De manke verbleekt en stottert! »Zoo! ei!--Nou! en wat zou dat?"

»Niks. Je moogt wisselen wat je wilt; maar ik dacht niet, dat je zoo'n

stiekemerd was om 't voor een ouwen kennis stil te houden, dat je een

pennetje[1] hadt gehad."

[1] Fortuintje (volksuitdrukking).

»Wie zeit je dan, dat 't zoo is?"

»Hè! hè! hè! hè! Kijk die nou! Wou je mijn nou wijsmaken dat je..."

»Och, Bobberd! hou je grooten mond; bemoei je met je eigen."

»Ho! ho! maak je niet dik, manke; ik zal je niet lastig vallen; maar

een paar proppies[1] moet je geven, hoor! Anders ben je een kale

jakhals."

[1] Borreltjes.

»Nou, als 't daarom alleen te doen is, dan... Kobus! geef ons ieder

een klare, van die dubbelgebeide, hoor!"

»Met suiker!" roept de andere, en tegenover Dirk plaats nemend, zegt

hij: »Kom, manke, 'n spulletje?"

»Neen! 'k ga naar huis." Dirk staat op.

»Zeg! mot je de kinderen soms verschoonen?" Uitdagend lachend ziet de

Bobberd hem aan.

»Neen! maar...."

»Nou, ga dan nog even zitten. Of wil moeder de vrouw 't niet hebben?

Als ik zoo'n vent was als jij, zou 'k me waarachtig niet aan een

spulletje laten kennen,--Kobus! geef de kaarten ereis!--vooral niet

als je pas een bankie hebt gewisseld. Kom, manke! jij geeft. Kijk!

daar komt Kees ook. Mooi! nou kunnen we een pandoertje maken."

Dirks wilskracht is als verlamd; hij weet niet hoe 't komt, maar hij

blijft zitten. De Bobberd heeft hem telkens, zoo meent hij, met een

vreemden, spottenden blik aangezien: zou hij vermoeden, dat hij meer

geld heeft gevonden dan die gewisselde vijf en twintig gulden? De

manke durft het voorgeslagen »pandoertje" niet weigeren, neemt

langzaam de kaarten op en zit eindelijk angstig, als op heete kolen,

te spelen.

Zijn gedachten bij het spel bepalen kan hij niet, en niettegenstaande

hij veel goede kaarten krijgt verliest hij telkens, zoodat Kees en de

Bobberd hem er over in 't ootje nemen en de laatste eindelijk, met een

reeds bezwaarde tong, hem toevoegt:

»Zie je wel, manke, dat je duiten te veel hebt?"

't Is lang over eenen, als hij 't Schuttertje verlaat. Hij heeft ruim

twee gulden verloren en veel meer gedronken dan hij verdragen kan;

geheel dronken is hij echter niet, maar toch is zijn tred onvast en

worden zijn bewegingen loom en onzeker, als hij thuis komt. Met

eenigszins dubbelslaande tong antwoordt hij zijn vrouw, die ongerust

over zijn lang uitblijven nog wakker in bed zit, op haar vragen,

zoodat zij verschrikt opstaat en 't licht aansteekt, bij de woorden:

»Goeie God! Dirk, je hebt te veel. Man! man! dat ben ik niet van je

gewend! Hoe komt dat? Ben je uit geweest?"

Gelukkig is Mijntje verstandig genoeg om niet verder te vragen, maar

hem te bed te brengen. Als een kind laat hij zich helpen; nu en dan

zegt hij een paar onverstaanbare woorden, en als hij te bed ligt,

snorkt hij spoedig zwaar en luid.

De geduldige vrouw ziet bezorgd den ronkenden man en haar kinderen

aan, zucht: »Moet dat er nou nog bijkomen!" en weent zich eindelijk in

slaap.

* * * * *

Den volgenden dag was Dirk ontstemd en knorrig; hij had zwaar

gedroomd en was met een angstkreet wakker geworden, want op de

kentering van slapen en ontwaken had hij gedroomd, dat de Bobberd voor

zijn bed stond en hem met geweld het taschje wilde ontnemen; daardoor

was hij met den uitroep: »Blijf er af, valsche hond!" wakker geworden

en zag met schrik Mijntjes donkere, zwaarmoedige oogen, die hem stil

verwijtend aanstaarden, op zich gericht. Zwijgend gaf zij hem zijn

koffie; hij had zich verslapen en haastig spoedde hij zich naar den

stal, waar de baas hem met een: »Wat mankeert jou van morgen?"

ontving.

