VI.

't Doopmaal was allergezelligst geweest; een klein, maar uitgelezen

gezelschap had aan den rijk voorzienen disch alle eer bewezen en

gedurende het dessert was de jongeheer Straling als een rooskleurige

»bonbon" in een wolk van witte kant, op een sierlijk kussen, door de

deftig in zwarte zijde gehulde baker aan de gasten vertoond. Men had

op zijn wangetjes getikt, onder zijn kinnetje »kiele kiele!" gedaan en

op zijn klein neusje met den vinger heen en weer gewiegeld, totdat het

hem begon te vervelen en hij een keel opzette, die een der gasten tot

de opmerking verleidde: »'n Stem als een klok, hoor!" en den dominee,

die de eer had genoten hem te doopen de deftige woorden ontlokte: »'t

Ventje heeft zich van morgen in de kerk uitmuntend gedragen; we kunnen

hem dus nu zijn protesteeren van harte vergeven."

»Wat 'n wonder!" riep oom Harmsen, die zijn glas Champagne noch vol,

noch ledig liet staan, »'t wurm sliep als een marmot; jammer genoeg,

want je hebt 'm hartelijk toegesproken, dominee." En toen de predikant

min of meer zuurzoet, maar toch statig glimlachend antwoordde:

»Gezegend zij die slapen kunnen als de kinderkens." voegde de joviale

zeeman er bij: »Ja, tusschenbeide is zoo'n tukkie in de kerk niet

onlekker.--Maar gekheid op een stokje, dominee, ik kan wel niet tegen

je optornen wat de welbespraaktheid betreft, maar ik wou toch wel een

paar woorden zeggen, om mijn neef Frits en zijn dot van 'n

wijf--Marie, dat 's een lijntje à part met jou, hoor! Daar ga je!" hij

dronk even een glas Moët--»hartelijk te feliciteeren. 't Heeft wel

vijf jaren geduurd, eer jelui dat knaapje van stapel lieten loopen,

maar 't ziet er van voren en van achteren goed uit, en daarom: Lang

zal het leven! Nu er eenmaal een begin is, zul je zien, dat er geen

ophouden aan is. Frits!--Marie!"

Oom nam zijn glas op en boog zich over de tafel, om met de jonge

ouders te klinken.

»Nou zachtjes aan, hoor jongens! dan breekt het lijntje niet; één voor

één asjeblieft en geen filipientjes er bij. Leve de stamhouder, Hiep,

Hiep! Hoera!"

* * * * *

»Hoor ze daarboven ereis aangaan! Wat 'n herrie om zoo'n wurm!--Dat

mensch met die zwarte samaar an, maakt er alleenig nog een goed

slaatje uit en ik blijf nuchter van de fooien," pruttelde Jaantje, die

in de keuken met Bijou op haar schoot bij de tafel zat. Onverschillig

staarde zij op een bord met een stuk taart en tevergeefs vonkte een

glas Champagne haar verleidelijk toe. Zij had geen sjenie in taart,

zij lustte geen »sampanje", want in haar ziel was 't nacht,

stikdonkere nacht gebleven, sedert de cavalerist zoo wreedaardig haar

hart had gebroken.

Met zachte hand liefkoosde zij Bijou en sprak: »Jou kunnen ze nou ook

missen als kiespijn, arme sukkel!" Met een blik vol weemoedig

verlangen keek de hond naar 't bord met taart, als dacht hij: »Tienus

had met dat brokje wel raad geweten; voor mij is 't te groot, maar 'k

zou toch mijn best doen, als 'k mocht."--»Daar, stumperd, proef maar

eens: 't is roomtaart," zuchtte Jaantje, terwijl zij, als raadde zij

Bijou's verlangen, hem een stukje van 't gebak vereerde.

