepraat, en hij
nam zich stellig voor, er met de nieuwe kameraden weer gauw op uit
te gaan.
IV. Cor krijgt vechtneigingen en loopt gevaar de oud-Rhandenaars
tegen zich in 't harnas te jagen.
"Wat saaie kerels zijn jullie toch! Echte Rhandenaars! Je durft
niets!"
[Illustratie]
Theo keek, door zijn brilleglazen heen, Cor aan, die op het plein
voor de school aan het "opsnijden" was.
Hij was er nu al een poosje, en 't beviel er hem eigenlijk maar
half. Ja, meneer Van Waalwijk was een aardige man. Met genoegen
dacht Cor aan den heerlijken tocht terug van Woensdagmiddag.
Maar er was toch iets, dat hem niet voldeed. Hij gevoelde, dat hij
door zijn druk- en dwaasheden zich van een minder gunstigen kant had
laten zien. Hij moest zelf erkennen: Theo, Jan, Koos, konden best
meedoen, maar toch waren ze zoo heel anders dan hij. Bij al hun
schikmaken zorgden ze er voor, het niet al te bont te maken, en hun
werk was meestal in orde.
En Cor? Ja, wat was er van hem te zeggen? Hij voelde zich in kennis
bij de andere jongens achterstaan.
Hij wist, dat hij meneer Van Waalwijk door zijn druk-doen niet van
de wijs kon brengen. Hij twijfelde er niet aan, dat meneer hem
doorzag. En dat maakte, dat hij wat verlegen was met zijn eigen
figuur, en nu lust gevoelde, om weer eens op voor hem ouderwetsche
manier "pan te schoppen". Hij wou wat anders dan wat hij de
"braafheid" van de jongens noemde.
Vandaar zijn vriendelijke uitroep tegen de jongens.
Theo raapte die vriendelijkheid op. Er was een ondeugende flikkering
in zijn oogen, en om zijn mond lag een trek van "Wat wil je?"
Spottend zei hij:
"Wat je zegt, jô! Weet je dat van je zelven of heeft een ander het
je wijs gemaakt?"
"Dat hoeft niemand me wijs te maken."
Met een plechtig gezicht keerde Theo zich nu naar de anderen, en, op
Cor wijzend, plaagde hij:
"Inderdèd, mijne heeren, het grootste wonder van Rhanden: Cor
Poorters, pas ingevoerd uit Hèr em, weet iets van zelf, zonder
hulp!"
Een schaterlach klonk op, en Cor stond er nijdig bij, een oogenblik
uit 't veld, geslagen. Hij had er niet zoo dadelijk van terug.
Maar die lach prikkelde hem. Zou hij zich door die Rhandensche
knullen op den kop laten zitten? Dat nooit. En woedend, bitste hij
Theo toe:
"Ik kan wel meer ook! Zonder hulp jou op je kop geven!"
En eer Theo er op verdacht was, stormde Cor woedend op hem los;
één flinke stoot, en Theo raakte van de beenen op den grond. Cor
zat bovenop hem, de vuist omhoog, om Theo's hoofd te gaan bewerken.
Deze, door den plotselinger aanval 'n oogenblik verbluft, spartelde
doelloos tegen.
[Illustratie]
"Genàde zul je roepen", schreeuwde Cor, hijgend van woede, hem toe.
De andere jongens stonden er in een kring om heen. Graag hadden ze
Theo geholpen, maar 't mocht niet. 't Moest eerlijk spel blijven.
Theo zweeg.
"Genàde zeg ik je!" brulde Cor nu. Hij wond zich hoe langer hoe
meer op.
"Die wil jij wel geven", zuchtte Theo benauwd. Hij kwam weer tot
zich zelven.
Met een hoeraatje werden die woorden door de jongens ontvangen.
"Niet doen, hoor!" "Hou je taai!" "Geef hem terug!", schreeuwden ze
Theo toe.
Nu werd Cor nog nijdiger. Hij wist nu, dat al de jongens tegen hem
partij trokken. En, zonder nadenken, alleen zijn woede volgend, hief
hij zijn voet op, om Theo een trap in den rug te geven.
"Laat staan", schreeuwde Jan Arps plotseling. Hij stoof uit den
kring naar voren, en stond tegenover de vechtersbazen.