Dirk had, zooals men dat noemt, het land; hij wist niet waar hij 't

zoeken moest om weer op zijn verhaal te komen.

Brommend en knorrig deed hij zijn werk en zijn humeur werd er niet

beter op, toen hij, even na den middag, zonder een enkel vrachtje te

hebben gehad, weer aan stal kwam en de baas zei: »'t Is weer vegen

vandaag. Ga maar naar huis om te schaften; misschien is er van avond

wat werk."

»Wat zal Mijntje zeggen?" dacht hij onder 't naar huis gaan; 't drukte

hem loodzwaar, dat zijn vrouw hem 's morgens geen enkel verwijt had

gedaan; zij had geen woord gezegd, ze was even kalm en goed geweest

als altijd; dat hinderde hem. »Had ze maar opgespeeld, was ze maar

begonnen met te zeggen, dat ik ... hm!... 't Is toch een goed

wijf!--Verdord! waarom heb 'k nou op eens geen courage meer om nog

zoo'n briefje te wisselen. Als ik maar wist wat ik haar zeggen zou,

als ze vraagt waar 't geld vandaan komt, dan deed ik 't wel," mompelde

hij in zichzelven, terwijl hij zijn woning naderde.

* * * * *

Nu is hij voor de deur; hij weifelt nog een oogenblik. Weer krijgt hij

de gedachte: »'k Zal er toch maar een wisselen en haar zeggen,

dat...." Daar hoort hij Mijntjes stem. 't Is alsof zij ongenoegen met

iemand heeft, want zij spreekt luider en op scherper toon dan

gewoonlijk.

Daarom blijft hij staan en luistert.

Luid en met nadruk hoort hij haar zeggen: »Hoe kom je er aan? Ik wil

het weten; geef antwoord, Gerrit!"

»Gekregen, moeder!" 't Is Gerrits stem, die antwoordt.

»Dat is niet waar. Zooveel sigaren krijg je niet; ik weet heel goed,

dat je er nooit meer dan een stuk of zes hebt; en nu een heel pak van

vijf en twintig, en met zoo'n mooi lint er om, dat is niet

zuiver!--Allo! zul je antwoord geven?"

De manke staat besluiteloos achter de deur. Zal hij binnengaan en den

jongen onder handen nemen? Zal hij blijven luisteren? Werktuiglijk

doet hij het laatste, en tegen een der stijlen geleund, met de

rechterhand op den deurknop, blijft hij onbeweeglijk staan.

»Gekregen", herhaalt Gerrit, »van den meesterknecht gekregen".

»Zoo. En waarvoor, waarom? Wat heb je er voor gedaan?--Je krijgt een

kleur, je liegt!"

»Zoo maar, moeder, voor een aardigheid."

»Leugenaar! ik zie aan je gezicht, dat 't niet waar is."

»Gerust, moeder, ik heb ze...."

»Zwijg! kwaje jongen! Denk je, dat moeder zoo onnoozel en dom is om

dat te gelooven? Neen, ik zal het je wel zeggen: je hebt ze

weggenomen. Kind! 't is ijselijk, dat ik dat van je moet beleven: mijn

Gerrit een dief....!"

»Neen, moeder! 'k ben geen dief!"

»Niet? Noem je dat dan geen stelen? Ja! of je nou huilt en grient, 't

is de waarheid: je bent een dief; of je geld steelt of sigaren, dat is

precies hetzelfde."

»Maar, moeder...."

»Hou je mond, jongen; ik kan je niet hooren, niet zien. Ga uit mijn

oogen, leelijke dief! Wat moet er van jou groeien, als je nu al begint

met sigaren te stelen? Geef hier dat pakje; ik zal 't...."

»Moeder, ik heb 't waarachtig niet gestolen; ik ben geen dief!"

schreit de knaap.

Een oogenblik heeft Dirk een onbeschrijfelijk akelig gevoel gehad bij

Mijntjes woorden: »Ga uit mijn oogen, leelijke dief!" Hij heeft

gebeefd en is op 't punt geweest om binnen te gaan en Gerrit zelf te

ondervragen; hij kan niet gelooven, dat zijn jongen opzettelijk

gestolen heeft, en daar valt 't hem ook als een pak van 't hart, als

hij den knaap op zoo stelligen toon hoort zeggen: »Ik ben geen dief."