Haar gramschap over Tienus' ontrouw had zich langzamerhand opgelost in

een stil, maar hartverterend verdriet, in een weemoedig herdenken aan

die tijden van Olim, waarin haar 't kletteren van sporen en zwaard als

muziek in de ooren had geklonken. Zij kon de cavalerie nog maar niet

vergeten, hoeveel moeite ze daar ook toe deed, hoeveel eerlijk

gemeende pogingen zij ook aanwendde.

Toch was er voor haar eenig licht gekomen in de zwarte duisternis van

haar gemoed, want sedert het 6e regiment infanterie de plaats van de

dragonders had ingenomen, was des avonds tusschen licht en donker aan

de deur van het onderhuis een »ko'praal" verschenen, die aan »juffrouw

Jaantje" met militair salut had verkondigd, dat zij, door een kennis,

aan hem »gerikmedeerd was als een geschikt meissie voor 'n milletèr."

»'t Is in 't geheel geen onknap persoon,--is 't wel Besjoe?--maar 'n

piot--daar kan ik zoo in eens niet toe besluiten," zei de gevoelige

keukenmeid tegen haar bondgenoot, die in haar kuischen schoot

knipoogend zijn verloren Paradijs weinig scheen te betreuren en

behaaglijk geeuwend de tong tegen haar uitstak, toen ze 't woord tot

hem richtte.

»'k Zal 'm nog maar geen uitsluitsel geven en wij zullen maar bij

mekaar blijven, hé stom dier! En als ik t'avond of te morgen

verhuis,--want 't wordt me hier veelste druk met dien

schreeuwleelijk,--dan ga jij met Jaantje mee, arme stakkerd." In een

aanval van teederheid greep zij een van Bijou's voorpooten en drukte

dien als ware 't een vriendenhand.

De hond jankte even en trok zijn pootje terug, een beweging die zijn

vriendin deed zeggen: »'t Is zonde, da's waar ook, je heit een zeeren

poot, en dat is notabene de schuld van je eigen baas: hij most z'n

eigen schamen om jou zoo te schoppen. Kom hier, m'n beessie, ik zal je

ereis wrijven; dan wordt 't beter.--Zóó, m'n hondje, zóó! Dat doet je

goed, hé?"

Was dàt waar? Had Frits zich zoover kunnen vergeten om zijn vroegeren

lieveling wreedaardig een schop te geven?

Ja! en de eerlijkheid gebiedt te erkennen, dat Bijou die kastijding

had verdiend.

Waarschijnlijk was het den banneling opgevallen, dat hij zijn

achteruitzetting niet geheel en al aan zijn uitspattingen te danken

had, maar dat er zich iemand tusschen hem en zijn pleegouders had

weten in te dringen, aan wien hij het te danken had, dat hij nu

letterlijk als een hond werd behandeld. Hij zou geen rechtschapen dier

zijn geweest, wanneer hij niet tot elken prijs daarvan de zekerheid

had zoeken te erlangen. In een onbewaakt oogenblik had hij het

sousterrain verlaten en een verkenningstocht naar zijn vroeger rijk

ondernomen.

Onbemerkt naderde hij tot aan de huiskamer; op den drempel bleef hij

staan en stak zijn kop nieuwsgierig om 't hoekje van de deur.

Wat hij dáár aanschouwde, was meer dan voldoende om zijn toorn gaande

te maken.

Daar zat »de vrouw," stralend van geluk, blozend van gezondheid in den

fauteuil, waarvan hij de zachte zitting maar al te goed kende; en op

zijn plaats, in haar schoot spartelde een klein rooskleurig wezen,

dat zij met een blik vol innige teederheid beschouwde en liefkoozend

toesprak.

Dat was te veel, te tergend; met één sprong was hij in de kamer. Een

kort, scherp, droog blaffen ontsnapte hem eer hij 't zelf wist, en met

een toornigen gloed in zijn donkere oogen trachtte hij tegen dien

verraderlijken schoot op te springen om aan het kleine wezen, dat hem

ongelukkig maakte, zijn blikkerende tanden te toonen en hem kort en

vinnig toe te blaffen: »Jij was 't dus, jij! Om jou ben ik

verstooten."

