Hè, wat was het nu echt in de school!
't Zonnetje zette buiten alles in gloed, en door de ruiten zag je,
hoe de boomen in de lekkere lentelucht stonden te trillen van genot.
De kastanje-knoppen zwollen en spreidden hun teere groen voorzichtig
uit. Door de beuken ritselde het; 't oude loover viel nu af en de
gladde stammen blonken.
[Illustratie]
Daar hoorde je den lijster alweer; die zat zeker in zijn eentje te
zingen! Van den weeromstuit begon de kanarie, die in zijn kooi voor
't middelste raam van het lokaal zat, ook te kweelen; zijn snaveltje
schuin omhoog, zong hij zijn lente-verlangen zachtkens uit.
"Meneer, mag het raam open?" vroeg Koos Venema.
"Best, Koos, doe het maar even!"
Het middelste raam werd opengezet, en de heerlijke lentegeuren
drongen binnen, tot de uiterste hoeken van het lokaal.
Ze keken op, de kinderen, en wachtten even.
"Meneer, 'k heb alweer zwaluwen gezien! Bij Theunissen, onder het
dak van den stal", zei Jan Arps.
[Illustratie]
"Zoo? Nu, ik ben benieuwd, of we ze hier ook weer tegen de goot
krijgen. 'k Hoop het, want we hebben ze nu al twee jaar achtereen
gehad, en 't geeft een heele gezelligheid..."
"Maar je moet voorzichtig zijn, als er jongen in 't nest zitten!" De
opmerking kwam van Theo Maalders, een gezelligen dikkop, die de
wereld vroolijk inkeek van achter zijn brilleglazen.
'n Paar jongens begonnen te lachen. Ze herinnerden zich de historie
nog, van verleden jaar. Ze hadden staan knikkeren. Theo leunde tegen
den muur. Hij wou zuinig wezen op zijn nieuwe pak, dat hij voor 't
eerst aanhad. Boven zijn hoofd waren de jonge zwaluwen aan het
babbelen. En toen hij opkeek, daalde er juist wat van boven neer,
dat hem een mooie medaille gaf op zijn linkerborst. Ze zagen hem nog
staan kijken; eerst onbeholpen. Toen had hij ineens dien sulligen
Henk Staden aangeklampt.
"Toe, jô, haal eens af! 'k Hoef daar niet te zaaien!"
"Waarmee?"
"Wel natuurlijk met je zakdoek!"
En die goeie lobbes van een Henk had z'n eigen zakdoek uit den zak
gehaald en Theo zijn eereteeken ontnomen.
De geschiedenis werd opgehaald, en meneer moest er om lachen.
"Jij spreekt dus uit ervaring? Nou, ondervinding is de beste
leermeesteres, zei mijn moeder altijd; en die wist het! Jou zal 't
niet makkelijk voor de tweede maal gebeuren, dat je vlak onder een
zwaluwen-nest gaat staan!"
[Illustratie]
Een vroolijk gelach klonk op, ten koste van Theo nu, die met het
nuchterste gezicht van de wereld zat te kijken, net alsof het hem
niet aanging. "Kom, jongens, de sommen roepen! Pakt aan en..."
"Sta vast, meneer!" vulde ineens Jan Arps aan. "Allo, hurt bok! Daar
gaat hij weer!"
En met een gemaakt-armzalig gezicht zette hij zich aan zijn sommen.
Wie 't niet beter wist, zou denken dat hij een bloedje in rekenen
was!
"Hoeveel àf, Jan?" vroeg meneer.
"Vijf van de zes, meneer."
"Allo, hurt bok, de zesde!" kreeg Jan zijn eigen woorden terug.
"Tot uw dienst, majoor! In vijf minuten."
En Jan begon met een ijver, of zijn leven er van af hing. Zijn
kameraads wisten allemaal, dat het hem wel gelukken zou. De
werkstemming was er dadelijk weer, behalve bij Koos. Die zat te
draaien, op zijn pennehouder te bijten, in zijn boek te bladeren.
't Lukte vanmorgen niet. Die vervelende sommen! En dat het nu net
zulk heerlijk weer moest wezen! Hij zou nu veel liever op zijn kar
zitten, midden in het bosch. Of langs de smalle heipaadjes trappen,
waar je al je rij-kunst noodig had om 't pad te houden. Als er een
boer aankwam, die niet wijken wou, kon je nog afstappen ook!
