't Doopmaal was allergezelligst geweest; een klein, maar uitgelezen
gezelschap had aan den rijk voorzienen disch alle eer bewezen en
gedurende het dessert was de jongeheer Straling als een rooskleurige
»bonbon" in een wolk van witte kant, op een sierlijk kussen, door de
deftig in zwarte zijde gehulde baker aan de gasten vertoond. Men had
op zijn wangetjes getikt, onder zijn kinnetje »kiele kiele!" gedaan en
op zijn klein neusje met den vinger heen en weer gewiegeld, totdat het
hem begon te vervelen en hij een keel opzette, die een der gasten tot
de opmerking verleidde: »'n Stem als een klok, hoor!" en den dominee,
die de eer had genoten hem te doopen de deftige woorden ontlokte: »'t
Ventje heeft zich van morgen in de kerk uitmuntend gedragen; we kunnen
hem dus nu zijn protesteeren van harte vergeven."
»Wat 'n wonder!" riep oom Harmsen, die zijn glas Champagne noch vol,
noch ledig liet staan, »'t wurm sliep als een marmot; jammer genoeg,
want je hebt 'm hartelijk toegesproken, dominee." En toen de predikant
min of meer zuurzoet, maar toch statig glimlachend antwoordde:
»Gezegend zij die slapen kunnen als de kinderkens." voegde de joviale
zeeman er bij: »Ja, tusschenbeide is zoo'n tukkie in de kerk niet
onlekker.--Maar gekheid op een stokje, dominee, ik kan wel niet tegen
je optornen wat de welbespraaktheid betreft, maar ik wou toch wel een
paar woorden zeggen, om mijn neef Frits en zijn dot van 'n
wijf--Marie, dat 's een lijntje à part met jou, hoor! Daar ga je!" hij
dronk even een glas Moët--»hartelijk te feliciteeren. 't Heeft wel
vijf jaren geduurd, eer jelui dat knaapje van stapel lieten loopen,
maar 't ziet er van voren en van achteren goed uit, en daarom: Lang
zal het leven! Nu er eenmaal een begin is, zul je zien, dat er geen
ophouden aan is. Frits!--Marie!"
Oom nam zijn glas op en boog zich over de tafel, om met de jonge
ouders te klinken.
»Nou zachtjes aan, hoor jongens! dan breekt het lijntje niet; één voor
één asjeblieft en geen filipientjes er bij. Leve de stamhouder, Hiep,
Hiep! Hoera!"
* * * * *
»Hoor ze daarboven ereis aangaan! Wat 'n herrie om zoo'n wurm!--Dat
mensch met die zwarte samaar an, maakt er alleenig nog een goed
slaatje uit en ik blijf nuchter van de fooien," pruttelde Jaantje, die
in de keuken met Bijou op haar schoot bij de tafel zat. Onverschillig
staarde zij op een bord met een stuk taart en tevergeefs vonkte een
glas Champagne haar verleidelijk toe. Zij had geen sjenie in taart,
zij lustte geen »sampanje", want in haar ziel was 't nacht,
stikdonkere nacht gebleven, sedert de cavalerist zoo wreedaardig haar
hart had gebroken.
Met zachte hand liefkoosde zij Bijou en sprak: »Jou kunnen ze nou ook
missen als kiespijn, arme sukkel!" Met een blik vol weemoedig
verlangen keek de hond naar 't bord met taart, als dacht hij: »Tienus
had met dat brokje wel raad geweten; voor mij is 't te groot, maar 'k
zou toch mijn best doen, als 'k mocht."--»Daar, stumperd, proef maar
eens: 't is roomtaart," zuchtte Jaantje, terwijl zij, als raadde zij
Bijou's verlangen, hem een stukje van 't gebak vereerde.