»Marie! Marie! pas op dien hond: hij is jaloersch; hou 't kind weg!"

riep Frits, die tegenover zijn vrouwtje zat, en haastig opstaande,

diende hij Bijou een schop toe, die hem hinkend en jankend, in aller

ijl de kamer deed verlaten.

Jaloersch! ja, helsch jaloersch was Bijou; hij kon het kleine kind

niet zetten, en zoodra het toevallig op moeders arm in zijn nabijheid

kwam, gromde en blafte hij of liet de tanden zien.

»Als 't niet mogelijk is om dien hond uit de kamers te houden, moet

hij weg, de deur uit," bromde Frits tegen Jaantje, die als goede

kameraad voor Bijou partij trok door te zeggen: »Dat kan uwes geen

meenens wezen, meheer; 't stomme dier heit er toch geen part of deel

an, dat er 'n kleintje gekommen is." Die logische opmerking ontwapende

Frits' gramschap en behoedde Bijou voor 't wegjagen.

De keukenmeid, die met de werkster niet meer over Tienus sprak, omdat

zij eens gezegd had: »'t is de peine nog al waard om over zoo'n

paarderijer zoo te kremieten", hechtte zich uit verfijnd egoïsme hoe

langer hoe meer aan den kleinen hond, die dankbaar was voor de

beentjes en het brood dat Jaantje hem verstrekte. Soms nam zij hem des

avonds, als ze »uit 'r werk was", op den schoot en kamde hem met haar

eigen kam, omdat »'t beessie er zóó boschduvelig uitzag, dat 't

rejeel schande was voor 'n deftig huis"; en terwijl ze zijn geele

haren ontwarde, dacht ze aan den rossigen knevel van Tienus, en

zuchtend vertelde ze aan Bijou van die »ondankbare honden van

cavalleristen". Dan leefde zij in de bitterzoete herinnering aan 't

geen Tienus eenmaal voor haar was, en overlegde in de binnenkameren

van haar hart, of de infanterie wel ooit geheel in staat zou zijn om

haar droefheid te lenigen.

Slechts korten tijd mocht de arme hond zich nog in Jaantjes

bescherming verheugen; een nieuwe, zware beproeving wachtte hem.

Bijna zes maanden lang was zijn vriendin treurend gebleven, maar de

tijd heelt met zijn kalme, genezende hand zelfs de diepste

hartewonden, vooral wanneer hij een helper vindt in langzaam

ontluikende nieuwe sympathieën, waartoe door een beminnend individu de

eerste kiem met geduld is gelegd.

Een kaartlegster had eenmaal aan Jaantje uit hartenboer, vereenigd met

ruiten zeven en klaveren heer, voorspeld, »dat zij zooveul als een

voorbeschikking had om in 't Milletère verkeering te hebben." De

sybille had goed gezien, want na zes maanden van leed en droefheid

rukte de infanterie, die haar met ijzeren volharding was blijven

belegeren, triomfantelijk binnen de bolwerken van haar boezem en

bezette dáár het vroegere kwartier van de cavalerie.

Nu heette hij Janus, was donker van uitzicht, tenger van postuur en

»ko'praal bij 't 6e."

Hoewel minder zwaar van bouw en niet zoo krijgshaftig van uiterlijk

als Tienus, bleek hij toch evengoed te kunnen beminnen en ontwikkelde

hij een eetlust, welke, fabelachtig groot, dien van zijn voorganger

verre overtrof.

Bijou beschouwde, van den dag af dat »de ko'praal" zijn eerste kliek

aan Jaantjes zijde verorberde, zich als zijn vriend, sprong wellevend

tegen de infanterie-pantalon op en likte zelfs het zijdgeweer des

krijgers. Helaas! zijn toenadering werd niet gewaardeerd. Janus

onthaalde hem op een »allo vort!" en verklaarde, al kauwend, aan zijn

uitverkorene, »dat hij 't zuur ân honden had."

