V.

Ongeveer een jaar later was in Stralings huis een groote verandering

ophanden. Sedert een paar dagen was het geheele huishouden in rep en

roer; er zweefde als 't ware een zekere zenuwachtige gejaagdheid in de

lucht, waarvan al de huisgenooten in meerdere of mindere mate den

invloed ondervonden. Mijnheer bleef zooveel te huis als hij maar

eenigszins kon, en 't was opmerkelijk, dat zijn goedhartig gelaat

voortdurend een zonderlinge mengeling van angst en trotsche vreugde

vertoonde, als stond hem een groot geluk te wachten, dat hij met

angstige spanning verbeidde.

Mevrouw had herhaaldelijk geheime onderhandelingen gevoerd met een

groote, dikke vrouw, die een onberispelijke neepjesmuts, een lichte

katoenen japon en een zwartzijden boezelaar droeg, en Jaantje

pruttelde in zich zelve, terwijl zij in de keuken haar werk

verrichtte: »Dat mensch begint me derekt al te commandeeren; ze hangt

me nou al de keel uit. Zoo'n armoede en grootheid! Wat verbeeldt ze

d'r eigen wel?"

Het »mensch", dat Jaantjes ontevredenheid opwekte, was juist weer in

de slaapkamer met Mevrouw aan 't onderhandelen en verzekerde op

stelligen toon: »dat 't vandaag posetief nog gebeuren zou en dat

meneer den meester maar vast moest gaan waarschuwen."

Nog nimmer hadden Maries lieve blauwe oogen zoo vol voldoening en

geluk geschitterd, haar blosje was hooger dan anders en 't blonde haar

»en bandeaux" langs de slapen gelegd en van achteren tot één vlecht

gestrengeld had haar nog nooit zóó goed gestaan als op dien dag.

In een gemakkelijken fauteuil gezeten, zag zij met een zenuwachtig,

maar gelukkig glimlachje naar de baker, die met kalme bedrijvigheid in

de kamer heen en weer drentelde om alles voor de komst van »den

Ooievaar" voor te bereiden; en toen Frits eindelijk binnenkwam en de

onderhandeling stoorde met een: »Alles is in orde, mijn schat", wenkte

Marie haar man tot zich, stak uit de kanten mouwen van haar luchtigen

peignoir beide poezelige handjes naar hem uit en trok toen blozend

zijn bruinen krullebol naar beneden. Eerst kustte zij hem zachtkens op

zijn oor en fluisterde hem toen iets in, dat zijn hart sneller deed

kloppen en op zijn trillende lippen de woorden: »Zou 'k waarachtig zóó

gelukkig zijn,--een jongen?" bracht.

Met de armen onder de borst gekruist zag de baker met half spottenden,

half goedigen glimlach de twee echtgenooten aan en dacht bij zichzelf:

»Dat geeft minstens een gouden tientje, als 't heusch een jongen is."

* * * * *

En...?

't Was een jongen! En wel »een dikke gezonde knaap, als uit meheers

gezicht geformeerd," zooals op den avond van dienzelfden dag de baker

met een hoog wijs gezicht verklaarde, terwijl zij den stamhouder der

Stralings het vanouds gebruikelijke bakkertje opzette, om hem daarna,

stijf ingebakerd als een pakje, aan Papa te vertoonen en met

ongeëvenaarde handigheid het haar dientengevolge heimelijk in de hand

gedrukte goudstukje in den witten zak onder haar japon weg te

goochelen.

Frits was opgewonden van vreugd en geluk; hij had de geheele wereld

wel willen omarmen,--de oude baker incluis.--Een zoon was hij rijk!

Wat kon hij meer verlangen?

Onophoudelijk kwam hij niettegenstaande bakers allengs ernstiger

wordend protest eens even om 't hoekje der kamer kijken, waar Marie,

schoon en liefelijk als een witte roos, sluimerde in 't sierlijke

ledikant en achter de zorgvuldig neergelaten kanten gordijnen haar

eersten droom van moedervreugd droomde, totdat het ontwaken haar de

zekerheid schonk, dat alles werkelijkheid was.

In Stralings huis was plotseling een waas van rustig, vredig geluk

verspreid geworden; 't hing warm en bedwelmend in de vertrekken, waar

't de sprekenden noopte hun stemmen te dempen, en 't hield den al te

snellen voet in gang en portalen terug, opdat geen onnoodig gedruisch

de kalmte mocht verstoren.

* * * * *

Slechts twee wezens gevoelden zich in dat gelukkige huis, op dien dag,

ellendig, misdeeld, ongelukkig en diep-rampzalig: 't waren Bijou en

Jaantje!

Bijou was reeds eenige weken vóórdat de ooievaar op Stralings dak

neerstreek, naar het sousterrain verbannen; zijn rijk in salon en

huiskamer was uit en de liefkoozingen, die in vroegere, betere tijden

met zoo kwistige hand aan hem werden verspild, bepaalden zich sedert

lang reeds tot niet meer dan een gedachteloos aaien, een strijken over

zijn kop of rug, als had de hand, die het deed, slechts werktuiglijk

een oude gewoonte gevolgd.

