Ongeveer een jaar later was in Stralings huis een groote verandering
ophanden. Sedert een paar dagen was het geheele huishouden in rep en
roer; er zweefde als 't ware een zekere zenuwachtige gejaagdheid in de
lucht, waarvan al de huisgenooten in meerdere of mindere mate den
invloed ondervonden. Mijnheer bleef zooveel te huis als hij maar
eenigszins kon, en 't was opmerkelijk, dat zijn goedhartig gelaat
voortdurend een zonderlinge mengeling van angst en trotsche vreugde
vertoonde, als stond hem een groot geluk te wachten, dat hij met
angstige spanning verbeidde.
Mevrouw had herhaaldelijk geheime onderhandelingen gevoerd met een
groote, dikke vrouw, die een onberispelijke neepjesmuts, een lichte
katoenen japon en een zwartzijden boezelaar droeg, en Jaantje
pruttelde in zich zelve, terwijl zij in de keuken haar werk
verrichtte: »Dat mensch begint me derekt al te commandeeren; ze hangt
me nou al de keel uit. Zoo'n armoede en grootheid! Wat verbeeldt ze
d'r eigen wel?"
Het »mensch", dat Jaantjes ontevredenheid opwekte, was juist weer in
de slaapkamer met Mevrouw aan 't onderhandelen en verzekerde op
stelligen toon: »dat 't vandaag posetief nog gebeuren zou en dat
meneer den meester maar vast moest gaan waarschuwen."
Nog nimmer hadden Maries lieve blauwe oogen zoo vol voldoening en
geluk geschitterd, haar blosje was hooger dan anders en 't blonde haar
»en bandeaux" langs de slapen gelegd en van achteren tot één vlecht
gestrengeld had haar nog nooit zóó goed gestaan als op dien dag.
In een gemakkelijken fauteuil gezeten, zag zij met een zenuwachtig,
maar gelukkig glimlachje naar de baker, die met kalme bedrijvigheid in
de kamer heen en weer drentelde om alles voor de komst van »den
Ooievaar" voor te bereiden; en toen Frits eindelijk binnenkwam en de
onderhandeling stoorde met een: »Alles is in orde, mijn schat", wenkte
Marie haar man tot zich, stak uit de kanten mouwen van haar luchtigen
peignoir beide poezelige handjes naar hem uit en trok toen blozend
zijn bruinen krullebol naar beneden. Eerst kustte zij hem zachtkens op
zijn oor en fluisterde hem toen iets in, dat zijn hart sneller deed
kloppen en op zijn trillende lippen de woorden: »Zou 'k waarachtig zóó
gelukkig zijn,--een jongen?" bracht.
Met de armen onder de borst gekruist zag de baker met half spottenden,
half goedigen glimlach de twee echtgenooten aan en dacht bij zichzelf:
»Dat geeft minstens een gouden tientje, als 't heusch een jongen is."
* * * * *
En...?
't Was een jongen! En wel »een dikke gezonde knaap, als uit meheers
gezicht geformeerd," zooals op den avond van dienzelfden dag de baker
met een hoog wijs gezicht verklaarde, terwijl zij den stamhouder der
Stralings het vanouds gebruikelijke bakkertje opzette, om hem daarna,
stijf ingebakerd als een pakje, aan Papa te vertoonen en met
ongeëvenaarde handigheid het haar dientengevolge heimelijk in de hand
gedrukte goudstukje in den witten zak onder haar japon weg te
goochelen.
Frits was opgewonden van vreugd en geluk; hij had de geheele wereld
wel willen omarmen,--de oude baker incluis.--Een zoon was hij rijk!
Wat kon hij meer verlangen?
Onophoudelijk kwam hij niettegenstaande bakers allengs ernstiger
wordend protest eens even om 't hoekje der kamer kijken, waar Marie,
schoon en liefelijk als een witte roos, sluimerde in 't sierlijke
ledikant en achter de zorgvuldig neergelaten kanten gordijnen haar
eersten droom van moedervreugd droomde, totdat het ontwaken haar de
zekerheid schonk, dat alles werkelijkheid was.
In Stralings huis was plotseling een waas van rustig, vredig geluk
verspreid geworden; 't hing warm en bedwelmend in de vertrekken, waar
't de sprekenden noopte hun stemmen te dempen, en 't hield den al te
snellen voet in gang en portalen terug, opdat geen onnoodig gedruisch
de kalmte mocht verstoren.
* * * * *
Slechts twee wezens gevoelden zich in dat gelukkige huis, op dien dag,
ellendig, misdeeld, ongelukkig en diep-rampzalig: 't waren Bijou en
Jaantje!
Bijou was reeds eenige weken vóórdat de ooievaar op Stralings dak
neerstreek, naar het sousterrain verbannen; zijn rijk in salon en
huiskamer was uit en de liefkoozingen, die in vroegere, betere tijden
met zoo kwistige hand aan hem werden verspild, bepaalden zich sedert
lang reeds tot niet meer dan een gedachteloos aaien, een strijken over
zijn kop of rug, als had de hand, die het deed, slechts werktuiglijk
een oude gewoonte gevolgd.