't Was gek: den heelen winter had hij er best tegen gekund. Maar nu
de zon zoo heerlijk deed, en er lente-geruchten in de lucht
zweefden, kòn hij er niet bijblijven, hoe hij er zich ook toe
dwong.
"Meneer, gaat u Woensdag mee fietsen?" vroeg hij ineens.
"Lukt het niet vanmorgen, Koos?"
"Och meneer, die vervelende sommen en dat mooie weer!"
[Illustratie]
"Ja maat, die komen niet bij mekaar, vind je? Toch zal 't moeten.
Over dat fietsen praten we om twaalf uur wel."
Met een zucht begon Koos weer. Maar zijn gedachten waren buiten.
Zouden er al kieviten in de Plassen zitten? En zijn meezenfamilie?
Hoe of die het maakte?
Dat was zijn geheim, van hem en van zijn broertje Dirk. Diep in het
bosch hadden ze een zelfgefabriceerd nestkastje opgehangen: een stuk
berketak, dat ze met veel moeite hadden uitgehold. Ze hadden er een
verscholen hoekje voor opgezocht; waren, om het te bevestigen, een
heel eind een beuk ingeklommen. Dezen winter waren ze een paar malen
gaan kijken: eindelijk was het door een meezenpaar bewoond! Koos had
zonder daar Mops meening over te vragen, van Mop een vleezig beentje
afgenomen, dat die uit de keuken had opgediept. Mop stelde het
schijnbaar niet eens op prijs, dat hij mee mocht om het te brengen,
en kon toezien, toen het werd opgehangen! Maar de meezen hadden de
bedoeling des te beter begrepen.
Zouden er nu al jongen zijn? Nee -- 't was nog veel te vroeg in 't
jaar. Maar zeker waren ze reeds met de nestdrukte begonnen, vooral
nu 't weer zoo mooi werd.
[Illustratie]
Woensdag moest hij er op uit -- als meneer dan eens weinig werk
opgaf -- en dan met z'n drieën of vieren op de kar er van door!
Ja, de hei was nog wel zwart. Hoe heerlijk moeten nu de berken met
hun ragfijne loover staan te droomen in de zon! Hij zou vast zijn
schetsboek meenemen, even een paar krabbeltjes er van maken.
Onwillekeurig ging zijn potlood aan den gang -- hij vergat sommen en
klas, en voelde alleen lentelucht, zag alleen lenteleven, hoorde
meezen-gesjilp en 't zacht ruischen van den voorjaarswind door het
ijle berkenloover.....
Een luid gelach wekte hem uit zijn gedroom.
Hij keek op, en bemerkte, dat hij de een of andere dwaasheid moest
uitgehaald hebben. De boeken en schriften waren overal weggeruimd;
alleen op zijn plaats lag alles nog in wanorde op de bank. Haastig
greep hij naar zijn schrift, waar nu, inplaats van sommen, een
teekeningetje was ontstaan.
"Dat wil ik graag van je hebben, Koos! Anders zou ik moeten denken,
dat je je heelen morgen verdroomd hebt."
Koos, wat onwillig, wat verlegen, bracht het schrift.
"Wat moet er boven dat opstel-in-lijnen staan, Venema?" vroeg meneer
een beetje strak.
"'t Hindert niet. Maar ik kàn die sommen ook niet maken!"
"Dus 'Lentestemming' b.v.?" vervolgde meneer.
"Ja, als u er bijzet: Van een tot sommen-maken veroordeelde", spotte
Theo. Z'n oogen, achter zijn bril, zochten het onafgewerkte schetsje
af. En gul, met een gemakkelijke bewondering, voegde hij er aan toe:
"Toch mooi! nou! kon ik het maar zoo!"
"'k Wou het voor jou, Theo", plaagde meneer Theo, wiens beste vak
teekenen nu eenmaal niet was. "En weet je, wat ik nog meer wou? Dat
jullie die sommen allemaal goed maakten. Gerust er moet beter
aangepakt worden."
Koos vond het toch vervelend.
"Toe, meneer, geef me dat ding liever terug. Als u Woensdag mee gaat
fietsen, zal ik wel een mooier voor u teekenen....."
"Zou je nu niet liever eerst je bulletjes opruimen? Dat heb ik je al
tweemaal gevraagd, maar Koos luisterde niet."
