Toen de diepgetroffen keukenmeid den brief nogmaals doorgelezen had,
veegde zij met haar hand, die nog min of meer zwart was van 't
fornuis, langs wangen, neus en oogen, zich zelve tatouëerend zonder
dat ze 't wist, pakte eensklaps den naast haar zittenden Bijou bij
zijn kop, drukte haar lippen tegen zijn verwilderde gele haren en
snikte: »Ja, stom dier, jij hadt toch wel gelijk, toen je dien Judas
naar z'n beenen vloogt. Ja! kom jij maar hier, stakker; jij zit nou
ook in de serijbel; jij bent een goed beest, maar hij is een valsche
hond; voor mijn part vreten ze 'm derekt op in den Oost--zoo'n Judas!
Verleden week stuurde ik 'm nog een guldens postwissel."
Van af dien gedenkwaardigen middag waren Bijou en Jaantje trouwe
bondgenooten, onafscheidelijke kameraads.