Een mand met een stuk karpet, in den kelder geplaatst, diende hem nu
des nachts tot legerstede, en hij, die vroeger sybaritisch in Maries
schoot of op de knieën van Frits zijn siësta hield, moest zich thans
tevredenstellen met den schoot en den vettigen bonten boezelaar van
Jaantje, die niet langer zijn aartsvijandin was.
Het ongeluk had hen samengebracht, beproeving en smart hen tot
vrienden gemaakt.
Hoe dat gekomen was? Eenvoudig zóó!
Enkele dagen na Bijou's verbanning naar 't sousterrain had de
brievenbesteller onder etenstijd een ongefrankeerden brief gebracht
van Tienus, die sedert ruim een maand naar een ander garnizoen was
overgeplaatst. Jaantje betaalde met vreugd de tien cents porto, want
haar liefdevol hart klopte teeder en warm, toen zij het adres had
gelezen; en zonder verwijl opende zij het couvert om aan de
keukentafel zittend, tusschen een restant kalfsgehakt en een bord met
bloemkool, waarvan ze enkele minuten geleden nog met smaak iets had
genuttigd, de hartsgeheimen en de ontboezemingen van haar getrouwen
cavalerist te lezen. »'t Volk" zat nog aan 't dessert, en daarom had
ze tijd genoeg, vóórdat er gescheld werd om af te nemen.
Toen zij den brief had geopend en ontvouwde, viel er iets uit en in de
bloemkoolsaus. 't Was een portret,--haar eigen beeltenis. Zij had nog
vijf gelijke en gelijkvormige in voorraad van 't half dozijn, dat de
photograaf had vervaardigd ter eere van Tienus.
Ze schrikte, vischte het kaartje met duim en vinger uit de saus, zei:
»Jaan, wat gebeurt je nou" en likte met kloppend hart »haar beeltenis"
haastig af.
Wat moest dat beteekenen? Zij begon over haar geheele lichaam te
beven; de zenuwen werden haar de baas, zoo zelfs, dat ze een oogenblik
niets hoorde of zag.
Bijou maakte dadelijk van Jaantjes verwarring gebruik; hij sprong op
een stoel, daarna op tafel en bespaarde in minder dan geen tijd der
keukenmeid de moeite, haar gehakt op te eten; vervolgens ontfermde hij
zich over de bloemkool, en eerst toen hij »niet meer kon", bleef hij
tegenover Jaantje, die met door tranen verduisterde oogen op Tienus'
brief zat te staren, zitten en sloeg met zijn staart een zachten
roffel op de tafel, als kwispelde hij zichzelf een »bravo" toe over 't
volvoerd boevenstuk. Terwijl hij zijn zwarten snoet welbehaaglijk
aflikte, keek hij met schuins gehouden kop belangstellend naar zijn
overbuur, alsof hij zeggen wilde: »Wat mankeert jou?"
Wat haar mankeerde?--Alles!--Zij had den brief gelezen en haar minnend
hart was op 't punt van te breken; hevig zwoegde onder 't opgespelde
eva'tje de eerlijke boezem, waarop Tienus' hoofd in een doublé
medaillon nog altijd schommelde.
't Rood van Jaantjes wangen was van glimmend karmijn eensklaps tot
bleekgrijs steenrood overgegaan en aan haar wimpers parelden dikke
druppels, die afwisselend langs den tip van haar neus en over de
heuvelen harer wangen afvloeiden. Zij herlas Tienus' schrijven
langzaam, bij ieder woord ophoudend om te zuchten of te snikken.
Bijou keek haar meelijdend aan en krabde met zijn rechterachterpoot
zijn oor, als wilde hij zeggen: »Jaan! Jaan! dat is een ijselijkheid
voor je." Toen kwam hij nader, legde zijn poot op haar arm en keek
onbescheiden mee in den brief.--»Mejuvfrou", schreef Tienus. Ach! dat
ééne woord had onmiddellijk aan de arme Jaantje _alles_ gezegd;
vroeger schreef hij immers: »Zwaar beminde Jaan," en nu: »Mejuvfrou."
O! 't was verschrikkelijk, verpletterend! Vooral de verdere inhoud van
den epistel gaf haar den genadeslag.
»Hierbij U petret in Dank terug, U gouwe Dasspeld en de
Sarrifarie aan mijn kettink zel ik maar als gedagtenis
bewaare. Het zal Uw wel speiten, als dat ik uw nu schrijft,
dat van trouwe Voorshans geen sprake zijn ken, overwegens ik
heeft overgeteekent voor den Oost, bij de Artlerie en
vermits wij Zirka twee jaar met genoeglijkheit samen heeft
verkeerd zoo ken ik niet nalaate om uw Voorspoet en Geluk te
wensen, allerwegens, Zoo verblijf ik uw Dwillege vrient
vroeger u minnaar
MARTINUS PLUIT.