O, hadden ze daar zoo om zitten lachen? Ze konden ook nergens tegen.
Haastig bergde hij alles weg, en toen waren ze klaar. Een kort,
hartelijk dankgebed, en ze konden gaan.
"Wacht jij even, Venema?" vroeg meneer aan Koos.
"Ook al goed", bromde die, weinig vriendelijk, en lusteloos ging hij
weer naar zijn plaats.
Meneer kwam dadelijk bij hem.
"Zeg, chef, waar zaten je gedachten vanmorgen?"
"Overal, behalve bij mijn sommen, meneer", biechtte Koos eerlijk op.
"'k Heb het gemerkt; je was er heelemaal niet bij."
"Ik kòn niet, meneer! Met zulk weer kom je er niet aan toe om te
werken", antwoordde Koos met eenigszins koddig aandoende berusting.
"Tut-tut-tut man! Jij bent toch zelf de baas? Je zegt toch zèlf, of
je er aan toe bent om te werken of niet?"
Koos zweeg. Als hijzèlf het voor 't zeggen had, dan zat hij nu op
de hei, of in 't bosch bij zijn meezen.
"'k Zal zien, of ik 't er Woensdagmiddag kan uitbreken. Dan gaan we
een paar uurtjes zwerven in den Del. 'k Vind het heusch óók
heerlijk, maar plicht gaat boven alles."
"Als je zoo oud bent als u mogelijk wel, meneer", bekende Koos. Maar
hij stelde in de beloofde wandeling meer belang.
"Mogen we ècht weer met u mee?"
"Ja, ècht, als 't eenigszins kan. Maar dan doe je mij hetzelfde
pleizier als de andere jongens: dan ploeter je er vanmiddag en
morgenochtend op los, dat het een aard heeft. Begrepen?"
"Begrepen, mijnheer."
Koos' oogen straalden.
"Dan, ingerukt marsch!" commandeerde meneer, en hij trachtte een
harde stem op te zetten en boos te doen.
In een wip was Koos er van door, naar huis toe, eten, en dan nog
even zwerven op de fiets, eer ze vanmiddag weer zouden beginnen.
't Was een klein stadje, Rhanden, maar het had een eeuwenoude
geschiedenis. Al lang waren de muren afgebroken, de muren, die maar
een kleine oppervlakte grond hadden ingesloten. In een goed kwartier
liep je het stadje in de lengte door, en 't was niet veel breeder
ook. Maar buiten die eigenlijke kom had zich een dorpsgedeelte
ontwikkeld, waar de arbeiders woonden en de keuterboertjes, en waar
nog een paar groote boerderijen met niet meer gebruikte
tabaksschuren de herinnering levendig hielden aan een vroegeren tijd
van bloei. 't Was er gewoonlijk stil, behalve in de zomermaanden.
Dan zwermden stadsmenschen op het stille plaatsje neer, en vulden de
straten, de wegen, de lanen met hun vaak luidruchtig gedoe; dan
toeterden de auto's langs den breeden straatweg, die zich als
Hoofdstraat door het stadje voortzette, en het aan de andere zijde
weer verliet. 's Zomers, vooral op de zonnige dagen, lag alles langs
dien weg dik onder het hoogopgeworpen stof. Rustig lag, midden in de
kom van Rhanden, de oude, grauw-begroeide kerk. Stond je op de
Hucht, op een half uurtje van de kom vandaan, dan zag je die kerk
liggen als een kloek tusschen haar kuikentjes. Want Rhanden zelf lag
in een dal, dat alleen langs den rivierkant niet afgesloten was door
hoogere gronden.
Het was een paradijs voor de jongens. Behalve markt en kerkplein,
bood de stad zelf weinig ruimte om te spelen. Maar de eerste lag
vlak bij het politie-bureau, en het tweede was bevloerd met kleine,
puntige, gedolven keitjes. Als je daar kwam te vallen, had je meteen
een buil of een gat in je hoofd. Aan die scherpe keitjes was het
zeker te danken, dat het Kerkplein, behalve 's winters, als er
sneeuw lag, altijd een aanblik van evengroote rust vertoonde. Met de
markt was het, ondanks het politie-bureau, nog anders. Alleen als
Sterkhouwer er de wacht had, konden zij er niet veel uitvoeren. Want
Sterkhouwer vonden ze een "kwaaien". Hij was hoofdagent en had
vroeger in Amsterdam gediend. Wat kon hij daarover opsnijden!