Haar gramschap over Tienus' ontrouw had zich langzamerhand opgelost in
een stil, maar hartverterend verdriet, in een weemoedig herdenken aan
die tijden van Olim, waarin haar 't kletteren van sporen en zwaard als
muziek in de ooren had geklonken. Zij kon de cavalerie nog maar niet
vergeten, hoeveel moeite ze daar ook toe deed, hoeveel eerlijk
gemeende pogingen zij ook aanwendde.
Toch was er voor haar eenig licht gekomen in de zwarte duisternis van
haar gemoed, want sedert het 6e regiment infanterie de plaats van de
dragonders had ingenomen, was des avonds tusschen licht en donker aan
de deur van het onderhuis een »ko'praal" verschenen, die aan »juffrouw
Jaantje" met militair salut had verkondigd, dat zij, door een kennis,
aan hem »gerikmedeerd was als een geschikt meissie voor 'n milletèr."
»'t Is in 't geheel geen onknap persoon,--is 't wel Besjoe?--maar 'n
piot--daar kan ik zoo in eens niet toe besluiten," zei de gevoelige
keukenmeid tegen haar bondgenoot, die in haar kuischen schoot
knipoogend zijn verloren Paradijs weinig scheen te betreuren en
behaaglijk geeuwend de tong tegen haar uitstak, toen ze 't woord tot
hem richtte.
»'k Zal 'm nog maar geen uitsluitsel geven en wij zullen maar bij
mekaar blijven, hé stom dier! En als ik t'avond of te morgen
verhuis,--want 't wordt me hier veelste druk met dien
schreeuwleelijk,--dan ga jij met Jaantje mee, arme stakkerd." In een
aanval van teederheid greep zij een van Bijou's voorpooten en drukte
dien als ware 't een vriendenhand.
De hond jankte even en trok zijn pootje terug, een beweging die zijn
vriendin deed zeggen: »'t Is zonde, da's waar ook, je heit een zeeren
poot, en dat is notabene de schuld van je eigen baas: hij most z'n
eigen schamen om jou zoo te schoppen. Kom hier, m'n beessie, ik zal je
ereis wrijven; dan wordt 't beter.--Zóó, m'n hondje, zóó! Dat doet je
goed, hé?"
Was dàt waar? Had Frits zich zoover kunnen vergeten om zijn vroegeren
lieveling wreedaardig een schop te geven?
Ja! en de eerlijkheid gebiedt te erkennen, dat Bijou die kastijding
had verdiend.
Waarschijnlijk was het den banneling opgevallen, dat hij zijn
achteruitzetting niet geheel en al aan zijn uitspattingen te danken
had, maar dat er zich iemand tusschen hem en zijn pleegouders had
weten in te dringen, aan wien hij het te danken had, dat hij nu
letterlijk als een hond werd behandeld. Hij zou geen rechtschapen dier
zijn geweest, wanneer hij niet tot elken prijs daarvan de zekerheid
had zoeken te erlangen. In een onbewaakt oogenblik had hij het
sousterrain verlaten en een verkenningstocht naar zijn vroeger rijk
ondernomen.
Onbemerkt naderde hij tot aan de huiskamer; op den drempel bleef hij
staan en stak zijn kop nieuwsgierig om 't hoekje van de deur.
Wat hij dáár aanschouwde, was meer dan voldoende om zijn toorn gaande
te maken.
Daar zat »de vrouw," stralend van geluk, blozend van gezondheid in den
fauteuil, waarvan hij de zachte zitting maar al te goed kende; en op
zijn plaats, in haar schoot spartelde een klein rooskleurig wezen,
dat zij met een blik vol innige teederheid beschouwde en liefkoozend
toesprak.
Dat was te veel, te tergend; met één sprong was hij in de kamer. Een
kort, scherp, droog blaffen ontsnapte hem eer hij 't zelf wist, en met
een toornigen gloed in zijn donkere oogen trachtte hij tegen dien
verraderlijken schoot op te springen om aan het kleine wezen, dat hem
ongelukkig maakte, zijn blikkerende tanden te toonen en hem kort en
vinnig toe te blaffen: »Jij was 't dus, jij! Om jou ben ik
verstooten."
