»Nou?"
»Kierssen is er geweest."
»Hm!"
»Hij kwam zeggen, dat zijn patroon mooi nijdig is."
»Hm!"
»'t Is nou met mekaar zestien gulden en een stuiver."
»'k Weet het wel, maar 'k heb het niet, vrouw!"
»En ook niets meer om »weg te brengen."[1] Kierssen zei, dat hij, als
Vrijdag 't geld er niet was..."
[1] Naar den lommerd brengen.
»Nou, wat dan?"
»Ons op straat zou zetten. Ik zei nog: »Meneer Kierssen, je weet wel,
dat wij knappe menschen zijn; we hebben je altijd prompt de huur
betaald, maar nou 't zoo slecht is van den winter met de verdiensten,
moest je nog wat geduld hebben en...""
»En wat zei hij?"
»Kierssen zelf is de kwaadste niet. Hij zei: »Ik zou je wel willen
laten wonen, maar ik moet als opzichter doen wat mijn patroon zeit;
laat je man zelf eens naar hem toe gaan.""
»Och! dat geeft toch niets; die huisbazen staan je niet eens te
woord."
»Maar als Kierssen 't nou toch zeit, Dirk?"
»Praatjes! ze steken samen onder één deken.--Breng morgen dien daalder
maar aan den opzichter op afrekening; dat zal..."
»Maar Dirk, er is geen cent meer in huis, en 'k heb al overal op de
lat[1] gehaald: 'k moet toch zorgen, dat de kinderen wat te eten
hebben. Dan moeten Gerrits schoenen worden gehalvezoold; Piet heeft
ook bijna niets aan zijn voeten, en Klaasje heeft geen..."
[1] Op crediet.
»Schei maar uit; ik weet het wel, vrouw, maar ik kan 't niet van mijn
lijf snijen." Dirk wordt knorrig en zijn humeur verergert, als Jantje
onrustig begint te kreunen en eindelijk luidkeels schreeuwt.
»Dat zal me een nachtje geven," bromt hij, terwijl hij zich ontkleedt.
Met de woorden: »'k Moet er morgen weer vroeg uit; hou dat kind toch
stil, Mijn!" stapt hij in bed en kruipt zoo diep mogelijk onder de
oude, dunne dekens.
»Leg mijn jas er nog maar op: 't is vervloekt koud en de kachel heeft
gênacht gezeid," zegt hij tot zijn vrouw, die den schreeuwenden kleine
in haar armen sust en tot bedaren tracht te brengen. Een paar van de
slapende kinderen ontwaken door de pijnlijke kreten van hun broertje,
en de arme, geduldige vrouw is tot laat in den nacht bezig, om zooveel
zij kan de rust te bewaren, die haar man noodig heeft.
Koud en huiverig is Dirk opgestaan; zijn dikke, verkleumde handen
weigeren haar dienst bij 't aankleeden.
Alles slaapt nog in zijn woning, want eindelijk heeft zich ook de
vrouw, met 't zieke kind aan haar borst gedrukt, naast hem kunnen
neerleggen.
Hij moet naar den stal, om zijn vigilante, schoon te maken en in te
spannen; want eerst tusschen acht uur en halfnegen komen de
stationneerende rijtuigen op den Dam of elders, en de snorder kan
juist vóór dien tijd soms een vrachtje krijgen.
't Is nog geheel donker. Hij steekt de lamp aan en wascht zich in 't
keukentje; vóórdat hij vertrekt, wekt hij den oudsten jongen, die om
half acht op de sigarenfabriek moet wezen.
Slaperig wrijft de knaap zich de oogen en hoort hoe zijn vader tot hem
zegt: »Sta op, Gerrit, haal een cent water en vuur en leg de kachel
aan voor je moeder. Laat ze mijn koffie klaarmaken. Als ik in den stal
gedaan heb, rij ik wel even aan om m'n boterham te halen."