"Dáár had je nog 's mooi werk; minstens elke week een paar dieven
of zoo.... maar hier.... hier is 't een dooie boel; nooit wat te
doen, dan met die kwajongens!" En als hij dat zei, dan keek hij die
"kwajongens", die hij op den Bergweg of midden in het bouwland van
den Enk ontmoette, aan met een paar oogen, dat ze er bijna bang van
werden, ook al hadden ze juist nu niets op hun geweten.
[Illustratie]
Wanneer ze hem zoo, gewoon op de wandeling, tegenkwamen, dan was er
in heel Rhanden geen beter mensch te vinden dan Sterkhouwer.
Maar o wee! als ze wat uitgehaald hadden! Hij kwam gemoedereerd bij
ze thuis zeggen "dat die drommelsche jongen om zeven uur bij
'meneer' op 't 'bero' moest komen." Dan zat er een standje voor ze
op! En Sterkhouwer, als hij ze de kamer van "meneer" binnenbracht,
keek zoo nijdig, alsof hij wel voor beul wou spelen.
Koos Venema en Theo Maalders hadden het ervaren, en ze wisten ervan
te vertellen!
Op een van hun tochten waren ze in de Lichterbosschen aan 't zwerven
geraakt. Ze kregen geweldigen dorst. Daarvoor waren twee redenen:
vooreerst was hun veldflesch leeg en dan waren ze vlak bij de
buitenplaats Boschlust, waar prachtige appelboomen stonden. Nergens,
in heel Rhanden en omgeving, vond je er zulke. Ze liepen 't
openstaande hek door. Er was geen tuinman te bekennen. Toen maar
verder. Misschien was er wel een vijver met lekker frisch water,
maakten ze zichzelven wijs. Doch in plaats van bij den vijver, dien
ze zochten, belandden ze in den boomgaard, dien ze niet gezocht
hadden. Theo keek eens omhoog, mat den afstand, die hem van een paar
heerlijke appelen scheidde. Ze praatten er niet veel over, maar in
een minimum van tijd stond Koos op Theo's schouders en de appels
verdwenen... tot ze opeens den tuinman zagen. Zij àf, door den
tuinman gevolgd. Maar... op den Boschweg liepen ze Sterkhouwer in de
armen, die juist buitendienst had.
't Gaf een bekeuring natuurlijk, en van Sterkhouwers kant een
beklagen van ouders, die zulke "apen van jongens" hadden. Of het er
voor allebei had opgezeten! 't Liep bij "meneer" op "'t bero" met
een geweldig standje af, maar thuis kregen ze er meer over te
hooren! En toen ze hadden ingezien, dat appels-kapen óók stelen
is, ja, toen vonden ze zich, tegenover hun vader, niet zulke helden!
Maar tegenover hun kameraden sneden ze héél wat op over
Sterkhouwer en "meneer" en "'t bero". Sedert dien probeerden de
jongens, vooral hun klassegenooten, zooveel mogelijk uit
Sterkhouwers handen te blijven.
[Illustratie]
Den burgemeester kenden ze allemaal. Zijn middelmatige, stevige
lichaamsbouw, zijn pittige oogen, die hij zoo geweldig in zijn hoofd
kon laten rollen, en vooral zijn groote snor, gaven hem het
voorkomen van een oud-officier. Hij boezemde den jongens respect in,
en toch... ze mochten hem zoo graag nog eens nadoen!
Vooral Theo, wiens vader in den gemeenteraad zat, kon dat prachtig.
Hij draaide zijn denkbeeldige, geweldige snorren op, liet zijn
oogballen enkele malen naar alle ooghoeken rollen, en begon dan, met
een geweldig brouwend geluid: "Inderrrdèd, mijne heerrren, het
belang van de gemeente vrègt...."
Toch, hoe weinig ze hem persoonlijk ontmoetten, hielden de jongens
wel van hem. In ieder geval was hij hun burgemeester, de
burgemeester van het oude Rhanden aan den Rijn, en daar was niet zoo
gering over te denken. In de waardigheid van zijn gang, in de
deftigheid zijner manieren, in het gemaakte van zijn spreken,
vertegenwoordigde hij het geslacht van oud-Rhandensche ingezetenen.
