Eenige dagen waren verloopen en nog altijd was de tasch met bankpapier
in 't bezit van »den manke". Hij was, na lang beraad met zichzelven,
tot het besluit gekomen om 't geld zoolang te houden, totdat er
navraag in de kranten kwam.
Iemand, die zooveel geld verloren heeft, dacht hij, doet natuurlijk
moeite om het terug te krijgen, en zet 't allereerst een advertentie
in de dagbladen, om den eerlijken vinder op te sporen.
Hij was vast besloten om, zoodra hij wist wáár of aan wien zich te
wenden, het geld aan den eigenaar terug te brengen; er zou, zoo
rekende hij uit, voor hem toch stellig een belooning, misschien wel
één of een paar bankjes van veertig gulden, opzitten.
Elken avond had hij in »'t Vroolijke Schuttertje", een kroeg waar
gewoonlijk de maats verkeerden, de dagbladen nagezien, maar zonder
gevolg.
Eens zelfs had de Bobberd, de trouwste bezoeker van 't Schuttertje,
toen hij Dirk zoo aandachtig het _Handelsblad_ en 't _Nieuws van den
Dag_ zag doorsnuffelen, droogjes aan hem gevraagd: »Lees jij
tegenwoordig de kranten?"
»Ik? Hoe zoo?"
»Wel, je was er vroeger geen liefhebber van en nou snor je sedert een
paar dagen zoo in die kranten. Heb je misschien wat gevonden in je
kar?"
Dirk schrikte. Zou de Bobberd iets weten? Waarom zei hij dit zoo
eensklaps? 't Zweet brak hem uit, want 't kwam hem voor, dat hij hem
zoo wonderlijk aankeek bij die woorden, en verlegen stotterend
antwoordde hij: »Ne-ne-neen! Hoe kom je daarbij?"
»Nou! ik dacht het maar zoo, manke!"
»Waarom?"
Zijn breeden mond tot een leelijken grijns vertrekkende, zei de
Bobberd: »Wel! 't is me ook ereis gebeurd, dat ik wat vond; 't was
maar een bagatel, 'n kleine parelmoeren damesportemonnaie; toen heb ik
ook gekeken naar de advertenties."
»En?"
»'k Zag er eindelijk een staan, maar 'k had de duiten al op. Ha! ha!
ha! 't was nogal de moeite waard om het te bewaren; er zat maar een
gulden of acht in; 'k heb die dubbeltjes wat lekker gebruikt. Zie je,
als 't nou meer was geweest, dan had ik misschien.... Afijn! ik kon
ook m'n vingers niet branden, want geld is geld, 't is allemaal even
rond, en aan een rijksdaalder kun je niet zien of hij van mijn is of
van jou."
»Ja! hm! maar Bobberd, 't was toch niet....!"
»Zeg, ouwe jongen! hang nou maar niet den vrome uit. Jij zou 't
evengoed hebben gehouwen als ik.--Je begrijpt, 't portemonnaietje had
ik subiet in de kachel gestopt. Geen haan kraaide er naar."
»Maar als 't nou eens bankies waren geweest, dan zou je toch aan de
lamp hebben kunnen likken, als de nummers bekend waren."
»Gekheid! 'k zou ze dadelijk hebben gewisseld. Nou, zeg! zóó mal niet,
hoor, manke! Als een arm mensch wat vindt, is het een bestiering van
de Voorzienigheid, dan _moet_ hij 't hebben, ten minste als 't niet
zóóveel is, dat je er door in den kijker loopt. En de nummers bekend?
Dat 's een praatje. Ja!--de menschen schrijven daar op, welke nummers
ze in d'r zak hebben, kun je begrijpen! Als 't een loterijbriefie is,
dan is 't wat anders; maar bankies,--gekheid!--Sakkerloot, manke! wat
kijk je me raar an.--Neen! waarachtig, ik meen het, en als je er
eentje gesnapt hebt, al was 't er ook een van honderd gulden, geef
maar hier! Voor een rijksdaalder zal ik 't wel voor je wisselen.--Nou!
biecht maar ereis op: wat heb je?"
»Niks! Je kletst.--Gênacht!"
* * * * *
Dirk gaat naar huis. Het gesprek met den Bobberd heeft hem ontstemd,
en terwijl hij, huiverend en bibberend door de koude nachtlucht, zijn
pas versnelt, denkt hij na over dat gezegde: »Geld is geld, 't is
allemaal even rond en...." Wonderlijk! op eens komt hem zijn moeder
in de gedachten: 't was zoo'n brave, eerlijke vrouw, die niemand voor
een halven cent zou te kort doen. Zonderling! dat hij juist nu aan
haar denken moet; ze is al zoo lang geleden gestorven en begraven. 't
Gebeurt zelden, bijna nooit, dat hij zóó aan haar denkt. Hoe komt hij
nu plotseling aan die herinnering? 't Is toch bepaald vreemd, want hij
kan het niet van zich afzetten; 't komt hem voor, alsof hij haar
eensklaps weer voor zich ziet, zooals zij altijd thuis bij de tafel
zat, met haar ernstig, vriendelijk gelaat; 't is alsof hij de kracht
van haar blik voelt, evenals vroeger toen hij nog een jongen was,
wanneer zij hem aanzag, als hij iets had gedaan wat hij niet mocht.