* * * * *
Buiten is 't nog bijna nacht; de straatlantarens branden en werpen
haar licht op de hard bevroren sneeuw en de gladgeloopen straat, die
glimt en glinstert, als met diamantpoeder bestrooid.
De baas is reeds op, als Dirk in den stal komt, en de kleine, morsige
jongen, die zoo wat »handje voor alles" is, heeft al een paar
oorvijgen beet, omdat hij nog niet goed wakker is kunnen worden.
»Gêmorgen, Dirk!--Satans koud!" roept de baas hem tegen.
»Nou, baas!"
In den stal brandt een petroleumlamp en verlicht vrij onvoldoende de
kleine ruimte, waar ternauwernood plaats is voor twee paarden en een
bok, die nijdig naar Dirk stoot, als hij naast den uit de ruif
etenden bles gaat staan en zegt: »Komaan, ouwe jongen, eerst zullen we
jou een beetje opknappen en dan de viegelant. Hu! op zij! Hu dan! Heb
je nou nog je bekomst niet, vreetzak?"
Hij roskamt zijn paard, en als hij daarmee gereed is, roept hij tot
den jongen, die tegen de haverkist staat te dutten: »Allo, Jaapie!
geef jij bles nog een emmertje water; dan ga ik den wagen
schoonmaken."
Jaapie rekt zich geeuwend uit en gaat langzaam naar de
waterleidingkraan, zóó langzaam, dat Dirk, die naar het zoogenaamde
koetshuis gaat, hem toeroept: »Kun je nog langzamer?"
»Jawel!" is 't brutale antwoord.
»'k Zal je straks wel krijgen, onbeschofte rekel!--Waar is de
schuier?"
»Vraag 't hem zelf!"
Gelukkig voor Jaapie, hoort de »manke" deze laatste vriendelijke
woorden niet, want hij heeft juist gevonden wat hij zocht en is reeds
begonnen met het afschuieren der rijtuigkussens. Daarna neemt hij de
mat, die op den bodem der vigilante gelegen heeft op, en schudt die
uit.
Als hij haar weer neerleggen wil, voelt hij een voorwerp, dat hij nog
niet had opgemerkt; 't is een klein zwart lederen taschje.
»Hé! wat is dat?" zegt Dirk eensklaps, bijna luid, zoodat Jaapie, die
den emmer met water voor Bles schuins op zijn knie houdt, zijn hoofd
omdraait en vraagt:
»Wat mot je?"
»Niks!"
»'k Dacht, dat je riep."
»Neen!--Kijk naar je emmer."
Haastig stopt de manke het gevonden voorwerp, zonder het verder te
bezien, tusschen zijn boezeroen en baaien borstrok en doet dan, alsof
er niets gebeurd was, zijn werk; alleen fluit hij er nu en dan een
deuntje bij, iets wat anders nooit voorvalt.
Dirk is in spanning, omdat hij begrijpt, dat in het taschje wel iets
van waarde kan zitten; daarom schiet hem de gedachte door 't hoofd:
»Wie weet, of je daar geen fortuintje hebt?" Hij tracht zich zoo
onbevangen mogelijk voor te doen en doet daardoor juist iets
ongewoons, zoodat de baas, die weer in den stal is gekomen, hem
toeroept:
»Nou, jij schijnt van morgen in je knollentuin te wezen."
»Ik, baas?"
»Ja, jij! Je fluit als een merel; dat ben 'k niet van je gewend."
»Hm! Ja! Neen! 'k fluit, omdat 'k zoo koud ben, baas."
»Zoo!"
Een oogenblik denkt Dirk: »Je moet dat taschje aan den baas geven om
te bewaren," maar dadelijk overlegt hij er bij: »Gekheid! eerst kijken
wat er inzit; is 't de moeite waard, dan breng jij 't liever zelf
terug aan den... Blikslagers! van wien zou 't wezen? Van dien zieken
heer voor 't Amstel-Hôtel, of van dien jongen snuiter, die den prins
gesproken had? Hm! misschien zit er wel een adres in of...."