Want voor den oud-Rhandenaar, was er eigenlijk maar één soort
menschen: dàt waar hij toe behoorde. De anderen, nu ja, die mochten
er wezen, maar het èchte, dat was het niet!
II. Hoe Jan zijn glorieuzer intocht in Rhanden deed, en wie er in 't
huis van Ter Hoek kwam wonen.
't Bleef mooi weer, al weken aaneen. Er was bestendigheid in de
lucht, alsof er nooit ander weer zou komen. In de tuinen was het dag
aan dag bloemenfeest. Als reusachtige boeketten stonden de
vruchtboomen in hun rijken bloei: wit met teer-rose. En 't blad
ontplooide zich uit den knop en gaf een wazig lichtgroenen
achtergrond aan al dat bloesem-mooi.
't Was prachtig zaai-weer geweest.
In den Enk, aan den Boschkant, in de Weerdes, overal was het druk,
één en al beweging. De lijsters hadden het druk in de omgewerkte
akkers, en in 't bosch was het één en al getjilp en gefiet en
gekwetter, één vogeldrukte van belang....
Zwaar knarsend in de wielen, kwam een door twee logge, sterke
paarden getrokken verhuiswagen den Hucht opsukkelen. 't Ging
langzaam en met groote bezwaren. De vracht was te zwaar, zelfs voor
de reusachtige dieren, die haar trokken. De koetsier schreeuwde en
vuurde de dieren aan, zooveel hij kon. Om den wagen liepen een paar
verhuisknechts; nu eens hadden ze de paarden bij den teugel, dan
weer zetten ze zich tot duwen; bij oogenblikken hadden ze de met
ijzer beslagen houten noodig, die, onder de wielen geschoven, het
achteruit rijden van den wagen moesten beletten.
't Was nog vroeg, en dus stil langs den weg. Toch werd hier en daar
een raam van een der villa's opgeschoven en kwam een nieuwsgierig
hoofd naar buiten.
"Zoo gaat het niet", schreeuwde de koetsier, toen ze tot vlak bij
het vriendelijk gelegen huisje genaderd waren, waar Jan Arps woonde.
[Illustratie]
't Lag achter zwaar geboomte verscholen, een eindje van den weg af.
Maar Jan had al lang het lawaai gehoord en stond aan het hek.
"We schieten op als slakken", schreeuwde de koetsier weer.
"'t Is te zwaar voor die beesten", zei Jan, die 't hekje uitkwam.
"Ze boomen het niet."
"'k Geloof het ook", pruttelde de koetsier, die van den bok afklom,
en zijn beesten, die stonden te hijgen van inspanning, op den nek
klopte.
"Ze kunnen niet meer. Ze zijn haast buiten adem. 't Is ook zoo'n
steile hoogte hier!"
"Reinders rijdt altijd met drie paarden zijn verhuiswagens tegen den
berg op", zei ongevraagd Jan, "en zóó'n kar, daar zet hij wel eens
vier voor. Die zijn zoon Driekus moet je zien mennen! Die kan het!"
"Kunnen we hier wat water krijgen voor de beesten? Want dat zie je
ook nergens."
"Best hoor, ik zal 't wel halen", en in een ommezien kwam Jan
aandragen met een emmer water.
De dieren dronken, of hun dorst nooit gelescht zou worden, en een
tweede emmer water was noodig.
[Illustratie]
Onderwijl overlegde de voerman met zijn kameraads, wat ze doen
zouden.
"Zoo gaat het niet, zóó beul ik m'n jongens te veel af, en daar
dank ik voor", zei de voerman, en weer klopte hij de dieren goedig
tegen den vleezigen nek. Ze kwamen wat tot rust, maar stonden toch
nog te rillen op hun pooten.
"Weet je wat, ga jij vragen of die Reinders ons met een span paarden
wil komen helpen", richtte hij zich tot een van de knechts.
"Waar woont die, weet jij dat ook?" vroeg deze aan Jan.
"O, aan den dijk. Je loopt dezen weg maar op, recht door Rhanden
heen, en dan nog een minuut of vijf; dan sla je een dwarsweg in, en
dan zie je het wel: hun huis staat vlak tegen den dijk aan. Maar
wacht, ik zal mijn boterham opeten, dan kom ik je na op de fiets en
zal het je wijzen."