Hij luistert verder, en al kan hij niets zien, hij weet, hij merkt,

dat Mijntje dichter bij den knaap is komen staan, want ze spreekt nu

minder luid en heftig.

»Kom, Gerrit! zeg mij de waarheid, kind! Hoe kom je aan die sigaren,

en waarom verstopte je ze, toen je mij zaagt? Als 't een eerlijke zaak

was, hoefde je dàt toch niet te doen. Och, jongen! ik meen het zoo

goed met je. Kom! zeg het moeder maar."

»Nou dan, moeder, ik heb ze gevonden, eergisteren, in 't portaal bij

de sorteerkamer.--Neen! moeder, huil nou niet. 'k Ben toch geen dief,

moeder, zie je wel? Ik heb ze niet weggenomen; ik spreek de waarheid,

geloof me nou toch! Ik heb ze gevonden.--Toe, moeder, huil niet zoo;

ik ben toch niet slecht, maar...."

»Kind! kind! waarom loog je dan? Is 't wel wezenlijk waar?"

»Gerust, moeder! ze leiên op 't portaal; een van de sorteerders zal ze

verloren hebben en de...."

»Zoo! dus gevonden. Maar daarom zijn ze toch nog niet van jou, wel?

Waarom heb je ze niet dadelijk teruggebracht, Gerrit? Dat had je

moeten doen, dat was je plicht geweest."

»Ja, moeder, maar..."

Dirk hoort alles duidelijk. Hij huivert en onwillekeurig brengt hij

zijn hand op de plaats, waar 't taschje verborgen is; 't kost hem

moeite zich staande te houden, als hij de ernstige stem van zijn vrouw

weer verneemt, die, tot Gerrit sprekend, zegt:

»En weet je wel, Gerrit, dat nou misschien de sorteerder, die ze

verloren heeft, als dief wordt aangezien door jou schuld en..."

»Maar ik dacht...."

»Foei, kind!--Ja! nou sta je te huilen; maar... Nou, wat wou je

zeggen?"

»De sigaren worden eerst morgen door den meesterknecht ingenomen en

nageteld, en..."

»Goddank! dan is het nog niet te laat; breng ze morgenochtend weerom

en zeg ... hm!... Ja, wat zul je nou zeggen, dat je 't pak sigaren al

twee dagen gehouwen hebt? Zie je, daar heb je 't al; nou moet je

alweer liegen, omdat..."

»Maar, moeder!"

»Zeg dan maar, dat je 't mee naar huis hebt genomen omdat ... hm!...

Heere! Heere! wat maak je nou toch een verlegenheid door zoo'n

ding!--Wat zal ik zeggen?"

»Och, moeder!"

»Zeg, dat je vader 't je had afgenomen en opgeborgen en dat je 't

daardoor niet eerder kon..."

»Vader?"

»Neen! zeg maar niets. 'k Zal er zelf heengaan; ik zal 't dan wel voor

je beredderen voor dezen keer. Maar! kind! jongen! doe 't in Godsnaam

nooit weer--en houd je maar stil, doodstil voor je vader."

»Zal u 't 'm dan ook niet zeggen, moe?"

»Neen, jongen! 'k zal mijn mond houwen. Geef 't pakje maar hier; ik

zal 't wegbergen tot morgen, want als je vader 't wist, dan zou je wat

beleven: de man is zoo eerlijk als goud. Als hij hoorde, dat jij twee

dagen een andermans goed onder je hadt gehouwen,--hij sloeg je

halfdood!"

»Och God, moeder! zeg 't hem dan niet; ik zal 't nooit weer doen; maar

ik dacht, 't zijn maar sigaren, en...."

Meer hoort de manke niet, want 't is hem draaierig in 't hoofd

geworden bij de laatste woorden van Mijntje. Stil als een hond, die

slaag heeft gehad, sluipt hij weg van de deur.

Als hij het slop uit is en in de straat, komt het hem voor alsof de

keien tegen zijn hoofd springen; werktuiglijk loopt hij voort. Met

geweld verdringen zich allerlei gedachten in zijn brein en de woorden:

»de man is zoo eerlijk als goud," klinken hem zóó duidelijk, zóó luid

in de ooren, als vernam hij ze pas op 't oogenblik zelf.

