III.

Eenige dagen waren verloopen en nog altijd was de tasch met bankpapier

in 't bezit van »den manke". Hij was, na lang beraad met zichzelven,

tot het besluit gekomen om 't geld zoolang te houden, totdat er

navraag in de kranten kwam.

Iemand, die zooveel geld verloren heeft, dacht hij, doet natuurlijk

moeite om het terug te krijgen, en zet 't allereerst een advertentie

in de dagbladen, om den eerlijken vinder op te sporen.

Hij was vast besloten om, zoodra hij wist wáár of aan wien zich te

wenden, het geld aan den eigenaar terug te brengen; er zou, zoo

rekende hij uit, voor hem toch stellig een belooning, misschien wel

één of een paar bankjes van veertig gulden, opzitten.

Elken avond had hij in »'t Vroolijke Schuttertje", een kroeg waar

gewoonlijk de maats verkeerden, de dagbladen nagezien, maar zonder

gevolg.

Eens zelfs had de Bobberd, de trouwste bezoeker van 't Schuttertje,

toen hij Dirk zoo aandachtig het _Handelsblad_ en 't _Nieuws van den

Dag_ zag doorsnuffelen, droogjes aan hem gevraagd: »Lees jij

tegenwoordig de kranten?"

»Ik? Hoe zoo?"

»Wel, je was er vroeger geen liefhebber van en nou snor je sedert een

paar dagen zoo in die kranten. Heb je misschien wat gevonden in je

kar?"

Dirk schrikte. Zou de Bobberd iets weten? Waarom zei hij dit zoo

eensklaps? 't Zweet brak hem uit, want 't kwam hem voor, dat hij hem

zoo wonderlijk aankeek bij die woorden, en verlegen stotterend

antwoordde hij: »Ne-ne-neen! Hoe kom je daarbij?"

»Nou! ik dacht het maar zoo, manke!"

»Waarom?"

Zijn breeden mond tot een leelijken grijns vertrekkende, zei de

Bobberd: »Wel! 't is me ook ereis gebeurd, dat ik wat vond; 't was

maar een bagatel, 'n kleine parelmoeren damesportemonnaie; toen heb ik

ook gekeken naar de advertenties."

»En?"

»'k Zag er eindelijk een staan, maar 'k had de duiten al op. Ha! ha!

ha! 't was nogal de moeite waard om het te bewaren; er zat maar een

gulden of acht in; 'k heb die dubbeltjes wat lekker gebruikt. Zie je,

als 't nou meer was geweest, dan had ik misschien.... Afijn! ik kon

ook m'n vingers niet branden, want geld is geld, 't is allemaal even

rond, en aan een rijksdaalder kun je niet zien of hij van mijn is of

van jou."

»Ja! hm! maar Bobberd, 't was toch niet....!"

»Zeg, ouwe jongen! hang nou maar niet den vrome uit. Jij zou 't

evengoed hebben gehouwen als ik.--Je begrijpt, 't portemonnaietje had

ik subiet in de kachel gestopt. Geen haan kraaide er naar."

»Maar als 't nou eens bankies waren geweest, dan zou je toch aan de

lamp hebben kunnen likken, als de nummers bekend waren."

»Gekheid! 'k zou ze dadelijk hebben gewisseld. Nou, zeg! zóó mal niet,

hoor, manke! Als een arm mensch wat vindt, is het een bestiering van

de Voorzienigheid, dan _moet_ hij 't hebben, ten minste als 't niet

zóóveel is, dat je er door in den kijker loopt. En de nummers bekend?

Dat 's een praatje. Ja!--de menschen schrijven daar op, welke nummers

ze in d'r zak hebben, kun je begrijpen! Als 't een loterijbriefie is,

dan is 't wat anders; maar bankies,--gekheid!--Sakkerloot, manke! wat

kijk je me raar an.--Neen! waarachtig, ik meen het, en als je er

eentje gesnapt hebt, al was 't er ook een van honderd gulden, geef

maar hier! Voor een rijksdaalder zal ik 't wel voor je wisselen.--Nou!

biecht maar ereis op: wat heb je?"

»Niks! Je kletst.--Gênacht!"

* * * * *

Dirk gaat naar huis. Het gesprek met den Bobberd heeft hem ontstemd,

en terwijl hij, huiverend en bibberend door de koude nachtlucht, zijn

pas versnelt, denkt hij na over dat gezegde: »Geld is geld, 't is

allemaal even rond en...." Wonderlijk! op eens komt hem zijn moeder

in de gedachten: 't was zoo'n brave, eerlijke vrouw, die niemand voor

een halven cent zou te kort doen. Zonderling! dat hij juist nu aan

haar denken moet; ze is al zoo lang geleden gestorven en begraven. 't

Gebeurt zelden, bijna nooit, dat hij zóó aan haar denkt. Hoe komt hij

nu plotseling aan die herinnering? 't Is toch bepaald vreemd, want hij

kan het niet van zich afzetten; 't komt hem voor, alsof hij haar

eensklaps weer voor zich ziet, zooals zij altijd thuis bij de tafel

zat, met haar ernstig, vriendelijk gelaat; 't is alsof hij de kracht

van haar blik voelt, evenals vroeger toen hij nog een jongen was,

wanneer zij hem aanzag, als hij iets had gedaan wat hij niet mocht.