»Marie! Marie! pas op dien hond: hij is jaloersch; hou 't kind weg!"
riep Frits, die tegenover zijn vrouwtje zat, en haastig opstaande,
diende hij Bijou een schop toe, die hem hinkend en jankend, in aller
ijl de kamer deed verlaten.
Jaloersch! ja, helsch jaloersch was Bijou; hij kon het kleine kind
niet zetten, en zoodra het toevallig op moeders arm in zijn nabijheid
kwam, gromde en blafte hij of liet de tanden zien.
»Als 't niet mogelijk is om dien hond uit de kamers te houden, moet
hij weg, de deur uit," bromde Frits tegen Jaantje, die als goede
kameraad voor Bijou partij trok door te zeggen: »Dat kan uwes geen
meenens wezen, meheer; 't stomme dier heit er toch geen part of deel
an, dat er 'n kleintje gekommen is." Die logische opmerking ontwapende
Frits' gramschap en behoedde Bijou voor 't wegjagen.
De keukenmeid, die met de werkster niet meer over Tienus sprak, omdat
zij eens gezegd had: »'t is de peine nog al waard om over zoo'n
paarderijer zoo te kremieten", hechtte zich uit verfijnd egoïsme hoe
langer hoe meer aan den kleinen hond, die dankbaar was voor de
beentjes en het brood dat Jaantje hem verstrekte. Soms nam zij hem des
avonds, als ze »uit 'r werk was", op den schoot en kamde hem met haar
eigen kam, omdat »'t beessie er zóó boschduvelig uitzag, dat 't
rejeel schande was voor 'n deftig huis"; en terwijl ze zijn geele
haren ontwarde, dacht ze aan den rossigen knevel van Tienus, en
zuchtend vertelde ze aan Bijou van die »ondankbare honden van
cavalleristen". Dan leefde zij in de bitterzoete herinnering aan 't
geen Tienus eenmaal voor haar was, en overlegde in de binnenkameren
van haar hart, of de infanterie wel ooit geheel in staat zou zijn om
haar droefheid te lenigen.
Slechts korten tijd mocht de arme hond zich nog in Jaantjes
bescherming verheugen; een nieuwe, zware beproeving wachtte hem.
Bijna zes maanden lang was zijn vriendin treurend gebleven, maar de
tijd heelt met zijn kalme, genezende hand zelfs de diepste
hartewonden, vooral wanneer hij een helper vindt in langzaam
ontluikende nieuwe sympathieën, waartoe door een beminnend individu de
eerste kiem met geduld is gelegd.
Een kaartlegster had eenmaal aan Jaantje uit hartenboer, vereenigd met
ruiten zeven en klaveren heer, voorspeld, »dat zij zooveul als een
voorbeschikking had om in 't Milletère verkeering te hebben." De
sybille had goed gezien, want na zes maanden van leed en droefheid
rukte de infanterie, die haar met ijzeren volharding was blijven
belegeren, triomfantelijk binnen de bolwerken van haar boezem en
bezette dáár het vroegere kwartier van de cavalerie.
Nu heette hij Janus, was donker van uitzicht, tenger van postuur en
»ko'praal bij 't 6e."
Hoewel minder zwaar van bouw en niet zoo krijgshaftig van uiterlijk
als Tienus, bleek hij toch evengoed te kunnen beminnen en ontwikkelde
hij een eetlust, welke, fabelachtig groot, dien van zijn voorganger
verre overtrof.
Bijou beschouwde, van den dag af dat »de ko'praal" zijn eerste kliek
aan Jaantjes zijde verorberde, zich als zijn vriend, sprong wellevend
tegen de infanterie-pantalon op en likte zelfs het zijdgeweer des
krijgers. Helaas! zijn toenadering werd niet gewaardeerd. Janus
onthaalde hem op een »allo vort!" en verklaarde, al kauwend, aan zijn
uitverkorene, »dat hij 't zuur ân honden had."