Opnieuw had de arme Bijou gelegenheid om kennis te maken met 't

egoïsme van den mensch, want met den dag verkoelde Jaantjes

genegenheid en al naarmate haar liefde voor »den ko'praal" grooter

werd, verminderde haar vriendschap voor den armen Bijou, die

eindelijk, treurig en alleen, soms dagen achtereen, in 't sousterrain

ronddoolde. Zijn mand met 't stuk karpet zag hij niet meer; hij sliep

dus afwisselend in den turfbak, den kolenemmer of achter 't fornuis,

en soms wentelde hij zich grimmig in 't kolengruis, als wilde hij zich

in den rouw steken over zijn eigen verval. Zijn eten?--Hij stal het.

O! 't was ver, zeer ver met hem gekomen!

Soms waagde hij zich tersluiks een oogenblik naar boven om als een

Peri aan de poorten van 't paradijs nog eens die verloren heerlijkheid

te aanschouwen. Dan keek hij met sprekende blikken naar binnen, als

wilde hij vragen: »Ontferm u over mij, heb medelijden; ik was toch

ééns uw lieveling. Wanneer zal de tijd mijner beproeving voorbij

zijn?"

* * * * *

Het had er inderdaad iets van alsof die tijd van beproeving voor Bijou

tot in eeuwigheid zou verlengd worden, want zijn plaatsvervanger werd

hoe langer hoe grooter en begon reeds op handen en voeten over de

vloerkleeden te kruipen, zoodat zelfs de hond schik kreeg in het

kleine menschje, dat hem--den viervoeter--zoo natuurlijk nabootste en

nu en dan, op zijn beide handjes steunend, het hoofdje ophief en tegen

Mama lachend: »Ma-Ma," stamelde.

Bijou zou ongetwijfeld naar binnen zijn geloopen om, alle jaloezie en

afgunst vergetend, met den kleinen jongen te gaan stoeien, indien de

herinnering aan Frits' bottine hem niet had teruggehouden; daarom

bepaalde hij er zich toe om van uit de verte toe te zien en van tijd

tot tijd, als niemand op hem lette, zijn voorpooten en kop vooruit te

brengen, heel zachtjes even blaffend een korten sprong voorwaarts te

doen en dan ijlings weer achteruit te springen, in de hoop dat de

jonge wereldburger hem zou zien en den eersten stap tot verzoening en

toenadering doen.

Eenige maanden verliepen, zonder dat er verandering in Bijou's lot

kwam; verstooten en verwaarloosd sleepte hij zijn leven voort, totdat

een onverwachte gebeurtenis verandering in zijn toestand bracht.

Op een namiddag was oom Harmsen even komen kijken hoe zijn peetekindje

het maakte, en de goede man verheugde zich met »Mama" over de

omstandigheid, dat de stamhouder aanhoudend pogingen deed om »het

staan", dat hij al sedert lang verstond, in loopen te veranderen.

»Potdori, Marie! daar steekt hij waarachtig van wal. Hou je roer

recht, jongen! Ferm zoo! toe maar! Zorg dat je koers houdt," riep

vroolijk lachend de oude zeekapitein, toen hij zag, dat 't jonge

mensch zijn standplaats bij den fauteuil verliet en naar Marie, die

van de canapé haar armen naar hem uitstrekte, kwam toewaggelen.

»Hij is er! Dat's 'n kerel als Cats.--Marie, ik feliciteer je."

»Dank u, oom! Kom, beste jongen, nu nog eens geprobeerd. Nu naar oom;

toe dan!"

»Komaan maat, zeil maar voor 't lapje weg," riep oom en stak de handen

uit.

»Waf!--waf! waf!" Bijou, die aan de deur had staan, kijken, kon 't nu

niet langer uithouden; hij wilde meedoen aan dat spelletje, dat hem

zoo aardig toescheen, 't kostte dan wat het kostte! En hij stormde

eensklaps naar binnen.