»Maar ben ik dan niet eerlijk? Heb ik dan niet iederen avond trouw de

advertenties nagekeken, en 't geld is er immers nog? Die vervloekte

Bobberd met zijn praatjes! die is eigenlijk schuld, dat ik er aan ben

geweest. En dan die huisbaas! Ik kon me toch niet op straat laten

zetten met geld in mijn zak. Wat duivel! weet ik ook van wien 't is?

Mijn jongen wist ten minste, dat die sigaren door den sorteerder waren

verloren en..."--»Als dief aangezien door jou schuld!"--»Wat weêrga!

wie zei dat daar?" mompelt Dirk in zich zelf: »'t Is precies alsof ik

't iemand hoorde zeggen," denkt hij, en eensklaps komt hem het beeld

van het jongmensch, dat boven zijn bier was en dat hij naar Kras reed,

voor den geest. »Hij zag er zoo wat uit als een handelsreiziger; 't

zou toch kunnen zijn, dat zoo'n jongmensch voor zijn patroon geld

ontvangen en, een beetje vroolijk geworden, 't verloren had.--Neen!

maar dan had hij er toch wel werk van gemaakt. Wist ik maar van wien

het was! Hm! 'k Had toch wel eens aan 't Amstel-Hôtel kunnen vragen

naar dien zieken heer, die.... Wat weêrga! wat belet me, dat ik 't nog

doe, dadelijk?"

* * * * *

Een half uur later staat Dirk in de vestibule van het Amstel-Hôtel en

zegt tot den portier:

»'k Heb een dag of tien geleden, 's avonds van den laatsten trein,

hier een passagier gebracht...."

»Dat's wel mogelijk; 't is hier zoo druk, dat rappeleer ik me niet."

Met zijn hoed in de hand, staat Dirk min of meer verlegen voor den

welgedanen portier, die met een zeker »air" hem van het hoofd tot de

voeten opneemt, als wilde hij zeggen: »Wat moet die armoedige snorder

hier?"

»En nou wou ik u vragen, of die heer er nog is."

»Weet je niet hoe hij heet? Moet je geld van hem hebben?"

»Neen!"--de manke glimlacht even--»'t Is die passagier, die ziek

aankwam. U heeft me nog een gulden fooi moeten geven!"

Eenigszins gevleid door 't beleefde »U", antwoordt de portier iets

vriendelijker:

»O! zoo! ja--'k herinner mij. Jawel, die logeert nog hier. Wat wou

je?"

»Goddank!" denkt Dirk, en Mijntjes woorden: »Dan is 't nog niet te

laat," komen hem eensklaps weer in de gedachte. Hij richt zich op uit

zijn ietwat deemoedige houding en ziet den portier flink aan, terwijl

hij zegt: »'k Moet hem dadelijk spreken. Is hij thuis?"

»Ja! maar...."

»Zeg asjeblieft, dat No. 181 er is."

»Zoo! Hm! Kun je mij niet vertellen wat je wilt? Ik weet niet, of de

baron wel te spreken is."

»Is 't een baron, portier?"

»Natuurlijk!--'t Is baron Van der Weyden; hij is pas aan de

beterhand."

»Ja, dat kan wel wezen; hij was ten minste lang niet goed 's avonds;

onder weg had hij nog zoo'n soort van flauwte. Och kom! is hij toen

naarder geworden?"

»Heel erg; hij zit pas sedert een dag of drie op.--Kom dus liever eens

terug,--later."

»Neen! dat kan ik niet," antwoordt Dirk, en hij denkt er bij: »'k Durf

Mijntje niet weer onder de oogen te komen, vóórdat de zaak in orde

is." Daarom herhaalt hij nog eens dringend: »'t Heeft haast, portier!

Ik zal den baron niet lang ophouden--Och! doe me 't plezier en vraag

of ik...."

»Nu, goed dan, ik zal je helpen," en zich tot den kleinen groom, die

in de portiersloge op een lei zit te krabbelen, wendend, zegt de

portier: »Ga eens naar boven, naar No. 12, en vraag of de baron te

spreken is voor dien snorder."

»Voor No. 181," roept de manke den jongen, die inmiddels de trappen

opwipt, nog na.