"Asjeblieft, want van je recht door en links af snap ik niet veel",
pruttelde de knecht, die in de wandeling blijkbaar weinig zin had.
Jan ging naar binnen.
"Moeder, mag ik alvast wat eten? Dan fiets ik die lui even achterop,
om ze te wijzen waar Reinders woont, want zóó komen ze niet tegen
den berg op."
"Kom je voor schooltijd nog terug?"
"Natuurlijk, Moe, 't is nog vroeg."
Jan kreeg verlof, en een kwartier later fietste hij den Bergweg af.
[Illustratie]
Hij reed, zoo snel hij kon, en onderhaalde den knecht nog vóór in
de Hoofdstraat.
Zoodra hij den man zag, remde hij, natuurlijk met zijn voet op 't
voorwiel, en sprong van de fiets.
"Oók een gat hier!" Met die vriendelijke begroeting werd hij
ontvangen. Net wat voor Jan! Van ouder tot ouder was hij Rhandenaar,
en dan zoo iets te moeten hooren van zoo'n kerel!
"Waarom kom je dan hier, als je 't zoo'n gat vindt", beet hij nijdig
terug.
"Nou jô, 'n mensch moet wat doen voor zijn broodje", zuchtte de
ander. "Voor je pleizier hoef je den ganschen nacht niet op zoo'n
wagen te liggen."
Ja, dat was waar, dat verzachtte, vond Jan, en hij gaf zijn plan op,
om, uit wraak over de minachting, aan Rhanden betoond, den knecht
niet verder te helpen. Bovendien vond hij het wel interessant; 't
was een avontuurtje, waarover hij tegen zijn kameraads kon
opsnijden.
"Moet je nog verder?" vroeg hij, naast de fiets voort stappend.
"'k Weet het niet, we moeten in de Hoofdstraat zijn, in 'n grooten
ijzerwinkel."
"O, bij ter Hoek? Dien zijn we al voorbij. 'k Zal hem strakjes
aanwijzen. Hier zijn we aan den zijweg."
Ze sloegen een pad in met diep ingezakte karsporen, en kwamen bij
Reinders, die, na eenig onderhandelen, bereid bleek de gevraagde
hulp te verleenen.
"Driekus", riep hij zijn zoon toe, een reus van 'n kerel.
"Ja, vader, hier!"
"Ga eres met een span paarden naar den Berg!"
"Goed, vader. Is 't weer zoo?"
"Ja, 't is zoo."
De laatste woorden werden met al het zelf-bewustzijn van den
oud-Rhandenaar uitgesproken. En Jan vond het best, dat die knecht,
die zoo'n slechten dunk had van Rhanden, ze lekker te hooren kreeg.
[Illustratie]
"Nou Driekus er bij is, ga ik maar terug. Mag ik straks meerijden?"
"Voor mijn part, ja, hoor!"
Jan sprong op de kar, en peddelde, nu bergop, naar huis. De koetsier
zat met den anderen knecht aan den berm te eten. Juffrouw Arps had
ze een kop thee gebracht, die ze graag hadden aangenomen.
"Ze komen, hoor!" riep Jan hun al tegen. "En ik mag meerijden, heeft
hij gezegd."
"Meerijden? Dat zal moeilijk gaan. Waar moet je zitten?"
"Voor mijn part _in_ den wagen", antwoordde Jan. "Of er boven op.
Maar hij heeft het beloofd."
"Dan zullen we zien, wat we doen."
Jan verdween, om zijn ontbijt voort te zetten. Hij vertelde, dat 't
voor den winkel van Ter Hoek was, en haastte zich, toen hij Driekus'
harde stem hoorde, weer naar buiten. Driekus had zijn tweetal al
aangespannen. Hij wilde beslist op den bok, en na wat
tegenstribbelen van den voerman kreeg Driekus zijn zin. De koetsier
nam naast hem plaats, en Jan kon achter op het trapje staan en zich
vasthouden aan de handvatten van de deur. Dat gaf 't voordeel, dat
hij er eens af kon springen, kijken hoe het ging, om dan zijn
plaatsje weer in te nemen.
Nu ging het best. Nu knarsten de kettingen, en bleven
strak-gespannen staan. Zonder hapering, gelijkmatig, kwam de wagen
tegen den berg op, en al heel gauw hadden ze 't hoogste punt van den
weg bereikt. Daar hielden ze stil, want Driekus wilde zijn paarden
afspannen. De koetsier kon het nu verder zelf wel, maar Driekus
waarschuwde hem, eerst de remmen op te zetten.