"Dàt is geen eerlijk vechten, een jongen in zijn rug te schoppen!
Dat is geméén beulswerk, en als je dat waagt, krijg je met _mij_
te doen!"
"En met mij!" "Met mij ook!"
Al de jongens tegen hem.... Cor ontstelde er even van... 't Was wèl
gemeen van hem... Maar die Theo...
Hij liet zijn been zakken. Theo had van 't oogenblik gebruik
gemaakt. Met een plotselingen ruk onttrok hij zich aan Cor's greep,
en wierp hem van zich af. Nu raakte Cor van de been, en Theo stond
gereed de rollen geheel te verwisselen, en Cor er onder te krijgen,
toen plotseling het luide gejoel en geschreeuw der zich steeds meer
opwindende toekijkers gedempt werd en verstomde.
Meneer Van Waalwijk kwam aangefietst. Hij bemerkte, dat er wat
gaande was, sprong van de fiets, en zag Theo, met verhit gelaat en
verfonfaaide kleeding, staan tegenover Cor, die van de gelegenheid
gebruik had gemaakt om weer op te komen. Ze waren beide in hun wiek
geschoten, maar wilden het geen van tweeën weten. Met gebalde vuist
stond Cor tegenover Theo.
[Illustratie]
Meneer Van Waalwijk drong door den kring heen. "Goe-morgen jongens!
'n Deuntje gevochten? Goed klop gegeven? Dan zul je wel moe wezen.
Toe, ga even met me mee. Dan kun je wat uitrusten. En je opknappen
ook. Want je ziet er uit, alsof je een halven dag in het droge vuil
hebt gewerkt!"
"Z ij n schuld!" siste Cor nijdig, en hij wees naar Jan Arps. "Die
kan niet eerlijk laten vechten!"
"Eerlijk vechten", kwam het, verontwaardigd, minachtend uit Jan's
mond, "eerlijk vechten, dat kun j ij niet. Jij wil 'n jongen, die
ligt, in den rug trappen. En dat is gemeen, zeg ik je!"
"Nou, en Theo zegt, dat ik niet durf, en ik láát me niet door een
Rhandensche jongen op den kop zitten. Nooit!" foeterde Cor,
vastbesloten.
"Zooveel te beter dus, dat ik juist kwam", kalmeerde meneer Van
Waalwijk. "Ik bèn geen Rhandenaar, en daarom kunnen jullie allebei
met mij meegaan om uit te rusten."
Theo verdween al naar binnen. Cor scheen nog geen zin te hebben. Zou
hij?... Hij keek op... Overal vijandige blikken bij de jongens, die
hij in hun zich-Rhandenaar-voelen diep beleedigd had... een strakke
wil op meneer's gezicht... daar ontkwam hij niet aan... hij zag het
wel... Even nog was er de begeerte, niet te gehoorzamen... maar
verslagen voelde hij zich tòch al en dus,... meer schuivend dan
loopend, uiterlijk onwillig, ging ook hij naar binnen.
Meneer was doorgeloopen. Die twijfelde er niet aan, of Cor zou wel
komen.
"Ga jullie wat rekenen", gebood hij koeltjes, toen beiden zaten.
Theo begon; Cor, den elleboog onder het hoofd, zat woedend voor zich
uit te kijken.
Meneer keek rustig naar hem, en Cor merkte het. 't Kon hèm wat
schelen! Hij verwachtte, dat meneer tegen hem zou uitbarsten. Dat
zou hij eigenlijk 't liefst gehad hebben.
Daar kwam meneer naar Cor toe.
"Geen zin, kameraad?"
Geen antwoord. Schuw, een beetje valsch-loensch onderuit, gluurde
Cor, of Theo ook keek.
[Illustratie]
Meneer zag het.
"Theo, ga jij even de gang in."
Theo ging, en meneer zei nu zachtjes tegen Cor, terwijl hij hem de
hand op den schouder legde:
"Zie zoo, Cor, nu is het gemakkelijker voor je om te gehoorzamen?"
Dat had Cor niet verwacht. Bijna verschrikt keek hij op. In Haarlem
was hij het anders gewend geweest, als hij zoo'n weerspannig-brutale
bui had en "opspeelde", zooals hij het zelf noemde.