Hij is onrustig en stapt steeds sneller voort. Gelukkig! hij is in

zijn woning; vrouw Mijntje zit als naar gewoonte nog op en is aan 't

werk.

»Gênavond, moeder!" zegt hij binnenkomend.

»Gênavond, Dirk."

»Wat scheelt eraan? Je hebt gehuild! Waarom, Mijntje?"

»Ach, God! weet je 't nog niet? We moeten er uit; in de andere week

al."

»Wat zeg je daar? Is 't waarachtig?"

»Kierssen is er weer geweest, van morgen. 'k Had geen cent meer en van

middag is hij toen nog weerom gekomen, om te zeggen, dat zijn patroon

geen geduld meer hebben wil; morgen over acht dagen moeten we

verhuizen."

»Zoo! hm!" Werktuiglijk grijpt de manke naar het taschje.

»'t Is een ijselijkheid. Waar moeten we met die schapen van kinderen

naar toe?"

»Zoo'n kerel! En we hebben toch altijd goed betaald, Mijntje."

»Wist ik maar raad, Dirk!" Opnieuw barst zij in tranen uit.

Dirk richt zich op als iemand, die plotseling een besluit genomen

heeft, en met de vlakke hand op zijn knie slaande, zegt hij: »Huil

niet, vrouw! Ben je gek om je ongerust te maken. Wat n'alterasie om

zoo'n lamme vent, hé? Nou, maar morgen zal hij zijn geld hebben en we

zoeken een andere woning; een betere, hoor!"

»Wat zeg je daar, Dirk? Heb je dan geld, en van wien?"

»Geld, neen! Hm! ja! neen! Maar 'k zal den baas om voorschot vragen

en...."

»Och heer! reken daar niet op; die is niets scheutig."

't Duurde lang eer Dirk dien nacht den slaap kon vatten; onrustig

woelde hij op zijn legerstede en een paar malen vroeg Mijntje: »Ben je

niet goed, man? Slaap je nog niet?"

Neen! hij kon niet slapen; dat taschje op zijn borst drukte hem; 't

was alsof hij er de nachtmerrie mee kreeg. Dat ook juist nu die

huisheer om zijn geld moest komen; t kon nooit beter en nooit slechter

treffen; 't geld was er immers, en toch... Hij wendde zich links en

rechts, maar 't wou hem niet gelukken om in te slapen; onophoudelijk

kwamen de woorden van den Bobberd hem voor den geest: »als een arm

mensch wat vindt, dan is 't een bestiering, dan moet hij het hebben."

Waarachtig, 't scheen wel zoo, ten minste nu. Als hij een bankje van

vijf en twintig gulden er af nam, was hij voorloopig uit den brand.

Hij luisterde naar het slapen van de kinderen; het geluid van hun

regelmatige ademhalingen bereikte zijn oor en de vrouw naast hem

snikte nu en dan zenuwachtig in den slaap; zij had zich overstuur

gemaakt.

»Arme ziel!" dacht Dirk, »je hebt toch ook je portie; 'k zal zorgen,

dat je ten minste niet zonder woning bent. Zoo'n rijke kerel, die 't

verloren heeft, zal er misschien niet eens verlet van hebben; en

ik..." Hij sliep in.

Den volgenden dag wisselde »de manke" bij een winkelier in de buurt

een bankje van vijf en twintig gulden en betaalde den huisheer.

Met een paar rijksdaalders en wat klein geld in den zak stapte hij 's

avonds »Het Vroolijke Schuttertje" binnen. De Bobberd was er nog niet;

gauw dus de kranten nog eens nagezien!

»Alweer niets. Komaan! dat gaat goed," dacht Dirk; »er schijnt geen

navraag naar te komen; 'k zal nog een dag of wat wachten en dan..."

Ja, wat zou hij dan doen? Hij wist het nog niet recht, want om Mijntje

deelgenoot te maken van zijn geheim ging volstrekt niet aan. Hij moest

iets verzinnen, een leugen;--ze zou natuurlijk vragen van waar

plotseling dat geld kwam; en zonder 't zelf te weten, zat hij te

soezen over de krant. Hij zag de letters en hij zag ze toch eigenlijk

niet. Waarom stond er nu niet zoo'n eenvoudig »Verloren" in, dat

betrekking had op zijn vondst?

Kon hij niet aan zijn vrouw vertellen, dat hij uit de loterij had

getrokken? Neen! dat wist ze wel beter; hij speelde immers nooit een

briefje. Een voorschot van den baas? Ze kende den baas even goed als

hij, en--nu ja, een kleinigheid zou die geven, maar nooit een...

* * * * *

Daar komt de Bobberd binnen, en als Dirk hem ziet, krijgt hij

plotseling een onaangenaam gevoel; hij wil naar huis gaan, maar de

Bobberd houdt hem terug met de woorden: »Wou je nu al heengaan, manke?

Zijn de centjes alweer op?"

»Wat bedoel je?" Dirk ziet onrustig en, na onwillekeurig even te

hebben omgekeken, zijn ondervrager aan.

»Niks bijzonders, ouwe jongen!" grinnikt de dikke, en met zijn

waterige oogjes knippend, voegt hij er bij: »Je hebt van morgen bij

Van der Wielen een vijf-en-twintigie gewisseld. 'k Stond juist in 't

opkamertje,--dat dacht je niet, hé?--ik dronk even een kommetje

troost bij de juffrouw."

Papieren Kinderen: novellen en schetsen · 第 39 / 47 题