In den stal wil hij er niet naar kijken, want dan loopt hij gevaar,
dat de baas het ziet en--zijn baas neemt veel te graag zelf een fooi
aan.
Eindelijk is hij met schoonmaken gereed en spant in. 't Begint te
schemeren, als hij wegrijdt, en er zijn nog weinig andere menschen op
straat dan werkvolk dat naar karrewei gaat, of reizigers die zich met
haast naar de stations spoeden.
Toch oordeelt hij het beter om zoodra hij kan de Heerengracht op te
rijden.
't Is daar nog doodstil; hij komt er niemand tegen dan den
dienstdoenden politie-agent, die bibberend en koud in den
voorgeschreven pas op de kleine steentjes aan de huizenkant loopt en
hem even toeknikt als antwoord op zijn groet.
Zoodra hij een gracht verder is, laat hij zijn paard stappen, neemt de
leidsels in de eene hand en haalt met de andere het taschje te
voorschijn.
Voorzichtig doet hij 't open en houdt den inhoud, een pakje papier,
tusschen zijn vingers.
»Waarachtig! 't zijn bankies," zegt hij in zichzelf, en terwijl hij
met moeite de cijfers onderscheidt, mompelt hij: »Dat's een vondst!
Een van vijf en twintig. Een, twee, drie van honderd. Allemachtig!
drie, vier, zes, zeven van veertig! Dat's al zeshonderd.--Godzegenme,
één van duizend!"
Het bankpapier ritselt in zijn hand; hij is er van geschrikt, want
zooveel geld heeft hij nog nooit bijeen gezien. »Zestienhonderd en
vijf gulden samen! Geen bagatel," denkt hij, en als hij verder niets
hoegenaamd meer in het taschje vindt, vouwt hij de banknoten weer op
en bergt schielijk een en ander weg,--nu echter tusschen zijn baaien
hemd en het bloote lijf: daar is 't zekerder! Terwijl hij verder rijdt
en werktuiglijk den weg naar den Dam inslaat, denkt hij: »Wie zou dat
verloren hebben?" Hij weet bepaald, dat er niets van dien aard in zijn
vigilante lag, toen hij 's avonds te voren aan het station ging staan,
want even vóór dien tijd heeft hij de mat, omdat er ingeloopen sneeuw
op lag, nog uitgeschud. 't Moet dus van een der twee laatste
passagiers zijn.
Wat zal hij met dat geld doen? Zal hij het naar 't bureau van politie
brengen? »Hum!" overlegt hij bij zichzelf, »'k zal zoo dwaas niet weer
wezen; 'k heb eenmaal een gouden ring gevonden en naar het
politiebureau gebracht; daar is hij afgehaald door den eigenaar en
zelfs geen fooitje is er voor »den manke" overgeschoten; dat doe ik
nooit weer.--Maar wat dan? 't Geld houden, nu en dan een bankje
wisselen?" Hij is 't nog niet met zichzelven eens. »Een bankje van
vijf en twintig, desnoods van veertig gulden, dat zou nog gaan; maar
dat van duizend, dat's te gevaarlijk! En...."
Werktuiglijk is hij voortgereden, zonder zich te herinneren, dat hij
nog thuis zou aanrijden om zijn brood te halen. Hij heeft den Dam
reeds bereikt, als hij er aan denkt. Voorzichtig voelt hij buiten op
zijn jas naar de kleine verhevenheid, die door het verborgen taschje
met bankpapier ontstaat; 't is alsof hij zich telkens opnieuw wil
overtuigen, dat hij waarlijk zooveel geld bij zich heeft.
»Wat zal moeder de vrouw er wel van zeggen, als zij 't hoort", denkt
hij, terwijl hij op den nog duisteren Dam heen en weder rijdt. Hij
glimlacht, want hij weet wel, dat zij zeggen zal: »Dadelijk naar 't
bureau brengen, Dirk! Eerlijk duurt het langst", en--zijn hart klopt:
zóóveel geld en zóó arm!