Bijna zonder nadenken greep hij zijn boeltje en probeerde aan het
werk te gaan.
Nu werd ook Theo weer binnengeroepen.
"Wat had jullie eigenlijk?"
Theo vertelde, zonder omwegen en Cor bevestigde, dat het zoo was. Ze
moesten meneer toestemmen, dat de aanleiding toch niet zooveel te
beteekenen had.
"Maak het nu zonder vechten weer in orde, anders heb je voor je zelf
toch geen rust", drong meneer aan. Maar dat lukte nog niet zoo gauw,
daartoe moesten beide jongens, en vooral Cor, zich te sterk
overwinnen. Maar meneer's houding had betere gevoelens in ze wakker
geroepen; ze schaamden zich voor hem, en in hun hart voelden ze, dat
ze zóó den wil des Heeren niet deden.
Meneer verwachtte, dat het wel doodbloeden zou, en daarom bemoeide
hij er zich niet verder mee.
Toch bleef er dien middag een geprikkelde stemming in 't lokaal. Er
groeide verzet bij de Rhandensche jongens, verzet tegen dien
indringer, die hun de wet wou stellen!
Om vier uur lieten ze hem links liggen, gingen in een clubje hun
eigen weg; nu juist drukker en vriendelijker dan gewoonlijk. 't Was
om Cor te plagen. Alsof ze hèm noodig hadden! Wat verbeeldde zoo'n
aap zich wel! Hij had ze in hun eer als Rhandenaar aangetast, en
dàt zouden ze hem inpeperen.
"Cor, ga je mee naar huis?"
Nelly liep op hem toe, toen hij, onvriendelijk en grommig gestemd,
doordat àl de jongens zóó partij tegen hem trokken, in zijn
eentje naar huis ging. Juist zag hij de anderen den hoek naar de
Hoofdstraat inslaan. Fijngevoelig als Nelly was, had ze dàt
oogenblik afgewacht.
"'k Zal met meisjes naar huis gaan!" weerde Cor af. Maar hij voelde
op 't zelfde oogenblik, dat hij leelijk en onbehoorlijk was tegen
Nelly. Vriendelijk liet hij er onmiddellijk op volgen:
"Waarom ben jij niet met de andere meisjes meegegaan?"
"'k Dacht, dat jij het onprettig zou vinden om alleen te loopen.
Daarom wachtte ik even."
Nel kende Cor door en door, en ze wist ook, dat hij veel van haar
hield, en 't nooit zoo kwaad meende als hij wel voorgaf. Tegenover
háár hield hij zijn ruwheid nooit vol.
Cor keek haar aan. Zus had toch een smal gezichtje, vond hij. Ze zag
er zoo heel anders uit dan die kinderen hier, zoo smalletjes, zoo
weggetrokken-wit soms. Er waren meisjes op school, zóó sterk, dat ze
hèm misschien wel aan konden, als het op vechten aankwam. Maar
zus...
Nelly liep rustig naast hem mee. Hij moest haar tasch maar voor haar
dragen.
"Geef je tasch maar hier!" 't Was eigenlijk alleen een inleiding,
want hij vervolgde dadelijk: "Hoe vond jij het vanmiddag, zeg?
Valsch van Jan Arps, hè?"...
Hij wachtte op zus' antwoord. Zou ze hem óók afvallen? Maar dàn zou
ze hem zeker niet opgewacht hebben.
"'k Weet het niet; 'k heb er niets van gezien. Maar de jongens waren
allemaal vreeselijk kwaad, geloof ik."
"Nou ja, ze trekken partij voor mekaar."
Nelly keek hem vriendelijk aan.
"Waarom vecht jij ook altijd, Cor?"
"Nou, en ik ben toch geen meisje? Daar ben je toch jongen voor, om
je niet op je kop te laten zitten?"
Daar kon Nelly niet tegen op. Die logica ging haar te hoog.
"Toch is 't jammer", zei ze, "want ze zouden allemaal 't land aan je
krijgen."