Opnieuw had de arme Bijou gelegenheid om kennis te maken met 't
egoïsme van den mensch, want met den dag verkoelde Jaantjes
genegenheid en al naarmate haar liefde voor »den ko'praal" grooter
werd, verminderde haar vriendschap voor den armen Bijou, die
eindelijk, treurig en alleen, soms dagen achtereen, in 't sousterrain
ronddoolde. Zijn mand met 't stuk karpet zag hij niet meer; hij sliep
dus afwisselend in den turfbak, den kolenemmer of achter 't fornuis,
en soms wentelde hij zich grimmig in 't kolengruis, als wilde hij zich
in den rouw steken over zijn eigen verval. Zijn eten?--Hij stal het.
O! 't was ver, zeer ver met hem gekomen!
Soms waagde hij zich tersluiks een oogenblik naar boven om als een
Peri aan de poorten van 't paradijs nog eens die verloren heerlijkheid
te aanschouwen. Dan keek hij met sprekende blikken naar binnen, als
wilde hij vragen: »Ontferm u over mij, heb medelijden; ik was toch
ééns uw lieveling. Wanneer zal de tijd mijner beproeving voorbij
zijn?"
* * * * *
Het had er inderdaad iets van alsof die tijd van beproeving voor Bijou
tot in eeuwigheid zou verlengd worden, want zijn plaatsvervanger werd
hoe langer hoe grooter en begon reeds op handen en voeten over de
vloerkleeden te kruipen, zoodat zelfs de hond schik kreeg in het
kleine menschje, dat hem--den viervoeter--zoo natuurlijk nabootste en
nu en dan, op zijn beide handjes steunend, het hoofdje ophief en tegen
Mama lachend: »Ma-Ma," stamelde.
Bijou zou ongetwijfeld naar binnen zijn geloopen om, alle jaloezie en
afgunst vergetend, met den kleinen jongen te gaan stoeien, indien de
herinnering aan Frits' bottine hem niet had teruggehouden; daarom
bepaalde hij er zich toe om van uit de verte toe te zien en van tijd
tot tijd, als niemand op hem lette, zijn voorpooten en kop vooruit te
brengen, heel zachtjes even blaffend een korten sprong voorwaarts te
doen en dan ijlings weer achteruit te springen, in de hoop dat de
jonge wereldburger hem zou zien en den eersten stap tot verzoening en
toenadering doen.
Eenige maanden verliepen, zonder dat er verandering in Bijou's lot
kwam; verstooten en verwaarloosd sleepte hij zijn leven voort, totdat
een onverwachte gebeurtenis verandering in zijn toestand bracht.
Op een namiddag was oom Harmsen even komen kijken hoe zijn peetekindje
het maakte, en de goede man verheugde zich met »Mama" over de
omstandigheid, dat de stamhouder aanhoudend pogingen deed om »het
staan", dat hij al sedert lang verstond, in loopen te veranderen.
»Potdori, Marie! daar steekt hij waarachtig van wal. Hou je roer
recht, jongen! Ferm zoo! toe maar! Zorg dat je koers houdt," riep
vroolijk lachend de oude zeekapitein, toen hij zag, dat 't jonge
mensch zijn standplaats bij den fauteuil verliet en naar Marie, die
van de canapé haar armen naar hem uitstrekte, kwam toewaggelen.
»Hij is er! Dat's 'n kerel als Cats.--Marie, ik feliciteer je."
»Dank u, oom! Kom, beste jongen, nu nog eens geprobeerd. Nu naar oom;
toe dan!"
»Komaan maat, zeil maar voor 't lapje weg," riep oom en stak de handen
uit.
»Waf!--waf! waf!" Bijou, die aan de deur had staan, kijken, kon 't nu
niet langer uithouden; hij wilde meedoen aan dat spelletje, dat hem
zoo aardig toescheen, 't kostte dan wat het kostte! En hij stormde
eensklaps naar binnen.