Voor Jan was er daardoor een plaatsje op den bok vrijgekomen. Hij
klom er op; maar 't viel niet mee, want de zitting was niet breed,
zijn beenen waren wat kort, en, ondanks alle remmen schoof de kar
aardig snel den berg af, ratelend en schommelend.
"Nog sterker remmen! Anders hou je 'm niet", schreeuwde Driekus den
koetsier toe.
Deze draaide aan, met uiterste krachtsinspanning tot... knap... de
veer op één der remmen het opgaf en afbrak. Nu was de vaart niet
te stuiten, en schommelend reed het logge gevaarte in snelle vaart
over den steil-hellenden weg.
't Ging Jan nu wel wat erg hard. Hij klemde zich krampachtig vast
aan één der ijzers terzijde van den bok, en keek vol angst naar de
paarden. Als er nu een viel, of ze werden wat dampig, dan gingen de
voerman en hij kopje-over van den bok.
Maar de koetsier hield de teugels. Geen oogenblik aarzelde hij; ze
blèven buiten de tramrails, en de paarden blèven kalm.
Bovendien had Driekus zijn eigen paarden aan één van de knechts
overgegeven, en stond hij zelf op een der opstappen, om bij een
mogelijk ongeluk bij de hand te zijn. Dat hij zèlf daarbij gevaar
liep, daaraan dacht hij niet. Hij zou zich als oud-Rhandenaar
geschaamd hebben, indien hij niet geholpen had, waar hij meende, dat
hulp noodig was.
Zoo deed Jan dien morgen zijn glorieuzen intocht binnen Rhanden, en
trok hij van zijn verheven zitplaats de aandacht van zijn kameraden;
vooral, toen na een laatste bocht in den weg, de wagen, door den
koetsier weer geheel in bedwang gehouden, stopte voor den winkel van
Ter Hoek.
Dadelijk was hij omgeven door tal van schooljongens, die den opstap
probeerden op het nog steeds omlaag-geslagen achtertrapje. Jan klom
er af, en hij was niet weinig gestreeld, toen de voerman hem
toeriep: "Dank je wel, maat! Jij hebt je goed gehouden op den bok!"
"Is 't anders niet?" antwoordde Jan, schijnbaar onverschillig, maar
toch zóó luid; dat de jongens het hoorden.
"Wat was er?" "Hoe kwam jij d'r bij?" "Wie komt er wonen?"
Neen maar, óók dom van hem! Dat had hij heelemaal vergeten te
vragen. Maar om twaalf uur kwam hij het wel te weten. Vast! Hij
ontweek daarom het antwoord op die laatste vraag, en vertelde
daartoe breedvoerig zijn ervaringen van dien morgen, en het gevaar
van den rit berg-af.
Met open mond luisterden de jongens, vooral toen Koos Venema
bevestigde, dat de kar zoo snel reed.
"'k Kon hem haast niet voorbijkomen met de fiets", zeide hij.
De intocht van Jan werd er te meer glorieus om, en het speet hem
niets, dat hij den voerman zijn diensten had aangeboden.
Maar nu nog de eerste zijn, die wist, w i e er kwam te wonen!
Om twaalf uur, zoodra de school uit was, haastte hij zich naar de
Hoofdstraat. De meubelwagen stond er nog, en al gauw ontdekte hij
den koetsier.
"Zoo, baas, schiet je op?"
De koetsier keek op.
"Zoo, kameraad, jij alweer present? D'r is nou niks voor je te
verdienen hoor, of je moet een sjouwtje willen aannemen! We kunnen
er nog best een paar man bij opzetten, vooral als ze zoo vief zijn
als jij!"
"Bah! Wat stuift het", zei Theo ineens. Hij was Jan gevolgd, en
knipoogde tegen hem.
"Jij wordt er ook eventjes tusschengenomen, zeg! Of hij kent je nog
niet."
"'k Zou dien jongen niet kennen! Vanmorgen heeft hij al voor m'n
paarden gezorgd en naast me op den bok gezeten, toen m'n beesten
haast op hol sloegen. Nou jij, maat!"
Theo's oogen draaiden guitig achter zijn bril heen en weer.
"Waar kom jullie vandaan, zeg?" vroeg hij.