Leukweg antwoordde de koetsier: "Wel, den berg af."

"Nou ja, dat weet ik. Maar eerst?"

"Ja, als ik je dat moet gaan vertellen, heb ik nog wel een dag

werk", antwoordde de koetsier, die schik had in Theo's gezellig

gezicht.

Jan was intusschen bij de knechts gaan staan, die achter in den

meubelwagen hun boterham zaten te eten.

"'t Ging fijn, hè, vanmorgen?"

"Wat je fijn noemt", antwoordde de een, met wien Jan er op uit was

geweest.

"Nou, ik dacht, dat ik door mekaar rammelde. Is er niets gebroken?"

[Illustratie]

De veronderstelling alléén, dat er iets gebroken zou wezen, was de

eer der verhuizers te na.

"Als jij den boel had ingepakt, of andere Rhandenaars, dan zou het

mogelijk wezen. Maar wij doen het vanzelf goed!"

"Nou, maar je moet onzen Reinders anders ook niet weggooien! Die

verhuist naar alle oorden van de wereld!"

"Wij dan!" pochte den ander. "Voor een paar jaar hebben we den

keizer van Japan verhuisd. Als ik er nog aan denk, wat een werk dat

was! Met al dat Japansche porcelein, weet je? Zoo dun als water

alles; je kon er doorheen kijken, en toch geen kopje gebroken!"

Dat werd Jan te machtig.

"En in welke stad woonde die keizer van Japan?" vroeg hij parmantig.

"In Amsterdam", was het nuchtere antwoord.

"Als je nog eens wat weet, zeg! In Amsterdam!" schaterde Jan het

uit.

"Dat komt, omdat jij d'r niks van weet. Hier, in zoo'n gat, weet

natuurlijk niemand iets van dien grooten Amsterdamschen

porceleinwinkel", en meewarig schouderophalend draaide de verhuizer

zich om.

Dat was de tweede al, die met zoo'n geringschatting over Rhanden

sprak. Wat verbeeldden die lui uit de groote stad zich wel? Jan werd

weer nijdig.

"'k Begrijp niet, wat jullie in zoo'n gat komen doen!"

"Ik bèst. 'n Ander hier brengen en zelf zoo gauw mogelijk weer

weggaan", plaagde de knecht, die schik had in Jan. En vergoelijkende

voegde hij er aan toe: "Maar 't is mooi hier, ècht mooi; veel

mooier dan bij ons in stad."

Dat stelde Jan tevreden.

"Waar kom jullie eigenlijk vandaan?"

"Uit Haarlem."

"Zoo ver? Anders gaan de wagens toch per spoor?"

"D'r was zeker geen ruimte voor dezen."

"Komen de menschen gauw?"

"Die zijn gisteren al gekomen."

"Zijn ze aardig?" Nu wilde Jan alles weten.

"Vraag dat maar in Haarlem; wéét ik niet."

Zooveel wist Jan dus nu. Nu nog meer te weten zien te komen.

"Hoe heeten die menschen ook al weer?" zette hij zijn onderzoek

voort.

"Poorters, geloof ik."

"Zijn d'r jongens?"

"'n Stuk of dertien, denk ik."

Nu hield de knecht hem weer voor den gek.

"Heb je nog meer te vragen? Anders ga 'k een half uurtje slapen",

zei hij, keerde Jan den rug toe, kroop in den openstaanden wagen, en

legde zich op de pakkleeden neer.

Jan wist genoeg. Hij stoof op Theo af, en vertelde dadelijk al wat

hij wist, tot van die "stuk of dertien jongens" incluis. 't Was wel

wat moeilijk te gelooven, maar 'n pààr jongens zouden er licht

wezen en misschien was er wel een bij voor hun klas. Met dat

nieuwtje haastten ze zich naar huis.

De middag bracht hun de oplossing van al wat ze zoo graag weten

wilden. Meneer vertelde, dat er een nieuwe jongen en een nieuw

meisje in hun klas zouden komen.

"En _ik_ weet van wie!" Jan kwam er triomfantelijk mee voor den dag.

"Ik ook", zei Koos Venema, heel gewoontjes, "natuurlijk van

Poorters, die in de zaak van Ter Hoek komt."

Jan keek sip. Nu zei Koos 't nog eer dan hij, en hij had Koos niet

eens bij den wagen gezien...

"Is 't een aardige jongen, meneer?"

"Dat zullen we moeten ondervinden."

"En 't meisje?" vroeg Bets Craats.

"O, die zijn immers altijd aardig?" plaagde meneer.

[Illustratie]

"Je zult het gauw genoeg ondervinden, want Maandag komen ze. 'k

Hoop, dat jullie gauw vriendschap zult sluiten."

Zoo was die nieuwsgierigheid gedeeltelijk bevredigd, maar werd het

geduld langer op de proef gesteld, langer, dan hun belangstelling

het uithield. 't Nieuwe was er al bijna af, toen de nieuwelingen op

school kwamen; ze werden met zekere terughouding ontvangen.

[Illustratie]

Maar de meisjes 't eerst openden haar kringetje voor Nel, het

tengere popje met levendige oogen en gitzwart haar, een gezellig

praatstertje, dat zich heel spoedig in haar nieuwe omgeving thuis

gevoelde.

Vanzelf volgden de jongens toen met Cor, een robuste, bazige jongen,

zoo op 't eerste gezicht te oordeelen. En op 't eerste gevoel ook,

want al heel gauw had Theo ervaren, hoe hard Cor's "knuisten" waren.

Op zijn gewone manier probeerde Theo, Cor er tusschen te nemen. Maar

Cor liet er zich niet tusschen nemen; hij scheen wat beweeglijk in

zijn vuisten te zijn, althans ze trommelden onverwacht snel op

Theo's rug en... dat beviel hem blijkbaar nog niet eens half; maar

Cor had zich zijn plaats bevochten in den kameradenkring, en vóór

de eerste schoolweek nog heelemaal òm was, wisten de jongens goed,

wat ze aan elkaar hadden.

Rhandensche Jongens · 第 10 / 28 题