Cor voelde, dat 't waar was, dat Nel gelijk had, en meneer Van
Waalwijk had gelijk, en alle menschen hadden gelijk. Zijn eigen,
woelig, onrustig hart had ongelijk. En toch... op oogenblikken als
nu voelde hij dat diep, en wou hij wel anders worden, en klom er wel
een stil gebed op in zijn hart. Maar hij wou er niets van laten
merken. Groothouden je zelf, ook als 't in je schreide, om je zonde,
die maakte dat je jezelf zoo ellendig alléén ging voelen!
Zwijgend kwamen ze thuis. De norsche trek op Cor's gezicht was nog
niet verdwenen. 't Was binnen in hem niet tot rust gekomen. Landerig
liep hij, zonder als gewoonlijk luidruchtig een "Dag Moe! Dag
allemaal" de kamer in te roepen, den gang in, en liep nu regelrecht
door naar het pakhuis.
[Illustratie]
Daar was hij graag. Er viel altijd wat te doen, en... lui was hij
heelemaal niet. Hij mocht al niet veel van zijn schoolwerk houden,
omdat hij het zoo saai vond, en schrijven, en lezen... Wat had je er
aan? dacht hij. Maar in het pakhuis voelde hij zich thuis, en als er
wat zwaars te tillen was, of pas aangekomen goed uit te pakken, en
op te bergen, dan was hij onvermoeid. De pakhuisknechts mochten hem
graag, om zijn scherts, om zijn werklust, ook wel om zijn
vermakelijke manier van opspelen over alles en nog wat. Want zij
hadden al lang gemerkt, dat hij het zoo kwaad niet meende.
Ook nu was hij spoedig druk aan den gang. Een partij kachels was
aangekomen; die moesten in elkaar gezet worden. Net een werkje naar
zijn hand. Met een schroevendraaier gewapend werkte hij, dat het een
lust was. Hij had juist een mooien haard-mantel onderhanden, toen
thuis de gong voor het middagmaal klonk, en de klank ervan doordrong
tot het pakhuis.
"Jullie laten die voor mij staan, hoor je?" vroeg hij, gebiedend,
aan de knechts.
"Goed hoor; we zullen er aan denken, als we 't niet vergeten", was
het antwoord. Cor hoorde het nauwelijks meer, hij was al weg; wiesch
zich vluchtig de handen, en trad de kamer binnen, waar ze al om de
tafel zaten.
Hij had zijn booze bui weggewerkt. Hij liep op Moeder aan, kuste
haar; raakte Vaders voorhoofd even met de lippen aan, groette de
anderen met zijn gewone "Dag allemaal!" en nam zijn plaats naast
Nelly in.
Aan tafel informeerde Vader naar hun ervaringen van dien dag. Cor
liet gewoonlijk niet meer los dan hij wilde. En nu was hij de
vechtpartij kwijt, toen de broertjes 't spel aan den gang brachten.
"D'r is vanmiddag gevochten bij school, en Cor was er ook bij, en
hij heeft slaag gekregen ook."
"Niet waar!" stoof Cor, ineens weer nijdig, op. "'k Heb geen slaag
gekregen!"
Hij vertelde nu eerlijk, wat er geschied was, en meneer Poorters zei
er niet veel op. Alleen suste hij Cor, toen die weer aan 't uitvaren
ging over "die Rhandensche knullen".
Maar 's avonds riep hij Cor even bij zich op 't kantoor. Daar keek
hij zijn wilden jongen, van wien hij zooveel hield, omdat hij ook
het goede onder al die ruwheid en rusteloosheid kende, eens flink in
de oogen.
Nu was de ruwe Cor mak als een lam. Hij begreep, dat hij verkeerd
gedaan had. Hij begreep ook, dat hij de jongens fel had geprikkeld
door zijn optreden; en hij beloofde het in orde te maken en tegen
zijn drift te zullen vechten.
[Illustratie]
"Je weet, Cor, je vader wil je daarbij helpen. Maar je Vader Die in
de hemelen is, óók. Als je er Hem om vraagt. 't Is ook een zegen,
genade te hebben bij de menschen. Maar dan een andere, dan waar jij
van sprak!"
"Ik wil wel, Pa, maar telkens..."
"Jongen, we willen allemaal. Maar we komen er niet zonder strijd. En
zulk vechten, vechten tegen je eigen verkeerdheid, je eigen zondigen
aard, dat is wat je noodig hebt..."
Cor zou trachten, dièn strijd te strijden.