Een mand met een stuk karpet, in den kelder geplaatst, diende hem nu

des nachts tot legerstede, en hij, die vroeger sybaritisch in Maries

schoot of op de knieën van Frits zijn siësta hield, moest zich thans

tevredenstellen met den schoot en den vettigen bonten boezelaar van

Jaantje, die niet langer zijn aartsvijandin was.

Het ongeluk had hen samengebracht, beproeving en smart hen tot

vrienden gemaakt.

Hoe dat gekomen was? Eenvoudig zóó!

Enkele dagen na Bijou's verbanning naar 't sousterrain had de

brievenbesteller onder etenstijd een ongefrankeerden brief gebracht

van Tienus, die sedert ruim een maand naar een ander garnizoen was

overgeplaatst. Jaantje betaalde met vreugd de tien cents porto, want

haar liefdevol hart klopte teeder en warm, toen zij het adres had

gelezen; en zonder verwijl opende zij het couvert om aan de

keukentafel zittend, tusschen een restant kalfsgehakt en een bord met

bloemkool, waarvan ze enkele minuten geleden nog met smaak iets had

genuttigd, de hartsgeheimen en de ontboezemingen van haar getrouwen

cavalerist te lezen. »'t Volk" zat nog aan 't dessert, en daarom had

ze tijd genoeg, vóórdat er gescheld werd om af te nemen.

Toen zij den brief had geopend en ontvouwde, viel er iets uit en in de

bloemkoolsaus. 't Was een portret,--haar eigen beeltenis. Zij had nog

vijf gelijke en gelijkvormige in voorraad van 't half dozijn, dat de

photograaf had vervaardigd ter eere van Tienus.

Ze schrikte, vischte het kaartje met duim en vinger uit de saus, zei:

»Jaan, wat gebeurt je nou" en likte met kloppend hart »haar beeltenis"

haastig af.

Wat moest dat beteekenen? Zij begon over haar geheele lichaam te

beven; de zenuwen werden haar de baas, zoo zelfs, dat ze een oogenblik

niets hoorde of zag.

Bijou maakte dadelijk van Jaantjes verwarring gebruik; hij sprong op

een stoel, daarna op tafel en bespaarde in minder dan geen tijd der

keukenmeid de moeite, haar gehakt op te eten; vervolgens ontfermde hij

zich over de bloemkool, en eerst toen hij »niet meer kon", bleef hij

tegenover Jaantje, die met door tranen verduisterde oogen op Tienus'

brief zat te staren, zitten en sloeg met zijn staart een zachten

roffel op de tafel, als kwispelde hij zichzelf een »bravo" toe over 't

volvoerd boevenstuk. Terwijl hij zijn zwarten snoet welbehaaglijk

aflikte, keek hij met schuins gehouden kop belangstellend naar zijn

overbuur, alsof hij zeggen wilde: »Wat mankeert jou?"

Wat haar mankeerde?--Alles!--Zij had den brief gelezen en haar minnend

hart was op 't punt van te breken; hevig zwoegde onder 't opgespelde

eva'tje de eerlijke boezem, waarop Tienus' hoofd in een doublé

medaillon nog altijd schommelde.

't Rood van Jaantjes wangen was van glimmend karmijn eensklaps tot

bleekgrijs steenrood overgegaan en aan haar wimpers parelden dikke

druppels, die afwisselend langs den tip van haar neus en over de

heuvelen harer wangen afvloeiden. Zij herlas Tienus' schrijven

langzaam, bij ieder woord ophoudend om te zuchten of te snikken.

Bijou keek haar meelijdend aan en krabde met zijn rechterachterpoot

zijn oor, als wilde hij zeggen: »Jaan! Jaan! dat is een ijselijkheid

voor je." Toen kwam hij nader, legde zijn poot op haar arm en keek

onbescheiden mee in den brief.--»Mejuvfrou", schreef Tienus. Ach! dat

ééne woord had onmiddellijk aan de arme Jaantje _alles_ gezegd;

vroeger schreef hij immers: »Zwaar beminde Jaan," en nu: »Mejuvfrou."

O! 't was verschrikkelijk, verpletterend! Vooral de verdere inhoud van

den epistel gaf haar den genadeslag.

»Hierbij U petret in Dank terug, U gouwe Dasspeld en de

Sarrifarie aan mijn kettink zel ik maar als gedagtenis

bewaare. Het zal Uw wel speiten, als dat ik uw nu schrijft,

dat van trouwe Voorshans geen sprake zijn ken, overwegens ik

heeft overgeteekent voor den Oost, bij de Artlerie en

vermits wij Zirka twee jaar met genoeglijkheit samen heeft

verkeerd zoo ken ik niet nalaate om uw Voorspoet en Geluk te

wensen, allerwegens, Zoo verblijf ik uw Dwillege vrient

vroeger u minnaar

MARTINUS PLUIT.

Papieren Kinderen: novellen en schetsen · 第 27 / 47 题