III.

Bijou was, 't bleek allengs zonder eenigen twijfel, van zeer bijzonder

plebeïschen oorsprong. Zijn vader--hij had hem nooit gekend--was

vermoedelijk een fikhond geweest, terwijl zijn moeder, naar

menschelijke berekening, meer tot het smoushondensoort scheen te

hebben behoord. Van haar had hij waarschijnlijk het lange geelgrijze

haar en de snuggere oogen gekregen, terwijl zijn vader meer bepaald

schuld had aan zijn lompe pooten en den zonderlingen vorm van staart

en snoet, die beide voor die van een smoushond te spits en voor die

van een fik te stomp waren.

Opvoeding had hij hoegenaamd niet genoten en van zindelijkheid nog

niet het minste besef, zoodat hij een voortdurende ergernis bleef in

Jaantjes oogen. De eerbare keukenmeid was dan ook, van af het

oogenblik zijner komst in Stralings woning, zijn gezworen vijandin,

vooral ook omdat Mevrouw zich niet ontzag, de reinheidsovertredingen

van Bijou op rekening van Jaantjes nalatigheid te schuiven.

Niettegenstaande de tegenwerking van de keukenmeid, groeide de hond

een weinig en wist hij zich door allerlei kleine, behendige greepjes

in 't hart van Marie en door den weeromstuit in dat van Frits een

vaste plaats te veroveren.

Een rood halsbandje, hem door zijn meesteres vereerd, wekte in den

beginne zijn afkeer en toorn in hooge mate op en herhaaldelijk was

hij, bij zijn pogingen om zijn hals van dat versiersel te ontdoen, op

het punt zich aan zelfmoord te bezondigen. Aan alles went men echter

op den duur, zoo ook Bijou aan zijn halsband.

Langzamerhand verloor hij iets van zijn nestharen en onzindelijke

manieren, en nadat hij, drie maanden na zijn opneming bij 't

kinderlooze echtpaar, de kunstbewerking van »'t half geschoren

worden" had ondergaan, was hij in zooverre een presentabele hond

geworden, dat hij op een Zondagmiddag na 't dessert aan oom Harmsen,

die bij de Stralings had gedineerd, kon worden voorgesteld.

»Wel, oom!" vroeg Marie, toen Bijou de kamer intrippelde, »is 't geen

aardig diertje geworden? Wat blijft hij lief klein, hé! En schrander

is hij, o!"

Oom nam zonder een woord van lof of blaam te vroeg te verspillen »het

aardige diertje" in zijn nekvel, zoodat het zijn roode tong

vervaarlijk ver uitstrekte en zijn oogjes van onder de lange gele

haren naar voren puilden, bekeek het met aandacht en kennis van zaken

en zette het daarna voor Maries voeten op den grond, terwijl hij de

gedenkwaardige woorden uitte: »'t Is een monster!"

Frits lachte, dat de tranen hem over de oogen liepen, en Marie nam

Bijou, die met een schuinschen blik angstig naar oom Harmsen zag, op

haar schoot en kuste zijn zwarten snoet, terwijl ze half knorrig, half

lachend, zei: »Kom jij maar hier, m'n beestje; ik vind je lief, hoor!

Stoor je maar niet aan oom Bullebak!--Dáár heb je een koekje van de

vrouw."

Oom zweeg, haalde tegen Frits, die stil voor zich in zijn baard zat te

lachen, de schouders op en dacht bij zichzelf: »Ieder zijn meug."

't Dient ter eere van Bijou gezegd, dat hij, naarmate hij ouder werd

en fatsoenlijker, zijn uiterste best deed om de liefkoozingen van »de

vrouw" te verdienen. Geen oogenblik liet hij haar alleen; waar zij

was, was ook hij en met stoïcijnsche gelatenheid liet hij zich

herhaaldelijk van al de trappen rollen, omdat hij Maries peignoir bij

den sleep had aangepakt en zijn buit niet losliet, vóór hij

holderdebolder zijn meesteres was nagekogeld.

Was zij van huis geweest, dan zat hij haar deftig op 't kussen in de

vensterbank af te wachten, en zoodra hij slechts het tipje van haar

neus te zien kreeg, kwam zijn staart in geweldige ontroering terwijl

hij de zonderlingste blijdschapstonen uitte die een hondenkeel ooit

voortbracht. In Maries schoot vergat Bijou gewoonlijk des avonds de

vermoeienissen van den dag en droomde van een zalig niets doen, zooals

alleen een verwend schoothondje droomen kan.

Frits, verre van jaloersch te zijn op den kleinen tiran, die zich

tusschen zijn vrouw en hem had ingedrongen, begon van lieverlede even

gek te worden op »'t monster", dat van zijn kant die toenadering

waardeerde en spoedig met evenveel blijdschap »den baas" begroette als

»de vrouw".

»'t Is om je te bedoen," verzekerde Jaantje, rood van kwaadheid, tegen

haar vertrouwelinge, de werkster: »daar zit me nou 's middags dat

mormel, tusschen meneer en mevrouw in, aan tafel. Ja! zoo waarachtig

als ik hier voor je sta, m'n goeie mensch! Eerst zat ie op den grond,

maar nou moet ik, God beter't, al een stoel voor 'm klaarzetten 's

middags. 't Mankeert er nog maar aan, dat 'k voor 'm dekken moet ook."

Inderdaad het was zoo, Bijou had het ver gebracht, zéér ver: hij zat

deftig 's middags mee aan tafel op een stoel met een voetkussen er op

als verhooging, tusschen zijn twee getrouwe vazallen in. Maar hij was

ook zoo verbazend aardig, die kleine dwingeland; 't was zoo grappig om

te zien, hoe hij telkens met zijn pootje op Maries arm tikte en zoo

vleiend zijn brutale bedelaarsneus nu eens links dan rechts naar zijn

buren wendde. 't Was heusch alsof hij guitig knipoogde tegen dengeen,

die hem 't eerst wat gaf.