Terwijl de groom zijn boodschap verricht, verwaardigt zich de portier,

die op 't oogenblik niets beters te doen heeft, met den manke een

praatje te houden. Hij vertelt hem met een paar woorden, dat baron Van

der Weyden, in denzelfden nacht van zijn aankomst in 't hotel, ernstig

ongesteld is geworden, en sedert door de freule, zijn dochter, die

telegraphisch werd ontboden, is verpleegd.

»'t Zijn schatrijke lui, beste menschen! Maar je kunt zoo zien, dat 't

een baron van het land is: er zit geen echte adeltrots bij! Neen! dan

heb ik ze hier wel anders, hoor! die geen mensch aankijken van

voornaamheid," zegt de portier op 't oogenblik dat de groom

terugkeert, en met een vragenden blik voegt hij tot den jongen er bij:

»Wel?"

»Boven komen", is 't lakonieke antwoord.

»Dat tref je!--Allo! wijs jij dien man den weg eens naar No. 12."

»Kom dan maar mee!" zegt knorrig de groom en gaat vóór Dirk de trappen

op.

Zenuwachtig en besluiteloos staat de manke voor de kamerdeur, maar

zoodra hij heeft aangeklopt, wijkt dat angstig gevoel en kalm treedt

hij, na een zacht: »Binnen!" door een vrouwenstem geuit, het vertrek

in.

Met zijn hoed in de eene hand en in de andere het taschje, dat hij uit

zijn borstrok te voorschijn heeft gehaald, staat Dirk in de kamer en

ziet rond.

Dat moet dan die passagier zijn! Nauwelijks herkent hij hem nu; hij

heeft hem ook alleen maar 's avonds gezien, en dan nog wel in een

dikken pels gedoken. Maar als de baron hem vraagt: »Ben jij No. 181?"

herinnert hij zich zijne stem en onwillekeurig zegt hij: »Jongens!

Jongens! meneer, wat zie je er slappies uit,"--en als schaamde hij

zich plotseling over die gemeenzame woorden, stamelt hij: »Dat viel er

zoo uit, meneer, neem me niet kwalijk," en blijft verder zwijgend

staan, totdat de dame, die naast den ziekenstoel staat, hem

vriendelijk toevoegt: »Wat wenscht u?"

»Mevrouw--juffrouw--ik .... hm! ik...." stottert de manke, nog altijd

eenigermate verward door de vreemde omgeving: »ik ben de snorder, die

den baron 's avonds hier heeft gebracht en ik wou...."

»Heb je soms de beloofde fooi niet gekregen? Vraag dan maar aan den

portier of...."

»O, neen! meneer," valt Dirk snel in, »dat is 't 'm niet; 'k blijf u

nog wel dankbaar voor dien gulden, maar 't is een heel andere

zaak.--Heeft u bij geval ook iets verloren?"

»Goddank! 't woord is er uit," denkt de manke, en alsof 't hem nu

gemakkelijker valt om te spreken, herhaalt hij: »Iets van waarde

verloren?"

»Ik?--Niet dat ik weet, beste vriend!"

»Och God! zou hij 't nou toch niet wezen?" denkt Dirk; maar hij

vervolgt: »'k Heb wat in m'n viegelant gevonden, een kleine zwarte

tasch met...."

»Met bankpapier, een leeren taschje, een bankje van duizend er in

en...?"

»Juist, meneer! juist!--Hier is 't, asjeblieft!"

De freule neemt het aan en reikt het over aan haar vader, die 't

nauwkeurig bekijkt en dan den man, die voor hem staat, scherp en

oplettend aanziet.

»Wanneer vond je dat?"

»'s Morgens vroeg, toen ik m'n wagon schoonmaakte. Als ik maar had

geweten, dat 't van u was, zou ik 't dadelijk hebben teruggebracht,

maar ik had na u nog een passagier; hij was, met uwés verlof, 'n

beetje sikker, en daarom dacht ik: misschien heeft hij 't laten

vallen. Ik wist ook niet wie 't was en 'k dacht: eerst hier

informeeren en .... daarom, weet u .... geloofde ik...." Dirk verwart

zich in zijn eigen woorden, omdat hij denkt: »Wat zal ik zeggen,

waarom ik 't zoo lang gehouden heb?"--'t Is een akelig ding, dat die

woorden van Mijntje hem zoo voortdurend door 't hoofd spoken.