Blaffend sprong hij tegen den kleinen man op, en deze, tegen dien
schok nog niet bestand, wankelde, verloor zijn evenwicht, viel op den
grond en rolde over Bijou heen.
»O God! oom! Gauw! gauw! Die hond is zoo jaloersch. Akiss! vort! Hij
zal 't kind kwaad doen," gilde Marie haastig opspringend.
»Da!--da!" riep de kleine lachend, en in 't minst niet verschrikt of
angstig greep hij Bijou bij den kop en drukte zijn eigen blond
krullebolletje tegen de vuilgele met kolenstof bezoedelde haren van
den hond, die uit alle macht de wangen van Straling junior likte.
»Wat praat je van jaloersch? Er is geen kwaad aan boord bij dien hond,
hoor! Kijk maar, ze zijn al dikke vrinden; 'n verduiveld aardig
gezicht om die twee daar met mekaar te zien rollebollen. Kijk dien
kleinen rakker hem eens in z'n wammes nemen. Nou, 't is een lobbes van
'n hond, wat ik je zeg! Die doet je jongen waarachtig geen kwaad; laat
ze maar gerust met mekaar spelen.--Toe dan, Bijou, hou je goed,--pak
ze.--Ha! ha! daar duikelt hij waarachtig over z'n kop," riep oom
Harmsen, die schik had in de evolutiën van hond en petekind en lachend
voegde hij er bij: »Maar als ik je een raad schuldig mag wezen, laat
't mormel dan eerst eens wasschen."
»Neen, maar oom! nu wordt het heusch te erg, hij zal 't kind
bezeeren", riep de jonge moeder, die toch nog met een zekere angst in
't hart toekeek en nu verschillende pogingen deed om Bijou en 't kind
te scheiden.
»Allo! marsch jij, vort! Toe oom, help me dan toch eens. Vort,
Bijou!--Ze laten elkaar niet los.--Oom, kom dan toch?"
»Waarom? Laat ze maar begaan."
»Toe, ventje, kom jij maar weer bij Mama--'t is nu genoeg"--zei
Marie, en trachtte den kleinen man op haar schoot te tillen.
Maar neen!--de jongeheer had er nog niet »genoeg" van, hij zette een
keel op, spartelde met handen en voeten tegen, en de hond sprong zoo
vriendelijk kwispelstaartend om haar heen, dat zij eindelijk wel
toegeven moest en de twee speelmakkers met een: »Nu, ga dan in
Godsnaam jelui gang maar", te zamen op den grond zette.
Juist kwam Frits binnen, en toen hij daar vóór zich op 't vloerkleed
dat aardige groepje zag en Marie met Oom zoo hartelijk hoorde lachen
om de zonderlinge geluiden, die het stoeiend tweetal voortbracht, riep
hij vroolijk: »Zoo is 't goed. Toe maar, jongens!--Marie, wat dunkt
je: zullen wij den vriend van onzen zoon maar niet weer in genade
aannemen?"
* * * * *
Een paar weken later zat Bijou, netjes geschoren en gewasschen, deftig
op zijn oude plaats in het salon en zag oplettend naar zijn vriend,
die op Mama's schoot in Zondagstenue werd gestoken; maar intusschen
zei Jaantje tot den infanterist, die na kerktijd even was komen
aanwippen en in de keuken front maakte voor een restant vleesch,
groente en aardappelen, dat de liefde hem opgewarmd als lunch aanbood:
»Janus, ik ga verhuizen; 't is hier reëel in huis niet meer uit te
houwen, want nou heb ik twee mormels te bedienen in plaats van één. 't
Volk lijkt wel gek daarboven: verbeeld je, 's middags zitten Besjoe en
't kind ieder op een stoel aan tafel tusschen de ouwe lui in! Zoo ies
kan geen fatsoenlijke meid verdragen!"