Frits en Marie vermaakten zich met hun kleinen dischgenoot, die

onvermoeid was in 't dankbaar aannemen.

't Is onberekenbaar hoeveel dankbaarheid een hondenmaag kan bevatten,

en Bijou was zóó dankbaar, dat hij liever aan tafel zou zijn

doodgebleven dan één enkele bete te weigeren, die Maries slanke

vingers of de vork van Frits hem aanboden. Na tafel hield hij, om geen

naijver op te wekken zijn siësta beurtelings bij »den baas" en bij »de

vrouw", die iederen dag meer schik in hun lieveling kregen en zich

geduldig onder zijn schepter kromden.

* * * * *

Bijou regeerde dus bijna despotisch in den huize Straling, maar--niet

overal. In de keuken was zijn macht zeer beperkt, schier nul, want

Jaantje was en bleef zijn geslagen vijandin. Zij kon »het mormel",

volgens haar eigen getuigenis, »niet luchten of zien, en zou hem"--'t

waren haar eigen woorden--»wel ereis geknauwd hebben, als ze maar

gedurfd had vanwegens 't volk." Was 't alleen de herinnering aan de

talrijke »akefietjes," die Bijou haar eertijds bezorgd had, waardoor

het hart der brave Jaantje zoo onvrouwelijk vol bitteren haat klopte?

O! neen, de oorzaak van haar afkeer had een veel dieperen grond, een

geldiger oorzaak:--de cavalerie!

Sedert ruim een jaar namelijk, had de brave keukenmeid een eerlijke

verkeering met Tienus, een cavalerist, die, omdat hij oppasser was van

den k'rnèl en bekend stond als knap, fatsoenlijk en finaal vrij van

sterken drank, des Zondagsavonds, als 't Jaantjes thuisblijfdag was,

in de keuken mocht komen om....?

Ook een keukenmeid draagt in den vollen boezem een gevoelig, warm

kloppend hart, en een rechtgeaard cavalerist weet dat te waardeeren,

voornamelijk op avonden dat 't stil is en rustig in huis en »'t volk"

boven zit te schemeren.

Waarschijnlijk was het een gevolg van Bijou's bloedmenging of een

erfelijkheid van vader of moeders kant, dat hij een buitengewonen

afkeer had van de cavalerie-uniform. Reeds bij zijn eerste intrede in

Stralings huis, in 't prilste van zijn jeugd, had hij daarvan de

doorslaandste bewijzen gegeven, door woedend blaffend en keffend op de

vetleeren laarzen van den »finaal-vrijen dragonder" aan te vliegen en

daardoor Jaantje de wreedaardige uitnoodiging op de lippen te leggen:

»Geef hem 'n doodschop, Tienus!"

De dappere krijgsman echter behandelde zijn kleinen vijand

grootmoedig, tilde Bijou eenvoudig op bij zijn staart en zette hem in

't kolenhok, waar hij zich na tallooze vruchtelooze pogingen ter

ontsnapping eindelijk huilend en jankend in 't gruis ter ruste legde,

om den volgenden morgen als een onooglijk vies en zwart ondier te

voorschijn te komen en Jaantje een strenge berisping van Mevrouw op

den hals te halen.

Bijou kon waarschijnlijk dien vreeselijken nacht in de kolen nooit

vergeten; zijn hondenhart zon op wraak.

De vetleeren laarzen en de lakensche cavalerie-pantalon met lederen

inzetsels waren hem, zooals hij had ondervonden te machtig, en zijn

eigen staart was hem te dierbaar om een tweeden aanval op Tienus te

durven wagen; daarom bepaalde hij zich voortaan alleen tot een kort,

knorrig brommen, wanneer hij 's Zondagsavonds de nadering van Jaantjes

vriend bespeurde; maar hevig blaffend en brommend stoof hij naar de

kamerdeur, wanneer hij op andere dagen door zijn neus of ooren

gewaarschuwd werd, dat de cavalerie in aantocht of binnengerukt was.

Juist die »verraaierlijkheid" kon Jaantje niet verdragen, zij deed

haar maagdelijk hart schier bersten van toorn, en toen zij eenige

malen door Bijou's vriendelijke tusschenkomst van Mevrouw »een

compelement" had gekregen, omdat Tienus op andere dagen dan de

gepermitteerde in de keuken was geweest, ten einde zich over

ettelijke kliekjes te ontfermen, zei ze tot haar uitverkoren held:

»Tienus, als jij een kerel bent, dan draai je dien Judas van een

Besjoe gewoon z'n nek om."

»'k Zal 'm bij gelegenheid wel ereis waarnemen," was 't antwoord

geweest van den dragonder, die met zijn vlakke rechterhand de

overblijfselen van een karbonade uit zijn rossigen knevel verwijderde,

om daarna op Jaantjes bolle wangen twee vette afdrukken achter te

laten, toen hij haar ijlings verlaten moest, omdat »die stinkende

hond" boven op eens zoo aanging en Mevrouw in aantocht was, ten einde

te komen zien, of Bijoutje 't weer bij 't rechte eind had.

Ditmaal gelukte het der cavalerie nog om tijdig den aftocht te blazen

en zei de keukenmeid, met oogen glinsterend van voldoening: »Ziet uwé

nou wel, Mevrouw, dat die lieve Besjoe drukte maakt voor niemendal?"

Papieren Kinderen: novellen en schetsen · 第 24 / 47 题