De baron redt hem uit de verlegenheid door te zeggen:

»Ja!--'t is van mij; 't is geld, dat ik pas van mijn notaris had

ontvangen," en tot de freule: »Zie je, Constance, ik heb door mijn

ziekte er in 't geheel niet meer aan gedacht. 't Zat in mijn valiesje;

dat sloot niet goed en...."

»Dat kan wel wezen, meneer; dan is 't er uitgevallen, toen u

uitstapte: het valies lei open op den grond, dat weet ik, want ik heb

't nog dichtgeknipt, voordat ik 't aan den portier gaf. 't Taschje had

ik niet gezien; anders...."

»Zoo!--dus je vondt 't 's morgens en je zaagt, dat er geld in zat."

Intusschen laat de baron het bankpapier door zijn vingers glijden en

ziet telkens met vriendelijker oogen den manke, die nog altijd met den

hoed in de hand voor hem staat, aan. »'k Weet niet juist meer hoeveel

geld er in was, goeie vrind, maar 't zal wel akkoord wezen."

In dat oogenblik schiet met de snelheid des lichts door Dirks brein de

gedachte: »Hij wist niet hoeveel er in was; je hoeft dus niets te

zeggen van dat vijf-en-twintigje." Maar 't is alsof een inwendige stem

hem toefluistert: »Neen, neen! je moet het juist wel zeggen; doe je

werk niet ten halve," en, eer hij 't zelf weet, zijn hem de woorden

ontsnapt: »Neen, meneer, 't is niet in orde." En hij kleurt als een

jongen, dat voelt hij, als hij er bijvoegt: »Kijkt u maar goed na, dan

zal u wel zien dat ik--hm!--'t spijt me wel--maar..."

De baron heeft nogmaals den inhoud nagezien, en na een oogenblik te

hebben gedacht, zegt hij: »Zoo! Zoo! En hoeveel was dat wel, goeie

vriend?"

»Vijf en twintig gulden, meneer!"

»Hum!" De oude heer richt zijn oogen scherp op den snorder en vraagt

met een zweem van misnoegen in zijn stem: »En waarom deed je dat?"

Een oogenblik is het doodstil in 't vertrek, dan zucht de manke

hoorbaar, diep, draait zijn hoed rond in zijn handen en zegt dan

zachtjes, met trillende stem:

»Ik ben zoo arm!"

Er is iets in de houding van den snorder dat voor hem pleit; hij staat

daar bescheiden, kalm en rustig. De Baron glimlacht met een heimelijke

traan in 't oog en freule Constance, die gedurende het geheele gesprek

den manke goed heeft opgenomen en zijn gelaat, zonder dat hij 't

merkt, trek voor trek bestudeert, slaat een innig meewarigen blik op

den koetsier, die nog steeds zijn hoed in de hand ronddraait en met

alle oplettendheid naar die beweging schijnt te zien.

»Ben je getrouwd?" vraagt zij zacht.

»Ja, juffrouw!"

»En heb je kinderen?"

»Om u te dienen, zeven. Ja! we hebben 't van de winter hard genoeg

want de verdiensten zijn schraal; er zit geen geld onder de menschen

en dan loopen ze, als ze maar even kunnen, u begrijpt dus dat 't geen

vetpot is...."

»Ja dàt kan 'k begrijpen," de freule ziet medelijdend hoofdschuddend

den snorder en dan, vragend, haar vader aan.

»De huisheer had gedreigd om ons op straat te zetten. Midden in den

winter mijn vrouw en kinderen zonder dak te laten, God! dàt kon ik

niet;--vooral niet toen ik opeens zooveel geld in handen kreeg: ik

hoop dus dat u 't me niet kwalijk zal nemen dat ik er wat afnam--maar

ik dacht misschien krijg ik wel zooveel fooi, als ik 't weerom breng.

Kleine Jan was zoo ziek; de huisbaas wou geen uitstel meer geven en

toen..."

»Kom eens hier, man! Hoe heet je?" roept eensklaps de baron, het

verhaal van Dirk afbrekend.

»No. 181; och, neen! Dirk de Vries," is 't verwarde antwoord.

»Kom hier, kerel!" Do oude heer rijst van zijn stoel op en herhaalt

zenuwachtig: »Kom dan!"

Dirk aarzelt en ziet nu eens den ouden heer, dan weer de freule,

verlegen aan.

»Maar kom dan toch bij me!"

De manke nadert.