Hij is onrustig en stapt steeds sneller voort. Gelukkig! hij is in
zijn woning; vrouw Mijntje zit als naar gewoonte nog op en is aan 't
werk.
»Gênavond, moeder!" zegt hij binnenkomend.
»Gênavond, Dirk."
»Wat scheelt eraan? Je hebt gehuild! Waarom, Mijntje?"
»Ach, God! weet je 't nog niet? We moeten er uit; in de andere week
al."
»Wat zeg je daar? Is 't waarachtig?"
»Kierssen is er weer geweest, van morgen. 'k Had geen cent meer en van
middag is hij toen nog weerom gekomen, om te zeggen, dat zijn patroon
geen geduld meer hebben wil; morgen over acht dagen moeten we
verhuizen."
»Zoo! hm!" Werktuiglijk grijpt de manke naar het taschje.
»'t Is een ijselijkheid. Waar moeten we met die schapen van kinderen
naar toe?"
»Zoo'n kerel! En we hebben toch altijd goed betaald, Mijntje."
»Wist ik maar raad, Dirk!" Opnieuw barst zij in tranen uit.
Dirk richt zich op als iemand, die plotseling een besluit genomen
heeft, en met de vlakke hand op zijn knie slaande, zegt hij: »Huil
niet, vrouw! Ben je gek om je ongerust te maken. Wat n'alterasie om
zoo'n lamme vent, hé? Nou, maar morgen zal hij zijn geld hebben en we
zoeken een andere woning; een betere, hoor!"
»Wat zeg je daar, Dirk? Heb je dan geld, en van wien?"
»Geld, neen! Hm! ja! neen! Maar 'k zal den baas om voorschot vragen
en...."
»Och heer! reken daar niet op; die is niets scheutig."
't Duurde lang eer Dirk dien nacht den slaap kon vatten; onrustig
woelde hij op zijn legerstede en een paar malen vroeg Mijntje: »Ben je
niet goed, man? Slaap je nog niet?"
Neen! hij kon niet slapen; dat taschje op zijn borst drukte hem; 't
was alsof hij er de nachtmerrie mee kreeg. Dat ook juist nu die
huisheer om zijn geld moest komen; t kon nooit beter en nooit slechter
treffen; 't geld was er immers, en toch... Hij wendde zich links en
rechts, maar 't wou hem niet gelukken om in te slapen; onophoudelijk
kwamen de woorden van den Bobberd hem voor den geest: »als een arm
mensch wat vindt, dan is 't een bestiering, dan moet hij het hebben."
Waarachtig, 't scheen wel zoo, ten minste nu. Als hij een bankje van
vijf en twintig gulden er af nam, was hij voorloopig uit den brand.
Hij luisterde naar het slapen van de kinderen; het geluid van hun
regelmatige ademhalingen bereikte zijn oor en de vrouw naast hem
snikte nu en dan zenuwachtig in den slaap; zij had zich overstuur
gemaakt.
»Arme ziel!" dacht Dirk, »je hebt toch ook je portie; 'k zal zorgen,
dat je ten minste niet zonder woning bent. Zoo'n rijke kerel, die 't
verloren heeft, zal er misschien niet eens verlet van hebben; en
ik..." Hij sliep in.
Den volgenden dag wisselde »de manke" bij een winkelier in de buurt
een bankje van vijf en twintig gulden en betaalde den huisheer.
Met een paar rijksdaalders en wat klein geld in den zak stapte hij 's
avonds »Het Vroolijke Schuttertje" binnen. De Bobberd was er nog niet;
gauw dus de kranten nog eens nagezien!
»Alweer niets. Komaan! dat gaat goed," dacht Dirk; »er schijnt geen
navraag naar te komen; 'k zal nog een dag of wat wachten en dan..."
Ja, wat zou hij dan doen? Hij wist het nog niet recht, want om Mijntje
deelgenoot te maken van zijn geheim ging volstrekt niet aan. Hij moest
iets verzinnen, een leugen;--ze zou natuurlijk vragen van waar
plotseling dat geld kwam; en zonder 't zelf te weten, zat hij te
soezen over de krant. Hij zag de letters en hij zag ze toch eigenlijk
niet. Waarom stond er nu niet zoo'n eenvoudig »Verloren" in, dat
betrekking had op zijn vondst?
Kon hij niet aan zijn vrouw vertellen, dat hij uit de loterij had
getrokken? Neen! dat wist ze wel beter; hij speelde immers nooit een
briefje. Een voorschot van den baas? Ze kende den baas even goed als
hij, en--nu ja, een kleinigheid zou die geven, maar nooit een...
* * * * *
Daar komt de Bobberd binnen, en als Dirk hem ziet, krijgt hij
plotseling een onaangenaam gevoel; hij wil naar huis gaan, maar de
Bobberd houdt hem terug met de woorden: »Wou je nu al heengaan, manke?
Zijn de centjes alweer op?"
»Wat bedoel je?" Dirk ziet onrustig en, na onwillekeurig even te
hebben omgekeken, zijn ondervrager aan.
»Niks bijzonders, ouwe jongen!" grinnikt de dikke, en met zijn
waterige oogjes knippend, voegt hij er bij: »Je hebt van morgen bij
Van der Wielen een vijf-en-twintigie gewisseld. 'k Stond juist in 't
opkamertje,--dat dacht je niet, hé?--ik dronk even een kommetje
troost bij de juffrouw."