Blaffend sprong hij tegen den kleinen man op, en deze, tegen dien

schok nog niet bestand, wankelde, verloor zijn evenwicht, viel op den

grond en rolde over Bijou heen.

»O God! oom! Gauw! gauw! Die hond is zoo jaloersch. Akiss! vort! Hij

zal 't kind kwaad doen," gilde Marie haastig opspringend.

»Da!--da!" riep de kleine lachend, en in 't minst niet verschrikt of

angstig greep hij Bijou bij den kop en drukte zijn eigen blond

krullebolletje tegen de vuilgele met kolenstof bezoedelde haren van

den hond, die uit alle macht de wangen van Straling junior likte.

»Wat praat je van jaloersch? Er is geen kwaad aan boord bij dien hond,

hoor! Kijk maar, ze zijn al dikke vrinden; 'n verduiveld aardig

gezicht om die twee daar met mekaar te zien rollebollen. Kijk dien

kleinen rakker hem eens in z'n wammes nemen. Nou, 't is een lobbes van

'n hond, wat ik je zeg! Die doet je jongen waarachtig geen kwaad; laat

ze maar gerust met mekaar spelen.--Toe dan, Bijou, hou je goed,--pak

ze.--Ha! ha! daar duikelt hij waarachtig over z'n kop," riep oom

Harmsen, die schik had in de evolutiën van hond en petekind en lachend

voegde hij er bij: »Maar als ik je een raad schuldig mag wezen, laat

't mormel dan eerst eens wasschen."

»Neen, maar oom! nu wordt het heusch te erg, hij zal 't kind

bezeeren", riep de jonge moeder, die toch nog met een zekere angst in

't hart toekeek en nu verschillende pogingen deed om Bijou en 't kind

te scheiden.

»Allo! marsch jij, vort! Toe oom, help me dan toch eens. Vort,

Bijou!--Ze laten elkaar niet los.--Oom, kom dan toch?"

»Waarom? Laat ze maar begaan."

»Toe, ventje, kom jij maar weer bij Mama--'t is nu genoeg"--zei

Marie, en trachtte den kleinen man op haar schoot te tillen.

Maar neen!--de jongeheer had er nog niet »genoeg" van, hij zette een

keel op, spartelde met handen en voeten tegen, en de hond sprong zoo

vriendelijk kwispelstaartend om haar heen, dat zij eindelijk wel

toegeven moest en de twee speelmakkers met een: »Nu, ga dan in

Godsnaam jelui gang maar", te zamen op den grond zette.

Juist kwam Frits binnen, en toen hij daar vóór zich op 't vloerkleed

dat aardige groepje zag en Marie met Oom zoo hartelijk hoorde lachen

om de zonderlinge geluiden, die het stoeiend tweetal voortbracht, riep

hij vroolijk: »Zoo is 't goed. Toe maar, jongens!--Marie, wat dunkt

je: zullen wij den vriend van onzen zoon maar niet weer in genade

aannemen?"

* * * * *

Een paar weken later zat Bijou, netjes geschoren en gewasschen, deftig

op zijn oude plaats in het salon en zag oplettend naar zijn vriend,

die op Mama's schoot in Zondagstenue werd gestoken; maar intusschen

zei Jaantje tot den infanterist, die na kerktijd even was komen

aanwippen en in de keuken front maakte voor een restant vleesch,

groente en aardappelen, dat de liefde hem opgewarmd als lunch aanbood:

»Janus, ik ga verhuizen; 't is hier reëel in huis niet meer uit te

houwen, want nou heb ik twee mormels te bedienen in plaats van één. 't

Volk lijkt wel gek daarboven: verbeeld je, 's middags zitten Besjoe en

't kind ieder op een stoel aan tafel tusschen de ouwe lui in! Zoo ies

kan geen fatsoenlijke meid verdragen!"

Papieren Kinderen: novellen en schetsen · 第 29 / 47 题