»Geef me je hand, De Vries! Zoo! 'n fermen handdruk. Zoo! jij bent een

eerlijke vent, hoor! God weet, of ik in jou plaats 't wel zóó had

getracteerd.--Hm! waar woon je? Vertel me eens wat van je familie.--Je

hebt zeker een brave vrouw, hé?"

»Ja, meneer, die heb ik Goddank. 't Is een best wijf, die m'n kinderen

grootbrengt met God en met eere," antwoordt de manke, uit de volheid

zijns harten.

»Dat dacht ik wel.--Constance, schel eens om wat port; laat den man

een stoel nemen, en ga jij hier bij ons zitten.--Kom, vrind! vertel me

nu alles eens. Wat verdien je wel en...?"

Een lange poos zit de manke met den ouden baron te praten; hij

verhaalt hem van Mijntje, van zijn kinderen en eindelijk ook van

Bles--dat dier ligt hem na aan 't hart. »Wil u wel gelooven meneer!

dat hij me als een hondje naloopt, aardig hé? Dat deden alle paarden

die ik gehad heb." Dirks oogen beginnen te glinsteren als hij

vervolgt: »'k heb altijd liefhebberij gehad in mijn vak en toen ik nog

ongetrouwd was en bij baas Halswijk diende, hield ik men span in orde,

dat beloof ik je--maar wat krijg je bij zoo'n snorder onderhanden?

Ouwe dragonders, een enkel afgedankte artillerist, meestal dampig, ja!

als ik weer eens een span goeie Bovenlanders of Friezen mocht rijen,

zou ik nog eens kunnen laten zien, dat 'k weet wat 'n paard is en wat

het toekomt."

Met toenemend welgevallen ziet de oude heer, achterover in zijn stoel

geleund, naar Dirk, die bescheiden, maar zonder schroom, voortgaat met

over paarden en rijtuigen te spreken--telkens weer opnieuw uitgelokt

door een of andere vraag of opmerking van den Baron. Dirk merkt dat

niet maar Freule Constance wèl; zij knikt, achter den snorder staande,

een paar maal levendig met het hoofd, als wilde zij zeggen: »Ik

begrijp u papa--'t is goed wat je wilt doen."

Eindelijk weet de Baron wat hij weten wil, neemt zijn zakdoek, brengt

die even aan 't voorhoofd en zegt tot den snorder:--»En nu, goeie

vrind, wil ik wel weer alleen zijn, ik dank je. Ik word wat moe; 'k

voel toch, dat ik nog zwak ben, maar jou gezicht heeft me heel veel

goedgedaan.--Ziedaar! neem dat mee, dat's voor den eerlijken vinder;

doe mijn groeten aan je vrouw en zeg haar, ze is immers ook van

Overijssel, dat ik een landsman van haar ben--maar pak dan toch aan,

man--dat 's om je kinderen eens te tracteeren. Zeg aan je vrouw, dat

ze een brave vent heeft en dat ze later wel meer van mij hooren

zal--Adieu!" Dirk krijgt nog een ferme handdruk van den Baron en

verlaat het vertrek. Als hij in den corridor staat, ziet hij een

banknoot in zijn hand--nauwelijks gelooft hij zijn oogen.

»Godallemachtig! Honderd gulden!--Nou naar Mijn! Kristenenzielen, wat

zal 't wijf blij zijn!"

Hij stormt de trappen af, en als hij den portier voorbijkomt, vraagt

deze, uit zijn hokje ziende: »Heb je den baron gesproken?"

»Nou! dat zou 'k je verzoeken.--Dag, portier!"

Dirk maakt, dat hij wegkomt.

Of de baron woord hield?

Vraag dat maar eens aan Dirk of liever aan zijn vrouw, die, gedurende

het jaar dat zij in het ruime luchtige koetsiershuis van het

buitengoed »Weijdenstein" boven Zutphen wonen, er welgedaan en gezond

is gaan uitzien. De kinderen groeien als kool, eten als wolven, en er

is altijd genoeg.

Als Dirk zijn zevental dan zoo gelukkig bijeen ziet, denkt hij:

»Vrouw! 't is eigenlijk jou schuld, dat we 't nu zoo goed hebben", en

zijn vrouw zegt dikwijls tegen de kinderen: »Neem een voorbeeld aan

jelui's vader: die is zoo eerlijk als goud!"

Papieren Kinderen: novellen en schetsen · 第 40 / 47 题